← Table of contents
Engelsch woordenboek. Eerste deel

B.

Reading edition

B, bî, B. B-flat = b mol; B-sharp = b kruis; B.A. = Bachelor of Arts; B. C. = Before Christ; B. C. L. = Bachelor of Civil Law; B. D. = Bachelor of Divinity; B. M. = Bachelor of Medicine; Bart of Bt. = Baronet. (Deze heeft, evenals een Knight, den titel Sir vóór den doopnaam; die titel is echter bij de Baronets erfelijk, bij de Knights niet); B(ritish) M(useum); A B and S = Brandy and Soda; Bro(thers); Brig(adier) Gen(eral); He does not know a B from a bull’s foot (a broom-stick, a battle-dore) = hij kent geene A voor eene B; B(lessed) V(irgin) M(ary).

Baa, bâ, subst. het blaten; Baa verb. blaten: The baby was caressing a woolly baa-lamb; You silly baahling = lam, sukkel.

Baal, beiəl, Baal; Baalist, Baalite, afgodsdienaar.

Bab, bab, peur; Bab verb. peuren.

Baba, bâba, vader, papa.

Babble, bab’l, snappen, wauwelen, babbelen; murmelen; subst. gesnap, gebabbel, gewauwel; gemurmel; Babbler, wauwelaar.

Babe, beib (= Baby): Food (Meat) for babes = kinderkost (ook fig.).

Babel, beib’l, Babel; spraakverwarring; wanorde, rumoer; dwaas plan; Babel-like buildings = hooge.

Baboo, bâbu of bəbû, heer; halfontwikkelde Hindoe: Baboo English = gebroken Engelsch.

Baboon, bəbûn, baviaan; Baboonery, aapachtig optreden.

Baboosh, Babouche, bəbûš, muiltje.

Babu = Baboo.

Baby, beibi, subst. klein kind; pop; adj. klein, jong, kinder Baby: Cry-baby (= Cry-a-baby) = grienerig kind; Baby-car = kinderwagentje (sportkarretje); Baby-carriage = kinderwagen; Baby-farming = zoogenaamde verzorging (meestal opzettelijke verwaarloozing) van kinderen; Baby-feeder = slabbetje; Baby-house = poppenhuis; Baby-linen = kindergoed, luiers; Baby-pin = veiligheidsspeld; Babyhood (Babyship), eerste kindsheid; kleine kinderen; Babyish (= Babish), kinderlijk; subst. Babishness.

Babylon, babilon; Babylonia, babilounjə, Babylonië: Babylonian, Babylonisch, reusachtig; Babyloniër; Babylonic, Babylonish, adj. Babylonisch, verward, rumoerig.

Bac(k), bak, platboomde (veer)boot; kuip.

Baccalaureate, bakəlôri-it, baccalaureaat.

Baccara(t), bakərâ, baccarat (spel).

Baccate, bakit, besachtig, besdragend, bezieachtig.

Bacchanal, bakən’l, subst. Bacchuspriester, Bacchant(e), zwierbol; adj. bacchantisch; Bacchanals = Bacchanalia, bakəneiljə, Bacchanaliën; Bacchanalian = Bacchantisch; zwierbol; Bacchant = Bacchant(e); adj. Bacchantisch; Bacchante, bakənt of bəkant(î), Bacchante; Bacchic = Bacchantisch; Bacchus = Bacchus.

Bacciferous, baksifərɐs, bessendragend; Bacciverous, baksivərɐs, bessenetend.

Bachelor (soms verkort tot Bach) batš(ələ), subst. ongetrouwd man; baccalaureus (laagste acad. graad na 3 jaren studie en examen): His bachelor rooms were always tidy = zijne kamers, toen hij nog ongetrouwd was, etc.; Bachelor’s of Bachelors’ buttons = dubbele ranonkel; Bachelorhood = Bachelorship, baccalaureaat; staat van jonggezel.

Bacillus, bəsiləs (Meerv. Bacilli), bacil.

Back, bak, subst. rug, achterzijde, onderkant, keerzijde, verste kant, etc.; adj. achter-, rug-, afgelegen, omgekeerd, etc.; adv. terug, omgekeerd, etc.; Back verb. van een rug voorzien, den rug versterken, verdedigen, bekrachtigen, steunen; achteruitgaan, achteruitbrengen, achterwaarts bewegen, bak halen, strijken; van achteren grenzen aan, op den rug dragen, endosseeren, wedden op, etc.: To sit back to back = met den rug tegen elkaar aan; Small of the back = kruis; He does not need my little palm in the small of his broad back = heeft mijn geringe steun niet noodig; He has not a shirt on his back = aan het lijf; Behind one’s back = achter iemands rug (ook fig.); To bow the people’s back = onderdrukken; To get up (make, set) a back = voorover gaan staan, een hoogen rug maken (van katten), boos worden; To provide a back = gaan staan (bij haasje over); To put one’s back into = zich inspannen voor; To put anybody’s back up = boos maken; To scratch the back of the public = vleien; To see the back of = afkomen van, zich afmaken van; To turn one’s back upon = den rug toedraaien; The back of the hand (postcard, wood) = rugzijde (achterkant, verste zijde); To be at the back of = ergens achter zitten (fig.); To look best from the back; To see through the back of a person’s head = iemand geheel doorzien; To go back on a friend = verraden; To go back on a promise = breken; She kissed him back = weerom; To look back upon = terugzien op; The angel rolled back the stone from the door = wentelde af; Back and forth (Amer.) heen en weer; As far back as = reeds in, toen reeds; Some time back = geleden; The horse backed with him = ging achteruit; To back the oars = strijken; To back sail = bakzeil halen (bijdraaien); To back water = strijken; achteruitkrabbelen (fig.); To back down before = wijken voor; Our train was backed on to a siding = teruggezet op een zijspoor; To back out of an engagement = terugkrabbelen, zich er afmaken; To back out of a fix = met fatsoen uit een moeilijkheid komen; To back up = steunen (rugsteunen); To back a horse = wedden op (in tegenstelling van den book-maker die ‘lays against’); To back the field = op alle paarden wedden behalve op de “favourite”; He would back himself for any amount to do it better than any of them = wilde wedden, maakte zich sterk; Backbite = belasteren, kwaad spreken van; Backbiter; Back-board = rugplank; rugplank in den stuurstoel van een (roei)boot; Backbone = ruggegraat; wilskracht: He is a liberal to the backbone = door en door; He has no backbone = geen pit in zich; Back-country = achterland, Hinterland (Amer.); Back-door = achterdeur; uitvlucht, uitweg; Backdown: That statesman’s backdown was an earnest of later success = zijn toegeven was eene belofte van later succes; High backed chairs = met hooge ruggen; Backer = helper, steuner; Backfall = val op den rug (bij het worstelen); Backgammon, bakgam’n, triktrakspel, bakspel; Background = achtergrond: To keep in the background = blijven in; Back-hand = subst. schuin linksch schrift; Back-handed = met den rug van de hand, schuin links, dubbelzinnig, heimelijk: A back-handed compliment = dubbelzinnig; A back-handed blow (= back-hander) = met den rug van de hand: Fortune gave him a lift, with a back-hander to follow = Fortuna was hem eerst gunstig, maar bedroog hem daarna; He took a back-hander = extra glas (wijn etc.); Back-house = achtergebouw; Back-number (-volume) = oud, vroeger; Back-payment (-rent) = achterstallige; Back-piece, Back-plate = rugbedekking (van een harnas); Back-seat = voorbank; ondergeschikte rol (plaats); Back-settlements = nederzettingen in het achterland (Amer.); Back-side = achterzijde; achterste; Back-slang = soort dieventaal, waarbij de woorden andersom gespeld worden b.v. Cool the esclop (of slop) = Look at the police; Backslide = afvallig of ontrouw worden; wegloopen; Backslider; Back-staff, bakstâf, ouderwetsche quadrant; Back-stair(s), bakstêə(z), subst. geheime trap, achtertrap; adv. listig, oneerlijk: The whispers of the backstairs = lasterlijk gefluister; Backstays = pardoens; Back-sword, baksöd, soort houwdegen; schermstok met getralied handvatsel, het spel daarmee; Backward = adj. en adv. achterwaarts, rugwaarts, langzaam, traag, onwillig, achterlijk, stomp van bevatting; schuchter (Amer.); lang geleden: It is backward in us = achterlijk; Backward and forward(s) = heen en weer; To repeat backwards = achterste voren opzeggen; backwardation, bakwədeiš’n, korting voor het recht om eerst na 14 dagen te mogen leveren; Backwards = van achteren naar voren; Back-water = opvaart, haf; achterwaarts geworpen water door waterraderen of schepraderen; ook verb. strijken; Backwoods, bakwudz, Canadeesche oerwouden; Backwoodsman = een Peer, die nooit een zitting bijwoont (fig.).

Backshee(sh), bakšî(š), Ba(c)kshish, bakšiš, drinkgeld, fooi; Backshish verb. omkoopen.

Backy, baki, tobacco; Backy-box = tabaksdoos.

Bacon, beik’n, Baco; Baconian, van Baco.

Bacon, beik’n, gezouten spek: A flitch of bacon = zij spek: He may fetch a flitch of bacon from Dunmow = hij heeft nooit ruzie gehad met zijne vrouw (een toespeling op den hiervoor uitgeloofden prijs); To save one’s bacon = er heelhuids afkomen.

Bacteria, baktîriə, (mv. v. Bacterium = bacterie); Bacteriological = bacteriologisch; Bacteriologist, bacterioloog; Bacteriology, bacteriologie.

Bad, bad, slecht, schadelijk, valsch, bedorven, ziek, erg: He is in a bad way = hij is er slecht aan toe; That’s too bad = dat is te kras; To feel bad = onwel; boos; To go bad = bederven (van eieren); To go from bad to worse = van kwaad tot erger; You had it bad = je hadt ’m leelijk “om”; To the bad = schuldig, te kort; To drift (go) to the bad = den slechten weg opgaan; Baddish = vrij slecht; I want it badly = heb het hoog noodig; He seems to be badly off = hij schijnt het slecht te hebben; Badness = slechtheid.

Bade, bad, Imperf. en Past Part. van to bid.

Badge, badž, insigne, kenteeken; galerij (scheepst.); Badge verb. kenmerken: Badge of authority; Badge of an order; Badged and crested ware = aardewerk van het merk van hotel of club voorzien.

Badger, badžə, subst. das; penseel; soort kunstvlieg (bij ’t visschen); Badger verb. sarren, pesten, plagen, tergen: As bald as a badger = zoo kaal als een biljartbal; Badger-baiting (Badger-drawing) = dassejacht; Badger-dog = dashond; Badger-legged; Badgerly = grijzend.

Badi, bâdi, veete.

Badinage, badinidž, badinage, scherts; verb. schertsen.

Badminton, badmint’n, eene soort raketspel; soort verfrisschende drank.

Baffeta(s), baf(ə)ta(s), wit of blauw Indisch katoen.

Baffle, baf’l, bedriegen, listig ontwijken, verhinderen, verijdelen: To baffle description = alle beschrijving te boven gaan; Baffling winds = veranderlijke winden.

Bag, bag, subst. zak, tasch, weitasch, haarzak, buidel; Bag verb. in een zak doen; schieten, vangen; stelen, opzwellen, uitzetten, zakkig zitten: Bags = wijde kleedingstukken, broek; ingewanden, maag (Schotl.): Alms (Collection) bag = armenzakje; Blue (Green) bag = zak voor akten, processtukken, etc.; City (Gladstone) bag = soort valies; What’s the bag to-day? = hoeveel wild is geschoten? He went away bag and baggage = met pak en zak; He is a bag of bones = de levende dood; To bear the bag = baas over’t geld zijn; To get the bag = den bons krijgen; To give the bag = verlaten; bedriegen; To give one the bag to hold = iemand bedotten; He let the cat out of the bag = verklapte alles: How many hares have you bagged to-day? = geschoten? You’ve had your wind bagged at footer = bent achter adem gekomen bij het voetbal spel; Bag-fox, bagfoks, een door jagers medegenomen vos, die los wordt gelaten om op te jagen; Bagman, bagm’n, handelsreiziger (veroud.); Bagpipe = doedelzak; Bagpiper; Bag-wig = pruik met haarzak; Bagging = zaklinnen; Baggy = zakachtig, flabberig; gezwollen: Baggy cheeks.

Bagatelle, bagətel, kleinigheid, bagatel; een zeker spel: Bagatelle-board.

Bagdad, bagdâd, bagdad; Bagehot, badžət.

Baggage, bagidž, bagage (Amer.; in Engeland ook luggage); de benoodigdheden van een leger; brutaaltje; meisje: A pretty, soft-hearted baggage; Baggage-car (Amer.) = goederenwagen.

Bagnio, banjou, badhuis, bordeel; gevangenis voor galeislaven.

Bah, bâ, ba, foei.

Bahadur, bahôdə, heer (Brit. Ind.).

Bail, beil, subst. borgtocht, borg; beugel, hengsel, halve hoepel; stang, staket, afsluiting, grens; hoosvat: Bail verb. borg blijven; toelaten, een borg te stellen, in onderpand geven; van een beugel voorzien; ontwapenen; hoozen: To accept (allow, admit to, take) bail = tegen borgtocht in vrijheid stellen; To be (go, stand) bail for = borg blijven voor; To give (furnish) bail = borg stellen; To bail out = met een borgtocht bevrijden; hoozen; Bailbond, Bail-piece = schriftelijk bewijs van borgstelling; Bailsman = borg; Bailable, tegen borgtocht vrij te laten; waarvoor bail gegeven kan worden; Bailee, beilî, borgtochthouder; Bailer (Bailor), beilə, borgtochtgever; Bailer, hoosvat, soort baggermachine; Bailment = overdracht onder borgstelling; vrijlating tegen borgstelling.

Bailey, beili, buitenmuur; binnenplein: The Old Bailey = zetel van het Central Criminal Court in de City.

Bailiff, beilif, schout, baljuw, opzichter, gerechtsdienaar, soort verificateur; opzichter der visscherijen; Bailiwick, beiliwik, het rechtsgebied van een bailiff.

Bairn, bêən, kind.

Bairam, bairâm, bairam, Turksche feesten (Lesser Bairam volgt op Ramadan; Greater Bairam volgt 70 dagen later).

Bait, beit, subst. aas, lokaas; verfrissching, water en voer; Bait verb. van aas voorzien, verlokken; stilhouden om zich te verfrisschen, drenken en voeren; aanhitsen: To take the bait = bijten; in de val loopen; Bear-bait(ing) = berebijt, vechten van honden tegen beren.

Baize, beiz, baai, saai; gordijn, tafelkleed.

Bake, beik, bakken; Baked meat = vleeschpastei; Baker = bakker: A Baker’s dozen = dertien; Baker-kneed (Bake-legged) = met x-beenen (= Bake-feet); Bakery = Bake-house = bakkerij.

Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal (Dierenriem); onrust, saldo; Balance verb. wegen, balanceeren, in evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, opmaken: To be off one’s balance = wat van streek zijn; Our destinies hang (tremble) in the balance = hangt aan een zijden draad; I have a balance (in my favour) at my banker’s = (batig) saldo; I’ll pay the balance in sherry = wat er te kort is; To strike the balance = de balans opmaken; Balance of power = staatkundig evenwicht; Balance of trade = handelsbalans; Balance-bridge = wipbrug; Balance-fish = hamerhaai; Balance-knife = tafelmes, waarvan door het zware heft het lemmet niet het tafellaken raakt; Balance-master, Balance-mistress = équilibrist; Balance-pole = balanceerstok; Balance-sheet = balans; Balance-step = zweefpas; Balancer = koorddanser; équilibrist.

