L.
Reading edition
L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord) C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief) J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary); Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of) I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord) P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds, shillings, pence.
La, lâ, lô, hè, kijk, zie!
La, lâ, la (noot).
Laager, lâgə, laager; Laager verb. een laager vormen (Z.-Afr.).
Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.
Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.
Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil; Label verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled labels = naambordjes (v. straten); Silver labels schildjes (op flesschen).
Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -; subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst. lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.
Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; Laboratory-man = vuurwerker.
Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst. Laboriousness.
Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn, arbeidersbevolking van een land; Labour verb. arbeiden, zich inspannen, zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s labour = zich te vergeefs inspannen; I do not wish to labour that point = in ’t bijzonder te behandelen; He labourd under difficulties = hij had met moeilijkheden te kampen; They were labouring under an illness (a complaint) = laboreerden aan eene ziekte (kwaal); To labour under a mistake = in dwaling verkeeren; A labour of love = liefdedienst; Labour-member = werkman lid van het Parlement; Labour-pains = weeën; Labour-party = arbeiderspartij; Independent Labour-party = de socialistische groep van de Labour-party; Labour-registry = arbeidersbeurs; Labour-saving = (handen)arbeid besparend; Laboured = onnatuurlijk, niet vrij, al te veel kunst verradend; zorgvuldig uitgewerkt; Labourer = arbeider: Skilled and unskilled labourers = bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A labouring-man = landbouwer, losse arbeider.
Labrador, labrədö.
Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.
Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; Labyrinthal, labirinthəl = Labyrinthian, labirinthiən = Labyrinthic(al), labirinthik(’l), als een doolhof, verward; Labyrinthiform, labirinthiföm, labyrintvormig; Labyrinthine, labirinth(a)in, als een doolhof, verward.
Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet. ook lakh gespeld; Lac-dye, Lac-lake = schilderslak om rood te verven.
Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.
Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; Lace verb. vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken voegen bij: Without lace = (koffie) zonder cognac, sterken drank of likeur; Lace-bark = lagette of kantstruik; Lace-bobbin = kantklos; Lace-cushion; Lace-maker = kant- of passementwerker; Lace-man (Lace-woman) = kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; Lace-trimming = kanten belegsel; Lace-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel, veter, rijgen, pak slaag.
Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; Lacedaemonian, lasidimounj’n, Lacedemoniër, Lacedemonisch.
Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.
Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n, hagedisachtig, hagedis …; subst. hagedis.
Laches, lašiz, nalatigheid.
Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.
Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The lac(h)rymal glands = de traanklieren; Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.
Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; Lack verb, gebrek hebben aan, behoeven; berispen: John Lackland = Jan Zonder Land; Lack-all = wien het aan alles ontbreekt; Lack-lustre = glansloos, somber.
Lack, lak: Good Lack! = jeminiejoosje; Lack-a-day! = helaas!
Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.
Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; Lackey verb. als lakei dienen, slaafs dienen.
Laconia, ləkounjə; Laconian.
Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism, ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of spreekwijze.
Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); Lacquer verb. vernissen, verlakken: Good form, or at all events lacquered with the veneer thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er van.
Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).
Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal, laktiəl, melkhoudend, melk - -: Lactation fever; Lactation vessels = lymphvaten = Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig, melksap voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: Lactic acid = melkzuur; Lactic fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger; Lactose, laktous, melksuiker.
Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; Lacunal = met gapingen = Lacunar.
Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.
Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top of the ladder = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got his foot into the ladder = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t see a hole through a ladder = hij kan geen steek meer zien.
Laddie, Laddy, ladi, jongen.
Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden, lading: Bill of lading = vrachtbrief.
Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een molenrad, laadlepel; Ladle verb. met een grooten lepel opscheppen, toedienen (out): Paying ladle = piklepel; Ladleful.
Ladrone, lədroun, dief, schurk; Ladrones, lədrounz, Dieveneilanden.
Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet, dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.; Our Lady = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) lady? = hoe vaart je vrouw? The old lady = mijn oudje; Old Lady of Threadneedle Street = de Bank van Engeland; Lady author = schrijfster; Lady-bird = pijlstaart; ook lievenheersbeestje = Lady-bug; Lady-chapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd; Lady-day = Maria Boodschap (25 Maart); Lady friend = vriendin; Lady-help = hulp der huisvrouw; Lady-killer = adonis, veroveraar; Lady-love = geliefde; Lady’s-companion = werktaschje, necessaire; chaperon; Lady’s-smock = pinksterbloem; Lady’s-tresses = draaisteel; We carried her in the fashion they call ladies’ cushion = op onze ineengevouwen handen; Ladyish = als een dame; Ladyism = manieren van eene dame; Ladykin (gew. Lakin, leikin) = Onze Lieve Vrouwe; Ladylike = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd; Ladyship = rang of titel van eene Lady: Your Ladyship = Mevrouw.
Laertes, ləɐ̂tîz.
Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; Lag verb. dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard = subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.
Lagoon, ləgûn, lagune; Lagoon-reef = koraalrif.
Lahore, lahö.
Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend (muz.).
Laic, leiik, leeken…; subst. leek; Laicization = secularisatie; Laicize = seculariseeren.
Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: Laid paper = papier met waterlijnen.
Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.
Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.
Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.
Laity, lei(i)ti, de leeken.
Lake, leik, meer; soort lak: Lake Leman (lîm’n) = het Meer van Genève = The Lake of Geneva; Lake-dwellers = bewoners van een paalwoning = Lake-dwelling; Lake School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge en Southey; Lake-settlement = verzameling van paalwoningen; Lakelet = meertje; Laker = Lakist = dichter uit de Lake School.
Lakh, lak, lâk = Lac.
Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt uitgesproken.
Lam, lam, ranselen: He went on lamming into his men.
Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri, lamâsəri, Lamaklooster.
Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; Lamb verb. lammeren werpen; plukken (fig.): To lamb down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd (Austr.); Lamb-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; Lambskin = lamsvel; Lamb’s-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat en gebraden appelen; Lambkin = lammetje, lieveling; Lamblike = zacht als een lam.
Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid; Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.
Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild omfladdert; draperie boven aan een venster.
Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; Lame verb. kreupel maken, verminken, verlammen; Lame-duck = wanbetalend beursspeculant; To help lame dogs over stiles = zwakke broeders een handje helpen; Lameness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.
Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; Lamellar, lamələ, ləmelə, schilferig; Lamellate(d), laməlit, laməleitid, uit dunne platen of schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.
Lament, ləment, subst. weeklacht; Lament verb. betreuren, weeklagen; Lamentable, laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; Lamentation = weeklacht, jammerklacht: The Lamentations of Jeremiah = Klaagliederen van Jeremia; Lamented = zaliger.
Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.
Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd; heks, toovenares.
Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; Laminable = tot dunne platen pletbaar; Laminal = Laminar = uit dunne plaatjes bestaande; Laminate, lamineit, pletten, met dunne plaatjes overtrekken; Laminated = schilferig = Laminate, laminit.
Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter Lammas = met St. Juttemis, als de kalveren op het ijs dansen; Lammas-day (Lammas-tide) = St. Pieter (1 Aug.); Lammas Eve = 31 Juli.
Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the lamp = naar de lamp rieken; Lamp-black = lampzwart; Lamp-burner = brander; Lamp-light = lamplicht; Lamp-lighter = lantaarnopsteker; fidibus; Lamp-maker = lampenfabrikant; Lamp-mat; Lamp-post = lantarenpaal; Lamp-shade = kap; Lampion, lampj’n = illumineerglaasje.
Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; Lampoon verb. schotschriften schrijven; Lampooner; Lampoonery.
Lamprey, lampri, lamprei.
Lanark, lanək; Lanarkshire.
Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.
Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; Lancashireian, laŋkəstîriən: Lancashire system = stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere leerlingen door de vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian, laŋkastriən, partijganger van Hendrik VI van Lancaster.
Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; Lance verb, met eene lans doorsteken, met een lancet openen: With lance in rest = met gevelde lans; Lance-corporal = korporaal titulair; Lance-flag = vaantje: Lance-head = spits; Lanceolate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid, lancetvormig; Lancer = lansier; Lancers = “quadrille des lanciers”.
Lancelot, lânsəlot.
Lancet, lansət, lancet; Lancet-arch = spitsboog; Lancet-fish = lancetdrager (visch); Lancet-window = Gothisch venster.
Lancinating, lansineitiŋ: Lancinating pain = scherpe, snijdende, vlijmende.
Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; Land verb. landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By land = te land; Land o’ Cakes = Schotland; Land of the leal = verblijf der zaligen; Land of Promise = Land der Belofte; To lay the land = het land uit het gezicht verliezen; To make the land = in het gezicht krijgen; To set the land = het land peilen; The cape shut in the land = door de kaap was het land niet te zien; To sight the land = in ’t gezicht krijgen; The land was looming = in de verte doemde land op; I want to see how the land lies = ik wil poolshoogte nemen; I landed him for ten pounds = kreeg van hem los; He lands himself in all kinds of difficulties = brengt zichzelf; I landed a splendid fish = haalde op; Land-agent = rentmeester; Land-bank = hypotheekbank (Amer.); By Land-carriage = per as; Land-crabs = landkrabben (ook fig.); Landfall = grondafschuiving; nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men na een zeereis in ’t gezicht krijgt; Land-flood = overstrooming; Land-force = landmacht; Land-grabber = iemand die op onwettige wijze land in bezit neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een ander met geweld gezet werd; Land-grave = landgraaf; Land-graviate, landgraafschap; Land-gravine = vrouw van een landgraaf; Land-holder = grondbezitter; Land-jobber = landerijenspeculant; Landlady = kostjuffrouw, waardin; Land-league = in 1879 gevormd en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van huurders tegen de landeigenaren (Ierland); Land-leaguer = lid van de land-league; A land-locked bay = rondom door land ingesloten baai; Land-loper = vagebond; landrot (fig.); Landlord = huisbaas, waard; Landlordism = de maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne huurders; Land-lubber = landrot (fig.); Landman = landrot; pachter; Landmark = grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; Land-measuring = het landmeten; Landowner = grondbezitter; Land-rail = wachtelkoning, spriet; Land-rat = landrot; Land-rent = landrente; Land-reeve = onder-rentmeester; Land-roll(er) = zware rol, om aardkluiten te breken; Landscape = landschap; Landscape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; Land-scrip = bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); Land-shark = straatroover, uitzuiger, advocaat; Land-side = de platte zijde van den ploeg; Land-slide, Landslip = grondafschuiving, de afgeschoven grond; Landsman = landkrab, landrot (fig.); Land-steward = rentmeester; Land-surveying = landmeten; Land-surveyor = landmeter; Land-tax = grondbelasting; Land-warrant = Land-scrip; Landed: Landed estate (= Landed property) = grondbezit; The landed gentry = landadel; Landing = het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron (Amer.); bordes: Landing-net = klein net om gehengelde visch aan land te krijgen; Landing-place = landingsplaats; Landing-surveyor = opziener over de; Landing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van schepen; Landward = landwaarts.
Landau, landô, landauer; Landaulet, landôlet, kleine landauer.
Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg: The Lane = Drury Lane = een schouwburg in Londen; It is a long lane that has no turning = aan alles komt een einde.
Langate, langit, rol verbandlinnen.
Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.
Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.
Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.
Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad language = hij vloekte, etc; Language-master = taalonderwijzer.
Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. Languidness; Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen, achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst. Languishment; Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen, zwoelte; Languorous = Languid.
Laniard, lanjəd = Lanyard.
Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.
Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.
Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst. Lankness; adj. Lanky.
Lanner, lanə, worgvalk; Lanneret = het mannetje.
Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.
Lantern, lantən, subst. lantaren; Lantern verb. van lantarens voorzien, aan een lantaarn ophangen: Chinese lantern = lampion; Dark lantern = dievenlantaarn; Magic lantern = tooverlantaarn; Feast of lanterns = feest in China op den eersten van iedere maand; He was lynched and lanterned; Lantern-fly = lantaarndrager (insect); Lantern-jawed = met lang en mager gezicht; Lantern lecture = lezing met lichtbeelden; Lantern-wheel = lantaarnrad of schijfloop.
Lanyard, lanjəd, taliereep.
Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.
Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant, voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken, oplikken, kabbelen; slappe drank; Lap verb. vouwen, omleggen, wikkelen, “lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make a lap = een schoot maken; Lapped in luxury = badend in weelde; Lap-dog = schoothondje; Lap-stone = klopsteen (van een schoenmaker); Lap-work = werk, waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; Lapful; Lapper = vouwer, polijster, likker, zuiper.
Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A lapelled coat.
Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden, steen - -; bondig; subst. steensnijder: Lapidary style = bondige.
Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification = versteening; Lapidify = versteenen.
Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.
Lapis, lapis, leipis, steen: Lapis infernalis = helsche steen; Lapis pumex = puimsteen.
Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic = Lappish.
Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap lappet = oorlap (v. eene muts, etc.)
Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop, verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval, vervallen; Lapse verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden, verloopen, dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a lapsed legacy = vervallen legaat; Lapsed proposals; Lapsus = vergissing, fout.
Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.
Lapwing, lapwiŋ, kievit.
Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).
Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).
Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs, diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple larceny = van eenvoudigen diefstal.
Larch, lâtš, lorkenboom.
Lard, lâd, subst. varkensreuzel; Lard verb. lardeeren, met vet bedruppelen, mengen; Lardaceous, lâdeišəs, spekkig = Lardy.
Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.
Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.
Large, lâdž, ruim, groot, breed, omvangrijk, overvloedig, veelomvattend, edel, pocherig: Large conscience = ruim; As large as life = levensgroot; To be in a large way (of business) = groote zaken doen; Christendom at large = in ’t algemeen; A convict at large = ontvlucht gevangene; A gentleman at large = die zijn eigen baas is; The public at large = het groote publiek; The prisoners were (set) at large = waren (werden) vrijgelaten; To talk at large = er maar op los; They are not tolerated at large = mogen zich niet vrijelijk buitenshuis bewegen; The ship went (sailed) large = zeilde voor den wind; Large-boned = pootig; Large-handed = hebzuchtig; overdreven mild, verkwistend; Large-hearted = grootmoedig; Large-minded person = met ruimen blik; grootmoedig; subst. Large-mindedness; Largen = groeien, vergrooten; Largeness = grootte, uitgestrektheid, grootheid.
Largess(e), lâdžəs, rijk geschenk, gave: To cry largess(e) = om een geschenk vragen (wat door den minstreel werd gedaan).
Larghetto, lâgetou, Largo, lâgou, langzaam (muz.).
Largish, lâdžiš, vrij groot.
Lariat, lariət, subst. pikettouw, lasso; Lariat verb. met een lariat vangen.
Lark, lâk, subst. leeuwerik, pretje, “lolletje”; Lark verb. leeuweriken vangen; pret maken, streken uithalen, voor den gek houden: A lark is better than a kite = iets is beter dan niets; I am up to a lark = heb wel zin in een lolletje; If the sky falls we shall catch larks (there will be catching of larks) = als de hemel valt hebben we allen eene blauwe slaapmuts op; Don’t make a lark of me = houd me niet voor den gek; Larkspur = ridderspoor; Larker = grappenmaker; Larkish = Larksome = Larky = van pret houdend, lustig.
Larrikin, larikin, subst. vagebond, ruwe klant; Larrikinism = herrie, baldadigheid (Australië).
Larrup, larəp, afranselen.
Larva, lâvə, larve of pop; Larval = tot eene larve behoorende; Larvate(d), lâvit(id), verpopt; Larviporous, lâvipərɐs, larven voortbrengend.
Laryngeal, lərindžiəl, larindžîəl, Laryngean, lərindžiən, larinžîən, strottenhoofd..; Laryngitis, larindžaitis, ontsteking van de larynx; Laryngoscope, ləriŋgəskoup, keelspiegel; Laryngoscopy = onderzoek met een keelspiegel; Larynx, lariŋks, luchtpijp, strottenhoofd.
Lascar, laskə, laskâ, Laskaar, Brit.-Ind. matroos op Europeesche schepen.
Lascelles, ləselz.
Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. Lasciviousness.
Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; Lash verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under the lash of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden lash out = begon plotseling achteruit te slaan; To lash out = achteruit slaan; uit den band slaan (fig.); Lashing = sjorring (scheepst.); Lashings = massa’s.
Lass, las, lâs, meisje, deern; Lassie = jong meisje.
Lassell, ləsel.
Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.
Lasso, lasou, subst. lasso; Lasso verb. met een lasso vangen.
Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste, uiterste, geringste, jongstleden; Last verb. duren, uithouden; To put (set) (up)on the last = leest; Shoemaker, stick to your last = hou je bij je leest; At last = ten laatste, eindelijk; At long last = ten langen leste; At the last = op het einde, laatste oogenblik; He retained his wits to the last = tot het laatste toe; Last though not least = het laatste maar niet het minste; The last century = vorige; The last event = de dood; Of the last importance = van het grootste belang; To be on one’s last legs = ten einde raad zijn; The affair is on its last legs = bijna uit, over; Last night = gisteren avond; He was in the last straits = lag op het uiterste; The Last Supper = l. Avondmaal; He breathed his last = blies den laatsten adem uit; The last I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never hear the last of it? = houdt dat dan nooit op? It will last his time = zijn tijd duren; It would have lasted us out handsomely = we zouden er ruim genoeg aan gehad hebben; Lastage = lading, laadruimte, vracht; Lasting = volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to your lasting honour = strekt u eeuwig tot eer; Lastingness = duurzaamheid; Lastly = ten slotte.
Latch, latš, subst. klink; Latch verb. met de klink sluiten; Latch-key = huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the latch is on the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The latch-string is out = de deur staat (voor iedereen) open.
Latchet, latšət, schoenriem.
Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt verbonden.
Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-late, pas gebeurd: The late Cabinet = het vorige ministerie; My late employer = mijn vroegere patroon; The late king = wijlen de koning; Mr. N. late of her Majesty’s service = eertijds in; You are five minutes late = vijf minuten ná uw tijd; The train is an hour late = te laat; Late in the day = (te) laat; Of late days (years) = in den laatsten tijd, onlangs; The late rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens; I have seen much of him of late = in den laatsten tijd; I saw him lately = onlangs; It did not happen until very lately = pas (onlangs); So lately as February = nog in F.; Lateness = laatheid; Later on in the day = later op den dag; What’s the latest? = wat is er voor nieuws?
Lateen, lətîn: Lateensail, driehoekig latijn- of emmerzeil; Lateenyard = de ra hiervoor (Middell. Zee).
Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen: Their steps awaked the latent echoes in the house = de slapende echo’s; Latent heat = latente warmte.
Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.
Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende paleis van den Paus: Lateran councils = de in de kerk van St. Jan van Lateraan gehouden synoden.
Lath, lâth, subst. lat; Lath verb, met latten bedekken of bespijkeren: He is as thin as a lath = zoo mager als een houtje; Lath-and-plaster = van bepleisterde latten; Lath-work; Lathy = (zoo) dun (als eene lat), van latten gemaakt.
Latham, leith’m.
Lathe, leidh, draaibank.
Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).
Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; Lather verb. inzeepen, schuimen, met schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.
Laticostate, latikostit, met breede ribben.
Latidentate, latidentit, met breede tanden.
Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede bladeren.
Latimer, latimə.
Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch, Romeinsch: Latin Church = Roomsche Kerk; Latin cross = kruis (symbol); Latin races = Franschen, Spanjaarden en Italianen; Latin union = muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland; Latinism = Latinisme; Latinist = Latinist; Latinity = zuiver Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; Latinization = verlatijnsching; Latinize = Latijnsche vormen of uitgangen geven, Latijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken; aan den Pauselijken Stoel onderwerpen.
Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang, onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..; Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig, verdraagzaam; subst. vrijzinnige; Latitudinarianism, latitjûdinêriənizm = vrijzinnigheid.
Latrine, lətrîn, privaat.
Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; Latten-brass = messingblik; Latten-wire.
Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: Latter end = slot, stervensuur; achterste; In his latter years = lateren tijd; Latter-day Saints = geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The latter-day lights of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; Lattermath = nagras, etgroen; Latterly = onlangs, in den laatsten tijd.
Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; Lattice verb. van traliewerk voorzien; Lattice-pew = kerkbank met traliewerk; Lattice-window; Lattice-work.
Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; Lauds = de Lauden, het tweede der kerkelijke getijden; Laud verb. lofzingen, prijzen; Laudable = lofwaardig, prijzenswaardig; gezond; subst. Laudableness; Laudation, lôdeiš’n, lof; Laudatory, lôdətəri, lovend, prijzend; Laudatories = lofrede.
Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.
Laugh, lâf, subst. lach, gelach; Laugh verb. lachen: Till you have had your laugh out = tot je uitgelachen bent; Those laugh best, who laugh last = wie ’t laatst lacht, lacht het best; He laughed his consent = gaf lachend zijn toestemming; He laughed at me = lachte mij uit; He laughed outright in (to) my face = lachte mij royaal in het gezicht uit; He laughed in his sleeve = in zijn vuistje; He laughed on the wrong side of his mouth (face), ook: He laughed on the other side (corner) of his mouth = lachte als een boer, die kiespijn heeft; To laugh one out of = iemand ergens van afbrengen, door het bespottelijk te maken; He laughed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn voorstel: Laugh-and-lie-down = een soort kaartspel; Laughable = lachwekkend, belachelijk; subst. Laughableness; Laugher = lacher, lachduif; Laughing: It is no laughing matter = ’t is geen gekheid; Laughing-gas = lachgas; Laughing-stock = voorwerp v. bespotting, mikpunt van spotternij; Laughter = gelach: To break out into fits of laughter = in lachen uitbarsten; I could not contain my laughter = mijn lachen niet houden; To shake with laughter; She looked at me with laughter-brimming eyes = met stralende oogen.
Launce, lâns, lans; zand-aal.
Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.
Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas, motorboot: Electric (Steam-)launch = motorboot (stoombarkas); Launch verb. slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen, vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen; I’m launching out a bit = neem het er eens van; I was launched upon (into) the world when quite young = de wereld ingezonden; We launchd a boat = streken; The ship was launched = werd te water gelaten; He launched an ultimatum = zond een ultimatum.
Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs, lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis; Laundry-maid = waschmeisje.
Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een Overste.
Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; Laureate verb. (lôrieit) lauweren: Poet Laureate = Eng. hofdichter; Laureateship = ambt van hofdichter.
Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your laurels = op je lauweren rusten; To win laurels.
Laurence, lôr’ns.
Lauwine, lôwin, lawine.
Lava, lâvə, lava.
Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri, wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer, retirade: Ladies’ (Men’s) lavatory = toilet; Lavatory carriages = rijtuigen met retirade.
Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in lavender = in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel parfumeeren; in de gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.
Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.
Laverock, lavərək, leeuwerik.
Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.
Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; Lavish verb. verkwisten, verspillen: He lavished his bounties on all around him = gaf kwistig aan; To lavish oneself on = zich verslingeren aan; Lavisher = verkwister; subst. Lavishness.
Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong (jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the Law = Vreugde der Wet: The Scrolls of the law = wetsrollen; He is a student in law = studeert in de rechten; To be at law = in proces liggen; The fox was given a law = liet men een voorsprong nemen; To go to law = gaan procedeeren; I will have the law of you = zal je vervolgen; To take the law into one’s own hands = zich zelf recht verschaffen; You must not sin against the laws of honour = niet zondigen tegen; Law of exchanges = wisselrecht; Law of insurance against sickness and accident = ongevallenwet; Laws of nations = volkenrecht; Law-abiding = ordelievend; Law-binding = lichtgeel leeren band; Lawbook = wetboek; Law-breaker = wettenschender; Law-court = gerechtshof; Lawgiver = wetgever; Law-latin = advokatenlatijn; Law-lord = een Peer, die een hoog rechterlijk ambt bekleedt; Lawmaker = wetgever; Law-merchant = handelsrecht; Law-monger = beunhaas; Law-officer = dienaar der wet; Law-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.; copiïst van gerechtelijke acten en documenten; Lawsuit = proces, rechtsgeding; Law-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; Lawful = wettig, rechtmatig; subst. Lawfulness; Lawless = wetteloos, onwettig, woest, losbandig; subst. Lawlessness; Lawyer = wet- of rechtsgeleerde, advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang lawyer weighted with lead; Sea lawyer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij niet verplicht is te doen.
Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).
Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; Lawn-mower = tuinmaaimachine; Lawn-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen; bisschoppen (iron.); Lawn-tennis = een raketspel; Lawny = van batist, doorzichtig.
Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; Laxative, laksətiv, laxeerend; laxeermiddel; Laxity = losheid, laksheid, slordigheid: Lax of the bowels = loslijvigheid.
Lay, lei, imp. van to lie = liggen.
Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel (Amer.), werk; adj. leeken …; Lay verb. leggen, dekken, neerwerpen, neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen, uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on the same lay as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the lay here? = iets aan de hand? Lay-by = ligplaats; Lay-days = (toegestane) ladings- en lossingsdagen; Lay-brother = leekebroeder; Lay-clerk = leek, die de “responses” leest in de kerk, of in colleges; Lay-down = dutje; Lay-down collar = liggende boord; Lay-elder = ouderling (in de Presbyteriaansche kerk); Lay-figure = ledepop; Layman = leek, oningewijde; ledepop; Lay-out = aanleg, uitrusting; They laid the guilt at my door = schoven op mij; To lay by the heels = inrekenen; That was laid to my charge = mij ten laste gelegd; To lay to heart = ter harte nemen; To lay breakfast = klaar zetten voor (dekken); To lay a cable; To lay the cloth = dekken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To lay a ghost = een spook voorgoed doen verdwijnen, bezweren; I cannot lay my hand upon it = niet vinden; He laid hands upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their heads together = staken de koppen bij elkaar; To lay hold of = vastgrijpen, aanpakken; To lay a plot against = samenspannen; To lay siege to = het beleg slaan voor; To lay the table = dekken; To lay a wager = een weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven; They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den gek te houden; To lay waste = verwoesten; He laid about him with his cudgel = sloeg om zich heen met; To lay aside = ter zij leggen, opsparen; He laid his work before the public = maakte zijn werk publiek; To lay by = ter zij leggen, bewaren; I would lay down my life for him = zou willen geven; To lay down the law to = de wet stellen; To lay down a plan = opmaken; To lay down reasons = aanvoeren; To lay down as a rule = vaststellen; To lay down the keel of a ship = de kiel leggen, op stapel zetten; To lay in = verzamelen, vergaren; Lay on = sla toe; To lay on gas, water to a house = gas- of waterleiding aanleggen; To lay on dogs = op ’t spoor brengen; To lay the blame on = de schuld geven; You lay it on rather thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; To lay out a garden = aanleggen; The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid; I have laid out my pocket-money in a watch = heb voor mijn zakgeld gekocht; They laid out the corpse = legden af; He laid himself out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om; It was laid over with rust = geheel bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To lay to heart = ter harte nemen; I hope you will lay it to old age = toeschrijven aan; To lay under water = onder water zetten; To lay a person under an obligation = aan zich verplichten; He was laid up with the rheumatism = lag te bed met; To lay up = bijleggen, voor anker gaan liggen, rust nemen, opsparen, opleggen (scheepst.); Layer, lêə, laag, bed, aflegger of loot; richter, leghen, bookmaker; Layer verb. stekken; gaan liggen; Layer-out = lijkbezorger, aflegger; Layer-up = verzamelaar; Laying = het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past laying = die niet meer legt; The laying on of hands = (kerkelijke) bevestiging door handoplegging.
Layard, leiəd.
Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip, quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus, lazərɐs.
Laze, leiz, lummelen.
Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A lazy morning = morgen om niets te doen; He is a lazy-body (-bones, -boots) = luiwammes; Lazy-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.
Lazzaroni, lazərouni.
Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.
Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; Leach verb. uitloogen; Leach-tub = loogvat.
Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe (zegellood), peillood, potlood; adj. looden; Lead verb. met lood bedekken of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden: White lead = loodwit; My room is under the leads = het met lood bedekte dak; A widely leaded volume = boek met veel wit op de bladzijden; Lead-ash(es) = loodasch; Lead-colic = loodkoliek; Lead-foil = bladtin; Lead-glance = loodglans; Lead-line = loodlijn; Lead-pencil = potlood; Lead-poisoning = loodvergiftiging; Leadsman = matroos die het peillood ophaalt; Leadworks = loodhut; Leaded = in lood gevat, ook = separated by leads (= ver uiteen gezet); Leaden = van lood, loodkleurig, loom, dom, dof: Leaden pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.
Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol; Lead verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben, aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that statesman’s lead = hem niet als leider volgen; He is now playing lead at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take the lead = de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to expect it = spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble fellow = men hield mij altijd voor, dat.…; He led my sister to the altar = voerde; You have led us a pretty dance = heel wat last op den hals gehaald; He leads them a dog’s (a pretty sort of) life = zij hebben een hondenleven bij hem; Will you lead the way? = voorop gaan? To lead along = (voort)leiden; To lead astray = op een dwaalspoor of den verkeerden weg (fig.) leiden; To lead away = wegleiden; The manager will lead off with Hamlet = zal het seizoen openen met; He leads off with some good verses in that periodical = begint het nummer met; I led off on that subject = bracht het gesprek erop; The girl led him on = hield hem aan ’t lijntje; She led the conversation round to her son = bracht het gesprek op; This measure led up to success = leidde tot; Leader, subst. (ge)leider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester, eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I stood at the leader’s head, and my groom at the wheeler’s = bij het voorste paard; Leader-writer = schrijver van hoofdartikels; Leaderette, klein hoofdartikel; Leadership; Leading article = hoofdartikel; Leading counsel = voornaamste advocaat in een proces; Leading fashion = heerschende mode; Leading lady = de actrice voor hoofdrollen; Leading part = hoofdrol; Leading question = een vraag waarbij men ’t antwoord als ’t ware in den mond legt (Jur.); He is dangling at his wife’s Leading-strings = loopt aan den leiband van; He is in leading-strings = is de marionet van anderen; Leading word = slagwoord; Men of leading = toonaangevers, leiders.
Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; Leaf verb. bladeren krijgen: The fall of the leaf = de herfst; To burst into leaf = bladeren krijgen; He took a leaf out of my book = hij heeft mij nagevolgd; Don’t turn down the leaf = maak geen ezelsooren; You will have to turn over a new leaf = zult een ander leven moeten beginnen, u moeten beteren; The examples were given overleaf = op de andere pagina; Leaf-bridge = soort van ophaalbrug; Leaf-bud = bladknop; Leaf-fall = het vallen der bladeren; Leaf-gold = bladgoud; Leaf-green = bladgroen; Leaf-lard = bladreuzel van varkens niervet; Leaf-louse = bladluis; Leaf-metal = klatergoud; Leaf-mould = verrotte bladeren als mest; Leaf-silver = bladzilver; Leaf-table = klaptafel; Leafage = loof; Leafed = bebladerd; Leafiness; Leafless = bladerloos; subst. Leaflessness; Leaflet = klein blad, tractaatje, blaadje; Leafy = bebladerd.
League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; League verb. zich verbinden, een verbond aangaan; Leaguer = bondgenoot; legerplaats, belegering; Leaguer verb. belegeren.
Leak, lîk, subst. lek; Leak verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To spring a leak = een lek krijgen; Nothing has leaked out yet = er is nog niets uitgelekt; Leakage = lekkage, verlies, vermindering; Leakiness = lek zijn; Leaky = lek; praatziek, babbelzuchtig.
Leal, lîl, trouw, loyaal.
Leamington, lemiŋt’n.
Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst. mager vleesch; Lean-faced = met mager gezicht; Lean-witted = flauw, afgezaagd; Leanness = magerheid.
Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst. schuine stand: On the lean = scheef; All his faults lean to the side of virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; Leaning = scheef; subst. overhelling, neiging; Lean-to, adj. leunend tegen of gesteund door: A lean-to (building) = gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw steunen, aanbouw.
Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; Leap verb. springen, springen over, opspringen, dekken, laten springen: A leap in the dark = sprong in het duister; The consumption of Lemon Squash went up by leaps and bounds = nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He leaps the most difficult passages = springt heen over; Can you leap this wall = over dien muur springen? He leaped in the saddle = hij sprong in het zadel; His heart is ready to leap into his mouth = hij is buiten zichzelve van vreugde; I’m ready to leap out of my skin = dat is om uit je vel te springen; Leap-frog = haasjeover; springkikker; Leap-year = schrikkeljaar; Leaper = springer, springpaard; Leaping-pole = polsstok.
Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.
Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will learn it by heart = van buiten leeren; He would not learn by the lessons of experience = niet van de ondervinding leeren; He is learned in that matter = knap in; He will never learn wit = hij wordt nooit wijzer; A fool may learn a wise man wit = een wijze kan van een dwaas nog leeren; Learned = geleerd, ervaren; Learner = leerling, scholier, beginneling; Learning = geleerdheid, wetenschap.
Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.
Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst. verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-, of huurtijd, duur; Lease verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building leases = bouwpachtrechten; His lease of life = levensduur; We hold this house on a twenty years’ lease = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; To let by (out on) lease = verhuren, verpachten; To take on lease = huren, pachten; You have taken a new lease of your life = je hebt weer ingehuurd (kunt weer een tijdje mee); Leasehold, subst. pachthoeve; adj. gepacht; Leaseholder = pachter.
Lease, lîz, weide, meente; Lease verb. lezen (van aren).
Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band; Leash verb. aan een koppel leiden, koppelen.
Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At least = ten minste; At (the) least = op zijn minst; Not in the least = hoegenaamd niet; Least of all = in ’t allerminst; Least said soonest mended = hoe minder er van gezegd hoe beter; Leastways (wise) = minstens, ten minste.
Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.
Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.; Leather verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing like leather = niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To ride hell-for-leather = spoorslags; To lose the leather = zich doorrijden of loopen; Leathers = leeren broek (slobkousen); She may leather away till Christmas = er op ranselen zoo lang als ze wil; The drum was leathering away to his heart’s content = sloeg er naar hartelust op los; Leather-apron = schootsvel; Leather-belt = drijfriem; Leather-coat = goudrenet; Leather-dresser = leerbereider; Leather-merchant = leerkoopman; Leatherette = imitatieleer; Leathern = lederen, taai; Leathery = leerachtig, taai: Leathery toast.
Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; Leave verb. nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your leave = met uw verlof; To ask leave = verlof vragen; I beg leave to inform you = heb de eer u te berichten; To give leave = verlof geven; I have my leave for the evening = den heelen avond vrij; To take French leave = met de Noorderzon vertrekken; You may accept my offer or leave it = aannemen of afslaan; He left here to-day = vertrok van hier; They left the fortress on their left side = lieten liggen; It (He) was left to look after it (himself) = aan zich zelf overgelaten; There are three bottles left = over; They left the Boers alone = bemoeiden zich niet met; Leave well alone = het betere is de vijand van het goede; Leave him alone = laat hem met rust, laat hem maar loopen; Leave go my hand = laat los; This blow made him leave go of me = maakte, dat hij mij los liet; To leave open = onbeslist laten; To leave about = laten slingeren; Will you leave off teasing him = uitscheiden hem te plagen; They left off wearing their overcoats = droegen hunne overjas niet langer; She left off her weeds = ging uit den rouw; Left on hand = overgebleven; They tried to leave me out = mij te negeeren, er buiten te laten, enz.; To leave over = overlaten; Leave-taking = het afscheidnemen; Leaving: Leavings = overblijfsel, afval, droesem; Leaving-age = leeftijd waarop de kinderen de school verlaten; Leaving-certificate = einddiploma; Leaving-shop = stille lommerd.
Leaved, lîvd, bebladerd, met bladen of vleugels.
Leaven, lev’n, subst. zuurdeeg, zuurdeesem (ook fig.); Leaven verb. doen rijzen; be-invloeden, besmetten: To purge out the old leaven.
Lebanon, lebənən.
Lecher, letšə, lichtmis; Lecher verb. hoereeren; Lecherous = wellustig; Lechery = wellust, ontucht.
Lectern, lektən, koorlessenaar, voorzangerslessenaar, lezenaar.
Lection, lekš’n, voorgelezen kapittel; lezing; Lectionary = verzameling v. stukken uit de H. S. om in de godsdienstoef. te lezen.
