J.
Reading edition
J, džei; J(udge); J(udge) A(dvocate); Jac(ob); Jan(uary); Jav(anese); J(esus) C(hrist); J(uris) C(ivilis) D(octor); Jos(eph); Josh(ua) = Jozua; J. P. = Justice of the Peace = vrederechter; J(unio)r; Jul(y); Jun(e); Juris(prudence); J-pen = soort v. stalen pen.
Jab, džab, steken; steek: He jabbed his pen-knife into the table.
Jabber, džabə, subst. gekakel, gebabbel; Jabber verb. kakelen, wauwelen: He was jabbering nonsense by the yard = kraamde heel wat onzin uit; Jabberer.
Jabers, džabəz: By jabers! = alle duivels!
Jabez, džeibəz.
Jacent, džeis’nt, liggende.
Jacinth, džeisinth, džasinth, hyacint.
Jack, džak, verkleinwoord van John; jongmaatje, bediende, lummel, snaak, matroos, boer (in het kaartspel), mannetje, man, (jonge) snoek, halve of vierde pint, bok voor een braadspit, zaagbok, laarzeknecht, lederen bierhouder, dommekracht, doel (in balspel), prikkel, wig, vlaggetje, enz.; Jack verb. opschroeven, afschaven: Black jack = een groote kruik of kan; Cheap jacks were bawling their wares = standwerkers (= kooplui op een markt); Every (man) jack of them = het heele zoodje, allen zonder uitzondering; Fresh water jack = nieuweling, baar; Jack Ketch = de beul; Jack Pudding = Jan Klaassen, hansworst; Jack Sprat = dreumes, wijsneus; Jack Tar = pekbroek; A good Jack makes a good Gill = zoo man, zoo vrouw; Before a man can say Jack Robinson = als de wind; Jack, Tom and Harry = jan en alleman; Jack-a-dandy = fatje; Jack-all-general = factotum; Jack-at-a-pinch = invaller, behulp, noodhulp; Jack-by-the-hedge = look zonder look; Jack-in-the-box = duiveltje in een doosje; Jack-in-the-green = potsierlijk uitgedoste figuur bij het Meifeest der schoorsteenvegers; Jack-in-office = belachelijk, gewichtig doend ambtenaartje; Jack-o’-lantern = dwaallicht; Jack of all trades is of no trade = twaalf ambachten, dertien ongelukken; Jack-on-both-sides = weerhaan; Jackass = mannetjesezel; Jackass-rabbit = groote prairiehaas; Jack-block = bramreepblok; Jack-boots = waterlaarzen, rijlaarzen met een bovenstuk voor kniebedekking; Jackdaw = kauw of kerkkauw; Jackflag = geus, boegsprietvlag; Jack-knife = groot knipmes; Jackplane = eerste (en ruwste) schaaf van den schrijnwerker; Jack-screw = dommekracht; Jack-staff = geuzestok; Jack-straw = stroopop (fig.); Jacks = een geduldspel, de stokjes hiervoor; Jack-towel = (grove) handdoek op rol; Jack-tree = Indische broodboom; Jacky = verkleinw. v. Jack.
Jackal, džakôl, subst. jakhals; handlanger, verklikker; adj. gemeen.
Jackanapes, džakəneips, aap, brutaaltje.
Jackaroo, džakərû, nieuweling, baar (Australië).
Jacket, džakət, subst. buis, jekkertje, omhulsel, mantel, vel, pels, huid; Jacket verb. met een jacket bekleeden, of “wat op ’t jak geven”: Potatoes boiled in their jackets = ongeschild gekookt; They are hardly out of jackets = hebben pas eene lange broek aan; To dust (thrash, trim) a person’s jacket = een pak slaag geven; He got a sound jacketing = zijn buis werd flink uitgeklopt (fig.).
Jacob, džeikəb, Jacob: Jacob’s ladder, speerkruid; touwladder met houten sporten; Jacob’s membrane = buitenste vlies van de retina; Jacob’s staff = krukstok, pelgrimsstaf, ijzeren voet van een instrument voor het meten van hoogten en afstanden; Jacobean, džakəbîən, uit den tijd van James I; Jacobin, džakəbin, subst. Dominikaner; Jacobijn; adj. Jacobijnsch; Jacobite, džakəbait, aanhanger van Jacobus II en diens zoon; Jacobus, džəkoubəs, gouden munt van 25 sh. uit den tijd van Jac. II.
Jaconet, džakənet, jaconnet.
Jacquard, džəkâd, džakəd: Jacquard loom = Jacquard weefgetouw.
Jacqueline, džak(w)əlin; Jacques, džakwəs, džeikwîz.
Jaculator, džakjuleitə, spuitvisch; Jaculatory prayer = schietgebedje.
Jade, džeid, subst. (oude) knol, soort v. stier, oud wijf, wildzang, slet; nephriet, bittersteen; Jade verb. verachten, voor den gek houden, afjakkeren; Jadish, Jady = weerspannig, slecht, liederlijk.