Balas(s)-ruby, baləsrûbi, roode spinel.

Balcony, balkəni, balkon.

Bald, bôld, kaal, naakt, armzalig; met witten kop: Bald-face = slechte whiskey (Amer.); Bald-head(ed), Bald-pate(d), subst. (en adj.) = kaal(kop).

Baldachin, baldəkîn, baldakijn.

Balderdash, bôldədaš, subst. wartaal, onzin; bocht.

Baldric, bôldrik, gordel of schouderriem.

Baldwin, bôldwin, Boudewijn.

Bale, beil, subst. baal; onheil; verb. in balen verpakken; uithoozen. (Zie Bail). Bale-fire = brandstapel; bakenvuur; Baling-paper = sterk pakpapier (Am.); Baleful, noodlottig, onheilspellend.

Balearic Islands, baliarikail’ndz, Balearische eilanden.

Baleen, bəlîn, balein.

Balfour, balfə; Baliol, beiliəl.

Balise, (Balize), bəlîz, baken.

Balk, bôk, subst. balk; ongeploegd gelaten strook land; teleurstelling, veredeling; Balk verb. dwarsboomen, verijdelen, teleurstellen; blijven steken; weigeren te springen, onaangeroerd laten; aanwijzen van de richting van haringscholen: Balk-line = streep (bij den onderband van een E. biljart); Balker = een visscher, die vanaf een hoogte signalen geeft over de haringscholen; Balky = koppig.

Balkan, bôlk’n of balkân: The Balkans = Balkanstaten.

Ball, bôl, bal, balspel, kogel, kluwen, (rijks)appel; Ball verb. (zich) tot een bal vormen: Ball and socket joint = kogelgewricht; The Ball of the foot = bal, zool, holte van den voet; A ball of wool = kluwen; Brandy balls = soort balletjes; Uncle three balls = “Oome Jan”; To have the ball at one’s feet = ’t spel in handen hebben (fig.); To hole a ball = stoppen (bilj.); To keep the ball rolling = iets aan den gang houden = (To keep the ball up); To load with ball = met kogels; To open the ball = het bal openen; discussies, strijd beginnen; To set (To start) the ball rolling = iets aan den gang brengen; The snow balled under the hoofs of the horses; Ball-cartridge = scherpe patroon; Ball-cock = balkraan, waardoor de watervoorraad in een vat vanzelf geregeld wordt door een drijvenden bal, die haar opent of sluit; Ball-proof = kogelvrij; Ball-room = balzaal.

Ballad, baləd, ballade; straatdeun; Ballad-maker, Ballad-monger = liedjesverkooper (Ballad-maker).

Ballast, baləst, subst. ballast; puin; Ballast verb. ballasten, in evenwicht houden; met puin bestrooien; Ballastage = rechten op ’t innemen van ballast.

Ballet, balei, ballet: A hole in the ballet = ironische uitroep wanneer iemand blijft steken in zang of voordracht; Ballet-dancer; Ballet-master.

Bal(l)ista, bəlistə, balist; Ballistic = ballistisch; Ballistics = balistiek.

Balloon, bəlûn, ballon, bol, kolf; Balloon verb. (laten) opstijgen; opzwellen; kunstmatig opdrijven (Amer.): To fly red balloons = ballonnetjes oplaten; Captive (Dirigible) balloon = ballon captief (bestuurbare); Ballooner, Balloonist = luchtschipper.

Ballot, balət, subst. (stem) balletje of briefje; (geheime) stemming; loting; het aantal uitgebrachte stemmen; Ballot verb. stemmen, balloteeren, uitloten: To cast a ballot = stemmen uitbrengen; To make a special ballot for = laten stemmen over; The ballot was taken on the resolution = er werd over gestemd; Ballot-box = stembus; Ballot-paper = stembriefje.

Balm, bâm, subst. balsem; troost; balsamieke reuk; balsemboom, bijenkruid; Balm verb. zalven; verlichten, lenigen; Balm-cricket = zwarte veldkrekel; Balminess = balsemachtigheid; Balmy = balsamiek, verzachtend: He is Balmy on the crumpet = het scheelt hem in zijn bol.

Balmoral, balmor’l, Balmoral; Balmoral boot = soort rijglaars; Balmoral cap = soort Schotsche muts.

Balneary, balnjəri, bad …; Balnearies = bad, badplaats.

Balsam, bôls’m, balsem (Zie Balm); balsemine; Balsamic(al) = balsamiek, verzachtend (middel).

Balsamine, bôlsəmain, balsemien. springkruid, kruidje-roer-me-niet.

Baltic, bôltik, Baltisch: The Baltic = Oostzee; Baltimore, bôltimö: Baltimore-bird = Am. zangvogel.

Baluster, baləstə, baluster: Balustered = van balusters voorzien; Balusters = trapleuning; Balustrade = balustrade.

Bam, bam, zwendel; Bam verb. bedriegen.

Bambino, bambînou, kind; eene voorstelling van het kindeke Jezus in de kribbe.

Bamboo, bambû, subst. bamboes; Bamboo verb. met een bamboesstok afranselen.

Bamboozle, bambûz’l, bedriegen, verlakken; Bamboozlement, bedriegerij; Bamboozler, bedrieger.

Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, banvloek; boete wegens bankbreuk; Ind. mousseline; Ban verb. vervloeken; verbannen, in den ban doen: To be placed under the ban of the law = (uit)bannen; A banned exile; Zie Banns.

Banal, bein’l, ban’l, banaal, plat, alledaagsch; Banality = banaliteit, gemeenplaats.

Banana, banânə, bənanə, banaan, pisang; Banana-bird = pisangvogel.

Banbury: Banbury cake, banb’rikeik, gebak met fijngehakt vleesch: To ride (a cock-horse) to Banbury cross = een kind op de knieën laten rijden.

Banco, baŋkou, bankgeld, tegenover minderwaardig current money: To sit in banco = in plechtige zitting vereenigd zijn.

Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, hof, zwachtel, rand, drijfriem; troep, korps, kapel, boei, verbond; Band verb. (zich) vereenigen: A plain gold band = gladde (trouw)ring; He has a band upon his hat = rouwband; Endless band = drijfriem; Band and gown = toga en bef; Band of hope = geheelonthoudersvereeniging van kinderen; Band of pearls = snoer; Brass band = fanfarekorps; Musical band = muziekkorps; String band = strijkorkest; Wind band = blaasorkest; Band-box = hoeden(linten) doos; fat: He looked as if he came out of a band-box = je kon hem door een ringetje halen; Band-master = kapelmeester (Military band, Town-band); Bandsman, muzikant; hoboist; Band-stand = muziektent; Bandage, bandidž, subst. verband, zwachtel; Bandage verb. verbinden.

Bandan(n)a, bandanə, rood, blauw of geel gekleurde zak- of halsdoek met witte of gele stippen van katoen of zijde (Indië).

Banderol(l), bandərol, Banderole, bandəroul, vaantje, banderol.

Bandicoot, bandikût, Malabaar rat, Australische buideldas.

Bandit, bandit, (Meerv. Bandits of -ti, banditi), bandiet.

Bandog, bandog, bandrekel.

Bandoleer, bandəlîə, bandelier.

Bandoline, bandəlin, soort pomade; Bandoline verb. pomadeeren, toilet maken.

Bandore, bandö, bandö, soort luit.

Bandy, bandi, heen en weer slaan, elkaar toewerpen, wisselen, disputeeren; subst. hockeyspel, hockeykolf; ossekarretje (Brit. Ind.); adj. krom: Her name was freely bandied about among them = te pas en onpas genoemd; Don’t bandy words with me = disputeer niet; There is no use in our bandying incivilities = elkander onbeleefdheden te zeggen; Bandy-legged = met O-beenen.

Bane, bein, vergif; verderf, pest; rotziekte (bij schapen): He was considered the bane of society = pest; Wolf’s bane = wolfswortel; Banewort, beinwɐ̂t = wolfskers, egelboterbloem; Baneful = giftig; doodelijk.

Bang, baŋ, subst. bons, harde slag, groot geraas, knal; interj. en adv. boem; Bang verb. slaan, stompen, dichtslaan; overtreffen, schallen, knallen, dreunen; het haar recht langs het voorhoofd afknippen; To close with a bang = bons; Bangs = (valsch) ponyhaar (Amer.); Banger = leugen: I never heard (told) such a banger = leugen; He banged his fist on the table = sloeg met; To bang things = hard neergooien; He banged my hat in; To bang each other with quarter staves = afranselen; That took my breath bang away = plotseling; To do a thing in bang-up style = royaal; Bang-shop = minder soort winkel (ook: Slap-and-bang-shop).

Banghy, baŋgi, draagstok; Banghy-post = postpakketdienst; Banghy-wallah = drager.

Bangle, baŋg’l, armring, armband.

Bangle, baŋg’l, verbeuzelen (away); slap neerhangen; Bangle-eared = met slap neerhangende ooren.

Bangy = Banghy.

Banian, banj’n, een Hindoekaste van vegetariërs; koopman, makelaar; katoenen Hindoesch hemd; soort nachthemd of sjamberloek; Banian-days = dagen, waarop vroeger bij de marine geen vleesch werd verstrekt Banian (Banian-tree) = heilige Ind. vijgeboom.

Banish, baniš, verbannen; Banishment, verbanning.

Ban(n)ister, banistə = Baluster.

Banjo, bandžou, banjo.

Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, geldbank, doft; Bank verb. indammen, (zich) ophoopen; in rekening staan met een bank, deponeeren, realiseeren: Banker = bankier, bankhouder; grondwerker; visschersvaartuig op de banken van New-Foundl.; modelleerbank: Discount (Mortgage bank, Savings bank) = Disconto (Hypotheek-, Spaar-) bank; Bank of Deposit (Bank of Issue) = Deposito (Circulatie) bank; He broke the bank = deed de bank springen; A banked-up fire = bedekt of ingerakeld vuur; Bank-agent = directeur van eene filiaalbank; Bank-bill = wissel, bankbiljet; Bank-book = bankboek; Bank-engine = hulplocomotief (bij hoogten); Bank-holiday = Paaschmaandag, Pinkstermaandag, 1e Maandag in Aug., en 2e Kerstdag; in Schotland Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, 1ste Maandag in Mei en Augustus en Kerstdag; Bank-note = bankbiljet; Bank-rate = bankdisconto; Banksmack = visschersvaartuig (Newfoundland); Bank-stock = kapitaalvoorraad; Banking and commission-business = bankiers- en wisselzaak (commissionairsz.): Banking-house = bankiershuis.

Bankrupt, baŋkrɐpt, subst. bankroetier; adj. bankroet; Bankrupt verb. bankroet gaan of maken: Act of bankruptcy = faillietverklaring; Bankruptcy commissioner = curator; Bankruptcy Act = wet op het faillissement.

Banner, banə, banier: He joined, followed (fought under) our banners = streed onder onze banieren; bannered = van banieren voorzien; Banneret = baanderheer; vaantje.

Bannock, banək, koek van erwten- of gerstenmeel (Schotl.); Bannockburn, banəkbɐ̂n.

Banns, banz, geboden: To ask (publish, put up) the banns = kerkelijk afkondigen; To forbid the banns = bezwaren inbrengen tegen de afkondiging.

Banquet, baŋkwət, subst. banket; Banquet verb. banketeeren; Banqueter = deelnemer aan een banket; Banqueting-hall = feestzaal.

Banquette, bəŋket, banket (Mil.); steil talud; voetpad op eene brug; trottoir.

Banshee, banši, geest in de gestalte van eene oude vrouw (Ierl. en Schotl.), die een aanstaand sterfgeval aankondigt.

Banstickle, banstik’l, stekelbaars.

Bantam, bant’m, bantam, subst. Bantamsch dwerghoen; adj. Bantamsch; klein; strijdlustig; gewichtig; Bantam-work = nagemaakt Japansch snijwerk.

Banter, bantə, subst. scherts, boert; Banter verb. schertsen, gekscheren, schertsend plagen.

Bantling, bantliŋ, klein kindje: In our Bantling days = kinderjaren.

Banyan, banj’n = Banian (-tree).

Baobab, beiəbab, bâəbab, apenbroodboom.

Baptism, baptizm, doop: Baptism of fire = vuurdoop; Baptismal = doop - -: Baptismal certificate (Baptismal font); Baptist = baptist: St. John the Baptist = Joh. de Dooper; Baptistery = doopkapel; doopbekken; Baptistic = doop - -; baptisten - -; Baptize = doopen.

Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière, slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der advocaten, rechtbank; buffet; balk (in een wapenschild), dwarsstreep, eene lijn op den notenbalk (voor de maat); eene exceptie, die ’s klagers aanklacht vernietigt; staaf; Bar verb. met een boom of boomen sluiten; uitsluiten, beletten, belemmeren, versperren, doorkruisen met lijnen en strepen: Horizontal and parallel bars = rekstok en brug; The hunter cleared all the bars = nam al de hindernissen; The host was in the bar = buffet; The bar of the harbour = ondiepte; Bar of soap = reep; The bar are of a different opinion = de advocaten; There is no case at bar at present = aanhangig; A trial at bar = een behandeling voor al de rechters van een hof; At the bar of public opinion; He was called to the bar = werd toegelaten als advocaat; Called within the Bar = tot King’s (Queen’s) Counsel benoemd worden; To change the Bar for the Bench = van advocaat overgaan bij de magistratuur; To cross the bar = sterven; To study for the bar = in de rechten; A bird with a barred tail = gestreept; A crossbar-red shirt; This statute bars my right of a free choice = verhindert; Barring = barring; prep. uitgezonderd: I will take them all Bar(ing) these = met uitzondering van; Barring-out = het buitensluiten van den leeraar door leerlingen (met Kerstmis of Vasten); Bar-iron = staafijzer; Bar-keeper = buffetknecht; kroeghouder (Americ.); Bar-maid = buffetmeisje; Bar-man = buffetknecht; Bar-master = mijnopzichter; Bar-room = gelagkamer; Bar-shoe = rondom gesloten hoefijzer; Bar-soap = zeep aan reepen; Bar-shot = boutkogel; Bar-sinister (Zie Bend-sinister); Bar-tender = buffethouder.

Barb, bâb, subst. Barbarijsch paard; soort duif; baard, schachtveertjes; weerhaak; wapenrusting voor een paard; Barb verb. van weerhaken voorzien; barbieren: Barbed wire fence = prikkeldraadversperring.

Barbacan, bâbək’n, buitenwerk, wachttoren.

Barbados, bâbeidouz, Barbados. (W. Ind.).

Barbarian, bâbêriən, subst. barbaar, wilde, wreedaard; adj. barbaarsch, wild, onmenschelijk; Barbaric, barbaarsch; Barbarism, bâbərizm, barbarisme (gramm.), barbaarschheid, wreedheid; Barbarity = barbaarschheid; Barbarous = barbaarsch; subst. Barbarousness.

Barbary, bâb’ri, Barbarije: Barbary-ape = Turksche aap.

Barbate(d), bâbit(id), behaard.

Barbecue, bâbəkjû, subst. groote rooster; een in zijn geheel gebraden groot dier; volksfeest waar zulk een gebraad wordt opgegeten; terras waarop koffieboonen worden gedroogd (Amer.); Barbecue verb. een dier in zijn geheel braden.

Barbel, bâb’l, barbeel.