Lector, lektə, lector, voorlezer; Lectorship.
Lecture, lektjə, subst. lezing, verhandeling, redevoering, berisping; Lecture verb. college geven, eene lezing houden, de les lezen, onderhanden nemen: To deliver (To give) a lecture = een lezing houden; Lecturer = lector, docent, hulpprediker: A University lecturer in history; Lectureship; Lecturess = lectrice.
Led, led, imperf. en part. perf. van to lead; Led captain = klaplooper; Led-horse = pakpaard.
Ledge, ledž, plank, richel, rug, laag, rand, uitstekende kant.
Ledger, ledžə, grootboek; dorpel, dwarsbalk; Ledger-bait = vastliggend aas; Ledger-line = hulplijn (muziek).
Lee, lî, lijzijde, luwe zijde: Under the lee = onder de lij; Lee-board = zwaard (scheepst.); The ship carries lee-helm = is lijgierig; Lee-lurch = hevig rollen naar lij bij hooge zee; Lee-shore = de kust aan lijzijde; Lee-side = lijzijde; Lee-tide = getij naar lijzijde; Lee-way: To make lee-way = vallen (scheepst.); To make up for lee-way = het verzuimde inhalen; Leeward = lijwaarts, naar lij: Leeward Islands = de kleine Antillen.
Leech, lîtš, subst. bloedzuiger, dokter; lijk (v. een zeil); Leech verb. bloedzuigers aanleggen, genezen; Leechcraft = geneeskunde.
Lee-Enfield, lî-enfîld, het Eng. inf. geweer.
Leek, lîk, knoflook, prei: He had to eat (the) leek = hij moest zijne beleedigende woorden terugnemen.
Leer, lîə, subst. jaloersche, verliefde of booze blik; Leer verb. schuin, jaloersch, verliefd of boos kijken, gluren, lokken; Leery = geslepen.
Lees, lîz, droesem, grondsop.
Leetle, lît’l = Little.
Left, left, imperf. en part. perf. van to leave: Left-off = afgedragen.
Left, left, subst. linkerkant, oppositie (in het House of Commons); ook adj.: On the left = links; To the left = naar links; Left about! = linksom! Nobody can put in her left more neatly than she = niemand kan fijner bedekt hatelijk zijn dan zij is; Each gentleman pointed with his right thumb over his left shoulder; this action is called “over the left”, and expresses light and playful sarcasm; Left-hand = linkerzijde; Left-handed = linker, linksch, boosaardig; Left-handed marriage = morganatisch huwelijk; subst. Left-handedness; Left-hander = linksch persoon; vuistslag of worp met de linkerhand; onverwachte slag.
Leg, leg, been, beenbedekking, schenkel, poot; gauwdief; Leg verb. beenen maken (it); He is on his last legs = hij loopt op zijne laatste beenen, is aan den rand des ondergangs; Such a man generally falls on his legs = komt altijd “op zijne pootjes terecht”; To get on one’s legs = opstaan; To get on one’s hind legs = op zijn achterste pooten gaan staan (ook fig.); To give a leg (up) = helpen, een zetje geven; To give (free play to one’s) legs = zich uit de voeten maken; A man’s memory goes before his legs = men verliest zijn geheugen sneller dan het gebruik zijner beenen; The ball has not legs enough = geene kracht genoeg (bilj.); He has not a leg to stand on = hij kan zich niet verontschuldigen; To kick up one’s legs = een kuitenflikker slaan, kromme sprongen maken; He put his best leg foremost = zette zijn beste beentje vóór; At that expression the minister sprang to his legs, and made a sarcastic speech; he was on his legs for more than an hour = sprong op - - en sprak; He stands on his own legs = op eigen beenen; We were literally taken off our legs by the blast = feitelijk opgetild door den storm; To give leg-bail = zich uit de voeten maken; Leg-rest = bankje; Legged: Man is a two legged animal = tweevoetig dier; Legging = beenbekleeding, slobkous, meest; Leggings; Leggy = langbeenig: Leggy days = de tijd der balletten; Legless.
Legacy, legəsi, legaat, erfmaking; Legacy-duty = successierecht; Legacy-hunter = erfenisjager.
Legal, lîg’l, wettig, wettelijk: Legal fare = tarief; Legal tender = betaling in rijksmunt; There were several legal types in the court = rechtsgeleerden; Legalism = wettelijkheid; Legalist = iemand, die zich aan de letter van de wet houdt; Legality, ligaliti, wettigheid; Legalization = legalisatie; Legalize = wettigen, legaliseeren: Legalized rates = taxe.
Legate, legit, gezant: Papal legate = pauselijk legaat; Legateship.
Legatee, legətî, legataris; Legatine, legət(a)in, tot een legaat behoorende.
Legation, ligeiš’n, gezantschap, ambassade.
Legator, ligeitə, legətö, erflater.
Legend, ledž’nd, lîdž’nd, legende, overlevering, fabel, opschrift, randschrift (van munt of medaille): The legend ran = het praatje liep; Legendary = legendarisch: Legendary lore = Legendary tales = volksoverleveringen, sprookjes.
Leger (St.), s’ntledžə, silindžə: St. Leger races = wedrennen op Doncaster-town-moor.
Legerdemain, ledžədəmein, handhabiliteit, vingervaardigheid, goochelarij.
Legh, li, Leghorn, ləgön, leghön, leghön, Livorno; Italiaansch stroo, hoed daarvan gemaakt.
Legibility, ledžibiliti, subst. v. Legible, ledžib’l, leesbaar; subst. Legibleness.
Legion, lîdž’n, legioen (2000–6000 man bij de Romeinen), krijgsmacht, legio: Their number (name) is legion = getal is legio; Order of the Legion of honour = Legioen van Eer; Legionary, subst. soldaat van een legioen; adj. van een legioen, uit legioenen bestaande, zéér talrijk.
Legislate, ledžisleit, wetten maken; door wetgeving bewerken (Amer.); Legislation = wetgeving; Legislative = wetgevend; Legislator = wetgever; Legislature = wetgevende macht.
Legitimacy, lədžitiməsi, wettigheid, echtheid, juistheid; Legitimate, lədžitimit, adj. wettig, echt, juist, natuurlijk; subst. wettig kind; wettig vorst; Legitimate verb. lədžitimeit, wettigen, voor wettig of echt erkennen; Legitimation = wettig- of echtverklaring; Legitimist = legitimist, aanhanger van de partij der Bourbons; Legitimize = wettigen, voor echt verklaren.
Legume, legjum, ləgjûm; Legumen, legjûm’n, peulvrucht; Leguminose, Leguminous = peulvruchten dragend of betreffend.
Lehigh, lîhai; Leicester, les-tə: Lehighshire, lestəšə; Leigh, lî; Leighlin, lîlin, leklin; Leighton, leit’n; Leila, lîlə; Leinster, lînstə, lenstə; Leipsic, laipsik.
Leisure, ležə, lîžə, subst. ledige tijd, geschikte gelegenheid; adj. niet bezet, vrij: To-morrow I shall be at leisure = ben ik vrij, onbezet; To attend, stay (upon) a person’s leisure = wachten tot iemand tijd heeft; Leisured classes = niets doende (rijke) stand; Leisure hour = vrij uurtje; It was his most leisure month = gemakkelijkste; Leisurely = op z’n dooie gemak, langzaam.
Leith, lîth; Leland, lîlənd, lelənd; Lely, lîli; Leman, lîm’n; Zie Lake.
Lem(m)ing, lemiŋ, lemming.
Lemnian, lemniən, van Lemnos.
Lemon, lem’n, subst. limoen, citroen(boom); adj. geel: In her thin invalid tone with a squeeze of lemon in it = iets zuurs, vinnigs; Lemon-drop = zuurtje; Lemon-juice = citroensap; Lemon-peel = citroenschil; Lemon-squash = (spuit)water met citroensap (en ijs); Lemon-squeezer = citroenpers; Lemonade, leməneid, limonade; Lemony = citroenachtig.
Lemuel, lemjuəl.
Lemur, lîmə, vosaap (maki).
Lemures, lemjərîz, geesten d. afgestorvenen.
Lena, lînə, persoonsnaam (leinə, riviernaam).
Lend, lend, leenen, borgen, verleenen; zich leenen tot, passen voor: Lend a hand there = help daar eens een handje; Lend thine ear = leen; Lender = leener, geldschieter; Lending library.
Length, leŋth, lengte, duur, grootte, ± 42 regels van eene uitgeschreven rol (theatre): He was nibbling a short length of straw = een kort eindje; A length of string = een eindje touw; This length = tot hier toe; At length = eindelijk; At great length = uitvoerig; The tiger was lying at full length = lag in zijne volle lengte; At full length = levensgroot; Ten feet in length = lang; He was unrivalled in the length and breadth of his trade = in alles wat zijn vak betrof; This sum will carry us a great length = een heel eind brengen; I have gone the utmost length = zoover ik maar kon; The pamphlet goes at length into this question = behandelt uitvoerig; He went the length of saying = hij ging zóóver, dat hij zeide; He went all lengths with the ministry = ging door dik en dun; I cannot go that length with you = dat kan ik niet allemaal toegeven; To have the length of a person’s foot = weten wat hij waard is; The train was stopped (halted) at its own length = de trein bleef staan op eigen lengte; The horse won by the length of a neck = met één halslengte; Lengthen = verlengen; langer worden; Lengthen it out a little = rek het nog wat; Lengthiness = lengte, gerektheid; Lengthways = Lengthwise = in de lengte; Lengthy = lang; gerekt, wijdloopig, vervelend.
Lenience, lînj’ns, Leniency, subst. v. Lenient, lînj’nt, toegevend, genadig, zacht; Lenitive, lenitiv, subst. en adj. verzachtend (geneesmiddel): Lenitive of pain = pijnstillend middel; Lenity, leniti, zachtheid, goedaardigheid.
Lennox, Lenox, lenəks.
Lens, lenz, lens: Burning lens = brandglas; Crystalline lens = ooglens.
Lent, lent, imperf. en part. perf. van to lend.
Lent, lent, vastentijd v. 40 dagen, beginnende op Asch-Woensdag; Lenten = tot Lent behoorende; schraal, mager: We received a lenten entertainment = schraal onthaal.
Lenticular, lentikjulə, Lentiform = lensvormig.
Lentiginous, lentidžinɐs, met sproeten; Lentigo, lentaigou, levervlek, zomersproet.
Lentil, lentil, linze.
Leo, lîou, leeuw, de “Leeuw” (in den Dierenriem).
Leominster, lemstə; Leonard, lenəd; Leonardo, liənâdou; Leonato, liənâtou; Leonides, lionidîz.
Leonine, lîən(a)in, leeuwachtig, leeuwen: Leonine verse = Leonisch vers.
Leonora, liənôrə; Leontes, liontîz.
Leopard, lepəd, luipaard; Leopardess.
Leopold, lîəpould.
Leper, lepə, melaatsche; Leper-house = leprozenhuis.
Lepidus, lepidɐs.
Lepra, leprə, lepra; Leprose = schubbig, korstig; Leprosy = melaatschheid; Leprous = melaatsch; subst. Leprousness.
Lepus, lîpəs, het geslacht der hazen.
Lerwick, lerik; Leslie, lezli.
Lese-majesty. Zie Leze.
Lesion, lîž’n, verwonding, ziekelijke verandering; benadeeling.
Less, les, minder, kleiner: Five less three = 5 - 3; Lessen = verminderen, afnemen, verkleinen; Lesser = kleiner, minder: Lesser Asia = Klein Azië; The Lesser Prophets = de Kleine Profeten.
Lessee, lesî, huurder, pachter.
Lesson, les’n, subst. les, lesuur, onderwijs, oefening, bijbeltekst, voorschrift; Animal, language, plant lessons; Object lessons = aanschouwingsonderwijs; To give a person his lesson = iemand de les lezen; To read the lessons = de voor dien dag bestemde bijbelteksten lezen; He does little lessons with me = krijgt wat les van mij; He took the lesson to heart = heeft de les ter harte genomen; Lesson-books = leerboeken.
Lest, lest, opdat niet, uit vrees dat: Take care lest you fall = pas op, dat ge niet valt.