Jag, džag, subst. kerf, tand, prikkel, uitstekende punt; pak, vracht, hoeveelheid koren, stroo, etc., stuk in den kraag; Jag verb. kerven, tanden: Jagged (= Jaggy) = getand, met kepen, met schaarden, scherp; subst. Jaggedness; Jagger = getand wieltje of rolletje = Jagging-iron.
Jagg(h)e(r)ry, džagəri, soort v. Oost-Ind. palmboom = Jagg(h)e(r)ry-palm.
Jaguar, džagwâ, džagjuâ, džagwâ, jaguar.
Jah, džâh, Jehova.
Jail, džeil, gevangenis, kerker; Jail verb. kerkeren; Jail-bird = boef; Jail-fever = (typheuse) hospitaalkoorts; Jailer = cipier.
Jake, džeik, Jaap.
Jalap, džaləp, džoləp, jalappe.
Jalouse, džəlûz, verb. verdenken.
Jalousie, Fr. uitspr., jalouzie.
Jam, džam, subst. gelei, iets zoets (liefs), snoes; iets voortreffelijks; gedrang, opstopping; titel van sommige Br.-Ind. hoofden; soort v. mousseline, kinderjurk; Jam verb. duwen, drukken, neer- of indrukken, fijn maken, klemmen, knellen: The lid jammed a little = het deksel knelde; The cartridge is jammed = zit vastgekneld.
Jamaica, džəmeikə, Jamaica (rum).
Jamb, džam, stijl van deur of raam, etc.
Jambok, džambok, lange zweep van nijlpaardenhuid (Z.-Afr.).
Jamboree, džambərî, gloeiende fuif.
James, džeimz; Jameson, džeims’n; Jamieson, džeimis’n.
Jampan, džampan, door vier mannen gedragen draagstoel (Japan); Jampanee, džampənî, draagstoeldrager.
Jane, džein, Janna, Jaantje; Janet, dženət, Jansje.
Jangle, džaŋgl, subst. gekibbel, geharrewar, geratel, wanklank; Jangle verb. kibbelen, onaangenaam klinken, ontstemmen; Jangler.
Janitor, džanitə, portier, custos.
Janizary, džanizəri, janizəri, Janitschaar (soldaat van een in 1826 ontbonden Turksche garde).
Jansenism, džansənism, Jansenisme; Jansenist = Jansenist; adj. Jansenistisch.
January, džanjuəri, Januari: Not till a hot January = met St. Juttemis.
Janus, džeinəs, Janus; Janus-cloth = stof aan twee kanten gelijk.
Jap, džap, (verkorting van Japanese), Japanees; jongleur, goochelaar, enz.
Japan, džəpan, subst. Japan; lak, verlakt werk; Japan verb. lakken, poetsen; Japanese, džapənîz, džapənîs, subst. en adj. Japanees(ch); Japanner, džəpanə, verlakker; schoenpoetser.
Jape, džeip, subst. scherts, streek, aardigheid; Jape verb. schertsen, uitlachen, bespotten, bedriegen, eene poets bakken.
Japheth, džeifəth; adj. Japhetic.
Japish, džeipiš, grappig; subst. Japishness.
Japonica, džəponikə, Japansche kwee.
Jar, džâ, subst. flesch, kruik, pot; knarsend, ratelend geluid, wanklank, oneenigheid, kier; Jar verb. knarsen, krassen, onaangenaam treffen, in schelle tegenstelling zijn met, twisten, kijven, doen trillen, verontrusten: The door is on the jar = ajar = op een kier; It jars on my ears = het doet mijn ooren pijn; That does not jar with the surroundings = strijdt niet tegen, harmonieert met.
Jarde, džâd, hazenspat aan den poot van een paard.
Jardiniere, Fr. uitspr., jardinière.
Jargon, džâg’n, subst. brabbeltaal, gewauwel, dieventaal; Jargon verb. koeterwaalsch praten = Jargonize.
Jargonelle, dzâgənel, soort v. vroege peer.
Jarl, jâl, edele, hoofdman.
Jarv(e)y, džâvi, huurkoetsier, huurrijtuig.
Jasey, džeizi, sajetten pruik, kalotje.
Jashawk, džas-hôk, jonge havik.
Jasmin(e), džasmin, jasmijn.
Jason, džeis’n; Jasper, džaspə, Jasper; jaspis.
Jaundice, džândis, džôndis, geelzucht, nijd; Jaundice verb. geelzuchtig maken, met afgunst vervullen; Jaundiced = geelzuchtig, afgunstig.
Jaunt, džânt, džônt, subst. zwerftochtje, uitstapje, rijtoertje; Jaunt verb. rondzwerven, een uitstapje maken; Jauntiness, subst. v. Jaunty = opgewekt, lustig, zwierig, elegant; Jaunting-car, džântiŋ-kâ, Iersch karretje met twee banken overlangs.
Java, džâvə, Java(koffie); Javanese, džavənîz, džavənîs, subst. en adj. Javaan(sch).
Javelin, džavəlin, werpspies; Javelin-man = speerdrager.