Barber, bâbə, subst. barbier, kapper; Barber verb. barbieren, kappen; Barber’s basin, Barber’s plates (brass vessels) = scheerbekken; Barber’s pole = rood en wit geschilderde stok aan de oude barbiers(dokters)winkels.

Barberry, bâberi, berberis, zuurdoorn.

Barbet, bâbət, poedelhond; baardvogel, baardkoekoek.

Barbette, bâbet, barbette, geschuttoren op pantserschepen; geschutbank.

Barbican = Barbacan.

Bard, bâd, zanger, bard; harnas v. een paard; spekreep; Bard verb. van een harnas voorzien; met spekreepen beleggen; Bardic, barden - - = Bardish; Bardism, bardenwezen.

Bardell, bâdəl, bâdel.

Bare, bêə, adj. naakt, bloot, blank, kaal, arm, versleten, ontbloot van; Bare verb. ontblooten, berooven: Under bare poles = voor top en takel; Bare-backed = zonder zadel; Bare-boned, (Bare-ribbed) fellow = mager, broodmager; He told it me barefaced = zonder blikken of blozen, onbeschaamd; Barefacedness; Bare-footed, Bare-headed, Bare-legged, etc.; Barely = nauwelijks; Bareness = naaktheid, behoeftigheid.

Barege, barêž, barège.

Baret, barət, hoofddeksel van Kath. geestelijken, bonnet, baret, kalotje.

Bargain, bâgin, subst. koop, koopje, overeenkomst, afspraak, het gekochte; Bargain verb. een koop sluiten, verkoopen, overeenkomen: To conclude (drive, strike) a bargain = sluiten; He made the best of a bad bargain = hij sloeg er zich zoo goed mogelijk door; A good bargain is a pickpurse = goedkoop duurkoop; I had these goods a dead bargain = spotgoedkoop; I will give you these into the bargain = op den koop toe; Sale bargains = koopjes; A bargain is a bargain = een man een man, een woord een woord; That’s a bargain! afgesproken; He bargained away his farm = verkocht; We had not bargained for his presence = niet gerekend op; He sent me less than I had bargained for = berekend, besteld; Bargain-hunter = loopster op koopjes; Which is the bargainee and which the bargainer = kooper … verkooper.

Barge, bâdž, barge, praam, lichter; statie(officiers)sloep; een passagiers- of vrachtschip met dubbel dek, getrokken door eene stoomboot (Amer.); (hotel)omnibus = Hotel barge (Amer.); Bargeman = Bargee (bâdžî) = schuitenvoerder = Bargemaster.

Barilla, bərilə, ruwe soda, ook de plant, waaruit deze bereid wordt.

Bark, bâk, subst. schuit, bark; geblaf; bast (van een boom), schors, run; Bark verb. afschillen; blaffen; hoesten: I barked my skin against a wheel = schaafde; Bark-bared = van de bast ontdaan; Bark-galled tree = met beschadigde bast; Bark-pit = looikuil; Barker, blaffer, schreeuwer, iemand die koopers lokt; pistool, kanon; Barky = met schors bedekt.

Barley, bâli, gerst: Hulled (Peeled, Pot, Scotch) Barley = gepelde gerst; French (Pearl) barley = parelgerst; Barley-broth = gerstepap; Barley-corn = gerstekorrel; John Barley-corn = bier; Barley-sugar = gerstesuiker.

Barm, bâm, gist; Barmy = schuimend.

Barn, bân, subst. schuur; Barn verb. in eene schuur opslaan (up); adj. tam, huis - -: Barn-door fowls = pluimgedierte; Barn-owl = kerkuil; Barn-stormer = rondreizend acteur; Barn-yard = erf.

Barnaby, bânəbi, Barnabas.

Barnacle, bânək’l, eendenmossel, klis (fig.); boomgans; Barnacles = neusknijper (voor een paard); lorgnet; martelwerktuig.

Barometer, bəromətə, barometer; Barometric(al), barometrisch, barometer …

Baron, bar’n, baron: Barons of the Exchequer = vijf rechters, die (voor 1873) belastingkwesties tusschen regeering en onderdaan uitmaakten; Baron and feme = man en vrouw (jur. en herald.); Baron of beef = de twee ongescheiden lendestukken van een rund; Barons of the Cinque Ports = (tot 1832, veertien leden van het House of Commons, door de Cinque Ports (nl. Dover, Sandwich, Hastings, Hythe en Romney, waarbij later Winchelsea en Rye kwamen) gekozen); Baronage; Baroness = barones; Baronet = baronet (een baronet heeft, evenals een knight, Sir vóór den doopnaam; de titel van den eerste alleen is erfelijk); The Baronage and the Baronetage of England = alle barons en baronets; Baronetcy = titel of waardigheid van een baronet; Baronial = van een baron; Barony = baronie; waardigheid van baron.

Baroque, bərouk, subst. en adj. barok.

Barouche, bərûš; kales, barouche.

Barrack, barək, barak, keet; Barracks = kazerne.

Barrage, baridž, dam.

Barrator, barətə, omkoopbaar rechter; twistzoeker; iemand die barratry pleegt; Barratry, barətri, het aanzetten tot processen; bedrog door een scheepskapitein gepleegd ten nadeele van de eigenaars, assuradeurs of cargadoors.

Barrel, bar’l, subst. ton, vat, loop (van een geweer), cylinder (in een muziekdoos of orgel), spil; trommel (van het oor, van een horloge), romp van paard of koe; Barrel verb. inkuipen, in een vat doen; Barrel-bulk = vijf kubieke voet; Barrel-bellied = met ronden buik; Barrel-organ = draaiorgel; Barrelled = in vaten gedaan; Double Barrelled = tweeloops.

Barren, bar’n, subst. onvruchtbaar land (dier); adj. onvruchtbaar, droog, onnoozel, waardeloos: Barren-spirited = onbeduidend; subst. Barrenness.

Barricade, barikeid, subst. versperring, hindernis; Barricade verb. versperren, beletten.

Barrier, bariə, barrière, slagboom, grenspaal; Barrier verb. afsluiten; Barriers = krijt; Barrier-reef = koraalrif; Barrier Treaty.

Barrister, baristə = Barrister at law, advocaat (pleit alleen, behalve in crimin. zaken, na instructie door een solicitor).

Barrow, barou, grafheuvel, hunebed; berrie (= Handbarrow-), kruiwagen (= Wheelbarrow-); karrevracht; gecastr. beer.

Barter, bâtə, ruilhandel drijven, inruilen, omruilen: To barter away = verkwanselen; subst. ruil(handel); Barterer = handelaar.

Bartholomew, bâtholəmjû, Bartholomeus; Massacre of St. Bartholomew.

Barwood, bâwud, rood verfhout.

Barytone, baritoun, subst. en adj. bariton; (woord) met onbeklemde laatste lettergreep.

Basal, beis’l, grond - -, fundamenteel.

Basalt, bəsôlt of basolt, bazalt; Basaltic, basalten; Basaltiform, basaltzuilvormig.

Basanite, basənait, Lydische steen, toetssteen.

Bascule, baskjûl, wip: Bascule-bridge = ophaalbrug.

Base, beis, subst. basis, grondslag, fondament; vertrekplaats (bij wedrennen); een soort spel; bas; adj. gering, laag, gemeen, onecht; Base verb. grondvesten; Base-ball = een Amerik. balspel; Base-born = van lage geboorte; buitenechtelijk; gemeen; Base-burner = vulkachel; Base-line = grondlijn; operatiebasis; Base-minded = laaghartig; Baseless = ongegrond; Baselessness = ongegrondheid; Basement = basement; benedenverdieping; Baseness = laagheid, etc.

Bash, baš, slaan, ranselen: To bash in = inslaan.

Bashaw, bašô, bassa, pacha, gewichtig persoon, tiran: Three-tailed bashaw = pacha met 3 paardestaarten.

Bashful, bašf’l, bloode, bedeesd, schuchter; Bashfulness, blooheid, etc.

Bashi-Bazouk, bašibəzûk, (ongeregeld) Turksch soldaat.

Bashy-bash, bašibaš, heerlijk, snoezig.

Basic, beisik, fundamenteel; basisch.

Basil, beisil, bazil, gelooide schapenhuid; thijm. Zie Bezel.

Basilic, bəsilik, bəzilik: Basilic vein = ellepijpshuidader.

Basilica, bəsilikə, basilica, basiliek.

Basilisk, basilisk, basiliscus, draak; Amerik. kamhagedis; veldslang (kanon).

Basin, beis’n, bekken, schaal, bassin, stroomgebied: To pour water into a broken basin = nutteloos werk verrichten; Hand-basin = fonteintje.

Basis, beisis (Meerv. Bases, beîsîz), grondslag, basis, basement.

Bask, bâsk, koesteren, zich koesteren.

Basket, bâskət, subst. mand, mandvol; (sabel)korf, schanskorf; achterste 2 banken op een coach; Basket! = in de mand! (Straf voor hen, die bij hanengevechten, etc. hunne verliezen niet konden betalen en opgehangen werden in een mand tot de wedstrijd over was); Basket verb. in eene mand doen, in de prullemand gooien; That’s the pick of the basket = het neusje van den zalm; Basketball = korfbal; Basket-buttons = metalen knoopen met een gevlochten versiering; Basket-carriage = mandewagen; Basket-chair = rieten stoel; Basket darning = stoppen; Basket easy = rieten armstoel; Basket-fish = een soort zeester; Basket-hilt = korfgevest; Basket-stitch = maassteek; Basket-work = mandewerk; Basketful = korfvol; Basketry = mandewerk.

Basle, bâl, Bazel.

Basque, bâsk, Baskisch; Bask, het Baskisch; soort damesjacket.

Bas-relief, bârilîf, basrilîf = Bass-relief = bas-relief.

Bass, beis, subst. bas; adj. laag, bas; Bass-clef = bassleutel; Bass-horn = soort clarinet; Bass-viol = violoncel.

Bass, bas, baars; Amerikaansche linde, of de bast van dezen boom; mat van deze bast.

Basset, basət, soort v. dashond.

Basset, basət, of bəset, bassetspel.

Basset-horn, baset-hön, bassethoorn.

Bassinet(te), basinet, ijzeren hoofdbedekking onder den helm; mandewieg.

Bassoon, bəsûn, fagot; Bassoonist, fagottist.

Bast, bast, bâst, lindebast; touw of mat daarvan gemaakt.

Basta, bastə, basta! houd op! uit!

Bastard, bastəd, subst. bastaard; basterdsuiker; adj. onecht; Bastardize = tot bastaard maken; ontaarden; Bastardy, bastaardij.

Baste, beist, met vet overgieten; rijgen; afranselen: Basting threads = rijgdraden.

Bastil(l)e, bastil, bastil, de Bastille.

Bastinado, bastineidou, subst. bastonnade, pak slaag; verb. een bastonnade geven, afranselen.

Bastion, bastj’n, bastion, bolwerk.

Basto, bastou, basta (in ’t omber- en quadrillespel).

Bat, bat, subst. kolf, kolver (= batsman, batter); knuppelstok, slag; halve baksteen; katoenopvulsel; Bat verb. terugslaan met een bat: He did it off his own bat = door eigen inspanning; op eigen houtje.

Bat, bat, vleermuis: As blind as a bat = stekeblind; Bats-wing burner = vleermuisbrander.

Bat, bâ, bât, bat; Bathorse = bagagepaard, pakpaard.

Batata, bateitə, batâtə, zoete aardappel.

Batavian, bəteivj’n, Bataaf, Bataafsch; inwoner van Batavia; Bataviaasch.

Batch, batš, baksel: troep, partij, hoop: The members took the oath in batches = werden groepsgewijze beëedigd; Batches of boys and girls, of letters, etc.

Bate, beit. Zie Abate: With bated breath = ingehouden; He would not bate any of his privileges = afstaan; You can bate them a bit = afdingen.

Bath, bâth, bad, badkuip, badhuis, badplaats, vochtmaat (= 20,2 L.); Bath verb. baden: The Order of the Bath = Bath-orde; Foot-bath; Partial (= Sitting-, Sitz-) bath = zitbad; Shower-bath = stortbad; Vapour-bath; Go to Bath = loop naar den duivel; Bath-brick = schuursteen; Bath-bun = soort van krentenbroodje; Bath-chair = ziekenstoel op raderen; Floating baths = drijvend rivierbadhuis; He had gone off for his course of baths = badkuur.

Bathe, beidh, subst. bad (in rivier of zee); Bathe verb. baden, bespoelen, bevochtigen: Bathed in a cold perspiration, in tears; Bather = bader; Bathing: Bathe-box, (-closet) = badkamertje; Bathe-costume (-dress) = badkostuum; Bathe-drawers (-tights) = zwembroek; Bathe-establishment = badinrichting; Bathe-machine = badkoets.

Bathos, beithos, overgang van het verhevene tot het platte of belachelijke.

Bathurst, bathəst of bâthəst.

Bating, beitiŋ, behalve. Zie Bate.

Batist(e), bətîst, batist.

Batman, batman, keukengereedschapbewaarder der compagnie; oppasser; leider van het bat-horse.

Baton, bat’n, bəton; Batoon, bətûn, baton, staf; dirigeerstok; stok (van een politiedienaar).

Batrachite, batrəkait, vorsen- of paddensteen.

Batsman, batsman, hij, die bij het cricketspel de bat heeft.

Battalion, bətalj’n, subst. bataljon; Battalion verb. bataljons formeeren.

Battel, bat’l: Battels = extraatjes door de Eton Dames aan de jongens verschaft; consumptie besteld uit de bottelarij van een Oxford College; de kosten daarvan, kosten van voedsel, woning, onderwijs, enz. van een Oxford College; Battel verb. zulke aangeschafte levensmiddelen schuldig zijn; aan de gezamenlijke maaltijden deelnemen.

Batten, bat’n, subst. lat; Batten verb. met latten bevestigen (down).

Batten, bat’n, vet worden, gedijen; vruchtbaar worden; zich vetmesten (on, upon), in weelde leven.

Batter, batə, beslag: Batter pudding = een soort trommelkoek.

Batter, batə, verb. beuken tegen, vernielen, bombardeeren, beschieten; subst. beschieting; Battered = verpletterd, verfomfaaid, afgesleten, uitgemergeld, oud en invalide; Battering: Batter-gun = belegeringskanon; Batter-ram = stormram; Batter-train = belegeringsgeschut.

Battery, batəri, batterij (electr. en mil.); aanranding, mishandeling, verwaarloozing (een actie wegens battery heet technisch: For Assault and Battery; een bedreiging met de vuist is een assault, een vuistslag is battery).

Battle, bat’l, subst. slag, veldslag; Battle verb. vechten, strijden (against, for, with): The first blow is half the battle = een goed begin is het halve werk; God of Battles: Zie Rom. IX, 29; Trial by (Wager of) battle = Godsgericht; Drawn battle = onbesliste; Pitched battle = geregelde, felle strijd; Battle-array = slagorde; Battle-axe = strijdbijl, hellebaard, enterbijl; Battle-cry = strijdleus; Battledoor, Battledore, klopper, raket; Battle-field; Battle-horse = strijdros: He had got on his battle-horse, and careered onward = hij zat op zijn paardje, en holde maar door (fig.); Battle-piece = schilderij die een veldslag voorstelt; Battle-royal = hanengevecht (van meer dan twee hanen); algemeene strijd; Battle-song = strijdlied.

Battlement, bat’lm’nt, borstwering: Battlements = kanteelen.

Battue, batjû, drijfjacht; het opgejaagde wild; slachting op groote schaal.