Let, let, subst. verhindering, beletsel; het nemen van plaatsen (voor concert of komedie); Let verb. laten, toestaan; verhuren, verpachten; verhuurd of verpacht worden; verhinderen, beperken: Without let or hindrance = onbelemmerd; The let was immense = er werden kolossaal veel plaatsen genomen; I was sore(ly) let and hindered by this decree; To (be) let blood = aderlaten; A house to let = te huur; Let alone = om niet te spreken van; Let him alone = laat hem maar loopen; laat hem met rust; Let well alone (Zie Leave); To let loose = loslaten; Let be = houd op, laat af; Let be School = de “Laisser-faire” school; Let that penholder be = laat liggen; Let drive (fly) = laat maar schieten (los); He let drive (fly) at me = sloeg met alle kracht; Let go = loslaten; He let go (his hold) of the rope = liet het touw lus; Guard against letting go = voor het “laisser faire”; Let me have a twopenny cigar = geef mij; Let that pass = laten we er niet meer over spreken; Let down = neerlaten; To let down easily = verschoonend, zacht behandelen; Let-down steps = wagentrede; The Minister received an emphatic letting down = werd totaal gedésavoueerd; To let in = inlaten, binnenlaten; He was let in for it = liep er in, werd beetgenomen; He was letting in pretty tightly = sloeg er duchtig op los; To let off = vrijstellen (van straf), ontslaan, afsteken (van vuurwerk); He let on that he was ill = gaf voor, heette; Let us on with something else = aan iets anders beginnen; To let out = uitlaten, verklappen; He was let out at us = werd op ons afgestuurd, viel ons aan; He let out on that subject = hij weidde uit over (verklapte); To let out on hire = verhuren; He let the cat out of the bag = verklapte alles (= Let out about it); To let out a seam = eene japon, etc. uitleggen; Letter = verhuurder.
Lethal, lîth’l, doodelijk.
Lethargic(al), ləthâdžik(’l), slaperig, sufferig, traag; Lethargy, lethədži, slaapzucht, sufferigheid.
Lethe, lîthî, de Lethe, rivier in de onderwereld; Lethean, lithîən, vergetelheid veroorzakend; Lethe’d, Lethied = uit de Lethebron gedronken, vergetelheid brengend.
Lett, let, inwoner van Lijfland; Lettish = Lettic, subst. en adj. (taal) van de Letten.
Letter, letə, subst. letter, brief, patent (Zie Let); Letter verb. letteren, met letters of titel bedrukken; Letters = letterkunde, wetenschap; Letter of credit = credietbrief; By letter = per brief; To the letter = letterlijk; Man of letters = letterkundige, geleerde; He knows his letters = hij kan lezen en schrijven; Letters patent = octrooi-brieven; Letter-bag = brievenzak; Letter-balance = brievenweger; Letter-board = letterplank; Letter-book = copieboek; brievenboek; Letter-box = brievenbus; Letter-card = correspondentiekaart; Letter-carrier = bode; Letter-case = portefeuille; Letter-folder = vouwbeen; Letter-founder = lettergieter; Letter-foundry = gieterij; Letter-paper = postpapier; Letterpress = druk, tekst, bijschrift; copiëerpers; Letter-presser = pressepapier; Letter-rack = brievenrekje; Letter-sorter = sorteerder; Letter-stamp = brievenstempel; Letter-writer = briefschrijver; copiëermachine; Lettered = geleerd, geletterd; met letters; Lettering = opschrift, titel.
Lettice, letis.
Lettonia, letouniə, Lettenland.
Lettuce, letis, latuw: Garden lettuce = salade.
Levant, ləvant, de Levant; adj. Levantijnsch; Levanter = levanter, levantijn = sterke Oostenwind in de Middellandsche Zee; Levantine = ləvantin, levənt(a)in, Levantijnsch, Levantsch; subst. koupvaarder op de Levant; Levantijn; levantine (soort zijden stof).
Levant, ləvant, er van door gaan (zonder te betalen), uitsnijden; Levanter.
Levee, levî, of Fr. uitspr. receptie aan het hof alleen voor heeren; rivierdijk (levî; ləvî in Amer.); Levee verb. indijken.
Level, lev’l, subst. vlak, waterpas, paslood, niveau, hoogte, rechte lijn; adj. horizontaal, vlak, in rechte lijn; Level verb. horizontaal maken, effenen, met den grond gelijk maken, richten, aanleggen, mikken, doelen: On a level = op gelijke hoogte; Apparent (Real) level = schijnbare (ware) horizon; Level of the sea = zeespiegel; I did my level best = mijn uiterste best; I did my best to keep level with the latest results = op de hoogte te blijven van de jongste resultaten; To make level with the ground = raseeren; A level-headed woman = verstandige, praktische vrouw; (He has his head level, has a level head = hij is een verstandige, practische kerel, Amer.); He levelled at my head = legde aan op; The house was levelled with (to) the ground = geslecht; All these endings were levelled under er = werden (verzwakt) tot er; The subjunctive was levelled under the Indicative = gelijk gemaakt aan; The road was levelled up = werd opgehoogd; They are trying to level up the music-halls = zedelijk te verheffen, te veredelen; Level-screw = stelschroef; Sea-sickness is a terrible leveller = onder zeezieken bestaat geen rang of stand; The levelling system = stelsel waarbij alles over één kam wordt geschoren; Levellers = een communistische partij in het Long Parliament (1647).
Leven (Loch), loklev’n, loklîv’n.
Lever, lîvə; levə (Amer.); hefboom; Lever-watch = ankerhorloge; Leverage, lîvəridž, hefboomkracht of -werking.
Leveret, levərət, haasje.
Leverock, levərok, leeuwerik.
Leveson, lûs’n; Levi, lîvai.
Leviable, levjəb’l, hefbaar, vorderbaar (van belastingen).
Leviathan, livaiəth’n, leviathan, groot watermonster, iets monsterachtigs; adj. reusachtig.
Levigate, levigeit, tot stof malen of wrijven, poeder met vloeistof mengen; subst. Levigation.
Levin(-bolt), levin(boult), bliksem(schicht).
Levirate, levirit, Joodsche wet, die den broeder van een kinderloos overledene verplichtte diens weduwe te huwen.
Levitate, leviteit, doen zweven, zweven; Levitation, leviteiš’n, lichtheid; zweven.
Levite, lîvait, Leviet, priester; Levitic(al) = tot de Levieten behoorende: Levitical degrees = verwantschapsgraden die het huwelijk verbieden; Leviticus = Leviticus.
Levity, leviti, lichtheid, lichtzinnigheid, wispelturigheid, wuftheid.
Levy, levi, subst. heffing; beslaglegging; lichting (mil.); Levy verb. heffen, lichten, werven (van legers), beslag leggen: Levy in mass = het oproepen van alle strijdbare manschappen; To levy a distress = beslag leggen; To levy taxes; They levied war upon us = begonnen den oorlog, vielen ons aan.
Lewd, l(j)ûd, ontuchtig, wulpsch; subst. Lewdness.
Lewes, Lewis, l(j)ûis.
Lexical, leksik’l, tot een lexicon behoorende; Lexicographer, leksikogrəfə, woordenboekschrijver; adj. Lexicographic(al); Lexicography = lexicography; Lexicologist = lexicoloog; Lexicology = lexicologie; Lexicon = woordenboek.
Ley, lei = Lea.
Leyden, laid’n, Leiden: Leyden-jar, Leyden-phial, Leyden-vial = Leidsche flesch.
Leyland, lîl’nd; Leyton, leit’n.
Leze-majesty, lîzmadžəsti, majesteitschennis.
Liability, laiəbiliti, aansprakelijkheid, verplichting, verantwoordelijkheid: Limited Liability Company = commanditaire vennootschap met beperkte aansprakelijkheid; Liabilities = schulden, passief: To meet one’s liabilities = aan zijne geldelijke verplichtingen voldoen; Liable, laiəb’l, verplicht, verantwoordelijk, onderworpen, onderhevig: He is liable to fainting fits = heeft last van flauwten; subst. Liableness.
Liana, liânə, lianə, liane.
Liar, laiə, leugenaar: Show me a liar and I’ll show you a thief = wie liegt, steelt ook.
Liard, liâ, oud Fransche munt (¼ sou).
Lias, laiəs, lias; Liassic = lias - - -.
Libate, laibeit, een plengoffer brengen; Libation, laibeiš’n, plengoffer; adj. Libatory.
Libel, laib’l, subst. schotschrift, smaadschrift, spotprent, aanklacht (bij ’t Admiraliteitshof, een Schotsch of Geestelijk gerechtshof); Libel verb. bovengenoemde aanklacht indienen, belasteren (in woord of geschrifte): Action for libel = aanklacht wegens hoon of laster; Libel(l)er = schotschriftschrijver; Libel(l)ous = lasterlijk.
Libella, laibelə, libel, waterjuffer.
Liber, laibə, bast.
Liberal, libər’l, liberaal, royaal, overvloedig, mild, onpartijdig, vrijzinnig; subst. liberaal: Liberal arts = vrije kunsten; Liberal education = alzijdige opvoeding; Liberal-minded = vrijzinnig; Liberal party; Liberal studies = vrije studies (tegenover beroeps-); Liberalism = liberalisme; Liberalist = liberaal; Liberalistic = liberaal; Liberality = vrijgevigheid, milddadigheid, vrijzinnigheid, breedte van blik; Liberalization, subst. v. Liberalize = liberaal maken.
Liberate, libəreit, bevrijden, vrijmaken, vrijlaten; subst. Liberation: War of Liberation = vrijheidsoorlog; Liberationist = (Eng.) voorstander van de scheiding van Kerk en Staat; Liberator = bevrijder.
Liberia, laibîriə.
Libertarian, libətêriən, de leer v. d. vrijen wil betreffend; subst. voorstander dier leer; Libertarianism = de leer van den vrijen wil.
Liberticide, libɐ̂tisaid, libətisaid, vrijheidsmoorder; ook adj. = Liberticidal.
Libertine, libət(a)in, subst. lichtmis; adj. ongebonden, losbandig; vrijzinnig; Libertinage = Libertinism = bandeloos gedrag, losbandigheid; vrijgeesterij.
Liberty, libəti, vrijheid, verlof, privilege, vrijplaats: I shall be at liberty in an hour = vrij, onbezet; To set at liberty = in vrijheid stellen; Within the liberties of the City of London = het rechtsgebied; He allowed himself many liberties = allerlei vrijheden; I take the liberty to speak with freedom = ik veroorloof mij vrijmoedig te spreken; To take liberties = zich (ongepaste) vrijheden veroorloven; The cap of liberty = phrygische muts (= Liberty-cap); Civil, Political and Religious liberty = burgerlijke, staatkundige en godsdienstige vrijheid; Liberty of the press = vrijheid van drukpers; Liberty-man = passagierend matroos; Liberty-pole = vrijheidsboom.
Libidinous, libidinɐs, wellustig; subst. Libidinousness.
Libra, laibrə, de Weegschaal (Dierenriem); oud Romeinsch pond.
Librarian, laibrêriən, bibliothecaris; Librarianship; Library, laibrəri, bibliotheek: Free library = kostelooze.
Librate, laibreit, zich in evenwicht houden, schommelen; Libration, laibreiš’n, evenwicht, schommelen, libratie; Libratory = schommelend, op en neer gaande als een balans.
Librettist, libretist, schrijver van het Libretto, libretou, libretto, tekstboekje.
Libya, libjə, Lybië: Libyan = Lybisch; Lybiër.
Lice, lais, luizen (Meerv. v. Louse).
Licence, License, lais’ns, subst. verlof, vergunning, vrijheid, patent, privilege; losbandigheid: Game licence = jachtakte; Grocer’s off-licence = ‘vergunning’ aan kruideniers; Extension of licence for the night = nachtpermissie; License, lais’ns, License verb. veroorloven, verlof geven, patenteeren; Licensed victualler, lais’nstvitələ, handelaar in sterke dranken (met “vergunning”); Licensee = vergunninghouder; Licenser = vergunner, patentgever: Licenser of plays, of the press = censor; Licensing Law = drankwet.