Jaw, džô, subst. kaak, mond, gekakel, brutaliteit, grove scherts, scheldwoorden, twist; Jaw verb. kakelen, kletsen, een grooten mond (bek) opzetten, uitschelden: We were rescued from the jaws of death = uit de kaken des doods; It is too crack-jaw a name = een te moeielijk uit te spreken; Jaw-bone; Jaw-breaker = moeielijk uit te spreken woord; Jaw-lever, instrument om den bek van vee voor het inbrengen van medicijn te openen; Jaw-tooth = maaltand.
Jay, džei, Vlaamsche gaai; praatjesmaker, lichtzinnig meisje, domkop.
Jeaffreson, džefəs’n.
Jealous, dželəs, jaloersch, bezorgd, wantrouwend, zeer gesteld op: I am jealous of any one disturbing my books = bang, dat …; Jealousy = jaloerschheid, argwaan, bezorgdheid.
Jeames, džîmz, lakei (verbast. van James); Jean, džîn.
Jean, džein, gekeperde katoenen stof.
Jedburgh, džedbərə.
Jeejee, džidžî, “huuthuutpaardje” (kindertaal).
Jeer, džîə, subst. hoon, spot; Jeer verb. bespotten, schimpen op.
Jefferson, džefəs’n; Jeffrey, džefri, Godfried, Govert: Jeffreys, džefriz; Jehovah, džihouvə, Jehova.
Jehu, džîhjû, koetsier (2 Koningen IX, 20).
Jejune, džədžûn, schraal, dor; nuchter; subst. Jejuneness.
Jekyll, džekil, džîkil.
Jell, džel = Jellify = tot gelei maken of worden; Jelly, dželi, subst. gelei; Jelly verb. = Jellify; I’ll beat you to a jelly = ik zal je tot mosterd slaan; Jelly-fish = kwal; A tin jelly-mould = vorm.
Jem, džem, Koos; Jemima, džəmaimə.
Jemadar, Jemidar, džemidâ, inlandsch luitenant; politiebeambte, opzichter (Indië).
Jemmy, džimi.
Jemmy, džemi, džimi, subst. kort breekijzer, gebraden schaapskop; (over)jas; adj. keurig, netjes.
Jennet, dženət, genet, Spaansch paardje.
Jenneting, dženətiŋ, soort v. vroege appel.
Jenny, dženi, džini, spinmachine; stoot waarbij men zijn eigen bal stopt; Jenny-ass = ezelin; Jenny-wren = winterkoninkje.
Jeopard, džepəd, op ’t spel zetten, wagen; Jeoparder = waaghals; Jeopardize = To jeopard; Jeopardous = gewaagd, gevaarlijk; Jeopardy = gevaar, waagstuk.
Jephthah, džeftə.
Jereed, džərîd = Jerid.
Jeremiad(e), džerəmaiəd, klaaglied, Jeremiade; Jeremiah, džerəmaiə; Jeremy, džerəmi.
Jericho, džerikou: I wished him at Jericho = ik wou dat hij op de Mookerhei zat.
Jerid, džərîd, werpspies.
Jerk, džɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag, plotselinge, krampachtige beweging; in reepen gesneden en in de zon gedroogd vleesch; Jerk verb. plotseling rukken, schudden of stooten, krampachtig trekken; vleesch in lange reepen snijden en in de zon drogen; Jerked beef; Jerky = met rukken, krampachtig, ongeduldig.
Jerkin, džɐ̂kin, nauwsluitend buis of jekkertje.
Jeroboam, džerəbouəm, wijnflesch v. 10 à 12 quarts; Jerome, džer’m, džiroum.
Jerry, džeri: Jerry-builder, Jerry-building = revolutiebouw(er): That book is a piece of jerry-building = is slecht in elkaar gezet, is knoeiwerk; Jerry-shop = kroeg; Jerry-sneak = pantoffelheld; zakkenroller.
Jersey, džɐ̂zi, fijn gesponnen wol; nauwsluitende sporttrui (voor roeiers enz.).
Jerusalem, džərûsəlem; Jervis, džɐ̂vis, džâvis; Jesaiah, džəzeijə.
Jess, džes, leeren riem aan den poot van valken; Jess verb. vastbinden.
Jessamine, džesəmin. Zie Jasmine.
Jesse, džesə, groote koperen kerkkroon = Jesse candlestick.
Jest, džest, subst. scherts, boert, mikpunt van spotternij; Jest verb. schertsen, bespotten: It was but said in jest = maar schertsend; He can’t take a jest = kan geen scherts verdragen; Jester = schertser, nar; Jesting apart! = alle gekheid op een stokje!
Jesuit, džežuit, Jezuiet; Jesuits’ bark = bruine kinabast; Jesuitic(al), džežuitik(’l), jezuietisch; Jesuitism, džežuitizm = Jesuitry, džežuitri, Jezuietisme.
Jesus, džîžəs, Jezus: Jesus! What a sight!
Jet, džet, subst. straal; git; Jet verb. uitwerpen, uitstralen, uitspuwen; uitspuiten; Jet-black = gitzwart; Jetty = gitachtig.
Jetsam, Jetsom, džets’m, overboordgeworpen goederen, strandgoed.
Jettison, džetis’n, goederen overboord werpen: To make jettison = uit nood overboord werpen.