Baubee, bôbî, 2½ cent (Schotsch).

Bauble, bôb’l, snuisterij, speeldingetje, narrenscepter.

Baulk, bôk, Zie Balk.

Bavaria, bəvêriə, Beieren; Bavarian, Beier; Beiersch.

Bavin, bavin, takkenbos.

Bawbee = Baubee.

Bawble = Bauble.

Bawd, bôd, koppelaar(ster); Bawdiness = ontucht; Bawdry = koppelarij; ontuchtige taal; Bawdy = vuil, onkuisch: Bawdy-house = bordeel.

Bawdrick; Zie Baldrick.

Bawl, bôl, subst. luide schreeuw; Bawl verb. schreeuwen, bulken: To bawl out = luid schreeuwen; Bawler, schreeuwer.

Bay, bei, subst. baai, bocht; opening in een muur, vak, nis; laurierboom (Bays = lauweren; The Queen’s Bays = het 2de regiment dragonders); geblaf, tot staan (in ’t nauw) brengen; dam, dijk; bruin paard; adj. kastanjebruin, roodbruin; Bay verb. blaffen, aanblaffen, blaffend vervolgen, in ’t nauw brengen: To be (stand) at bay, To turn to bay = in ’t nauw zijn, zich te weer stellen; To bring (hold, keep) at bay = in ’t nauw brengen, in bedwang houden; Bay-berry, beiberi, laurierbes; Bay-cherry = laurierkers; Bay-leaf = lauwer; Bay-salt = zeezout; Bay-window = erker, venster; Bay-wood = campêchehout.

Bayadeer, Bayadere, bâjadîə, bâjadêə, bajadère.

Bayonet, beiənet, subst. bajonet; Bayonet verb. doorsteken of aanvallen met de bajonet: The bayonet at the charge = met gevelde bajonet; Bayonet-fencing = bajonetvechten.

Bayou, baiû, uitwatering van een meer; moerassige zijarm van een rivier (Zuid. Stat. van Amer.).

Baz(a)ar, bazâ, bazaar, liefdadigheidsbazaar.

Be, bî, bestaan, zijn: The powers that be (were) = de gestelde (vroegere) overheid; Paradise Lost was not as yet = was toen nog niet geschreven; Let be = laat liggen, blijf er af; I am in for it = ik ben er bij; I am off = ik ga heen; I am off for the country = ik ga naar buiten; Time is up = de tijd is om, ’t is tijd; He is well up in history = weet veel van geschiedenis; My mother-in-law to be = toekomstige.

Beach, bîtš, subst. strand; Beach verb. op het strand halen (zetten): To be on the beach = aan lager wal zijn (fig.); Beach-comber, eene lange strandgolf; strandjutter; parelvisscher in den Indischen Oceaan; Beachy = zandig.

Beacon, bîk’n, subst. baken, bakenvuur: Beacon verb. bebakenen; verlichten, tot baken dienen; Beaconage = bîkənidž, bakengeld, bebakening.

Bead, bîd, kraal, drop, traan, blaasje, bobbeltje, vizierkorrel (Amer.); Beads = rozenkrans, halssnoer, eierrand, astragal: To count (tell) one’s beads = den rozenkrans bidden; To thread beads = kralen aanrijgen; To draw a bead upon = mikken op; Bead-eyes = glazen poppe(oogen); Bead-frame = telraam; Bead fringe = kralen rand om lampekap; Bead-roll = lijst van hen voor wier zielen moet worden gebeden; lijst, rozenkrans, eierrand; Beads-man, Beads-woman = iemand, die bidt voor een ander, in ’t bijzonder bewoners van een beadhouse, die het voor den stichter deden; gepatenteerd bedelaar (Schotl.).

Beadle, bîd’l, pedel, bode; Beadledom = Beadle-hood = Beadleship, waardigheid van een beadle.

Beagle, bîg’l, brak; spion, speurhond; verb. jagen met een brak.

Beak, bîk, subst. snavel, neb, bek, tuit; rechter (Slang); Beak verb. met den bek vastpakken; Beak-iron = aambeeld met twee punten; Beaked = gesnaveld, snavel …

Beaker, bîkə, beker.

Beam, bîm, subst. balk; ploegboom, weversboom, disselboom; drijfstang, waagbalk; hoofdtak van een gewei; boom, speer; dekbalk, grootste breedte van een schip; ankerstok; lichtbundel, lichtstraal; Beam verb. stralen schieten, stralen: On the weather (lee) beam = te loevert (in lij); To be (thrown) on her (one’s) beam-ends = op zij liggen; in verlegenheid zitten, failliet zijn; To kick (strike) the beam = (te) licht wegen, van weinig belang zijn; She was beaming with joy = haar gezicht straalde van vreugde; To beam approval = met stralend gezicht zijn goedkeuring te kennen geven; Beamed stag = hert met het volle gewei; Beam-compass, stangpasser; Beamy, massief; breed; stralend.

Bean, bîn, boon: Full of beans = fleurig, jolig; Every bean has its black = elke gek heeft zijn gebrek; Quite a bean = een pan; To get beans = een standje krijgen; They can’t stand beans = standjes verdragen; He knows how many beans make five = weet zijn weetje; Sick for the bean-pots of Boston (verg. The flesh-pots of Egypt); Bean-feast = jaarlijksch feest van een werkgever aan zijne arbeiders; Bean-pod = boonschil: Bean-pods are noisiest when dry = holle vaten klinken het meest; Bean-pole = boonenstaak (ook fig.); Beany = fleurig.

Bear, bêə, subst. beer, lomperd, beursspeculant à la baisse: Grizzly bear (N. Amer.), Polar bear; To look as sulky as a bear with a sore head; The Great (Little) Bear = de groote (de kleine) Beer; To turn bear = à la baisse gaan speculeeren; Bulls and bears = speculanten à la hausse en à la baisse; Bulling and bearing; Bear-berry = berendruif; Bear’s-breech, bêəzbrîtš, acanthus; Bear’s-ear = berenoor; Bear’s-foot = daslook; Bear-garden = berenkuil, plaats waar bear-baiting gehouden werd; woelige vergadering; Bear’s-grease, bêəzgrîs, berenvet (eene pomade); Bear(’s-)skin = berenhuid; muts van berenvel; dikke, langharige wollen stof; Bearish = norsch, lomp.

Bear, bêə, torsen; dragen, verdragen, bezitten, overbrengen, afleggen, wegdragen, liggen, baren, etc.: Atlas bears the world; The ice bears; To bear the bell = belhamel zijn; To bear children = baren; To bear company = houden; To bear date = gedateerd zijn; To bear fruit; To bear a grudge (ill-will) = een wrok hebben tegen; To bear a hand = een handje helpen; To bear inspection = gezien mogen worden; To bear likeness (resemblance to) = gelijkenis vertoonen; To bear a loss; To bear this meaning (sense) = deze beteekenis hebben; To bear a part = een rol spelen in, deel hebben aan; To bear a proportion to = in verhouding staan tot; To bear reference to = betrekking hebben op; To bear the repute = den naam hebben; To bear a share in = aandeel hebben in; To bear sway (rule) = heerschen; To bear testimony (witness) = getuigen; To bear one’s years well = er flink uitzien voor zijn leeftijd; The land bears North by East = ligt; Bear Verb. met voorzetsels en bijwoorden: To bear against = leunen tegen, zich richten tegen; To bear away = weggaan, (snellen, zeilen), wegdragen (Bear away a prize); To bear down (up)on = losstormen op, aanhouden op, met volle zeilen aankomen op; To bear in mind = zich herinneren (It was borne in upon me = het werd me bewust); To bear off = wegdragen; To bear on = betrekking hebben op, gericht zijn op; To bear out = steunen, bevestigen; I will bear you out = je getuigenis bevestigen; To bear up = dragen, steunen, uithouden, zich goed houden; To bear up against misfortunes = moedig dragen; To bear with = verdragen; To bring to bear = doen gevoelen, laten gelden, laten inwerken op: We shall bring this gun to bear on the battery = deze batterij onder vuur nemen; I brought the lesson to bear = in toepassing; She brought the scheme to bear = voerde uit; Bear back there! = achteruit! Bearable = te dragen; Bearer = drager, brenger, toonder, bode, lijkdrager; een boom, die vrucht draagt: Pay to bearer = te betalen aan toonder; Please send answer by bearer (= Bearer waits) = antwoord verzocht met brenger dezes; Bearing = het dragen, dracht; houding, optreden; vizierlijn, richting, betrekking, verhouding, invloed: Past bearing = niet meer vruchtdragend; onvruchtbaar; Beyond bearing = onverdragelijk; Bearings = ligging, peiling; wapenschild; The trees are all in full bearing = bloei; The bearing of the cape was N. E. = de kaap lag N. O. van ons; This argument has no bearing on the case = betreft het geval niet; To discuss a question in all its bearings = van alle zijden; To bring a person to his bearings = zijn positie doen begrijpen; To find one’s bearings = zich orienteeren; To lose one’s bearings = de kluts kwijt zijn; To take bearings = peilingen doen; poolshoogte nemen (fig.); Armorial bearings = wapenschild; Bearing-rein = opzetteugel.

Beard, biəd, subst. baard; weerhaak; Bearded, gebaard, met een staart (astron.); Beard verb. bij den baard trekken, trotseeren, brutaliseeren; Beardless, baardeloos, jeugdig; Beardlessness, baardeloosheid, etc.

Beast, bîst, (viervoetig) dier; redeloos dier; ruw mensch, beest: The Beast = de Antichrist (Openbaring XIII, 1); Mark of the Beast; Beast verb. beest maken; Beastlike (= Beastly) = dierlijk, beestachtig, buitengewoon; subst. Beastliness.

Beastings, bîstiŋz, biest.

Beat, bît, subst. klap, slag, tred, ronde, wijk, dikwijls bezochte plaats; het maatslaan, slag (bij het laveeren); Beat verb. (herhaaldelijk) slaan, kneuzen, beuken, kloppen, stampen, verslaan, opdrijven, doorzoeken, doorkruisen, inspannen, vermoeien, uitputten, laveeren, vallen; klotsen, betreden: beat of drum = trommelslag; beat of the heart (the pulse); The heart makes from 70 to 80 beats a minute; A policeman’s beat, postman’s beat, sentry’s beat = wijk, post; I am not on your beat = heb uw wijk niet; Out of one’s beat = niet geschikt voor, onbereikbaar; Out of beat = uit de maat; To beat one’s brains (head) about = zich het hoofd breken over, zich inspannen; One beats the bush, and another gets the hare = de paarden, die de haver verdienen, krijgen ze niet; To beat the charge = het sein tot den aanval geven; To beat the general (alarm) = te wapen trommelen; To beat hemp = braken; To beat (pad) the hoof; Zie Hoof; To beat a parley = het sein geven tot mondelinge onderhandeling tusschen vijandelijke aanvoerders; To beat a retreat = den aftocht blazen; To beat time = de maat slaan; Dead-beat = doodop; beaten, geslagen, gesmeed, verslagen, veel betreden, alledaagsch: beaten gold = bladgoud; beaten hemp; beaten path = gewone weg (ook fig.); Hand-beaten silver = gedreven; beating = slaan, pak slaag, nederlaag: To get a sound beating; To give a sound beating = afranselen, slaan (sport); Beat verb. met voorzetsels en bijwoorden: To beat about the bush = er om heen praten; To beat at billiards, etc. = verslaan; To beat back = terugslaan; To beat down = neerslaan, afdingen (They beat down the price), drukken van prijzen; To beat hollow (= badly) = geheel verslaan; To beat in = inslaan; To beat a thing into one’s head (= in upon one) = inprenten; To beat off = afslaan, terugslaan; To beat out = uitdrijven, uitslaan; To beat out of = afbrengen van: The teacher tried to beat him out of lying = door slaan af te leeren; To beat out of countenance = van zijn stuk brengen; To beat up = alarmeeren, aanvallen, werven, kloppen, aanmaken, opkruisen; To beat up and down = op en neer loopen.

Beatific, bîətifik, zaligmakend, gelukzalig; subst. Beatification; Beatify, biatifai, zalig maken, zalig verklaren; Beatitude, biatitjûd, hemelsche zaligheid, zaligspreking.

Beatrice, bîətris; Beattie, bîti of beiti.

Beau, bou (Meerv. Beaus of Beaux, bouz), fat, galant; Beau verb. ’t hof maken; Beaupot (Bough Beau, Bow Beau) = bloempot voor het raam (veroud.).

Beauchamp, bîtš’m; Beaufort, bjûfət; Beaumont, boum’nt.

Beauteous, bjûtiəs, schoon; subst. Beauteousness; Beautifier, bjûtifaiə = verfraaier, schoonheidsmiddel; Beautiful, bjûtiful, schoon, voortreffelijk; subst. Beautifulness; Beautify, bjûtifai, verfraaien, fraai (schoon) worden; Beauty, bjûti, schoonheid, schoone: She is an heiress and a beauty = een rijk en schoon meisje; beauty is but skin deep = schoonheid is vergankelijk; Beauty-sleep = de slaap vóór middernacht; Beauty-spots = moesjes; Beauty-wash (Beauty-water) = cosmetisch huidwatertje.

Beaver, bîvə, bever, vilt, vilten hoed; vizier, helm; Beaverteen = soort van duffel.

Becalm, bikâm, stillen, bedaren: The fleet was becalmed off Lisbon = werd door windstilte overvallen op de hoogte van L.

Became, bikeim, imperf. van to become.

Because, bikôz, bikoz, omdat, dewijl: Because of = van wege, wegens.

Beccafico, bekəfikou, vijgeneter (vogel).

Bechance, bitšâns, gebeuren, overkomen.

Bechuanaland, bekuânəland.

Beck, bek, subst. knik, wenk met vinger of hand (als bevel of groet); beekje, riviertje: To be at one’s beck = To be at the beck and call of a person = tot iemands dienst zijn; iemand op zijn wenken bedienen; Beckon, bek’n, een wenk geven (met hand of hoofd), wenken.

Becloud, biklaud, bewolken, verduisteren.

Become, bikɐm, worden; passen, goed staan, betamen: I do not know what has become of him = waar hij gebleven is; It does not become you (= It ill becomes you) to speak like that = het past u niet; Her dress becomes her = staat haar goed; She becomes her dress = zij doet haar japon geen oneer aan; That’s very becoming = gepast.

Bed, bed, subst. bed, leger, huwelijk(sbed), bloembed, onderbouw, bedding, laag; Bed verb. in bed leggen, in een bed planten (out); in orde, in eene laag leggen, ondermetselen, te bed (ruste) gaan, overnachten: Early to bed and early to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond; To be in bed; To be brought to (= To have one’s) bed; = bevallen: To get out of bed with the wrong foot foremost = met het verkeerde been; To go to bed; He keeps his bed = houdt het bed; I have made your bed = opgemaakt; As you make your bed so you must lie in it = wat ge zaait zult ge oogsten; I have made up a bed for you = in orde gebracht; To put to bed = naar bed brengen; He took to his bed and died = ging liggen; Bed of roses (fig.); Separation from bed and board = scheiding van tafel en bed; Bed-chair = ziekenstoel; Bed-chamber = slaapkamer: Lords, Ladies (Women) of the (King’s) Queen’s bed-chamber = kamerheeren, hofdames (kamervrouwen); Bed-clothes = bedlinnen, beddegoed; Bed-curtains; Bedding = beddegoed, stroo, lagen (geol.); Bedfast = bedlegerig (Schotl.); Bedfellow (mate) = slaapkameraad; Bedgown = nachtjapon; kort jak (Schotl.); Bed-hangings = bedgordijnen; Bed-linen; Bed-maker = kamermeisje (aan Eng. universiteiten); Bed-pan = beddepan; Bed-post = stijl van een ledikant: In the twinkling of a bed-post = in een oogwenk; Bed-quilt = gewatteerde overdeken; Bed-rest = toestel om patienten bij het opzitten te steunen; Bedridden = bedlegerig; Bed-rock = vast gesteente; grond(slag): The family is almost down to bedrock = ze hebben nagenoeg niets meer; Bed-room = slaapkamer; Bed-sore, bedsö, doorgelegen plek (wegens lange bedlegerigheid); Bed-spread = bedsprei; Bed-stead = ledikant (Chair-bed = opvouwbaar ledikant); Bed-table = nachttafeltje; Bedtick = beddetijk; Bedtime = bedtijd.