Licentiate, laisenšiit, subst. licenciaat, iemand die een bepaald beroep mag uitoefenen: Licentiate of the Apothecaries’ Company; Licentiate of Dental Surgery; Licentiate of Theology; Licentiate verb. laisenšieit, vergunning verleenen.
Licentious, laisensšəs, losbandig, los, toomeloos; subst. Licentiousness.
Lich, litš, Lich-gate = overdekte kerkhofingang waarin de baar werd neergezet tot de komst van den geestelijke; Lichowl = kerkuil.
Lichen, laik’n, litš’n, boommos; vlecht (huiduitslag); Lichen-blotted = met mos bedekt; Lichenous, laikənɐs, vlechtachtig, vol uitslag.
Lichfield, litšfîld.
Licit, lisit, wettig, geoorloofd; subst. Licitness.
Lick, lik, subst. lik, dunne laag; inspanning, poging; Lick verb. likken, belikken, afranselen, overwinnen, overtreffen, slaan: To give a lick = belikken; To give a lick and a promise (of better) = iets half doen, om het later over te doen; Lend me a lick = laat me’s likken; That artist licks creation = overtreft ver de natuur (plat); To lick the dust = in ’t stof bijten, sterven, kruipen; The work was licked into shape by the present editor = de tegenwoordige bewerker heeft het werk vorm en methode gegeven; They licked it up = ze verslonden het; Lick-platter = smulpaap, likker = Lick-spittle; Licker = likker: That’s a licker to me = dat gaat mijn verstand te boven; Lickerish = lekkerbekkig, fel op, geil; Licking = pak slaag.
Licorice, likəris. Zie Liquorice.
Lictor, liktə, bijldrager (bij de Romeinen).
Lid, lid, deksel, klep, ooglid; Lidless = zonder leden, slapeloos, rusteloos.
Lie, lai, subst. leugen; Lie verb. liegen: A big (black) lie = grove leugen; A white lie = “mennisten” leugentje, leugen om bestwil; Lies have no legs = al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel; To give the lie = heeten liegen, logenstraffen; To tell a lie = liegen; To lie in one’s teeth (throat) = liegen, dat men zwart ziet; To lie like truth = liegen of het gedrukt staat.
Lie, lai, ligging; Lie verb. liggen, rusten, leunen, blijven, logeeren: Life lies heavy (hard) on my hands = is mij tot last; To lie low = ziek, dood liggen; zich verbergen, zich koest houden; To lie open to = bloot staan aan; To lie waste = braak liggen; It lies at your door = wordt u toegerekend; It lies at my heart = ligt mij aan ’t hart, is een voorwerp van mijne zorg of begeerte; I lie at your mercy = hang af van uwe genade; That place lies in your gift = hebt gij te vergeven; To lie in wait for = op de loer liggen; It lies in my way = in den weg; Many articles are lying on hand still = zijn nog onverkocht; That guilt lies on his head = hij wordt er van beschuldigd; They were lying under difficulties = hadden te kampen met; The occasion lies under our hands = biedt zich aan, is er; Lie about = in ’t rond liggen; Lie along = languit liggen; To lie by = rusten, ongebruikt liggen; That lies by (with) you = staat aan u; The sum lay by at compound interest = stond uit tegen; To lie down = gaan liggen; The woman is lying in = is in ’t kraambed; I can lie out of that sum for some days yet = kan het nog buiten die som stellen; To lie out in the open air = slapen; Many advertisements must lie over till next week = moeten tot de volgende week blijven liggen; The ship lay to = lag bijgedraaid; To lie under a mistake = in dwaling verkeeren; To lie under the necessity = in de noodzakelijkheid verkeeren; To lie under an obligation = de verplichting hebben; To lie up = (uit)rusten; Let the little boy lie with me = maar bij mij slapen; The future lies with the young = de jeugd heeft de toekomst in handen; He is a lie-a-bed = luilak.
Lief, lîf, geliefd, lief, gaarne: I had as lief not go there = ik zou er even graag niet heen gaan.
Liege, lîdž, subst. leenman, leenheer; adj. leenplichtig; Liege lord = leenheer; Liegeman = vasal.
Liège, lîdz, Luik.
Lien, lîən, lîn, laiən, pandrecht, retentierecht: These bonds are prior lien and take precedence of all others = eerste verband en gaan vóór; Lien-holder.
Lientery, laiənteri, spijsloop.
Lieu, l(i)û: In lieu of = in plaats van.
Lieutenancy, leften’nsi, levten’nsi; l(j)uten’nsi (Amer.), stadhouderschap, luitenantsrang; Lieutenant, leften’nt, levten’nt; l(j)uten’nt (Amer.), luitenant: Lieutenant-colonel; Lieutenant-general; Lieutenant-governor = plaatsvervangend gouverneur.
Life, laif, leven, levenswijze, levensbeschrijving; Life-and-death = op leven en dood, vertwijfeld, kritiek; He had been the life (and soul) of the Hague = de ziel van den Haag geweest; For life = levenslang; Studies from life = naar het leven; I cannot for the life of me understand = met den besten wil ter wereld; My life long; Long life to him! = lang zal hij leven! Whole in life and limb = gezond van lijf en leden; At his time of life = leeftijd; As large as life = levensgroot; Such officers carry their lives in their hands = zulke ambtenaren zijn hun leven geen oogenblik zeker; He departed this life on the 20th = overleed; We had not enough to keep life (body) and soul together = om ons te voeden; They ran for their lives = zij zochten veiligheid in de vlucht; liepen zoo hard ze konden; To draw (To paint) from (the) life = naar de natuur; Taken from the life = naar het leven genomen; Taken from life = uit het leven gegrepen; To bring to life = bijbrengen; To come to life = ter wereld komen; To come to life again = weer opleven; Life-annuity, lijfrente; Life-assurance = levensverzekering; Life-belt = zwemgordel; Life-blood = hartebloed, het wezenlijke; Life-boat = reddingboot; Life-buoy = reddingboei; Life-giving = bezielend, krachtgevend; Life-guard = lijfwacht; Life-insurance = levensverzekering; Life-interest = lijfrente, vruchtgebruik: A life-interest in a sum of 5000 £ = vruchtgebruik van; Life-long = levenslang; Life-office = levensverzekeringsbureau; Life-peer = peer, wiens titel niet erfelijk is; Life-preserver = reddingstoestel, zwemgordel, etc.; “ploertendooder”; Liferent = lijfrente, levenslang vruchtgebruik; Liferenter = iemand in het bezit van lijfrente of vruchtgebruik; Life-table = sterftetafel; Lifetime = levensduur; Life-tired (-weary) = levensmoede; Lifeless = levenloos, krachteloos; subst. Lifelessness; Life-like = alsof het leeft, levensgetrouw; Lifer = gevangene voor zijn leven.
Lift, lift, subst. opheffen, optillen, verheffing, last, hulp, hijschtoestel, “ascenseur”; Lift verb. opheffen, optillen, verheffen, verhoogen, stelen, optrekken (van mist, etc.); I’ll give you a lift in coming back = ik zal u op mijn terugweg laten meerijden; Give us a lift = help een handje; The woman was a dead lift (weight) = de vrouw gaf niets mee (bij het tillen of dragen); The darkness would not lift = bleef hangen; He lifted his eye-brows in remonstrance = trok op; When the fog of admiration lifts from the biography, we see that the hero had his faults = optrekt; We lift up our eyes to Thee, O Lord = heffen de oogen op; Lift up your face, and look like a man = het hoofd omhoog; Lift up your hand(s) = hef uwe hand(en) op; He lifted up his hand against me = verzette zich; Lift up your head = het hoofd omhoog! They lifted up their heels against the measure = zij hieven hunne verzenen op tegen (Joh. XIII, 18); Lift up your voices = verheft uwe stemmen; Lifter = lichter, opheffer; gauwdief (in samenst. als: Shoplift = ladelichter); Lift-bridge = ophaalbrug; Lift-lock = soort sluis; Lift-van = meubelwagen, die per trein wordt verzonden; The lifting of potatoes = rooien.
Ligament, ligəment, band, verbinding, ligament; adj. Ligamentous.
Ligan, laig’n, in zee geworpen goederen aan een boei vastgemaakt om ze zoo terug te kunnen vinden.
Ligate, laigeit, verbinden, afbinden; subst. Ligation; Ligature, ligətjuə, verband, band, draad (tot afbinden van aderen), ligament.
Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, opheldering, belichting, lucifer; adj. licht, blond; licht van gewicht, licht te verteren, los, ledig, lichtgewapend, onbeduidend, gering, zwak, gemakkelijk, luchthartig, duizelig, vluchtig, lichtzinnig; Light verb. aansteken, verlichten, bijlichten, licht zijn of worden, schitteren, ontvlammen; opheffen, oplichten; aantreffen, toevallig vinden, neerstrijken (on): He’s no great light = geen groot licht; The lights of our days = de groote mannen; He was honest according to his lights, so far as his lights extended = voor zoover zijn inzicht ging; Lights = longen; Between the lights = in de schemering; Lights out = taptoe; The Northern Light(s) = het Noorderlicht; Light of the countenance (Bijb.) Light het lichten of de vriendelijkheid van het aanschijn; The deed was brought to light = werd aan ’t licht gebracht; To come to light = aan ’t licht komen; To lay on lights = licht en schaduw aanbrengen (in een schilderij); He let in light upon his business = gaf eenig licht omtrent; To see the light = het licht zien; He stood in his own light = hij stond zichzelf in het licht, in den weg; He stood to me in the light of a father = was voor mij een vader; His eyes lighted pleasantly = schitterden; May no harm light on you = u treffen; To light out = er uit snijden (Amer.); To light (up) = aansteken; Lighting-up time for cyclists = tijd waarop de fietslantaarn opgestoken moet worden; Light-ball = lichtkogel; Light-bearer = fakkeldrager; Light-dues = rechten geheven ten behoeve der kustverlichting; Light-house = vuurtoren; Light-(house-)keeper = vuurtorenwachter; Light-ship = vuurschip; Light in hand = gemakkelijk te regeeren; He made light of my warnings = sloeg in den wind; He sets light by this circumstance = onderschat, veracht; Lightly said, lightly answered = zoo vraag, zoo antwoord; Lightly come, lightly go = zoo gewonnen, zoo geronnen; Light-armed; Light blue = lichtblauw, kleur van de Stud. v. Cambridge in de boat-race; jenever; Light-bob = lichte infanterist; Light cavalry, (Light horse) = lichte cavalerie; Light-fingered = met vlugge en lange vingers; The light-fingered gentry (folk) = de heeren gauwdieven, zakkenrollers, etc.; Light-footed = vlug van voet; I am rather light-handed at present = ik heb gebrek aan werkvolk; Light-headed = luchthartig; Light-hearted = luchthartig; Light horsemen = lichte cavalerie; bestelers van op stroom liggende schepen; Light infantry = licht voetvolk; A light-legged person = rap van voet; Light-minded = vluchtig, onbezonnen; subst. Light-mindedness; Light-spirited fellow = opgewekte; Light-timbered = zwak gebouwd, ziekelijk; Light-weight = bokser met weinig gewicht of jockey (niet meer dan 69,85 K.G.); paard voor zoo’n jockey, onbeduidend mensch; Light-winged = met snelle wieken, vluchtig; Lighten en Lighter, Zie afzond. artik.; Lightless = donker; subst. Lightlessness; Lightness = helderheid; lichtheid, luchtigheid, vlugheid; Lightsome = helder, klaar; onbezorgd; subst. Lightsomeness.
Lighten, lait’n, verlichten, verhelderen, opklaren, weerlichten, flikkeren; in gewicht afnemen, verlichten, opbeuren, lichten: To lighten the ship; A light(e)ning sense of relief = verlicht gevoel.
Lighter, laitə, verlichter, opsteker; lichter (boot of schuit): Lighterage, laitəridž, het overladen in lichters, lichtergeld; The heavier part of the cargo was lightered over the sand = met lichters gebracht; Lighterman = schuitenvoerder.
Lightning, laitniŋ, bliksem: ook adj. bliksemsnel: A flash of lightning = bliksemschicht, -straal; Lightning cartoon = teekening met een paar krassen of streken; Lightning-conductor = bliksemafleider; Lightning-proof = beveiligd tegen: Lightning-rod = bliksemafleider; subst. Lightning-swiftness; Lightning-train = bliksemtrein.