Jetty, džeti, klein havenhoofd, pier (Zie Jet); Jetty-head = kop van een havenhoofd.
Jew, džû, Jood; Jew-baiting = jodenvervolging; Jew’s-eye, Jewess’-eye = iets van groote waarde; Jew’s harp, (Jew’s trump) = mondharp; Jew’s poker = “sjabbesgojje”, een Christen meisje, dat op Sabbath vuur en licht onderhoudt; Jew-thrift = het zoeken van eigen grootheid; Jewess = jodin; Jewish = joodsch; Jewry = Judea, jodenbuurt, jodendom.
Jewel, džûəl, subst. juweel (ook fig.), kleinood, steen (in uurwerk); Jewel verb. met juweelen versieren, steenen aanbrengen: A watch jewel(l)ed in nine holes = op negen steentjes loopend; Jewel-case = juweelkistje; Jeweller, džûələ, juwelier; Jewel(le)ry, juweelen, juwelierswerk.
Jezebel, džezəbel, booze, brutale, schaamtelooze vrouw.
Jib, džib, subst. kluiver (zeil), kraan, balk, schichtig paard, smoel; Jib verb. schichtig worden, zijwaarts of achteruit springen (van paarden), achteruit krabbelen; Jib-boom = kluiverboom; Jibber = schichtig paard.
Jibe, džaib. Zie Gibe en Jib (verb.).
Jiffy, džifi: In (half) a jiffy = in een wip.
Jig, džig, subst. levendige dans, hupsasa, danswijsje; poets, streek; kolenwip; Jig verb. een jig dansen of spelen, vedelen, op en neer bewegen met korte rukjes, ziften, bedriegen; Jig-a-jig = Jig-a-jog = rukkende of stootende beweging; ook adv. en verb.; Jig-maker = grappenmaker.
Jigger, džigə, danser, biljartbok, ertszeef, ertszifter, pottebakkerswiel, rijwiel (plat).
Jiggle, džig’l, (doen) wiegelen, heen en weer trekken, spartelen.
Jilt, džilt, subst. coquette; valsche sleutel; Jilt verb. coquetteeren, de bons geven, laten zitten.
Jim, džim, Jaap; Jim Crow, titel van een negerliedje en dans; in samenst. neger-; Jim Crow car = wagon voor negers.
Jimcrack(ery), džimkrakəri. Zie Gimcrack(ery).
Jimmy, džimi. Zie Jemmy.
Jimp, džimp. Zie Gimp.
Jingle, džing’l, subst. gerinkink, geklingel, rijmelarij, overdekte Iersche of Australische tweewielige kar; Jingle verb. rinkinken, rinkelen, klingelen, rijmelen: He is a jingle-brains = warhoofd, lichtzinnig heer; Jingling pianos = rammelkasten; To jingle glasses = klinken.
Jingo, džingou, chauvinist, oorlogzuchtige Tory (die de partij der Turken wou kiezen in 1877–1878, zoo genoemd naar de in ’t refrein van een café-chantant liedje uit dien tijd voorkomende uitdrukking: By Jingo = bij alle goden, voor den drommel); ook adj.; Jingoism = de gevoelens der Jingo’s.
Jinks, džiŋks: High jinks = Oud Schotsch gezelschapsspel; fuif; At high (On the high) jinks = erg vroolijk zijn; It was high (grand) jinks = het was een “reuzen-pan”; To cut high jinks, To hold high jinks = luidruchtig fuiven.
Jinn(ee), džin(î), booze geesten (Mahomed. mythologie); enkelv. Jinnee, džinî.
Jinricksha, džinrikšə, jinrikscha (Brit. Ind. wagentje).
Jiujitsu, jûjitsu, Japansch worstelen.
Joachim, džouəkim; Joan, džoun, džə-an, Johanna.
Job, džoub, Job: Job’s comfort = schrale troost; Job’s news; Job’s post = Jobsbode; As poor as Job = doodarm; Jobation = strafpredikatie.
Job, džob, subst. karwei, baantje, werkje, zaakje (in ongunst. zin), knoeierij; por; ook adj. Job verb. karweitjes doen, aannemen of aanbesteden, verhuren, speculeeren, koopen in ’t groot en weer in ’t klein afzetten; scharrelen, in een betrekking schuiven, een por geven, pikken: That’s a good Job = gelukje, meevallertje; A bad job = een leelijk geval; beroerde boel; He did the job for the ruffian = hij doodde den schurk; By the job = bij aanneming; Job-goods = koopjes, rommel; Jobmaster = verhuurder van paarden en rijtuigen; Job-printer = drukkersgezel (voor een bepaald werk aangewezen); Jobber = iemand die op stuk werkt, detailverkooper, effectenhandelaar, beursspeculant, paard- en rijtuigverhuurder, knoeier; Job-bery = knoeierij, wisselruiterij; Jobbing: Jobbing-house = drukkerij (van allerhande drukwerk, maar geene couranten of boeken); Jobbing-tailor = lapper, versteller.
Jocelyn, džosəlin, Just.