Bedash, bidaš, bespatten.

Bedaub, bidôb, besmeren, bekladden.

Bedazzle, bidaz’l, door glans verblinden.

Bedeck, bidek, tooien, versieren, opschikken.

Bedehouse, bîdhaus, godshuis, gasthuis; Bede(s)man, Zie Beadsman.

Bedel, bîd’l, Bedell, bîdel, pedel (Oxford en Cambridge).

Bedevil, bidev’l, folteren, beheksen, in verwarring brengen, in ’t verderf storten; Bedevilment = bezetenheid, verwarring, helsch lawaai.

Bedew, bidjû, bedauwen, bevochtigen.

Bedight, bidait, versierd.

Bedizen, bidaiz’n, bidiz’n, optooien; Bedizenment, optooi.

Bedim, bidim, verduisteren.

Bedlam, bedl’m, subst. gekkenhuis; dolle boel; adj. gek; dolhuis …; Bedlamite = krankzinnige.

Bedouin; beduîn, bedouïn, zwerver.

Bedraggle, bidrag’l, nat en vuil maken.

Bedrench, bidrenš, doorweeken, drenken.

Bedwarf, bidwöf, den groei belemmeren, verkleinen, laten verworden.

Bee, bî, bij, wesp, hommel; vereeniging of bijeenkomst van buurlieden tot het gezamenlijk verrichten van arbeid of uitoefenen van liefdadigheid: Husking-bee = voor maïs pellen; Sewing-bee = naaikransje; Spelling-bee = wedstrijd in het spellen, etc.; He has a bee in his bonnet, hears a bee humming in his head = hij is niet recht snik (rusteloos, opvliegend); Bee-bread = bijenbrood; Bee-dress = pak van den ijmker; Bee-eater = bijeneter; Bee-farmer = ijmker; Bee-garden = plaats waar de korven staan; Bee-glue (Beeswax) = raat of was; Beehive = korf; Bee-keeper = bijenhouder; Bee-line = kortste weg tusschen twee plaatsen; Bees-wing = dun vliesje op oude portwijn.

Beech, bîtš, beuk, beukeboom; Beech-gall = galnoot; Beech-mast, Beech-nut = beukenoot; Beech-wheat (Zie Buckwheat): Beechen = beuken.

Beef, bîf, rundvleesch, spierkracht; (geslachte) os; meest Mv. beeves of beefs = rundvee (Amer.); Hung beef, Smoked beef = rookvleesch; Beef-eater = spotnaam voor de Yeomen of the Guard; Beef-tea = bouillon; Beef-steak = runderlapje; Beef-witted = stom als een os; Beefy = vleezig; gespierd.

Been, bîn, part. perf. van to be.

Beer, bîə, bier: Strong, small beer = zwaar, dun (licht) bier: You talk small beer = je wauwelt; He thinks no small beer of himself = heelt een hoogen dunk; There would be more beer and skittles about my little jaunt = ik zou er meer lol van willen hebben; That man’s lot is not all beer and skittles = niet alles rozengeur en maneschijn; Native beers = binnenl. biersoorten; Beer-barrel = biervat; Beer-engine (= Beer-pump) = bierpomp; Beer-house (= Beer-shop) = bierhuis; Beer-money = geld aan meid of knecht in plaats van bier; Beery = vol bier, beneveld.

Beest, bîst, = Beestings = Beastings.

Beet, bît, biet, kroot: Beet-radish, Beet-rave = beetwortel; Beet-root = biet: To blush like a beet-root; Beet sugar = beetwortelsuiker.

Beetle, bît’l, subst. tor, kever.

Beetle, bît’l, zware houten hamer, stamper; Beetle verb. stampen, figuren indrukken; Beetle-head = heiblok, ram; domkop.

Beetle, bît’l, uitsteken, overhangen; Beetle-browed = met vooruitstekende ruige wenkbrauwen, norsch.

Befall, bifôl, overkomen, gebeuren.

Befit, bifit, passen, betamen.

Befog, bifog, in mist hullen, verwarren.

Befool, bifûl, voor den gek houden, bedotten.

Before, bifö, voor, tevoren, voorheen, vooraf, boven (bij eene keus): To sail before the wind; I love her before any other woman = boven; Before-cited (Before-mentioned) = vroeger vermeld; Before-going = voorafgaand; Beforehand, biföhand, vooraf, van tevoren, vooruit: He will be beforehand with you = u vóór zijn; She was anxious to be beforehand with his lightest wish = te voorkomen; I am beforehand with the world = ik kan mij goed redden, heb goede vooruitzichten; Before time = in vroeger tijd.

Befoul, bifaul, bevuilen, bemorsen.

Befriend, bifrend, als vriend handelen jegens, beschermen, bijstaan.

Beg, beg, smeeken, ernstig vragen, bedelen, verzoeken: Miss N., may I beg a dance of you = u verzoeken om; I beg your pardon = vraag u excuus; I beg your pardon? = wat blieft u? To beg the question = het punt in kwestie voor uitgemaakt of bewezen aannemen; I beg to inform (send) you = ik ben zoo vrij, heb de eer; He begged for bread; He tried to beg me off, but my father would hear of no pardon = hij trachtte gedaan te krijgen, dat de straf mij werd kwijtgescholden; Begging friars = bedelmonniken; Mayoralties that go a-begging for lack of men = waarvoor zich niemand aanmeldt.

Begad, bigad = Bij God.

Began, bigan, imperf. van to begin.

Begaum, bîgôm = Begum.

Beget, biget, voortbrengen, kweeken: Kindness begets kindness; Begetter, vader, bewerker.

Beggar, begə, subst. bedelaar, arme kerel, vent; Beggar verb. tot den bedelstaf brengen, berooven, overtreffen: Beggars cannot be choosers = nood leert bidden; Set a beggar on horseback and he’ll ride to the devil = als niet komt tot iet dan kent iet zichzelve niet; The scene beggars description = gaat alle beschrijving te boven; Beggar-my-neighbour = een kaartspel voor kinderen; Beggarliness = armzaligheid; Beggarly = armzalig; Beggary = armoede: Beggary is no vice = armoede is geen schande; Reduced to beggary = tot den bedelstaf gebracht; Zie Beg.

Begin, bigin, beginnen, ontstaan, aanvangen: Let us begin at the beginning = bij; To begin with I must tell you = om te beginnen; Beginner, beginneling; In the beginning = in den beginne; Every beginning is difficult = alle begin valt zwaar; Everything must have a beginning = een keer moet de eerste zijn.

Begird, bigɐ̂d, omgorden, omringen, omsluiten.

Begone, bigon, scheer je weg, ruk uit!

Begonia, bigounjə, begonia.

Begotten, bigot’n, voortgebracht: God’s only begotten Son = de zoon Gods; Zie Beget.

Begrime, bigraim, bezoedelen, bemorsen.

Begrudge, bigrɐdž, misgunnen.

Beguile, bigail, bedriegen, verschalken, korten, aangenaam doorbrengen: The fairy voices beguiled me on = de feeënstemmen verlokten mij, om steeds verder te gaan; He beguiled the difficult path with pleasant stories = door zijne aangename verhalen merkten wij de moeilijkheden van ons pad niet; That might have well beguiled, Even haughty Eblis of a sigh = kon zelfs E. eene zucht ontlokt hebben; Beguilement = bedrog; Beguiler = bedrieger.

Beguine, begin, Begijn.

Begum, bîg’m, eene Indische prinses, voorname dame.

Behalf, bihâf, behoeve, voordeel, belang: In (On) (the) behalf of = ten behoeve van; in naam van, van wege.

Behave, biheiv, zich gedragen: To behave oneself = zich (netjes) gedragen, zoet zijn: If you are pretty behaved = zoet bent; Behaviour, biheivjə, gedrag, optreden: To put a person upon his good behaviour = iemand verantwoordelijk stellen voor zijn goed gedrag; vermanen zich goed te gedragen.

Behead, bihed, onthoofden; Beheading, onthoofding.

Beheld, biheld, imperf. van to behold.

Behemoth, bihîməth of bîhimoth, Behemoth (Job. XL. 15–24); kolossaal dier.

Behest, bihest, bevel, opdracht.

Behind, bihaind, subst. achterkant, achterste; prep. achter, minder dan, na: Behind before = achterste voren; To fall behind = achterblijven; To leave behind = achterlaten; To look behind = omkijken; To stay behind = thuisblijven, achterblijven; Behind your back = achter uw rug (ook fig.); Behind the scenes = achter de schermen (ook fig.); You are behind your time = over; The train is behind time = over zijn tijd; To be behind the times = achterlijk; There was something behind his words = stak wat achter; Behindhand = achterlijk, achterstallig, ten achteren: To be behindhand in the world = in moeielijke omstandigheden zijn, aan lager wal zijn geraakt; Behindment(s) = achterstallige schulden (Amer.).

Behn, ben.

Behold, bihould, aanschouwen, waarnemen, zien: Behold! = kijk! Behold me = daar ben ik.

Beholden, bihould’n, verplicht, dankbaar (to, for).

Behoney, bihɐni, met honig besmeren (ook fig.).

Behoof, bihûf: In (On, For the) behoof of = On behalf of.

Beho(o)ve, bihouv, bihûv, passen, noodzakelijk zijn: It beho(o)ves one to be = men dient te zijn.

Behring, beriŋ, bîriŋ.

Beige, beiž, beige.

Being, bîiŋ, aanzijn, wezen, bestaan, verblijf: For the time being = voor het oogenblik; toenmalig.

Beiram, Zie Bairam.

Beknown, binoun, bekend.

Belabour, bileibə, afrossen, ranselen.

Belate, bileit, ophouden, vertragen: Belated = vertraagd, te laat, door den nacht overvallen: A belated traveller; Belated efforts; Belated wild roses.

Belaud, bilôd, uitbundig prijzen.

Belay, bilei, vastzetten, vastjorren: Belaying-pin = houten of ijzeren nagel (scheepsterm); Belay there = houd op! maak vast!

Belch, belš, oprispen, uitspuwen, uitbraken (out, forth); subst. oprisping, etc.

Belcher, beltšə, donkerblauwe halsdoek met witte stippen en donkerblauw hart (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in zijn tijd): A Belcher handkerchief = een zakdoek van die stof.

Beldam, beld’m, oude vrouw, heks.

Beleaguer, bilîgə, belegeren, insluiten, blokkeeren.

Belecture, bîlektšə, kapittelen.

Belfast, belfâst.

Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer.

Belgian, beldž’n, Belg(isch); Belgic = Belgisch; Belgium = België.

Belgrade, belgreid, Belgrado.

Belgravian, belgreivj’n, adj. tot Belgravia, een aristocratisch deel van West-Londen, behoorende; aristocratisch, modisch; subst. aristokraat, een van de Upper ten thousand.

Belial, bîliəl, Belial: Son (man) of Belial = slecht mensch.

Belibel, bilaib’l, in geschrifte belasteren.

Belie, bilai, belasteren, logenstraffen, teleurstellen: Your looks belie your words; Our hopes belied our fears = we misleidden onszelf met te blijven hopen.

Belief, bilîf, geloof, weten, overtuiging: To the best of my belief = naar mijn beste weten; That is past all belief = bepaald ongeloofelijk; My firm belief is = ik ben vast overtuigd.

Believable, bilîvəb’l, geloofelijk; Believe, bilîv, gelooven, onderstellen: Nice weather, isn’t it? I believe you = dàt zal wel waar wezen, dàt beloof ik je; To believe in = gelooven aan; That fellow believes, that the moon is made of green cheese = die vent gelooft van alles; Come, let us make believe! = een kinderspelletje doen, waarbij men ’t een of ander voorstelt; He made believe to read = hij deed net of hij las; Believer, geloover, geloovige.

Belike, bilaik, misschien, waarschijnlijk.

Belittle, bilit’l, verkleinen, kleineeren: To belittle noble deeds, a man; Belittlement, kleineering.

Bell, bel, subst. bel, klok, schel (Bells = glazen-, scheepst.), kelk; verk. v. Arabelle of Isabella; Bell verb. de bel aanhangen; schreeuwen (van herten in den bronsttijd); in den vorm van een kelk groeien: There is the front-door bell = er wordt gebeld; Funeral bell = doodsklok; To answer the bell = komen als gebeld wordt, opendoen; To bear the bell = de belhamel zijn; To bear (carry) away the bell = de overwinning behalen; To curse one with bell, book and candle = excommuniceeren; met verwenschingen overladen; To pull (ring, touch) the bell (the streetdoor bell) = bellen, aanbellen; To toll the bell = plechtig luiden, kleppen; Coral and bells = rinkelbel; Who is going to bell the cat? = wie zal de kat de bel aanbinden? Bell-buoy = klokkeboei; Bell-button = electr. belknop; Bell-flower = campanula of klokbloem; Bell-founder = klokkegieter; Bell-glass = glazen stolp; Bell-harness = tuig met bellen; Bellman = omroeper; Bell-metal = klokkespijs; Bell-pull (Bell-rope) = schellekoord; Bell-punch = instrument met bel om kaartjes te knippen; Electric bell-pushes = knoppen; Bell-ringer = klokluider; Bell-shaped; Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Belladonna, belədonə, belladonna.

Bellerophon, bəlerəfon.

Bellicose, belikous, belikous, oorlogzuchtig, strijdlustig.

Belligerence, bəlidžərens, Belligerency, oorlogvoeren, staat van oorlog; Belligerent, oorlogvoerend(e natie).

Bellona, bəlounə, Bellona.

Bellow, belou, verb. bulken, luid schreeuwen; subst. gebulk, etc; Bellower, afroeper, omroeper.

Bellows, belouz, beləz, blaasbalg: Bellows-blower = orgeltrapper.

Belly, beli, subst. buik, schoot; Belly verb. zwellen, dik worden, uitzetten: Your eyes are too big for your belly = je oogen zijn grooter dan je maag; To eat the calf in the cow’s belly = de kip slachten, die de gouden eieren legt; A man given to (fond of) his belly = die slechts zijn buik dient; Hoof to belly = ventre à terre; The bellied sails = bolle zeilen; Belly-ache = buikpijn, koliek; Belly-band = buikriem; Bellyful = buikvol; pak slaag; Belly-god (Belly-slave) = gulzigaard; Belly-pinched = uitgehongerd; Belly-timber = voedsel; Belly-worm = spoelworm.

Belong, biloŋ, toebehooren, behooren bij (tot), betreffen, voegen, geschikt zijn voor, wonen (Amerik.): Where do you belong? = waar hoor jij thuis? That word does not belong here = is niet op zijn plaats; Belongings = eigendom, hebben en houden, toebehooren, aanhang.