Ligneous, ligniəs, van hout, houtachtig;
Lignite, lignait, bruinkool; Lignitiferous = bruinkoolhoudend; bruinkool…; Lignum vitae, lign’mvaitî = guajakboom; pokhout.
Ligulate(d), ligjulit, ligjuleitid, band of riemvormig.
Liguria, ligjûriə, Ligurië; Ligurian = Ligurisch.
Like, laik, subst. gelijke, wedergade; voorliefde; adj. en adv. gelijksoortig, geneigd, waarschijnlijk, bijna; verb. houden van, behagen scheppen in, gaarne willen: Every like is not the same = er is meer gelijk dan eigen; Like may, indeed, draw to like = soort zoekt soort; Like produces like = gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen; The elder son was his father’s favourite and like = evenbeeld; It is good enough for the likes of them = voor lui van hun slag; I never saw the like = zoo iets; Likes and dislikes = sympathieën en antipathieën; And the like = en dergelijke: Do it like a good boy = dan ben je een beste jongen; Like master, like man = zoo heer zoo knecht; Those evils are nothing like as injurious in other cases = het lijkt er niet op, dat de nadeelen zoo schadelijk zijn in andere gevallen; He did not feel like seeing any friends that day = hij was niet gestemd om, had geen lust; What is it like? = hoe ziet het er uit; Of a like character = denzelfden aard; That photo is like you = dat portret lijkt goed: That action is like you = die daad kon men van u verwachten; How like a man to make such a fuss = net wat voor een man; He had like to have lost the wager = had bijna verloren; As like(ly) as not = hoogstwaarschijnlijk; It is like enough = het is heel waarschijnlijk; He was swearing away like blazes = vloekte dat het een aard had; He seemed disappointed like = eenigszins, wel wat; Just as you like my dear = zoo je verkiest, lieve; The sort that likes him = hem past, lijkt; Likeable = aangenaam, beminnenswaardig; subst. Likeableness; Likelihood, Likeliness = waarschijnlijkheid; Likely = waarschijnlijk: He is not likely to go there = gaat er waarschijnlijk niet heen; A likely man = knap van uiterlijk; A likely customer = goed, aardig; Liken = vergelijken: To whom shall we liken him? Likeness = gelijkenis: To take a person’s likeness = afbeelden, photographeeren; I had my likeness taken; Likewise = eveneens, evenzoo; Liking, welgevallen, lust: She has no liking for him = geen zin in hem; It is not to my liking = niet naar mijn zin; To take a liking to = lust krijgen in, ingenomen zijn met.
Lilac, lailək, subst. sering; adj. lila.
Liliaceous, lilieišəs, tot de leliën behoorende.
Lilliput, lilipɐt, Lilliput; Lilliputian, lilipjûš’n, Lilliputter; adj. lilliputachtig, klein.
Lille, lîl, Rijssel.
Lilt, lilt, subst. vroolijk wijsje of dans; rhythmische beweging; Lilt verb. lustig zingen; huppelen: A lilting tune = een vlug wijsje.
Lily, lilî, lelie: Lily of the valley = lelietje van dalen; Lily-livered = laf; Lily-pad = blad van de waterroos (Amer.).
Lima, lîmə, Lima, vijl (schelp); Lima-wood = fernambuk-hout.
Limaceous, laimeišəs, slakachtig.
Limb, lim, lid, been, tak, arm, uitlooper; rand, graadboog: Limb of the devil (of Satan) = satanskind; Limb of the law = advokaat (iron.); Limbless = zonder ledematen.
Limber, limbə, buigzaam, meegaand; Limber verb. buigzaam maken; subst. Limberness.
Limber, limbə, dissel- of affuitboom; voorwagen; Limber verb. voorwagen en affuit verbinden; Limber-axle = affuitboom; Limber-chest = affuitkist.
Limbo, limbou, vagevuur, hel, gevangenis = Limbus = Limbus fatuorum = het gekkenparadijs.
Lime, laim, subst. vogellijm; kalk; lindeboom (Lime-tree); citroen(boom); Lime verb. met vogellijm bestrijken, lijmen, beetnemen; met kalk mesten of verbinden: Quick lime = ongebluschte kalk; Slaked lime = gebluschte; Lime-burner = kalkbrander; Lime-flower = lindebloesem: Lime-juice = citroensap; Lime-kiln = kalkoven; Limelight = kalklicht; Lime-pit = kalkput; Lime-slaking = blusschen; Limestone = kalksteen; Lime-twig = lijmstang, lijmtak, lijmroede; Lime-wash = witkalk; Lime-wash verb. witten; Lime-water = kalkwater.
Limerick, limərik, Limerick; rijmelarijtje; een prijsrijmpje voor reclame doeleinden, waarvan 4 regels zijn gegeven en waaraan een vijfde moet worden toegevoegd. De inzender, die hierin ’t best slaagt, ontvangt een prijs van uitgever of firma.
Limit, limit, subst. grens, uiterste punt, beperking; Limit verb. begrenzen, vaststellen: There is a limit to everything = alles heeft zijn grenzen; To (Within) the limit of = hoogstens tot; To give more limit = meer speelruimte; To set a limit to = een grens bepalen; Limitable = begrensbaar, beperkbaar; Limitarian = begrenzend, beperkend; Limitary = grens..; Limitation = beperking, begrenzing, verjaring(stermijn); Limited = begrensd, beperkt: London Omnibus Company, lim. = Londensche Omnibus Maatschappij met limited liability; Limited train = sneltrein met beperkt aantal wagons (Amer.); Limitedness = begrensdheid; beperktheid; Limiter = beperker, grens; Limitless = grenzenloos, onbegrensd.
Limmer, limə, bastaardhond; deugniet; lichtekooi, brutale meid; oud wijf.
Limn, lim, schilderen, teekenen, illustreeren, afschilderen; Limner, limnə, schilder, artiest (veroud.).
Limoges, limouž, stad: Limoges enamel = Limoges porcelain-ware = geemailleerd aardewerk van Limoges.
Limp, limp, slap, buigzaam; subst. Limpness.
Limp, limp, kreupel loopen; ook subst.: He has a limp in his walk = hij loopt kreupel; Limper = kreupele; Limping = kreupel, mank (ook fig.).
Limpet, limpət, napslak: He stuck on like a limpet = hij hing aan als een klis (klit).
Limpid, limpid, helder, klaar, doorschijnend; subst. Limpidity = Limpidness.
Limpsy, lim(p)si, slap, onbeduidend (Am.).
Limy, laimi, kleverig, kalkachtig, kalk - -.
Lin, lin, bron, plas, waterval, afgrond.
Linch-pin, linšpin, lunspen.
Lincoln, link’n, stad en graafschap; Lincoln-green = groen laken, vroeger vooral door boogschutters gedragen; Lincolnshire = Lincs.
Linden, lind’n, linde.
Line, lain, subst. lijn, snoer, richtsnoer, spoorlijn, linie, tak, geslacht, stuurreep, streep, rij, reeks, regel, vak, briefje of lettertje, waren of goederen, streep = 1⁄12 van een inch; Line verb. linieeren, door lijnen verdeelen, doorhalen, teekenen, schetsen, in een lijn opstellen, loopen langs, grenzen aan; voeren, bekleeden, beschieten, vullen, spekken: Ascending (Descending line) = opgaande (neergaande) linie; Collateral (Female, Male) line = zijdelingsche (vrouwelijke, mannelijke) linie; Line of battle = slagorde; Line of business = branche; Line of conduct = gedragslijn; Line of kings = dynastie; Line of mountains = bergketen; Line of print = regel druks; All along the line = langs de geheele linie; He was irreconcilable all along the line = onverzoenlijk op alle punten, in alle opzichten; Ships of the line = linieschepen; The picture was on the line = hing ter hoogte van het oog; On this line = op deze wijze, volgens dit beginsel; You will be the biggest line in the whole show = gij zult op de tentoonstelling het grootste succes zijn; A shop in the general line = waar van alles te krijgen is, koomenijswinkel; My friend is in the railway line = bij het spoor; White line = regel wit, enz.; To bring a person (a thing) into line = iemand (iets) weer laten meedoen, naast de anderen plaatsen; The country was brought into line with the other countries = kreeg hetzelfde stelsel; To cross the line = de linie passeeren; To draw the line = een grens trekken; The line must be drawn somewhere = alles heeft zijn grenzen; To drop a line = een lettertje schrijven; He follows the line his father initiated = treedt in de voetstappen; It is rather hard lines on them = nog al hard voor hen; To read between the lines = tusschen de regels lezen; To stand in line = queue maken; To stick to the old lines = blijven bij het oude; Marlborough turned the celebrated lines of Villars = brak door de liniën; A soft lined face = met zachte trekken; The street was lined with bayonets = afgezet (in de lengte); His purse was well lined with money = was goed gespekt; The room was lined with books = langs alle wanden stonden boeken; Line-about dialogue = tweegesprek, waarbij om de andere regel de andere persoon spreekt; Liner = linieschip, stoomboot (van eene bepaalde lijn), linieerder, broodschrijver; pakking: A Transatlantic liner = stoomschip; His picture got a place among the liners = kreeg eene plaats onder de aangenomen werken op de tentoonstelling.
Lineage, liniidž, geslacht, afstamming, stamboom.
Lineal, liniəl, lijnrecht, direct; lengte…: Lineal measure; My lineal race = direkte afstammelingen.
Lineament, liniəment, gelaatstrek; Lineaments = uiterlijk.
Linear, liniə, lengte…, draadvormig, lijnrecht: Linear perspective = lijnperspektief; Lineate = gelijnd, overlangs geribd; Lineation = linieering.
Linen, linən, subst. linnen, ondergoed; ook adj.: To change one’s linen = zich verschoonen; Soiled linen should be washed at home (fig.); Linen-draper = koopman in witte goederen; Linen-drapery; Linen-merchant = groothandelaar in linnen; Linen-press = linnenkast; Linen-weaver = linnenwever.
Ling, liŋ, leng; struikheide, Chineesche waterkastanje; Lingy = met heidekruid begroeid.
Linger, liŋgə, talmen, dralen, toeven, weifelen, voortkwijnen; Lingerer; Lingering = langzaam, wijdloopig, sleepend; ook subst.
Linget, liŋgət. Zie Ingot.
Lin(g)hay, liŋhei, linhei, afdak, open schuur.
Lingo, liŋgou, bargoensch.
Lingot, liŋgət, Zie Linget.
Lingual, liŋgwəl, subst. tongletter; adj. tong…; Lingualize = als tongletter uitspreken; Linguist, liŋgwist, taalkenner, taalkundige; Linguister = tolk (Amer.); adj. Linguistic(al); Linguistics = taalwetenschap; Lingulate = tongvormig.
Liniment, linim’nt, smeersel.
Lining, lainiŋ, voering, bekleeding: The darkest cloud has a silver lining = geen ongeluk zoo groot, of er is een geluk bij.
Link, liŋk, subst. schakel, bocht (in eene rivier); schakel van ± 20 cM.; toorts; Link verb. verbinden, schakelen; verbonden zijn; Links = vlakke zandige bodem aan de zeekust, “golf”-baan; manchetknoopen met kettinkjes (= Link-buttons); Link-boy, Link-man = toorts- of fakkeldrager (bij avond of zwaren mist); With linked arms = arm in arm.
Linlithgow, linlithgou.
Linn, lin, waterval, vijver, steile rotsspleet.
Linnaean, linîən, van Linnaeus (1707–1778): Linnaean system.
Linnet, linət, vlasvink.
Linoleum, linoulj’m, linoleum.
Linotype, lainətaip, soort v. zetmachine.
Linseed, linsîd, lijnzaad; Linseed-cake manufacturer = fabrikant van lijnkoeken; Linseed-meal = lijnmeel; Linseed-oil = lijnolie; Linseed-tea = aftreksel van lijnzaad.
Linsey-woolsey, linziwulzi, subst. halfwollen stof; goedkoope stof, gebrabbel; adj. halfwollen, slecht.
Linstock, linstok, lontstok.
Lint, lint, pluksel.