Jock, džok, jockey: Gentleman jock = heerrijder; Jockey, džoki, subst. jockey, pikeur; bedrieger; Jockey verb. bedriegen; tegenaan rijden (bij wedrennen); verdringen, zich op oneerlijke wijze bevoordeelen: Lewis XIV jockeyed his grandson on to the throne of Spain = hielp door allerlei intrigues; Jockeyism = rijkunst; praktijken der jockeys = Jockeyship.
Jocose, džəkous, grappig, boertig, amusant; subst. Jocoseness = Jocosity.
Jocular, džokjulə, snaaksch, grappig; Jocularity, džokjulariti, snaakschheid, grappigheid.
Jocund, džok’nd, džouk’nd, blijde, vroolijk, opgewekt; Jocundity, džəkɐnditi = Jocundness = vroolijkheid.
Joe, džou = Joseph, John; een fourpenny stuk, en = Joe Miller = oude “mop”, een uit den Enkhuizer; Not for Joe = Not for Joseph.
Jog, džog, subst. stootje, sukkeldraf; Jog verb. zachtjes aanstooten, vooruitstooten, heen en weer loopen, horten, sukkelen: Shall I jog your memory for you? = opfrisschen, wakker schudden; I am jogging = ik ga er van door; Jog-trot, subst. sukkeldrafje; routine; adj. eentonig, vervelend.
Joggle, džog’l, waggelen, rammelen, tegen elkaar stooten, inkepen.
John, džon, Jan, Johannes; St. John the Baptist = Johannes de Dooper; John Bull = de Engelsche natie; John Company = de Oost-Ind. Compagnie; John Dory, džondôri, zonnevisch, St. Pietersvisch.
Johnny, džoni, verkleinw. van John; vent, enz.: He is a soft Johnny = een groote sul; Johnny cake = maïskoek (Amer.); Amerikaan (Amer.); Johnny Crapaud, džonikrəpou, de Fransche natie; Johnny Raw = recruut, landrot; The Head Johnnies in the Primrose League = kopstukken.
Johnson, džons’n: Johnsonese, džonsənîz, džonsənîs, klassieke, deftige stijl van Dr. Johnson (1709–84); Johnston(e), džonst’n.
Join, džôin, vereenigen, verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij, lid worden van, instemmen, overeenstemmen, grenzen aan, samengaan, enz.; subst. verbinding, verbindingsplaats: Will you join us? = doet (of gaat) ge mee met ons, kom je bij ons zitten? To join battle = slaags raken; To join hands with = de hand reiken, bijstaan; I have joined interests with him = mijne belangen met de zijne verbonden; He joined the majority = stierf; To join a ship = aan boord gaan, zich inschepen; Shall we join tables? = de tafels aan elkaar zetten? I did not join with him = was het niet eens; Joinder = vereeniging van twee zaken in een proces (Jur.) = Joinder of action; Joiner = schrijnwerker; Joinery = schrijnwerkersvak of -beroep.
Joint, džôint, verbinding, aanknoopingspunt, gewricht, knoop, scharnier, dwarsspleet; groot stuk vleesch; adj. vereenigd, verbonden, gezamenlijk, solidair; Joint verb. vereenigen; in joints verdeelen: Out of joint = uit het lid, uit de voegen, in wanorde (Zie Nose); Joint and several = allen zonder onderscheid; On joint account = voor gezamenlijke rekening; Joint-gout = gewrichtsrheumatiek; Joint-heir = mede-erfgenaam; Joint-stock = maatschappelijk kapitaal: Joint-stock company = maatschappij op aandeelen; Joint-stock Bank = commandite bank; Joint-stool = vouwstoel; Joint-tenancy = medebezit; Joint-tenant = medebezitter; Jointer = lange schaaf, reeschaaf; Jointing-plane = reeschaaf; Jointing-rule = winkelhaak.
Jointure, džôintjə, subst. goederen vastgezet op eene vrouw bij haar trouwen, om de opbrengst ervan na mogelijk overlijden van haar man te genieten; Jointure verb, vastzetten op.
Joist, džôist, subst. dwarsbalk; Joist verb. van dwarsbalken voorzien.
Joke, džouk, subst. scherts, grap, kwinkslag; Joke verb. schertsen, plagen: A practical joke = ruwe grap, kwajongensstreek; Small jokes = flauwe grappen; It was above a joke = om je ziek te lachen; In joke = uit de grap, schertsend; That’s past a joke = dat gaat te ver; To bear (take) a joke = scherts verstaan; To pass (put) a joke upon = een poets bakken; He can’t realise a joke = niet snappen; He would not see the joke; You have worn that old joke nearly off its legs = die mop is al heel afgezaagd; He joked me good-naturedly = plaagde; Joker = grappenmaker; vent; troef kaart; Joking apart = alle gekheid op een stokje.
Jole, džoul. Zie Jowl.
Jollification, džolifikeiš’n, jool, lolletje; Jollify = pret maken; Jollity = pret, jool; Jolly, džoli, dartel, vroolijk, lollig, lichtelijk aangeschoten, verduiveld aardig; subst. marinier; Jolly verb. beetnemen; ophemelen (Amer.): He is jolly rich = zit er aardig bij; Jolly Roger = zwarte zeerooversvlag.
Jolly-boat, džolibout, jol.
Jolt, džoult, subst. schok, stoot; Jolt verb. schokken, horten, stooten; Jolt(er)-head = domkop, ezel; Jolter-headed = ezelachtig, dom.
Jonah, džounə: I seem to Jonah everything I touch = te doen mislukken; Jonas, džounəs; Jonathan, džonətən; Jonathan, trouwe vriend: Brother Jonathan = de Amerikaansche natie, het type Amerikaan; Jones, džounz.
Jonquil, džonkwil, jonquille.
Jonson, džons’n; Jordan, džöd’n.
Jorum, džôr’m, groote beker of bowl.
Joscelin, džosəlin; Josceline, džosəlain.
Joseph, džouzef, dames rijkleed (18de eeuw); Jozef: I have been no Joseph = geen heilig boontje; Not for Joseph = om den dood niet; Josephine, džouzəfin; Josh(ua), džoš(uə); Josiah, džosiə.
Joss, dšos, Chineesche afgod; Joss-house = Chineesche tempel; Joss-house-man = (Chin.) priester, missionaris; Joss-stick (= Jostick) = wierookstok in Chin. tempels.
Josser, džosə, vent: Old josser = ouwe paai.
Jostle, džos’l, stooten, duwen, verdringen, hossen; ook subst.
Jot, džot, subst. jota, kleinigheid, beetje; Jot verb. even opschrijven, aanteekenen (down); Jotting = memorandum, notitie, bericht.
Joule, džaul.
Journal, džɐ̂n’l, dagboek, dagblad, courant, handelingen van een geleerd genootschap of parlement; journaal, scheepsjournaal; Journalese = krantentaal; Journalesia = krantenwereld; Journalism = de pers; Journalist = dagbladschrijver; adj. Journalistic; Journalize = journaliseeren (= To carry (post) into the journal).
Journey, džɐ̂ni, subst. reis; Journey verb. reizen, trekken: Journeys outward and back again = uit en thuis reizen; To go on a journey; They made a journey = deden een reis(je); Journeyman = werkman, daglooner, knecht; handlanger; Journey-weight = ongeveer 180 oz. Troy van goud en 720 van zilver; Journeywork = dagwerk, knoeiwerk.
Joust, džûst, džɐst, subst. tournooi, steekspel; Joust verb. een steekspel of tournooi houden.
Jove, džouv, Jupiter: By Jove! = sapperloot.
Jovial, džouvj’l, vroolijk, opgewekt; Joviality, džouvialiti, vroolijkheid = Jovialness.
Jowett, džauət.
Jowl, džoul, kop van een visch, bek, kossem, lel, wang, kaak: Cheek by jowl = met de koppen bij elkaar, vlak naast elkaar, wang aan wang.
Jowler, džoulə, džaulə, soort (jacht)hond.
Joy, džôi, subst. vreugde, blijdschap; Joy verb. zich verheugen: Kill joy = spelbreker; I give (wish) you joy = ik feliciteer u; Joy-bells = vreugdeklokken; Joyful, blijde, verheugd; subst. Joyfulness; Joyless = treurig, verdrietig; subst. Joylessness; Joyous = blijde, verheugd; subst. Joyousness.
Juan, džûən.
Jubilant, džûbil’nt, juichend, jubelend; Jubilate, jubelen; subst. džûbileitî, psalm 100 bij den morgendienst der Eng. kerk; derde Zondag na Paschen, wanneer Psalm 66 den introïtus vormt; Jubilation, džûbileiš’n, gejuich, gejubel, vreugdebetoon; Jubilee, džûbilî, groot jubelfeest (om de 50 jaar) bij de Israëlieten ter herdenking van de bevrijding uit de Egyptische slavernij; kerkfeest (om de 25 jaar) te Rome; feestgetij; de 50e verjaardag van eene blijde en belangrijke gebeurtenis.
Judaea, džudîə; Judah, džûdə; Judaic, džudeiik, joodsch; Judaism, džûdeiizm, jodendom, joodsche leer; Judaize, džûdeiaiz, in overeenstemming brengen met joodsche leer en gebruiken, joodsche begrippen hebben of leeren.
Judas, džûdəs, Judas, verrader, kijkgat (= Judas-hole); Judas-coloured (Judas-haired) = rood, rossig; Judas-tree = Judasboom.
Judcock, džɐdkok, watersnip.
Jude, džûd; Judea, džudîə; adj. Judean, ook: jood.
Judge, džɐdž, subst. rechter, kenner, scheidsrechter; Judge verb. oordeelen, vonnissen, beslissen, onderscheiden, achten, beschouwen, beoordeelen (of = over); Judge-advocate = auditeur militair; Judging from what you say = te oordeelen naar; Judgeship = rechtersambt.
Judgment, džɐdžm’nt, oordeel, vonnis, onderscheidingsvermogen, verstand, godsoordeel, laatste oordeel, rechtspleging, goddelijk raadsbesluit: Judgment by default was passed on him = er werd vonnis bij verstek tegen hem gewezen; In my judgment = naar mijn oordeel; To give (pass, pronounce, render) judgment = vonnis vellen; The court sat in judgment = het hof had zitting; That plague was considered as a judgment upon the people = als een godsoordeel; Judgment-day = dag des oordeels; Judgment-debt = door den rechter vastgestelde schuld; Judgment-hall = audientiezaal, gerechtszaal; Judgment-seat = rechterstoel, vierschaar, rechtbank.
Judicable, džûdikəb’l, onderworpen aan de jurisdictie; Judicative, džûdikətiv: Judicative faculty, power = vermogen tot oordeelen.
Judicature, džûdikətjuə, rechtersambt, rechtspleging, rechtspraak, rechtsgebied, gerechtshof.
Judicial, džədiš’l, rechterlijk, gerechtelijk, critisch.
Judiciary, džədišəri, subst. de rechterlijke macht; adj. gerechtelijk, rechtsprekend.
Judicious, džədišəs, oordeelkundig, scherpzinnig, verstandig, weloverlegd; subst. Judiciousness.
Judith, džûdith.
Judy, džûdi, Judithje; de “vrouw” (Trijn) van Punch in de poppenkast; vogelverschrikker (fig.).
Jug, džɐg, kruik, pot; gevangenis; nachtegaalslag; Jug verb. slaan als een nachtegaal, stoven, opsluiten: Not by a jugful = in geen geval (Amer.).
Jugal, džûg’l, tot het jukbeen behoorende.
Juggernaut, džɐgənôt, de Ind. Godheid Krischna, meer in het bijzonder het beeld van den God te Puri in Orissa; Moloch (fig.); iets waaraan men meedoogenloos wordt opgeofferd of zich blindelings opoffert.
Juggins, džɐginz, sul.
Juggle, džɐg’l, subst. goocheltoer, bedriegerij; Juggle verb. goochelen, bedotten; Juggler = goochelaar, bedrieger; Jugglery = goochelarij, bedriegerij.
Jugular, džûgjulə, subst. keelader; adj. tot nek of keel behoorende; Jugulate, džûgjuleit = keelen, den hals afsnijden, smoren (fig.).
Juice, džûs, sap: To stew in one’s own juice = in zijn eigen vet gaar smoren; Juiceless; Juiciness = sappigheid; adj. Juicy = sappig.
Ju-ju, džû-džû, fetisch, fetischdienst, daarmee verrichte vervloeking (Afrika).
Jujube, džûdžûb, jujube.
Juke, džûk, buigen; duiken (Schotl.).
Julep, džûlep, koeldrank; soort bowl bestaande uit whisky, ijs, suiker, pepermunt (Amer.).
Julia, džûliə, Julia.
Julian džûliən: Julian account = Juliaansche (door Julius Caesar ingestelde en tot 1572 in Engeland gebruikelijke) tijdrekening; Julian Alps; Juliana, džûlianə.
Juliers, džûliəz, Gulik. Juliet, džûliət. Julius, džûliəs.
July, džulai, Juli.
Jumar, džûmâ, (fabel) muilos, osezel, muilpaard.
Jumble, džɐmb’l, subst. verwarring, mengelmoes; soort koekje; Jumble verb. door elkaar gooien, door elkaar raken of geschud worden: Jumble sale = goedkoope bazaar.
Jump, džɐmp, subst. sprong, soort van buis; Jump verb. springen, snel rijzen, stooten, hotsen, overheen springen, laten dansen, zich werpen op; een claim in bezit nemen tijdens de afwezigheid van den eigenaar (Amer.); wagen: Jumps = lijfje, zoogcorset; He jumped at my proposal = pakte met beide handen aan; To jump at (to) conclusions = voorbarige gevolgtrekkingen maken; My judgment jumped (in) with his = stemde overeen met; He was jumped off at the last fence = afgeworpen; To be jumped on (with both feet) = (ernstig) berispt worden; Great wits jump together = stemmen overeen; Jump-seat = open wagentje met neerklappende zitplaats(en); Jumper = springer, sprinkhaan, kaasmijt, boorwerktujg, soort trui; The Jumpers = godsdienstige sekte (die God “huppelend” meent te moeten dienen); Jumping-jack = hansworst; A jumping-off place = springplaats; Jumping-pole = polsstok; Jumping-sheet = springzeil; Jumpy = bewegelijk, zenuwachtig.
Juncaceous, džɐŋkeišəs, biesachtig; Juncous, džɐŋkəs, vol biezen.
Junction, džɐŋkš’n, verbinding, vereeniging, vereenigingspunt; Junction-railway = verbindingsspoor.
Juncture, džɐŋktšə, verbindingspunt, naad, verbinding; bepaald of kritiek oogenblik, tijdsgewricht: At (in) this juncture.
Juncus, džɐŋkəs, bloembies.
June, džûn, Juni.
Jungle, džɐŋg’l, tropische wildernis; Jungle-fever = tropische wisselkoorts; Jungle-market = markt van actiën der West.-Afrik. handelsvereenigingen.
Junior, džûnjə, jonger, lager; jongere, lager geplaatste; subst. beginnend advocaat, die, om zich te oefenen, een ouder collega assisteert; Juniority, džûnioriti, toestand van een junior.
Juniper, džûnipə, jeneverstruik: Juniper berry.
Junius, džûniəs.
Junk, džɐŋk, jonk (Chineesch vaartuig), brok, homp, oud kabel- en touwwerk, taai pekelvleesch, rommel; Junk-bottle = dikke porter-flesch (Amer.); Junk-dealer = scheepstagrijn (Amer.); Junk-shop; Junk-wad = prop van pluiswerk tusschen lading en kogel.
Junket, džɐŋkət, subst. dikke room, wrongel; soort lekkernij; fuif, picnic (Amer.); Junket verb. fuiven; Junketer; Junketing excursion (Junketing party).
Juno, džûnou, Juno; Junonian, majestueus.
Junta, džɐntə, Junta.
Junto, džɐntou, geheime raad, complot, kliek.
Jupiter, džûpitə, Jupiter.
Jura, džûrə.
Jurat, džûrət, rechter (op de eilanden in het Eng. kanaal), schepen, onderteekende beëedigde verklaring van getuigen.
Juridical, džuridik’l, gerechtelijk, juridisch.
Jurisconsult, džûriskənsɐlt, dzûriskonsəlt, rechtsgeleerde.
Jurisdiction, džûrisdikš’n, jurisdictie; adj. Jurisdictional.
Jurisprudence, džûrisprûd’ns, jurisprudentie; adj. Jurisprudential, džûrisprudenš’l.
Jurist, džûrist, rechtsgeleerde.
Juror, džûrə, gezworene, jurylid bij eene tentoonstelling.
Jury, džûri, subst. de gezworenen, jury of commissie van beoordeeling bij tentoonstellingen (= Jury of award): Grand jury = jury, van 12 tot 24 leden (die over het al of niet verleenen van rechtsingang beslist); Petty jury = jury van 12 leden (die met algemeene stemmen in strafzaken moet beslissen): Jury-box = bank der gezworenen; Juryman = gezworene; Jury-mast = noodmast; Jury-process = bevel tot bijeenroeping van eene jury; Jury-rudder = noodroer.
Just, džɐst, rechtvaardig, onpartijdig, eerlijk, trouw, welverdiend; adv. juist, precies, nagenoeg: But just = net, eventjes, nauwelijks; Just give me a light = geef me even; I will just step in = even; I am only a poor girl, Just Winifred = W. maar; Just like = precies zoo; Just now = zooeven, op het oogenblik; He wishes a thing to be just so, and not otherwise; We really are just there = zoo dadelijk, aanstonds zijn we er; You are not going just yet, are you? = je gaat toch nog niet weg? You won’t get it just yet = vooreerst niet; It is just possible = wel mogelijk; That’s just the thing I want; Justness = rechtvaardigheid, billijkheid.
Justice, džɐstis, gerechtigheid, rechtvaardigheid, onpartijdigheid, rechter (Judge is de officieele titel van de rechters in de County Courts): Lord Chief Justice = opperrechter; Justice of the peace = vrederechter; Justices’ justice = de soms zeer wonderlijke uitspraken der Justices of the Peace (dit zijn leeken); To do justice to = recht laten wedervaren; Do me the justice to admit = wees zoo billijk; You cannot do so in justice = van rechtswege, rechtens; There has been a gross miscarriage of justice = eene grove rechterl. dwaling; Justiceship = rechterschap: Justiciable, džɐstišiəb’l, justitiabel; Justiciary, džəstišiəri, gerechtelijk, gerechts - -; subst. rechter, rechtsgebied; High Court of Justiciary = hoogste gerechtshof in Schotland voor crimin. zaken; Justicing-room = gerechtszaal.
Justifiable, džɐstifaiəb’l, verdedigbaar, rechtmatig; subst. Justifiableness; Justification = rechtvaardiging, verdediging, redding of rechtvaardigverklaring van zondaren; Justificative = Justificatory, rechtvaardigend, verdedigend; Justifier, džɐstifaiə, rechtvaardiger, verdediger; justeerder; Justify, džɐstifai, rechtvaardigen, vrijspreken, bewijzen, sluiten (bij het drukken).
Justin, džɐstin, Justinius. Justinian, džɐstinj’n, Justinianus; ook adj.
Justle, džɐs’l. Zie Jostle.
Jut, džɐt, subst. uitsteeksel; Jut verb. uitsteken, vooruitspringen; Jut-window = uitstekend venster.
Jute, džût, jutte; Jut.
Jutland, džɐtl’nd.
Juvenal, džûvən’l, Juvenalis.
Juvenescence, džûvənes’ns, jeugd, onrijpheid; adj. Juvenescent.
Juvenile, džûvən(a)il, jeugdig, jong, kinder - -; subst. jongeling; ‘jeune amoureux’; Juvenility, džûvəniliti, jeugdigheid.
Juxtaposition, džɐkstəpəziš’n, naast elkander plaatsing, het naast elkander geplaatst zijn: To put in juxtaposition = tegenover elkaar stellen.
Juzail, džuzeil, zwaar geweer (bij de Afghanen).