Beloved, bilɐvid, dierbaar, geliefd: The Beloved = de Zoon Gods.

Below, bilou, adv. en prep. onder, naar onderen, beneden, op aarde, in de hel (onderwereld): The realms below = het schimmenrijk; It is below him = beneden hem.

Belt, belt, Belt: The Great and the Little (Lesser) Belt.

Belt, belt, subst. gordel (ook als ridderattribuut), koppel, drijfriem, ring (van Jupiter); kampioensgordel; Belt verb. omgeven, omringen: Belt-railway = ceintuurbaan; To have the belt = ‘de week’ hebben (van officieren); To have too much wine under one’s belt = achter de knoopen; To hit below the belt = een gemeenen slag toebrengen (bij het boksen), ook fig.; To hold the belt = kampioen zijn; Belted cruiser = kruiser met een pantsergordel langs de waterlijn.

Beltane, Beltein, beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden op 21 Juni, in de Hooglanden van Schotland in Mei, waarbij, te midden van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels.

Belvedere, belvidîə, belvedère, uitzichttoren, uitzichtkoepel.

Belvoir, bîvə.

Bemire, bimaiə, beslijken, bezoedelen.

Bemoan, bimoun, weeklagen, bejammeren: To bemoan oneself = zijn lot beklagen.

Ben, ben, berg(top) (Schotl.); binnenkamer, (Schotl.); adv. in, van binnen; verkorting voor Benjamin en Benefit (night).

Bench, benš, subst. bank, schaaf- of draaibank; de rechters; Bench verb. van banken voorzien; tot aanzien brengen: The bench and the bar = de rechters en de balie; Court of Queen’s (King’s) Bench = oud gerechtshof; thans de Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; The Treasury Bench = bank der ministers in The House of Commons; He was raised to the bench = tot rechter benoemd; Bencher = vroeger bestuurslid van een Inn of Court; thans lid van het uit de besturen der 4 Inns gevormde college: Council of Legal Education, dat de examens voor Barrister afneemt; Bench-warrant = bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd door een Court of Judge.

Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop, steek; Bend verb. buigen, krommen, lichten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn, onderwerpen, overhangen, aanslaan: Bends = berghout; The Bend (Bar) sinister, eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naar den rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend; We have been on the bend = wij zijn eens “uit” geweest; To go on a bend = bokkesprongen maken (fig.); He bent his brow = fronste zijn voorhoofd; To bend a sail = aanslaan; They bend their way homewards = richten hunne schreden; Bent on going, on pleasure, on mischief = besloten te gaan, geneigd tot pret maken, kwaad doen; He was bent on his work = ingespannen bezig met; As the twig is bent, the tree’s inclined = jong gewend, oud gedaan; We must not bend the bow till it breaks = de boog kan niet altijd gespannen zijn; Bend-leather, zoolleer; Bendable, buigbaar; Bender = spanner; sixpence; been, fuif (Amer.).

Beneaped, binîpt, vastzittend (door ebbe).

Beneath, binîth, beneden, lager dan, onder, op aarde: It is beneath you (your dignity); He thinks it beneath him; On the earth beneath.

Benedicite, benədisitî, of benədaisitî, God zegene u! subst. gebed vóór den maaltijd; een danklied.

Benedick, benədik, Benedict, benədikt, Benedictus; een pas gehuwde; bekeerde oude vrijer.

Benedictine, benədiktin, subst. Benedictijner monnik; Ben. likeur; adj. Benedictijnsch.

Benediction, benidikš’n, benedictie, inwijding, inzegening, lofrede; dankzegging; Benedictional = zegenformulier boek; Benedictory, benədiktəri, Benedictory prayers = heilbeden.

Benefaction, benifakš’n, weldaad, weldoen, schenking; Benefactor (Benefactress), weldoener (weldoenster).

Benefice, benəfis, leen, prebende, de door den Patron te vergeven predikantsplaats: The benefice was only open to = voor de prebende kwamen slechts in aanmerking.

Beneficence, bənefisens, weldadigheid; Beneficent, weldadig; Beneficial, benəfiš’l, voordeelig, nuttig, heilzaam; Beneficialness: Beneficiary, benəfišəri, subst. hij, die in ’t bezit is van een benefice; een provenier, vasal; hij, die een beurs heeft (Amer.); ontvanger van een geldelijk bedrag; beneficiant (van een leen of eene beurs) adj. in betrekking tot een benefice; mild.

Benefit, benəfit, subst. weldaad, gunst, voordeel, weldadigheidsvoorstelling of benefiet (= Benefit night); Benefit verb. nuttig zijn voor, van dienst zijn, bevorderen, nut of voordeel trekken uit (by): Benefit of Clergy = een vroeger voorrecht om niet voor een wereldlijke rechtbank terecht te staan; Maternity benefit = uitkeering (volgens de ziektewet) bij bevalling; Medical benefit = genees-, en heelkundige hulp; Sanatorium benefit = verpleging in sanatoria; Let us give him the benefit of the doubt = laten we den bestaanden twijfel in zijn voordeel uitleggen; For the benefit of his health = in het belang; The Egyptians never benefited by French influence; Benefit-society = verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom; Benefit building-society = vereenig. voor het bouwen van arbeiderswoningen.

Benevolence, bənevəl’ens, welwillendheid, weldaad; bede; Benevolent, welwillend, weldadig: Benevolent fund = ondersteuningsfonds.

Bengal, beŋgôl, Bengalen; een dunne uit zijde en haar vervaardigde stof; adj. Bengaalsch: Bengal cane = Spaansch riet; Bengal light = Bengaalsch vuur; Bengal tiger = koningstijger; Bengalee, Bengali, beŋgôlî, Bengalese, beŋgôlîz, Bengalees, Bengaleezen, het Bengaalsch.

Benighted, binaitid, door den nacht overvallen, achterlijk, ouderwetsch, dom.

Benign, binain, liefderijk, weldadig, mild, goedaardig; Benignant, binign’nt, liefderijk, etc.; Benignity, binigniti, liefderijkheid, goedheid, welwillendheid.

Benjamin, benžəmin, Benjamin; benzoë; soort van overjas (in de mode in het begin dezer eeuw); lage stroohoed met breeden rand.

Benjy, benži, verkorting van Benjamin.

Bennet, benət, nagelkruid.

Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, besloten; subst. neiging, drang, trek, grootste (in)spanning, helling: He has fooled me to the top of my bent = tot het uiterste; Bent (= Bent-grass) = struisgras; To take (to) the bent = ontsnappen, vluchten.

Benumb, binɐm, verstijven: Benumbed with cold; subst. Benumbedness.

Benzine, benzin, benzîn, benzine; Benzol(e), benzol, benzoul, benzol = Benzoline, benzəlîn.

Beowulf, beiəwulf, bîəwulf.

Bepraise, bipreiz, buitensporig prijzen.

Bepuff, bipɐf, vreeselijk in de hoogte steken.

Bequeath, bikwîth, bikwîdh, nalaten, vermaken; subst. Bequeathal = Bequeathment; Bequest, bikwest, legaat.

Berate, bireit, doorhalen of hekelen.

Berber, bɐ̂bə, Barbarijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch.

Bereave, birîv, berooven, wegnemen; Bereavement = zwaar verlies.

Bereft, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave.

Berenice, berinais; Beresford, berəsfəd.

Bergamot, bɐ̂gəmot, bergamotcitroen, bergamotolie, bergamotpeer; soort grof tapijtwerk.

Bergander, bɐ̂gandə, bergeend.

Berlin, bɐ̂lin, Berlijn, berline, garen handschoen (= Berlin glove); adj. Berlijnsch: Berlin blue = Pruisisch blauw; Berlin shop = tapisseriewinkel; Berlin wool = fijne breiwol.

Berm(e), bɐ̂m, berm, walrand.

Bernard, bɐ̂nəd, Bernardus; Bernardine, bɐ̂nədin, Bernardijn; adj. Bernardijnsch.

Berne, bɐ̂n, Bern: The Bernese (bɐ̂nîz) Highlands = Berner Oberland.

Bernoose, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, burnous.

Berre(t)ta, bəretə, baret (zwart voor priesters, violet voor bisschoppen (te Rome meest zwart), rood voor kardinalen.)

Berry, beri, subst. bes, boon, eitje van visch of kreeft; Berry verb. bessen voortbrengen, of plukken.

Berserk (Berserkar, Berserker, Berserkir), bɐ̂sɐ̂k(ə), subst. Berserker, woesteling; adj. woest: Berserker rage; His berserker forefathers = woeste.

Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats, ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; Berth verb. een slaapplaats aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He has got a good berth = baantje; To give a man (the coast) a wide berth = uit den weg (de kust) blijven; Berthage, bɐ̂thidž, ankerplaats, liggeld.

Berwick, berik, bɐ̂wik (Amer.).

Beryl, beril, beril; adj. lichtgroen = Berylline.

Besant (W.), bəzânt.

Beseech, bisîtš, smeeken, dringend verzoeken.

Beseem, bisîm, passen, voegen; subst. Beseemingness.

Beset, biset, omringen, insluiten, belegeren, in ’t nauw brengen, bestormen: Beset with enemies = omringd en bestookt door; Besetment: That was his great besetment = daarvan was hij de slaaf; Besetting-sins = zonden, waartoe men lichtelijk vervalt (Hebr. XII, 1.).

Beshrew, bišru, vervloeken, verwenschen: Beshrew me, my heart = waarachtig! Beshrew the hour! = vervloekt zij.

Beside, bisaid, naast, nabij, buiten, afgescheiden van: He was beside himself with rage = buiten zichzelven; He is beside the mark = de plank mis; That’s beside the present point = dat doet hier niet ter zake; Besides, bisaidz, bovendien, behalve.

Besiege, bisîdž, belegeren, bestormen; subst. Besiegement; Besieger, belegeraar.

Beslaver, bislavə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslime, bislaim, met slijm bevuilen.

Beslobber, bislobə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslubber, bislɐbə, bekwijlen.

Besmear, bismîə, besmeren, bevuilen.

Besmirch, bismɐ̂tš, bevuilen, bezoedelen.

Besmut, bismɐt, (met roet) bevuilen.

Besom, bîz’m, bezem, bezemkruid.

Besot, bisot, dronken voeren, verdwazen; Besotted = dronken, aan den drank, dwaas (verliefd).

Besought, bisôt, imp. en p.p. van to beseech.

Bespangle, bispaŋg’l, versieren (bezaaien) met loovertjes.

Bespatter, bispatə, bespatten, bekladden.

Bespeak, bispîk, subst. benefiet; Bespeak verb. vooraf bespreken, bestellen, beteekenen, verzoeken om, aanspreken, aankondigen, boeien: We were at a play last night: it was a bespeak; The bespeak party occupied two boxes = de dames en heeren die het stuk lieten spelen; I bespeak the attention of every man for our foreign affairs = vraag ieders aandacht; His language Bespeaks him a scholar = bewijst dat hij is; Bespeak bootmaker = op maat; Bespeak tailoring at ready-made prices = op maat doch tegen confectie prijzen; Imperf. en P.P. = Bespoke, Bespoken.

Besprinkle, bispriŋk’l, besprenkelen.

Bess, bes, verkorting van Elizabeth.

Bessemer, besəmə: Bessemer process = bessemeren, gietijzer onder hooge temperatuur smelten en er in gesmolten toestand lucht doorheen voeren; Bessemer steel.

Best, best, subst. best; adj. best; Best verb. overtreffen, beetnemen: Sunday best = Zondagskleeren; The best part of the week = grootste gedeelte; At (its) best = op zijn mooist, hoogstens; To see a person at his best = van zijn besten kant; To the best of my ability (belief) = zoo goed ik kan (naar mijn beste weten); To do one’s best = zijn best doen; To get (have) the best of = er het best afkomen, de overhand hebben; To keep the best (wine) to the end = het lekkerste (beste) voor het laatst bewaren; To look one’s best = op zijn voordeeligst; To make the best of a bad bargain = zich er zoo goed mogelijk doorheen slaan; To make the best of a chance = zooveel mogelijk partij trekken van; To make the best of a bad husband = zich schikken in, verzoenen met het idee; To make the best of one’s way home = zich zoo snel mogelijk begeven; We had performed the best of our way = het grootste gedeelte afgelegd; To play one’s best; To speak for the best = om bestwil; To wear for best = voor best; Put your best foot forward; Best-maid = bruidsmeisje (Schotl.); Best-man = bruidsjonker; Best-pleased = ingenomen.

Bestead, bisted, van dienst zijn, helpen; past part. en adj. omgeven, geplaatst, gelegen: Hard bestead = in ’t nauw; Ill bestead = in moeielijken toestand.

Bestial, bestj’l, beestachtig, zinnelijk; Bestiality = beestachtigheid, etc.; Bestialize = verdierlijken.

Bestir, bisɐ̂, in vlugge en krachtige beweging brengen, roeren, inspannen: You must bestir yourself = u inspannen, voortmaken.

Bestow, bistou, aanwenden, verleenen, werpen, schenken, besteden, opbergen; Bestowal = Bestowment = gave.

Bestraddle, bistrad’l = Bestride.

Bestrew, bistrû, bestrooien.

Bestride, bistraid, schrijlings zitten op of staan over; stappen over, bestijgen; P.P. Bestridden; P. Imp. Bestrode.

Bestud, bistɐd, met studs of kno(o)pjes versieren.

Bet, bet, subst. weddenschap, inzet; Bet verb. wedden, eene weddenschap aangaan; It is an even bet = weddenschap met gelijken inzet; He made a bet of a bowl of punch = wedde om; I’ll bet you ten pounds = ik wed met u om; You bet! (Amer.) = Zeker! Dat wed ik met je! Better (Bettor) = wedder; Betting-book = boekje voor het noteeren van weddenschappen; Betting-man = iemand, die wedrennen geregeld bezoekt om te wedden, gokker.

Betake, biteik: Betake oneself to = zich begeven naar, zijn toevlucht nemen tot, zich bedienen van, aanvatten.

Betel, bît’l, betel; Betelnut = betelnoot.

Bethel, beth’l, heilige plek, kerk voor dissenters of zeelui.

Bethink, bithiŋk, (zich) herinneren, overwegen: I bethought myself of it at the right moment; He bethought of him = herinnerde zich zijner.

Betide, bitaid, overkomen, geschieden: Woe betide you = wee u.

Betime(s), bitaim(z), in tijds, weldra.

Betoken, bitouk’n, aanduiden, voorspellen: That dark cloud betokens a storm.

Beton, bet’n, beton.

Betony, betəni, betonie.

Betook, bituk, imperf. van to betake.

Betray, bitrei, verraden, misleiden, bedriegen: He betrayed his ignorance = liet blijken; My head is all right, but my legs betray me = geven het op (ik kan niet meer loopen of staan); Betrayal = verraad; Betrayer, verrader.

Betroth, bitroudh of bitroth, verloven, beloven te huwen; tot bisschop aanstellen; Betrothal (Betrothment) = verloving; Betrothed, verloofde.