Lintel, lint’l, kalf of bovendrempel van deur of venster.
Lintwhite, lint(h)wait. Zie Linnet.
Lion, laiən, leeuw, ‘lion’, modeheld, beroemdheid: There is a lion in the street = “de wolf komt”; To show the lions (and tombs) = een vreemdeling de bezienswaardigheden rondleiden; Lion-dog = leeuwtje (hond); Lion-heart = moedig man; Lion-hearted = manmoedig: Richard the Lion-hearted; Lion-hunter = leeuwenjager, iemand, die de beroemdheden van den dag dolgraag op zijne partijen ziet: The modern sport of lion-hunting; Lion’s-den = leeuwenkuil; Lion’s-provider = jakhals; lage vleier; Lion’s-share = leeuwendeel; Lion’s-tooth = leeuwentand; Lionize = als een beroemdheid behandelen of vereeren; de merkw. van eene plaats bezien of rondleiden; den “Lion” spelen: I hate being lionized = ik houd niet van die belangstelling in mij, en dat geloop achter mij aan; Lioness = leeuwin.
Lip, lip, subst. lip, rand, mond, taal; Lip verb. kussen, uiten: He bit his lip(s) = beet zich op de lippen; To cross one’s lips = over de lippen komen; Don’t give me any of your lip = geen praatjes; He gave me a lot of lip = gaf me een grooten mond; To hang the lip (To make a lip) = de lip laten hangen; Prattle from the lips outwards = maar wat zeggen waar men niets van meent; Lip-deep = onoprecht; Lip-devotion = schijnvroomheid; Lip-labour = ijdele woorden; Lipreading = van de lippen lezen (van doofstommen); Lipsalve = lippenpommade, vleierij; Lipless; Liplet = lipje; Lipped = lipvormig.
Liquate, laikweit, smelten, verloopen; Liquation, laikweiš’n, smelting, smeltbaarheid; Liquefacient, likwifeiš’nt, middel om te smelten of tot vermeerdering van afscheiding; Liquefaction, likwifakš’n, smelten, gesmolten zijn; Liquefiable = smeltbaar; Liquefier = smeltmiddel; Liquefy, likwifai, smelten oplossen; vloeibaar worden, zich oplossen.
Liqueur, likɐ̂, likjûə, likeurtje.
Liquid, likwid, subst. vloeistof, vloeiletter; adj. vloeiend, vloeibaar, zacht, los, beschikbaar, waterig, helder, doorzichtig.
Liquidate, likwideit, liquideeren, vereffenen, verzachten, afrekenen; subst. Liquidation; Liquidator.
Liquidity, likwiditi, vloeibare toestand, vloeiendheid; Liquidize = vloeibaar maken.
Liquor, likə, subst. vocht, drank, alcoholische drank, bouillon, braadvet; Liquor verb. bevochtigen, besmeren, dronken maken, zich bedrinken (up): Addicted to liquor = aan den drank; In liquor = dronken.
Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of liquorice = pijpen zoethout.
Lira, lîrə, (Ital.) franc.
Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.
Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.
Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst. Lisper.
Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.
List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; List verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.), slagzij hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (Lists = tournooiveld: He entered the lists = hij trad in het strijdperk); He made a black list of them = zij stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your black list = ik kan geen goed bij u doen; To put on the retired list = pensionneeren; List of trains = spoorlijst; List of wines = wijnkaart; List shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); The securities will be listed on the Stock Exchange = in de officieele noteering worden opgenomen; The ship listed to one side (There was a list to one side) = helde over naar; It lists me = Me lists = het lust mij; Listless zorgeloos, onverschillig, lusteloos; subst. Listlessness.
List, list, hooren, luisteren.
Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the listen = luisterend; Listener = luisteraar.
Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.
Litany, litəni, litanie.
Literacy, litərəsi, geletterdheid.
Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig, prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; Literalism = letterlijke uitleg; letterknechterij; Literalist; Literality = Literalness = Literalism.
Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.
Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de letteren, letterkunde: Polite literature = fraaie letteren.
Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. Litheness; Lithesome = buigzaam, lenig; subst. Lithesomeness.
Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.
Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; Lithograph verb. op steen graveeren, drukken of schrijven; Lithographer, lithogrəfə, steendrukker; adj. Lithographic(al); Lithography = lithographie, steendrukkunst.
Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: Lithuanian = Littauer; Littausch.
Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.
Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij; Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked in litigation = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious, litidžəs, procesziek, ruzieachtig: subst. Litigatiousness.
Litmus, litməs: Litmus paper = lakmoespapier.
Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).
Litre, lîtə, liter.
Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.); Litter verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo gebruiken; rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen; jongen werpen: Quite a litter of children = een nest vol; To be in litter = drachtig zijn; To be in a litter = overhoop liggen; To make a litter = overhoop gooien; I kicked aside the objects that littered the floor = die over de vloer lagen verspreid; A room untidy and littered = eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt; Littery = rommelig.
Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj. en adv. klein, gering, weinig, kort: A little money = eenig (nog al wat) geld; Little money = weinig (haast geen) geld; By little and little = langzamerhand = Little by little (soms: By littles); Little one(s) = kleintje(s), jong(en): Sleep, my little one = slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a little = voor een poosje, tijdje; Upon a little = met weinig, met geringe middelen; He had been within a very little of falling in love with her = was bijna verliefd geworden; When you were little = toen je klein waart; He caught the whip by the little end = dunne eind; Is that your little game? = is datje plannetje, bedoeling? Little-go; Zie Responsions; Little-minded = kleinzielig; Littleness = kleinheid: His littleness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij klein.
Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.
Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist, voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.
Livadia, livədîə, Livadië.
Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven; There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No boat could live in such a sea = kon het uithouden; To live in clover = een lekker leventje leiden; Live and learn = al doende leert men; Live and let live; To live to see = beleven, dat; As I live = zoowaar ik leef; If I live I shall do it = als ik het beleef …; To live away = er op los leven; To live by oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers live by our quarrels = leven van; It is almost impossible to live such a sorrow down = te vergeten, te boven te komen; He lived that calumny down = door zijn verder leven logenstrafte hij dien laster; A toy-merchant lives on children = leeft van; He lives on his wife = van haar geld; I cannot live on 50 £ a year = leven van; She lived out = diende als dagmeisje; To live to a great age = bereiken; To live up to = in overeenstemming met; He lived up to his promise = voldeed aan; The servant has lived with us for six years = diende bij ons; Liveable = bewoonbaar, dragelijk; Lived, laivd: Long-lived = langlevend; Live-long day, livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; Liver = levende, bewoner (Amer.): The longest liver = de langstlevende; Livelihood, laivlihud, levensonderhoud: To earn one’s (gain, make a) livelihood = den kost verdienen. Zie Living.
Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig, druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen), geladen (electr.): The livest-looking street I ever saw = de levendigste, vroolijkste; Live coals = gloeiende kolen; Live cartridge = scherpe patroon; Live cattle = levend vee; Live feathers = veeren uit een levenden vogel gerukt; Live hair = haar van een levend dier genomen; Live shell = niet ontplofte granaat; Livestock = levende have; Liveliness, subst. v. Lively = levendig, opgewekt, natuurgetrouw, treffend, frisch, schuimend.
Liver, livə, lever: Liver-coloured = leverkleurig; Liver-oil = levertraan; Liver-spot = levervlek; Liverwort = leverkruid; The Mounted Liver Brigade = degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark wandelritten maken.
Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool; Liverpool, livəpûl.
Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de liverymen van Londen: To receive in livery = in bezit overnemen; Liveryman = lid van een der Livery-Companies of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden de liveries (= furs and gowns) van zijn gilde mag dragen; Livery-servant = livreibediende (= Liveried servant); Livery-stable = stal waar paarden (Livery-horses) verhuurd en voor andere eigenaars gestald worden.
Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity = Lividness.
Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze, levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik. geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within living memory = bij menschenheugenis; Living wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven; High living = weelderige levenswijze; No man living = geen mensch ter wereld; In the land of the living = in het land der levenden; To earn (get) one’s living = zijn kost verdienen; To make a living = zijn brood hebben, de kost verdienen met (at). Zie To live.
Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er), Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.
Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.
Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.
Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.
Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.
Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.
Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.
Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.
Lloyd’s, lôidz = Lloyd’s offices (rooms) = de kantoren en het instituut voor zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks verschijnende scheepstijdingen (= Lloyd’s list); de jaarlijks gepubliceerde internationale lijst van schepen (= Lloyd’s Register for British and Foreign Shipping).
Lo, lou, zie, aanschouw!
Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.
Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; Load verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be loads of fun = dat zou ijselijk grappig zijn: To take a load off = verlichten, opluchten; Load-draught = diepgang van een geladen schip; Load-water-line = ladinglijn (Plimsoll-merk); Loaded: Loaded cane = stok met looden knop; Loaded dice = valsche dobbelsteenen; Loaded tongue = beslagen; Loaded wine = vervalschte, aangezette wijn; Loader = lader; Loading = het laden, lading, vracht; aandeel der premie in de bedrijfsonkosten.
Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun, magneet(steen).
Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); Loaf-sugar, broodsuiker (Vergel. Sugar-loaf = suikerbrood).
Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): Loafing on Mondays = Maandag houden; Loafer = leeglooper, luilak, landlooper.
Loam, loum, subst. leem; Loam verb. met leem bedekken; Loamy = leemig, leem …
Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; Loan verb. uitleenen (out): I begged him for a loan of five pounds = vroeg hem ter leen; To lend the loan of = uitleenen; I put it out to loan = heb het uitgeleend; Loan-office = leenbank, bank van leening; Loanword = ontleend woord.
Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be loath to do a thing = ongeneigd zijn; Nothing loath = gansch niet ongeneigd.
Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger loathed such bad food = ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing, subst. walging, afkeer = Loathingness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk: subst. Loathsomeness.
Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade; bovenslag bij Lawn-Tennis; Lob verb. gooien, rollen, een bovenslag maken; zich log bewegen; Lob-cock = botterik, lomperd.
Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande; Lobation = lobbenvorming.
Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t Parlementsgebouw); foyer; Lobby verb. de lobby herhaald bezoeken om steun te vragen van de leden; Lobby-member, Lobbyist = couloirlooper (om invloed op de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).
Lobe, loub, lob, lel (van het oor).
Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek; adj. vertroeteld; Loblolly-boy = adsistent van den scheepsdokter.
Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch, scheepsbeschuit, uien en aardappelen.
Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his lobster = is van geestelijke soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken rood wordt, dus eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled) lobster = politieagent; Lobster-box = kazerne.
Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.
Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein, inwoner: Local colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van beschrijving; Local option = het stelsel waarbij over “vergunningen” door stemgerechtigde inwoners wordt beslist; Local organ = plaatselijk blad; Local time = plaatselijke tijd; Localism = eigenaardigheid van (voorliefde voor) een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.), plaatselijkheid; Localization = localisatie; Localize = de plaats bepalen, localiseeren.
Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen, naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden) in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen (Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij, boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein; Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator = iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).
Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het graafschap Inverness: Loch-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven, loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.
Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring, omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een kanaal); lok, krul, bosje, handvol; Lock verb. sluiten (met een sleutel), omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken, bevestigen, vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten) sluiten, grijpen in: He is under lock and key = achter slot en grendel; Lock, stock and barrel = in zijn geheel; The ships were passed through the lock = werden doorgeschut; The door was closed but not locked = de deur was dicht maar niet op slot; Locked from without = van buiten gesl.; Locked water = stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To lock away = wegsluiten; To lock in = opsluiten; To lock out = buitensluiten; gedaan geven; uitsluiten; ook subst.; To lock up = opsluiten (milit.); vastzetten, steken in; subst. huis van bewaring; Lock-box = partic. brievenbus aan een postkantoor; Lock-chain = remketting; Lock-chamber = sluiskolk; Lock-dues = sluisgeld; Lock-gate = sluisdeur; Lock-jaw = klem (in den mond); Lock-keeper = sluiswachter; Lock-paddle = schuif (in een sluisdeur); Lock-smith = slotenmaker; Lock-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; Lock-stitch = kettingsteek; Lockage = sluiswerken; schutgeld; Locker = lade, kist; Not a shot in the locker = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.
Locket, lokət, medaillon.
Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.