Better, betə, adj. en adv. beter; Better verb. overtreffen, verbeteren, beter worden: Better and better = al beter en beter; Betters = meerderen; All (so much) the better = des te beter; As long again and better = meer dan eens zoo lang; Two heads are better than one = twee weten meer dan een; To be better = beter zijn, zich beter bevinden; Is my father any better? Is your foot better? She would be better married = ’t was beter, dat zij getrouwd ware; Being better at stairs than her husband = beter kunnende trappen klimmen; To be better off = zich in betere, gunstiger omstandigheden bevinden; To be the better for = in beteren toestand zijn; He was the better for the sea-air; To become, get, grow better = beter worden; To change for the better = ten goede; To get, gain the better of a person = iemand de baas, te slim af zijn; To go one better = overtreffen; To have the better of a person = iemand overtreffen, overwinnen; You had better go = deedt beter; To marry for better for worse = of het geluk of ongeluk moge brengen; To think better of it = zich bedenken, zich bezinnen; The better half = de grootste helft; wederhelft (fig.); Bettermost = beste, voornaamste; Better part = grootste deel; The better opinion is = we weten niet beter of; To better oneself = zich verbeteren; een betere positie verwerven; Bettering, subst. verbetering; adj. verbeterend; Betterment = verbetering; Betterness = voortreffelijkheid, verbetering.

Betty, beti, Betty; Jan Hen.

Between, bitwîn, tusschen: They bought the house between them = met hun beiden; Between ourselves (you and me) = onder ons gezegd; Between this and then = tot zoolang; In between = in den tusschentijd; Between … and = zoowel door … als door; (Few and) far between = zeldzaam; Between-deck(s), subst. en adj. tusschendek(s); Betweenwhiles = nu en dan.

Betwixt, bitwikst, tusschen: There’s many a slip ’Twixt the cup and the lip = tusschen bekerrand en lippen, kan u meen’ge kans ontglippen; It is Betwixt and between = zoo zoo, la la.

Beulah, bjûlə; Bevan, bev’n.

Bevel, bev’l subst. winkelhaak, hoekmeter; adj. schuinsch, scherphoekig; Bevel verb. hoekig maken, schuin toeloopen: Bevel-angle = scherpe (of stompe) hoek.

Beverage, bevəridž, drank.

Beverley, bevəli; Bevis, bîvis.

Bevy, bevi, vlucht, troep, gezelschap.

Bewail, biweil, beklagen, beweenen; weeklagen; Bewailable = beklagenswaardig; Bewailing = gejammer.

Beware, biwêə, oppassen, zich hoeden voor: Beware of the dog = wacht u voor; Beware them both, but most of all beware this boy = houd in ’t oog; Beware lest … pas op, dat niet.

Beweep, biwîp, beweenen.

Bewick, bjûik.

Bewilder, biwildə, in de war brengen, verbijsteren; Bewilderedness, Bewilderment = verwarring.

Bewitch, biwitš, beheksen, betooveren; subst. Bewitchery = Bewitchment.

Bewray, birei, ontdekken, verraden: This poem bewrays itself as a translation = men ziet dadelijk, dat het vertaald is; Her dress bewrays her = toont duidelijk wat ze is.

Beyond, bi-jond, verder dan, aan de andere zijde van, voorbij, boven, overtreffende: The Great Beyond = hiernamaals; It is beyond me = mij te hoog, te moeielijk; It goes beyond my comprehension, powers, beyond me = mij te hoog; That is beyond dispute = buiten kijf; The better land is beyond the tomb = aan de overzijde van; You are beyond that handbook = het is te gemakkelijk voor u; You have got beyond that cheap violin = speelt te goed voor; Beyond words = niet om uit te drukken, sprakeloos; To go beyond one = overtreffen, te slim af zijn; To go beyond one’s depth = zoo ver gaan, dat men niet meer staan kan (ook fig. = te hoog gaan, te moeielijk worden); To stay beyond one’s time = te lang blijven.

Bezel, Bezil, bez’l, scherpe kant van een beitel; kas van een ring, waarin de steen zit; het gleufje, waarin het horlogeglas past.

Bezoar, bîzö of bezö, bezoar of maagsteen.

Biangular, bai-aŋgjulə, tweehoekig.

Bias, baiəs, subst. eenzijdige verzwaring van den bal (bij Bowling); schuine loop of snede; neiging, vooroordeel, voorliefde; adj. schuin, diagonaal; Bias verb. doen overhellen naar één zijde, vooringenomen doen zijn: There is an admirable absence of bias in this paper = afwezigheid van vooringenomenheid; I have biased him; I am strongly biased (in his favour) = voor (hem) ingenomen.

Bib, bib, subst. slabbetje, borstlap (van een schortje), steenbolk; Bib verb. slurpen, pimpelen: Best bib and tucker = feestkleedij; A bibacious, baibeišəs fellow = aan den drank verslaafd; Bibacity = drankzucht; (Wine-)Bibber = (wijn)drinker, zuiper.

Bible, baib’l, bijbel: Bible-clerk = student aan het Magdalen College te Oxford, die uit den bijbel moest voorlezen; Bible-oath = eed op den Bijbel; Bible Society = bijbelgenootschap; Biblical, bijbelsch; Biblicism, geloof aan den tekst der Schrift als eenige geloofsregel; bijbelkennis; Biblicist, letterknecht; bijbelkenner.

Bibliographer, bibliogrəfə, bibliograaf; Bibliographical = bibliographisch; Bibliography = bibliographie; Bibliomancy, bibliomansi, voorspelling naar aanleiding van toevallig opgeslagen of open liggende teksten; Bibliomania, bibliəmeinjə, bibliomanie; Bibliomaniac = bibliomaan; Bibliophil(e), bibliəfil, boekenliefhebber of verzamelaar.

Bibulous, bibjulɐs: Bibulous paper = vloeipapier.

Bice, bais, bergblauw.

Bicentenary, baisentənəri, subst. en adj. tweehonderdjarige (gedenkdag).

Bicephalous, baisefəlɐs, tweehoofdig.

Biceps, baisəps, tweehoofdige opperarmspier.

Bicker, bikə, subst. strijd, twist; Bicker verb. kibbelen, twisten; flikkeren, zich slingeren; ratelen, klepperen.

Bickern, bikən, aambeeld met twee punten.

Biconjugate, baikonžugit, paarsgewijze.

Bicorn(ed), baikön(d), Bicornous, baikönəs, tweehoornig.

Bicycle, baisik’l, subst. rijwiel; Bicycle verb. wielrijden; Bicyclist = wielrijder.

Bid, bid, subst. bod, poging; Bid verb. verzoeken, bevelen, aanbieden, voorstellen, wenschen, uitnoodigen, bieden op (for): The book fell to my bid = werd mij toegeslagen; To make a bid for = moeite doen om te verkrijgen; Will you bid him walk in = verzoeken; He bade them witness it = riep hen tot getuige; What’s bid for this? = is geboden? The reserve price was not bidden; To bid beads = den rozenkrans bidden; To bid defiance to = tarten, trotseeren; To bid fair = beloven, doen verwachten; To bid good-day (bid-morning, farewell, welcome) = goeden dag zeggen etc.; Biddable = gehoorzaam, gezeggelijk; Bidder: The best (highest) bidder = meestbiedende; Bidding = het bieden, bod, bevel, uitnoodiging.

Biddery-ware, bidəriwêə = Bidri biddery-ware, metalen voorwerpen uit Bidar, met zilver of goud ingelegd.

Biddy, bidi, Bridget; Iersch dienstmeisje (Amer.); kiep (in: kiep! kiep!).

Bide, baid, verblijven, verwijlen; afwachten, verbeiden, verdragen, uitstaan: I will bide my time; That flower does not bide handling = kan niet tegen aanpakken; Let that bide = rusten.

Bident, baidənt, gaffel; Bidental, Bidentate, baidentit, tweetandig.

Bidet, bidet, bidei, klein paard; bidet.

Biennial, baienj’l, tweejarig.

Bier, bîə, draag-, lijkbaar: Bier right = baarrecht.

Bifacial, baifeiš’l met twee gelijke ruggelings verbonden zijden (of gezichten).

Bifarious(ly), baifêriəs(li), in twee rijen.

Biferous, bifərəs, tweemaal ’s jaars dragend.

Biffin, bifin, een (vooral in Norfolk gekweekte) appel; platgedrukte en gedroogde appel.

Biflorate, baiflôrit, Biflorous, baiflorəs, tweebloemig.

Bifoliate, baifouljit, tweebladig.

Bifold, baifould, tweevoudig, dubbel.

Bifurcate, baifɐ̂keit, in twee takken verdeelen; adj. Bifurcate(d), baifɐ̂kit(id): Bifurcation, vertakking, splitsing, Bifurcous = in twee takken verdeeld.

Big, big, dik, groot, zwaar, zwanger, vol, opgeblazen; voornaam, voortreffelijk (Amer.): Big Ben = de groote klok in ’t Parlementsgebouw; Big with = vol van, zwanger van; To get big = groot worden (van kinderen); To look big = er verwaand of dreigend uitzien; den neus in den wind steken; To talk big = een groot woord hebben; Big bugs = groote hanzen; Big guns = groote hanzen; groote kanselredenaars: That was his big gun = hooge troef, beste kaart (fig.); Big heart = edel, grootmoedig; Big man = man van invloed; Big pot = hooge oome: He is a big pot, and you are only a kettle; Big wig (= Big pot); Bigness = grootte, etc.

Bigamist, bigəmist, iemand, die zich aan bigamie schuldig maakt; Bigamous = bigamistisch; Bigamy = bigamie.

Biggin, bigin, filtreerkan; muts, kindermutsje.

Biggonet, bigənət, begijnekap, nonnenkap.

Bight, bait, baai, bocht (van een touw), buiging.

Bignonia, bignounjə, trompetbloem.

Bigot, bigət, bekrompen ijveraar, onverdraagzaam dweper; Bigoted = bigot, bijgeloovig, kwezelachtig, fanatiek; Bigotry, kwezelarij; blinde aanhankelijkheid, fanatieke ijver.

Bijou, bîžû, juweel, kleinood.

Bijugate, baidžugit, baidžûgit, Bijugous, baidžugɐs, met twee koppen in profiel, elkaar gedeeltelijk bedekkend; tweeparig.

Bike, baik, subst. fiets; Bike verb. fietsen.

Bilander, biləndə, bailəndə, bijlander.

Bilberry, bilbəri, soort v. blauwe boschbes.

Bilbo, bilbou, Spaansche degen (van Bilboa, bilbouə, in Spanje); Bilboes, bilbouz, scheepsvoetboeien, verschuifbaar langs lange stangen.

Bilboquet, bilbəket, bal met beker, waarin hij moet worden gevangen.

Bile, bail, gal, bitterheid: To stir up the bile = boos maken.

Bilge, bildž, subst. buik (van een vat), buikdelling (zeeterm); Bilge verb. een lek krijgen in de kim; buiken; lens pompen; Bilge-keel = kimkiel.

Biliary, biljəri, gal - -; gallig: Biliary calculus = galsteen.

Bilingual, bailiŋgwəl, Bilinguar, bailiŋgwə, Bilinguous, bailiŋgwəs, in twee talen, twee talen sprekend.

Bilious, biljəs, gallig, galzuchtig; subst. Biliousness.

Bilk, bilk, subst. bedrog, dwaasheid; bedrieger; Bilk verb. bedriegen, afzetten; zich heimelijk verwijderen, of verlaten: I don’t intend to bilk my lodgings; Bilker = afzetter.

Bill, bil, aanklacht, wetsontwerp, wissel, biljet, nota, rekening, programma, lijst, rol, bankbiljet (Amer.); aanplakbiljet; Bill verb. registreeren, aankondigen: To make out (= schrijven), pay, run up, send in, settle bills = rekeningen; To bring in, drop, pass, reject a bill = wetsontwerp; To post (up), to stick bills = biljetten aanplakken; Stick no bills! = hier niets aanplakken! He has a bill in chancery against you = eisch tot schadevergoeding bij de Chancery Division van het High Court; To bring in (to find) a true bill = een aanklacht gegrond verklaren (Dit geschiedt door de Grand Jury, die de zaak dan verwijst naar de Petty Jury, die een Verdict uitspreekt;—het ongegrond verklaren wordt to ignore of to throw out genoemd); It’s a true bill = (ongelukkig) maar al te waar (fig.); She fills that bill exactly = voldoet precies aan die eischen; Bill of credit, kredietbrief; Bill of divorce = scheidbrief (Joodsche wet); Bill of entry = declaratie van inkomende rechten; Bill of exchange = wissel (Inland bill, Foreign bill, Forged bill); Bill of fare = menu; Bill of fares = tarief van vracht en vervoerprijzen; Bill of health = gezondheidspas; Bill of indemnity = acte v. schadeloosstelling; Bill of lading = vrachtbrief; Bill of mortality = sterfte-statistiek; Bill of Rights = Eng. grondwet 1689; Bill of sale = machtiging tot verkoop van roerend goed voor schulden; Whenever he saw a circus billed = door biljetten aangekondigd; Bill-board = aanplakbord; Bill-book = wisselboek; Bill-broker = makelaar in wissels; Bill-sticker = aanplakker.

Bill, bil, snavel, ankerklauw, kromme snoeibijl, houweel, hellebaard; Bill verb. trekkebekken, minnekoozen = Billing and cooing; Bill-hook = sikkelmes; Billman = hellebardier.

Billet, bilət, subst. briefje, inkwartieringsbiljet, kwartier, baantje, dienst; blok hout, staaf; Billet verb. inkwartieren: Every bullet has its billet = heeft zijne bepaalde bestemming; Secretaryships and all such billets = baantjes; You have a very comfortable billet there = gemakkelijke betrekking; He charged upon the young man with a billet of wood; The regiment was billeted upon the inhabitants; I wish I could get you billeted on that ship = geplaatst.

Billiards, biljədz, biljardspel; Billiard-ball (Billiards-cloth; Billiards-cue; Billiards-hole = Billiards-pocket; Billiards-marker; Billiards-table); A game of billiards; To play at billiards.

Billingsgate, biliŋzgit: (Billingsgate language) vischwijventaal; adj. plat, gemeen; Billingsgate pheasant = bokking.

Billion, bilj’n, billioen (in Frankrijk en Amerika: 1000 × millioen).

Billot, bilət, ongemunt goud of zilver (in staven of blokken).

Billow, bilou, subst. baar; Billow verb. golven, opzwellen: The billow-and-breaker-beaten coast = de door golven en branding gebeukte kust; Billowy = ruw, golvend.

Billy, bili, kameraad; stok, ploertendooder, (koffie)keteltje, zijden halsdoek; ook gemeenz. voor Willy, William; Billycock, bilikok, laag, rond en stijf hoedje van vilt (of stroo), “kaasbolletje”; Billy-boy = platboomd vaartuig; Billy-goat = bok.

Biltong, biltoŋ, biltong (Zuid-Afr.).

Bimana, bimənə, baimənə, tweehandigen; Bimanous, bimənɐs, of baimənɐs, tweehandig.

Bimonthly, baimɐnthli, subst. en adj. tweemaandelijksch (tijdschrift).

Bin, bin, subst. kist, trog, bak, wijnrek; Bin verb. in eene kist, etc. bergen.

Binary, bainəri, binair.

Binate, bainit, paarsgewijs groeiend.

Bind, baind, binden, verbinden, ontwikkelen, beperken, verplichten, bevestigen, hard maken, eene grens vormen, verplichten (volgens contract); subst. band, verbinding, ijzerhoudend leem; rank, hopstengel, 250 (A bind of eels): Bound down by contract = gebonden; This apprentice was bound out to service = in dienst gedaan; He was bound over to appear again before the court within a week = moest eene som gelds deponeeren, die hij verbeurde als hij niet verscheen; To bind to secrecy = geheimhouding doen beloven; To bind up wounds = verbinden; That man is entirely bound up in his work, studies, etc. = wordt geheel ingenomen door, gaat geheel op in; Binder = (boek)binder, band; Bindery = boekbinderij; Binding = band, verband, het binden: The snow is less binding = pakt niet zoo goed meer; Bindweed = winde.

Bine, bain, rank (van hop), hop.

Binervate, bainɐ̂vit, met twee nerven.

Bing, biŋ, hoop; Bing verb. ophoopen.

Bin(n)acle, binək’l, kompashuisje.

Binny, bini, barbeel (van den Nijl).

Binocle, binok’l, binocle; Binocular = binoculair; binocle (= Binocles); Binoculate = binoculair.

Binomial, bainoumj’l, binominaal; binomium: Binomial theorem = binomium v. Newton; Binominal, bainomin’l, met twee namen.

Biograph, baiəgrâf = verbeterde kinematograaf; Biographer = biograaf; Biographic(al) = biographisch; Biography, biographie.

Biological, baiəlodžik(’l), biologisch; Biologist, bioloog; Biology = biologie.

Biparous, bipərɐs, tweelingen barend.

Biped, baiped, subst. en adj. tweevoetig (dier); Bipedal, baipəd’l, adj. tweevoetig.

Biplane, baiplein, tweedekker.

Biquadratic, baikwədratik, 4emachts; vierdemacht.

Birch, bɐ̂tš, berk, berkenroede, berken canoe (Amer.); Birch verb. met de roede straffen, ranselen; adj. berken = Birchen; Birch-broom = stalbezem.

Bird, bɐ̂d, subst. vogel; lieveling: Birds Protection Act; Neither bird nor fish = geen vleesch en geen visch; Birds of a feather flock together = soort zoekt soort; The early bird catches the worm = de morgenstond heeft goud in den mond; Fine feathers make fine birds = kleeren maken den man; A little bird told me = ik heb er een muisje van hooren piepen; A bird in the hand is worth two in the bush = … beter dan tien in de lucht; It is an ill bird that fouls its own nest = wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht; The bird has flown (ook fig.); To hit the bird in the eye = den spijker op den kop slaan; To kill two birds with one stone (at one blow); To lime one’s bird to the twig = lijmen, vangen, (fig.); Bird of Jove = adelaar; Bird of Juno = pauw; Bird of Minerva = uil; Bird of night = uil; Bird of passage = trekvogel; Bird of prey = roofvogel: Bird verb. vogels vangen of schieten; Bird-baiting = vangen met slagnet; Bird-batting = vangen met den lichtbak; Bird-boy = jongen, om vogels te verjagen; Bird-cage; Bird-call = fluitje (van den vogelaar); Bird-cherry = vogelkers; Bird-fancier = vogelliefhebber; vogelkoopman; Bird-lime = vogellijm; Bird-man, (Bird-catcher) = vogelaar; Bird’s-eye = subst. soort van tabak; adj. in vogelvlucht gezien: A bird’s eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht; Bird’s eye wood = geaderd, gemarmerd hout; They went bird’s-nesting = vogelnestjes uithalen; Nobody goes bird’s-nesting without a fall at times = wie wat onderneemt, struikelt wel eens; Bird-witted = vluchtig, van het een op het ander; Birdie = vogeltje; lieveling.

Biretta = Beretta.

Birmingham, bɐ̂miŋ’m, bɐ̂miŋham.

Birth, bɐ̂th, geboorte, afkomst, oorsprong, stand, vrucht, jong: To give birth to = bevallen, jongen werpen; To kill at birth = in de wieg smoren (fig.); To produce two young ones at a birth = twee jongen werpen; He is an Englishman by birth = van geboorte; New birth = wedergeboorte (fig.); Birth-certificate = Certificate of birth = geboorteakte; Birthday; Birth-hour; Birthplace; Birthright; Birth-roll = geboorteregister; Birth-sin = erfzonde.

Biscay, biskei, Biscaje; Biscayan, biskeiən = (bewoner) van Biscaje.

Biscuit, biskit, beschuit; biscuit (aardewerk); klein zacht broodje (Amer.).

Bise, bîz, biz, N. (O.) wind in Zwitserland en Provence.

Bisect, baisekt, in tweeën deelen; Bisection = halveering; Bisector = bisector.

Bisexual, baisekšu’l, tweeslachtig.

Bishop, bišəp, subst. bisschop; een warme drank; tournure of kussentje (Amer.); slabbetje; raadsheer (in het schaakspel); bisschopsmuts (hoornschelp); lievenheersbeestje; Bishop verb. bevestigen, bisschoppen benoemen, tot bisschop wijden; het gebit van een oud paard zóó opknappen, dat het jonger lijkt; beetnemen; Bishop’s-Bible = bijbelvertaling van 1568; Bishop’s-weed = zevenblad; Bishopess, vrouw van een Angl. bisschop; Bishopric = bisdom.

Bison, b(a)is’n, biz’n, bison.

Bissextile, bisekstil, schrikkeljaar; adj. bisextiel; Bissextile year.

Bistre, bistə, bister, roetbruin.

Bistoury, bisturi, opereermes.

Bistort, bistöt, slangenwortel.

Bit, bit, subst. boorijzer (boorspits), schaafijzer, baard v. een sleutel, gebit; beetje, hapje, kleinigheid, klein geldstuk: Not a bit of it = geen kwestie van; He is every bit as good as you = in alle opzichten; I am not a bit the wiser = ik ben geen haar wijzer; Bit by bit = stukje voor stukje; The coachman draws bit = begint het paard in te houden; The horse got the bit between his teeth and ran away; A six-penny bit = een munt van sixpence; A long bit = 15 cents (Amer.); A short bit = 10 cents (Amer.); Bit-bridle = stanggebit (van een paardetoom).

Bitch, bitš, teef, wijfje; snol.

Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, voedsel; streek, bedrog, afzetterij; Bite verb. bijten, steken, prikken, branden, grijpen, uitbijten, geeselen (fig.), bedriegen: His bark is worse than his bite = hij blaft harder dan hij bijt; He gave me a bite and a sup (ook sip) = wat te eten en te drinken; The biter bit = de bedrieger bedrogen; Once bit(ten) twice shy = een ezel stoot zich geen tweemaal aan den zelfden steen; Dead dogs don’t bite = doode honden bijten niet; To bite the dust = in het stof bijten; He bit his lip = beet op; To bite one’s nails = nagelbijten; He bit the thumb at me (ten teeken van verachting of uitdaging): Biter: He is no biter = hij bijt niet; Biting = bijtend, sarcastisch; Bitten = gebeten, geëtst (= Bitten in): Frost-bitten = bevroren; Hunger-bitten = verhongerd; To be bitten with = verliefd op.

Bithynia, bithinjə, Bithynië.

Bitt, bit, subst. beting; Bitt verb. om de beting leggen (scheepstermen).

Bitten, bit’n, Zie Bite.

Bitter, bitə, bitter, scherp, pijnlijk, smartelijk; subst. bitter; slag om de beting; Bitters = bitter, maagbitter, bitter bier; tegenspoeden; Bitter verb. bitter maken: To the bitter end = tot het (droeve) einde; Bitter-almond, Bitter-apple (Bitter-gourd) = kolokwint; Bitter-sweet = bitterzoet; soort appel; The bitter and the sweet of independence = lief en leed; Bitter-wort = gentiaanwortel: Bitterish = eenigszins bitter; Bitterness = bitterheid.

Bittern, bitən, roerdomp; moederloog.

Bitumen, bitjûm’n, bitjum’n, aardhars, aardpek; Bituminize = bitumineeren; Bituminous, aardpekachtig (aardpekhoudend).

Bivalve, baivalv, met twee schelpen of kleppen; subst. mossel met twee schelpen, vrucht met twee kleppen; Bivalvous, baivalvəs, Bivalvular, baivalvjulə, tweekleppig, etc.

Bivouac, bivwak, bivuak, subst. biv(ou)ak; Bivouac verb. bivakkeeren.

Biweekly, baiwîkli, baiwîkli, subst. en adj. veertiendaagsch (tijdschrift); adv. om de 14 dagen.

Biz, biz, verkorting voor Business.

Bizarre, bizâ, bizar.

Blab, blab, er uit flappen, wauwelen, verklikken; subst. snapper, wauwelaar, klikker = Blabber.

Black, blak, zwart, donker, duister, grimmig, somber, treurig, ellendig, snood; subst. zwarte kleur, zwartsel, rouwkleeding, zwarte vlek, roos (bij het boogschieten), neger, zwartrok, roetdeeltje, scheldnaam, brand (in ’t koren); Black verb. zwart maken, bevuilen, bezoedelen: Black as your hat, Black as a gipsy’s eyes, Black as ink, Black as a nigger-meeting; Black as November, Black as sables, Black as thunder; Lampblack = lampzwart; To be in a black temper = zoo nijdig als een spin; In black and white = zwart op wit = (To give) black on (and) white; To be in (put into) black = in het zwart (rouw) zijn (steken); To beat black and blue = bont en blauw; To look black = boos, nijdig; To be black with people = zwart van menschen; He is not fit to black your boots = uwe schoenriemen te ontbinden; Blackamoor, blakəmûə, neger; Black art = zwarte kunst; Blackball, subst. zwarte bal (bij ’t stemmen); brand (in tarwe), zwartsel, schoensmeer; Blackball verb. tegenstemmen, uitsluiten; Black-band = soort van ijzersteen; rouwband; Black beer = Dantzigsch bier; Blackbeetle = kakkerlak; Blackberry = braambes: As plentiful as blackberries = zeer overvloedig; Blackbird = subst. meerle, gevangen neger; Blackbird verb. negers vangen voor den slavenhandel; Blackboard = schoolbord; Blackboding = onheilspellend; Blackbook = rapport (onder Hendrik VIII) over de toenmalige kloosters; tooverboek; het zwarte boek, conduitelijst, lijst v. dubieuse debiteuren: I am in his black books = sta ongunstig bij hem aangeschreven; Black-browed = dreigend, norsch (fig.); Black-cap = zwarte muts door rechters bij het uitspreken van een doodvonnis opgezet; zwartkop koolmees, kapmeeuw; breedbladige lischdodde, zwarte framboos; Black cattle = zwart rundvee (Schotl.); Black-coat = zwartrok; Black-cock = korhaan; Black Country = de kolendistricten van Stafsh. en Warwsh.; Black-currant = zwarte aalbes; Black death = pest; To have a black dog (monkey) on one’s back = To ride the black donkey = slecht gemutst zijn; Black drop = laudanum droppel; Black earth = teelaarde; Black-edged note-paper = met rouwrand; Black-faced = somber, donker; Black-fellow = Australische neger; Blackfoot = huwelijksbemiddelaar (Schotl.); N.A. Ind. stam; Black Forest = Zwarte Woud; Black-friar = Dominikaner; Blackguard, blagəd, subst. ploert, deugniet; adj. laag, gemeen; (ook: Blackguardly); Blackguard verb. op gemeene wijze beschimpen, gemeene taal van of tegen iemand gebruiken; Blackguardism = gemeen optreden; Black-hole, subst. cachot, hondegat; Black-hole verb. in het cachot zetten; Blacking = schoensmeer; Black-lead, subst. potlood; Black-lead verb. potlooden; Black-leg = klauwzeer, vlekkoorts; oplichter, bedrieger; onderkruiper: They actually black-leg them by cutting (het drukken der) prices; Black-letter = oud Gothische letter; Black-list = officieele lijst van bankroetiers of misdadigers; verb. op die lijst plaatsen; Black-mail = geldafpersing, brandschatting: To levy black-mail = geldafpersen, brandschatten; Black-mail verb. afpersen; Black Maria = dievenwagen; Blackmartin = muurzwaluw; Black Monday = ongeluksdag, Paaschmaandag 1360; de eerste Maandag na de vacantie; Blackmonks = Benediktijner monniken; Black-mouthed = lasterend; Black night = (iron.) zwarte-rokkenavond; bijeenkomst voor heeren alleen; Black pudding = beuling; Black Rod = soort ceremoniemeester en intendant van het Hoogerhuis; Black Sea = Zwarte Zee; Black-sheep = schurftig schaap, deugniet; onderkruiper; Blacksmith = grofsmid; Black-thorn, sleedoorn; Black Watch = het 42e regiment Hooglanders; Blackwood = pokhout, rozenhout; Black-work = grof smidswerk; Blacken, blak’n = zwart maken of worden, bezoedelen, besmetten; Blackey = zwartje.

Bladder, bladə, blaas, buil, blaar; windzak; Bladdered = opgeblazen; Bladdery = met blaren.

Blade, bleid, subst. grasspriet, halm, blad, schep, plat gedeelte, lemmet, kling, zwaard, degen, vent, kerel; Blade verb. van een lemmet voorzien, opsnijden, zwetsen; Blade-bone = schouderblad; Blade-smith = zwaardveger.

Blain, blein, blaar, zweer; keeldroes.

Blamable, bleiməb’l = Blameable; Blame, bleim, berispen, laken; subst. berisping: You are to blame = het is uw schuld; To lay the blame on = ten laste leggen; No blame attaches to you = gij hebt geen schuld; Blameable, berispelijk; subst. Blameableness; Blameful = berispelijk; subst. Blamefulness; Blameless = onschuldig; subst. Blamelessness; Blameworthy = berispelijk; subst. Blameworthiness.

Blancard, blaŋkəd, soort van Normandisch linnen.

Blanch, blânš, bleeken, laten trekken, vertinnen, (doen) verbleeken, verzachten (over); Blanch subst. witte vlek, stuk erts: To Blanch almonds = schillen; Blanch fever = bleekzucht; Blanching-liquor = bleekwater.

Blanch(e), blânš, Bianca.

Blanc-mange(r), bləmonž, blanc manger.

Bland, bland, zacht, vriendelijk, minzaam; subst. Blandness.

Blandiloquence, blandiləkw’ns = vleitaal; Blandiloquent = vleiend.

Blandish, blandiš, vleien, streelen; Blandishment = vleitaal; liefkoozing.

Blank, blaŋk, blanco, niet ingevuld, wit, blind, ledig, los, vruchteloos, volkomen, zuiver, rijmloos, mistroostig, verbluft, beschaamd; subst. blanco papier, leemte, niet, pauze, (doel)wit, muntplaatje; Blank verb. verlegen maken, verijdelen, aan ’t gezicht onttrekken, een euphem. uitdrukking voor damn: The voting-paper was blank; I tell you so point-blank = in je gezicht; A lottery ticket that has drawn a blank = met een niet is uitgekomen (Verg.: To prove blanks = met een niet uitkomen); He looked blank = zag er beteuterd uit; Blank cartridge = losse patroon; Blank door = blinde deur; Blank practice = oefeningen met losse patronen; Blank shots = schoten met los kruit; Blank verse = niet rijmende verzen; Blank him! = Damn him! What the blankety blank do you want to know for? = waarom voor den drommel? Blankness = witheid, enz.

Blanket, blaŋkət, subst. deken; Blanket verb. jonassen; de loef afsteken: To get between the blankets = onder de dekens kruipen; To put a wet blanket on (To throw a wet blanket over) = koud water gieten op (fig.); Born on the wrong side of the blanket = onwettig; Blanketing = stof voor (wollen) dekens.

Blare, blêə, subst. geloei, gebrul; verb. loeien, brullen: Blare of trumpets = trompetgeschal.

Blarney, blâni, subst. grove vleitaal, geschetter; verb. vleien, bepraten, bedotten: With your gift of blarney = talent om te vleien; To put the blarney over a person = inpakken door vleierij; Try the three B’s: B(larney), B(lather) and B(unkum); He has kissed the blarney-stone = hij kan goed vleien en liegen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings