S. (continued 4)
Reading edition
Static(al), statik(’l), tot het evenwicht behoorende; Statics = statica, leer van het evenwicht.
Station, steiš’n, subst. stand, het staan, standplaats, post, rang, (politie)bureau, station, fokkerij, fokstation; Station verb. plaatsen, stationneeren: His station in life was exalted = rang in de maatschappij; I take (up) my station there = plaats mij daar; Policemen are stationed at streetcorners = staan op post; Station-clerk; Station-house = politiebureau; station; Station-master (-mistress) = stationschef; Stationary = stilstaand, vast: Stationary engine = vaststaande machine; To remain stationary = op dezelfde hoogte blijven; Stationer = handelaar in schrijf behoeften: Fancy stationer = handelaar in luxepapier, fantasieartikelen, enz.; Flying stationer = colporteur; Registered at Stationers’ Hall = copierecht verzekerd door inschrijving in de registers van deze Hall (gilde); Stationery = schrijfbehoeften.
Statistical, stətistik(’l), de statistiek betreffende; Statistician, statistiš’n, statisticus; Statistics, statistiek(en).
Statuary, statjuəri, de beeldhouwkunst betreffend; subst. beeldhouwkunst, beeldhouwer, standbeelden; Statue, statju, subst. standbeeld: A statue was erected (raised) to him = er werd een standbeeld voor hem opgericht; Equestrian statue = ruiterstandbeeld; Statue-like = Statuesque, statjuesk, standbeeldachtig, onbewegelijk; Statuette, statjuet, beeldje.
Stature, statjə, gestalte, lengte.
Status, steitəs, toestand, stand.
Statutable, statjutəb’l, volgens de wet, wettelijk, normaal: He was not statutably eligible = volgens de wet verkiesbaar; Statute, statjut, wet, keur, instelling: Statute law = de geschreven wet; Statute of limitations = wet omtrent schuldverjaring; Statute-cap = wollen muts, die onder Koningin Eliz. de burgers Zondags moesten dragen; Statute-labour = verplichte arbeid door het rijk geëischt voor het maken van bruggen, wegen, enz. in Schotl.; Statutory, statjutəri, volgens de wet, wettelijk voorgeschreven: Statutory declaration = schriftelijk gegeven eerewoord in plaats v. een eed.
Staunch, stânš, stônš, adj. sterk, krachtig, hecht, waterdicht; trouw, betrouwbaar: Staunch verb. stelpen, tegenhouden: He is a staunch Catholic = een oprecht Katholiek; To staunch a wound; Stauncher = wie of wat stelpt; Staunchless = wat niet te stelpen is; subst. Staunchness.
Staunton, stânt’n.
Stave, steiv, subst. duig; zang van een gedicht; Stave verb. in duigen slaan, indrukken, barsten, duwen, afweren, verschuiven: The fore compartment is stove right in = geheel ingedrukt; He contrived to stave off actual bankruptcy = faillietverklaring af te wenden; He tried to stave off his perplexities = al wat hem hinderde van zich af te zetten; Staves = Meerv. van Staff.
Stavesacre, steivzeikə, staverzaad.
Stay, stei, subst. steun, stut, verblijf, stilstand, hinderpaal, uitstel, stag (scheepsterm); (Stays = keurslijf, korset, etc.); Stay verb. blijven, steunen, verhinderen, uitstellen, laten liggen, wachten, logeeren, weerhouden: Will you stay (for) supper? = blijven soupeeren; We are staying at the sign of the Ship = logeeren in het logement “Het Schip”; You are stayed for = men wacht op u; To stay in = binnenblijven, nablijven (op school); If you stay out beyond eleven, you shall stay in to-morrow = uitblijft, blijft ge morgen thuis; To stay up at the University = niet met vacantie gaan; I will stay up for you = voor je opblijven; The ship was in stays, was hove in stays = lag in de wending; The vessel missed stays = weigerde te wenden; He is a sad stay-at-home (man) = een echte huishen; Staylace = korsetveter; Stay-maker = korsetmaker; Stay-sail = stagzeil; Stayer = fietser met veel Staying-power (= uithoudingsvermogen).
Stead, sted, subst. plaats, plek, stede, nut, voordeel; Stead verb. van dienst zijn, te stade komen: It has done me stead, stood me in good stead = heeft mij dienst gedaan, is me goed te pas gekomen; In stead of = in plaats van; Steadfast, stedfast, standvastig, vastberaden, onwrikbaar; subst. Steadfastness.
Steadiness, stedinəs, subst. v. Steady.
Steading, stediŋ, hofstede (Schotl.).
Steady, stedi, vast, onveranderlijk, geregeld, oppassend; Steady verb. geregeld of bestendig maken (houden, loopen, gaan): A steady young man = soliede jonge man; Steady-going = kalm, bedaard; The prices were steadying = werden vast.
Steak, steik, runder- of varkenslapje, etc.
Steal, stîl, stelen, wegnemen, steelswijze verkrijgen, sluipen: He stole a look at her = wierp een steelschen blik op; We have stolen a march upon you = zijn u vóór geweest, hebben u de loef afgestoken; To steal a marriage (match) = (schaken, om) in ’t geheim (te) trouwen; He stole into the house = sloop het huis binnen; He stole upon us = besloop ons; Stealer; Stealth, stelth: By stealth = ter sluiks, steelswijze; Stealthiness, subst. v. Stealthy, stelthi, sluipend, heimelijk.
Steam, stîm, subst. stoom, uitwaseming; Steam verb. stoomen, dampen, door stoom bewegen, aan de werking van stoom blootstellen, razen: Within a day’s steam of Madeira = stoomens; At full steam = With all the steam on = met vollen stoom; To blow off the steam = laten vliegen, laten uitrazen; You must try to get steam up = stoom zien te maken; op gang zien te komen; I have got (the) steam up = ik ben klaar, bereid; To have the steam on = stoom op hebben; To put (turn) on steam = toelaten; zich inspannen; The potatoes were steamed instead of boiled = werden gaar gestoomd; Steam-bath; Steamboat = stoomboot; Steam-boiler = stoomketel; Steam-carriage = stoomwagen; Steam-cylinder; Steam-dome = stoomhouder; Steam-engine = stoommachine; Steam-gauge = manometer; Steam-hammer = stoomhamer; Steam-heat = verwarming door stoom: He intends to put in steam-heat = zijn huis centraal te verwarmen; Steam-heating = centrale verwarming; Steam-launch = stoombarkas; Steam-navigation = stoomvaart; Steam-packet = mailboot; Steam-plough; Steam-press; Steamship = stoomschip; Steam-tug = sleepboot; Steam-valve = stoomklep; Steam-vessel = groot stoomschip; Steam-whistle = stoomfluit; Steamer = stoomboot, stoomkoker, stoombrandspuit: Horse (Motor) steamer = door paarden getrokken (motor) stoombrandspuit; Steamy = vol stoom, mistig.
Stearin, stîərin, stearine: Stearin candle.
Steatite, stîətait, speksteen.
Steed, stîd, (strijd)ros: While the grass grows the steed starves = al pratende gaat de gelegenheid voorbij; Iron (Steel) steed = rijwiel.
Steel, stîl, subst. staal, zwaard, groote hardheid, wetstaal, vuurstaal; adj. stalen, als staal; Steel verb. stalen, (ver)harden: I am steeled against adversity = gehard tegen; Steel your heart with courage = staal uw hart met moed; Steel-clad = gepantserd; Steel engraving = staalgravure, het graveeren op staal; Steel-headed = met stalen hoofd (kop); Steel-pen = stalen pen; rok; Steel-plated = met platen van staal bedekt; Steel-spring = stalen veer; Steel-trap = val met stalen veeren; Steel-wire = staaldraad; Steelworks = staalfabriek; Steel-yard = unster; Steely = van staal gemaakt, als staal, hard, onbuigzaam.
Steep, stîp, subst. steilte, afgrond; loog, vloeibare mest; adj. steil, moeilijk, onwaarschijnlijk; Steep verb. indoopen, bevochtigen, doorweken, roten: To put the clothes in steep = in de week; That sounds very steep; Steeped in blood = in bloed gedoopt; met bloed doorweekt; Steepen = steil(er) worden; Steepness = steilheid.
Steeple, stîp’l, toren met spits; Steeplechase = wedren met hindernissen; Steeplechaser = paard of ruiter voor dien wedren; Steeple-jack = iemand die torens of schoorsteenen repareert.
Steer, stîə, subst. jonge os; Steers = runderen (Amer.); Steer verb. castreeren.
Steer, stîə, verb. sturen, richten, naar het roer luisteren: It will be wellnigh impossible to steer clear of all these vessels = om al deze schepen vrij te loopen; He steered his course for Scotland = zette koers naar; Steerage, stîridž, stuurmanskunst, het sturen, tusschendek; Steerage-passenger = tusschendekspassagier; Steerage-way = voldoende snelheid om te kunnen sturen; Steerer = stuurman, stuur, klantenlokker (Amer.); Steering = het sturen: Steering-chain, Steering-gear = stuurketting, stuurtoestel; Steering-handle = stuur; Steering-wheel = stuurrad; Steersman = roerganger.
Steeve, stîv, hellen (van den boegspriet), stouwen; Steeving = hoek van den boegspriet met den horizon.
Stellar, stelə, vol sterren, met sterren bezaaid, stervormig, sterren.… = Stellary; Stellate, stelit, stervormig, gestraald: Stellate aniseed = steranijs; Stelliferous = vol sterren; Stelliform = stervormig; Stellular, steljulə, met sterretjes bezet, stervormig.
Stem, stem, subst. stam, stengel, steel, geslacht, tak, loot, buis, boeg, voorsteven; Stem verb. tegenhouden, zich verzetten, strippen: A stream of moonlight, no thicker than the stem of an arrow = de schacht van een pijl; From stem to stern = van vóór- tot achtersteven; To stem tobacco = strippen; To stem the tide = zeilen tegen tij of stroom; Stem-leaf = stengelblad; Stem-winder = remontoir-horloge; Stemless.
Stench, stenš, stank; Stenchy = stinkend.
Stencil, stensil, schabloon; Stencil verb. met behulp van een schabloon merken of verven.
Stenograph, stenəgraf, stenogram, stenograph, teeken; Stenographer, stənogrəfə, stenograaf; Stenographic, stenəgrafik, stenografisch; Stenography, stənogrəfi, stenographie.
Stentor, stentö, Stentor; adj. Stentorian, stentôriən: Stentorian voice.
Step, step, subst. stap, trede, trap, sport, tred, pas, graad (Steps = stoep, huistrap); Step verb. stappen, voortschrijden, uitsnijden (it), afstappen, afleggen, inzetten: To follow (walk) in the steps of a person = iemands voetstappen drukken; To keep step = in den pas blijven; I cannot keep step with him = hem niet bijblijven; With these allies ministers have to keep step in the line of march they have chosen = rekening te houden; To make a false step; To take the necessary steps = stappen doen (fig.); Step by step = voetje voor voetje; Flight of steps = bordes, stoep; She could wash steps = de stoep “doen”; I stepped after him = ging hem achterna; Here my brother stepped in = kwam tusschenbeide, sprak een woordje mee; He stepped into his property = aanvaardde; Stepbrother = stiefbroer; Stepchild; Step-dance = horlepijp, klompendans; Stepfather; Step-girl = dienstmeisje voor ruw werk, om b.v. de stoep schoon te houden; Stepmother = stiefmoeder; Stepsister; Stepson; Stepped: Stepped gables = trapgevels; Stepping: Stepping-stone = steenen in beek of moeras om op te stappen; middel ter bereiking v. een doel: This post became a stepping-stone to greater honour = baande den weg tot grootere eer.
Stephano, stefənou. Stephen, stîv’n; Stephenson, stîv’ns’n.
Steppe, step, steppe.
Stercoraceous, stɐ̂kəreišəs, als mest, van mest, mest …
Stere, stêə, stîə, stère.
Stereo, steriou, stîriou, verk. van Stereotype; Steriometer, steriomətə, stiriomətə, stereometer; adj. Stereometric(al); Stereometry, steriomətri, stîriomətri, stereometrie; Stereoscope, steriəskoup, stîrəskoup, stereoscoop; adj. Stereoscopic; Stereotype, steriətaip, stîriətaip, subst. steriotiepplaat; Stereotype verb. stereotiep drukken: Here a man gets soon stereotyped = begint te vegeteeren.
Sterile, ster(a)il, onvruchtbaar, dor, hol, leeg, steriel; Sterility = onvruchtbaarheid, armoede van geest, steriliteit; Sterilization, subst. v. Sterilize, sterilaiz, onvruchtbaar maken, uitputten van land, steriliseeren.
Sterlet, stɐ̂let, kleine steur (Rusland).
Sterling, stɐ̂liŋ, adj. echt, onvervalscht, zuiver, degelijk: A pound sterling = 20 shillings.
Stern, stɐ̂n, subst. achtersteven, spiegel, hek, achterschip, achterste en staart (van dieren): To sit at the stern of state = aan het roer van staat; Stern-board = achterwaartsche beweging van een schip; Stern-chase = jacht waarbij twee schepen denzelfden koers volgen; Stern-chaser = kanon op het achterschip; Stern-fast = meertouw aan den achtersteven; Stern-port = spiegelpoort; Stern-post = achtersteven; Stern-sheets = stuurstoel; Stern-way = achterwaartsche beweging van een schip; Stern-wheel = enkel scheprad aan den achtersteven eener stoomboot; Stern-wheeler = stoomboot met stern-wheel; Sternmost = geheel achteraan, het dichtst bij den achtersteven.
Stern, stɐ̂n, ernstig, streng, onstuimig, hardvochtig: To repress with a stern arm = met den sterken arm (fig.); Stern necessity; subst. Sternness.
Sternal, stɐ̂n’l, behoorende tot het Sternum, stɐ̂n’m, borstbeen.
Sternutation, stɐ̂njuteiš’n, het niezen; Sternutatory, stɐ̂njûtətəri, het niezen opwekkend; niesmiddel.
Stethoscope, stethəskoup, stethoscoop; adj. Stethoscopic(al).
Stevens, stîvənz; Stevenson, stîvəns’n.
Steve, stîv, stuwen, stouwen; Stevedore, stîv’dö, stuwadoor: Dockers and steves = dokwerkers en stuwadoors.
Stew, stjû, subst. dampbad, verlegenheid, oesterbank (Amer.), gestoofd vleesch of eten, brouwsel (Stews = bordeel); Stew verb. stoven, braden (het warm hebben), blokken: All that stew of calumny and envy = al dat brouwsel van laster en nijd; Everything is in a stew = in beroering; You have made a stew of it = den boel verknoeid, er een “potje” van gemaakt; Stew-pan; Stew-pot.
Steward, stjûəd, rentmeester, opzichter, hofmeester, bottelier, ceremoniemeester: Lord High Steward of England = hoog ambtenaar voor bijzondere gelegenheden (kroning bijv.) benoemd; Stewardess = hofmeesteres; Stewardship = betrekking van steward.
Steyne, stain.
Stibium, stibiəm, antimonium, spiesglans.
Stick, stik, subst. stok, pijp, hark (fig.), roede, rijsje, viool(trommel)stok, haak, stoot, stilstand; Stick verb. doorsteken, steken, vaststeken, prikken, kleven, blijven steken, stokken; plakken, blijven, getrouw blijven: Rather a stick of a girl = nogal een houterige meid; A stick of sealing-wax = pijp lak; Composing stick = zethaak; She was as cross as two sticks = zoo boos als een spin; To have hold of the stick = het heft in handen hebben; To cut one’s stick = er uit snijden; It is easy to find a stick to beat a dog; To leave neither stick nor stone standing = geen twee steenen op elkaar laten; Stick no bills = verboden hier iets aan te plakken; He sticks the bits together = lijmt de stukken aan elkander; They stuck their heads (wigs) together = staken de koppen bij elkaar; Stick a pin there! = steek daar een speldje bij, onthoud dat; To stick pins upon a person’s sleeves = iemand likken (fig.); To stick placards on a wall = biljetten op een muur plakken; We will “stick it”, come what may = ten einde toe volhouden; He is as clever as he can stick = door en door helder; The window sticks a bit = klemt; He sticks like a bur = hangt (aan iemand) als een klis; He sticks at nothing = hij staat voor niets = He is a stick-at-nothing fellow; He sticks at no scruples = gewetensbezwaren kent hij niet; He sticks by us = hij steunt ons getrouw; To stick in the mire = in den modder blijven zitten, in de klem zitten; Stick-in-the-mud = treuzel; You stick it on rather too stiff = overvraagt wel wat erg; He sticks out to the last = hij houdt vol, weigert; I have stuck out an excellent plan = ontworpen; He stuck out his legs = stak uit; They stick out their stomachs = zetten eene hooge borst op; His ears stick out = staan ver van het hoofd; He sticks to his work, and sticks to his friends = volhardt in zijn werk, en blijft zijnen vrienden getrouw; To stick up = rechtop of overeind staan: I will stick up for you as long as I possibly can = het voor u opnemen; Stick-up collar = vadermoorder; Stick and groove = middel om vuur te maken door een puntigen stok in een gegroefd stuk hout snel op en neer te bewegen; Stick-fast = soort lijm; plakker, klis; Stick-jaw = kleverige lekkernijen; Sticker = incourant artikel (Amer.); Sticking: Sticking-plaster = hechtpleister. Zie Sticky.
Stickle, stik’l, de partij opnemen van, hardnekkig op kleinigheden staan, aarzelen: Why should you stickle to going to them = waarom zoudt ge bezwaren maken; You should not be stickling about the rights of others = bezwaren opwerpen omtrent; Stickler = ijveraar, vormelijk mensch: He was a stickler for the dignity of the church = hij ijverde voor; She is a stickler for old-fashioned gallantry = zij is erg gehecht aan.
Stickleback, stik’lbak, stekelbaarsje.
Sticky, stiki, kleverig: Hints for the sticky season = wenken voor het natte, vochtige seizoen.
Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink, moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is stiff at first = valt eerst niet mee; The arithmetic was pretty stiff = vrij moeilijk; I gave it him pretty stiff = heb hem duchtig geraakt; He was stiff in such points = stond hardnekkig op; This is the last glass of grog, but it shall be a stiff one = maar het zal een sterke grog zijn; They made their stiff in America = hun geld; Stiff country = taaie, voor paarden zware bodem; Stiff pace = flinke gang; We sold them at stiff prices = voor hooge prijzen; Stiff and stark = stijf en strak; He is as stiff as a poker = zoo stijf als een stuk hout; Stiff-necked = eigenzinnig; subst. Stiff-neckedness; Stiffen = verstijven, hard worden; aanwakkeren, vast worden; stijgen, stijf (hardnekkig) maken, stijven: To stiff cloth with starch = stijven; To stiff one’s neck = halsstarrig worden; Stiffer = wie of wat stijf maakt; Stiffish = eenigszins stijf; Stiffness = stijfheid, etc.
Stifle, staif’l, subst. kniegewricht van een paard, gal aan de knieschijf van paarden.
Stifle, staif’l, verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was stifling = het was om te stikken.
Stigma, stigmə, brandmerk, schandvlek, moedervlek, stigma (bij insecten); adj. Stigmatic, stigmatik; Stigmatization, subst. v. Stigmatize, stigmataiz, brandmerken, schandvlekken.
Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over hekken etc. te klimmen): To help a lame dog over the stile = een zetje geven, een handje helpen.
Stiletto, stiletou, kleine dolk, stilet: The man was all stiletto and mask = was in geen enkel opzicht te vertrouwen.
Still, stil, subst. kalmte, stilte; distilleerketel, branderij; adj. stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen enz.); Still verb. stillen, kalmeeren, inhouden, doen bedaren, distilleeren: To lie (sit, stand) still; I sat as still as still = doodstil; Still waters run deep = stille waters hebben diepe gronden; Still-born = doodgeboren, ontijdig, zonder succes; Still-life = stilleven; Still-room = distilleerkamer; provisiekamer, dienkeuken; Stilliform = druppelvormig; Stillness = kalmte, stilte.
Still, stil, nog, steeds; conj. toch, intusschen: Is not he a child still? = is hij niet nog een kind? He was still not coming = hij kwam nog maar niet.
Stillage, stilidž, stellage, schraag: A bar with counter and stillage = buffet, met toonbank en stellage.
Stilt, stilt, subst. stelt, steltlooper (= Stilt-bird); Stilt verb. op stelten zetten, kunstmatig opheffen: On stilts = op stelten; hoogdravend; To go (walk) on stilts; Stilt-walker = steltlooper; Stiltedness = hoogdravendheid.
Stilton, stilt’n: It’s not the Stilton = dat past niet; Stilton cheese, een te St. bereide kaassoort.
Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel, prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst. Stimulation; Stimulative = prikkelend, etc.; subst. prikkel, etc.; Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stimulus, stimjuləs, prikkel, opwekkend middel, stekel: To give a stimulus to = aansporen, opfleuren.
Sting, stiŋ, subst. angel, stekel, prikkel, steek, wroeging of knaging (= Stings of conscience); Sting verb. steken, prikkelen, pijn doen, pijnlijk treffen: Your narrative stings me to the heart = is me een steek door het hart; Stung with remorse = vol gewetenswroeging; Stung with sorrow = smartelijk getroffen; Stinger = stekel, steek, pijnlijke slag, vorstig weer: He received a stinger in his face = een harden slag; Sting-bull = pieterman; Sting-fish = kleine pieterman of steekvischje; Stingray = Stingtail = stekelrog = Stingaree, stiŋgərî; Stinging: Stinging-nettle = brandnetel; Stingless.
Stinginess, stindžinəs, subst. v. Stingy, stinži, vrekkig, gierig.
Stink, stiŋk, subst. stank, ruzie; Stink verb. stinken, in slechten reuk staan: It stinks in the people’s nostrils = het is het volk een walg; Stink-pot = stinkpot; Stinkard = stinkdier.
Stint, stint, subst. grens, perk, maat; zeeleeuwerik, bepaalde hoeveelheid, toebedeelde taak; Stint verb. beperken, eene bepaalde taak aanwijzen, stukwerk geven; zich bekrimpen: They stint themselves = bekrimpen zich; He does not stint his confidence = is niet karig met; Stinted in growth = in den groei belemmerd; They were stinted to a certain number of dishes = mochten niet gaan boven, waren beperkt tot; Stintedness = beperking; Stintless = overvloedig.
Stipe, staip, (Meerv. Stipes, staipîz), stengel, stronk, stam.
Stipend, staip’nd, jaarwedde, bezoldiging; inkomsten van een geestelijk ambt (Schotl.); Stipendiary, staipendjəri, subst. bezoldigd politierechter; bezoldigde, loontrekkende; adj. bezoldigd.
Stipple, stip’l, punteeren, stippelen; ook subst.: A bold sketch without stippling or varnish; Stippler = punteerpenseel.
Stipulate, stipjuleit, stipuleeren, vaststellen, bedingen; adj. (stipjulit) van steunblaadjes voorzien; subst. Stipulation; Stipulator.
Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, oproer, leven, geraas; Stir verb. roeren, omroeren, oprakelen, bewegen, in beweging brengen, zich bewegen, in beweging zijn, verluiden, gebeuren, opstaan, op zijn, bezig zijn, uitgaan, etc.: It made quite a stir = baarde veel opzien; Not a breath is stirring = er beweegt zich geen windje; There is no money stirring = er komt geen geld onder de menschen; There is no news stirring = er is niets geen nieuws; Is nobody stirring? = is nog niemand op? My blood was stirred = raakte aan ’t koken; You shall not stir abroad (from the house, a step out of this house) to-day = je komt vandaag de deur niet uit; Something stirred in my memory = kwam op in mijne herinnering; He stirred the hot mixture round and round = roerde maar steeds; These measures stirred up the nation = schudden de natie wakker; Stir-about = haverpap, bedrijvig persoon; Stir-up Sunday = de 26e Zondag na Pinkster.
Stirrup, stirəp, stɐ̂rəp, stijgbeugel: He has his foot in the stirrup = zijn voet in den beugel; Stirrup-cup = afscheidsglaasje (glaasje op de valreep); Stirrup-leather (Stirrup-strap) = riem van den stijgbeugel; Stirrup-oil = flink pak ransel.
Stitch, stitš, subst. steek (Stitch in the side = steek in de zijde); Stitch verb. naaien, bestikken, innaaien (van boeken), stikken, voren graven: Without a stitch of clothes = stuk kleeren; A stitch in time saves nine = werk op tijd maakt welbereid; She made several false stitches = verkeerde steken; The surgeon stitched up the wound = naaide de wond dicht; Stitch-wort = sterremuur.
Stive, staiv, smoren.
Stiver, staivə, stuiver, kleinigheid.
Stoat, stout, wezel, hermelijn.
Stock, stok, subst. stam, stengel, stronk, paal, blok, houten klaas; lade van een geweer of pistool, oorsprong, geslacht, voorraad, veestapel, kapitaal, fonds, aandeel (kapitaal), effecten, stropdas, bouillon, voorhanden goederen, gereedschap; adj. voorhanden, lijf - -, vast, stam - -; Stock verb. opleggen, vullen, verrijken, voorzien, van vee voorzien, bevolken, opslaan: Dead stock = werktuigen en producten; Live stock = levende have; Rolling stock = rollend materieel; Working stock = materiëel; Stocks = blok (strafwerktuig), aandeelen, effecten, stapelblokken: We must get it on the stocks soon = op stapel zetten; To put in the stocks = in het blok zetten; He cried his stock = ventte luide; The clergyman took stock of the young fellow = nam op; The notary took stock of everything = maakte een inventaris op; He took little stock in the Franco-Russian alliance = stelde weinig vertrouwen; To be in stock = goed bij kas zijn; To have in (on) stock = in voorraad; Stock of learning = schat van kennis; Stock in trade = bedrijfskapitaal; Stock piece = répertoirestuk; His Stock remarks = vaste, steriotype aanm.; Being overstocked, we cannot insert your paper = aangezien we te veel copie hebben; We are well stocked with everything = ruim van alles voorzien; A garden stocked with raspberries = vol frambozen; Stock-breeder = veefokker; Stock-broker = makelaar in effecten; Stock-dove = kleine boschduif; Stock-exchange = effectenbeurs; Stock-farm = boerderij voor veeteelt; Stock-farmer; Stock-feeding = mesten; Stock-fish = stokvisch: Mute as a stock-fish = zoo stom als een visch; Stock-gilliflower = winterviolier; Stock-holder = aandeelhouder; Stock-jobber = effectenhandelaar of speculant; Stock-jobbery; Stock-list = koerslijst; Stock-man = veehoeder; Stock-market = geldmarkt; veemarkt; Stock-pot = pot waarin bouillon staat te trekken; Stock-raiser = fokker; Stock-rider = bereden veehoeder (Austr.); Stock-rose = stokroos; Stock-station = fokstation; Stock-still = bewegingloos; Stock-taking = inventarisatie; Stock-ticker = instrument, dat den stand der beurs aangeeft; Stock-watering = nominale vergrooting van kapitaal; Stock-yard = omsloten plaats voor vee. Zie Stockish.
Stockade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; Stockade verb. omheinen, met palisaden versterken.
Stockinet, stokinet, katoen voor kousen, etc.
Stocking, stokiŋ, kous: He stands six feet in his stockings (in his stocking-feet) = op zijne kousen is hij zes voet lang; He wants to fill his stocking = hij wenscht een kous te maken (fig.); To hang up a stocking = (met kerstmis door kinderen); To make a stocking = een kous maken; Stocking-frame = machine om kousen, enz. te weven; Stocking-yarn = breiwol.
Stockish, stokiš, stijf; Stocky = dik, gezet; eigenzinnig.
Stodge, stodž, volstoppen: Schools should not merely stodge us with information = volproppen met; Stodgy, stodži, adj. dik, gezet, onverteerbaar.
Stoic, stouik, subst. Stoicijn, adj. stoicijnsch; Stoical = stoicijnsch; subst. Stoicalness; Stoicism = leer der Stoicijnen, ongevoeligheid.
Stoke, stouk, stoken: Stoke-hold = Stoke-hole = stookruimte (-gat); Stoker = stoker: Gas stokes.
Stole, stoul, lang los gewaad, smalle zijden doek waarvan de uiteinden breed uitloopen, die om den hals gehangen tot aan de knieën reikt; stola: Groom of the stole = opperkamerheer (in Engeland).
Stole, stoul, Stolen, stoul’n, imperf. en p.p. van to steal.
Stolid, stolid, dom, ongevoelig, stijf, onbehouwen; subst. Stolidity, stoliditi = Stolidness.
Stomach, stɐmək, subst. maag, (gewoonlijk voor) buik, eetlust, neiging, moed, toorn, norschheid, aanmatiging; Stomach verb. slikken, verduwen: To disorder (spoil, upset) one’s stomach = zijn maag bederven; My stomach rises = ik word misselijk; It goes against the stomach with me = stuit me tegen de borst; To have little stomach for = weinig trek hebben in; Such food sticks in the stomach = ligt zwaar op de maag; To turn a person’s stomach = misselijk maken; He stomached that injury = slikte die beleediging; Stomach-ache = maagpijn, buikpijn; Stomach-pump = maagpomp; Stomach-worm: The stomach-worm gnaws = mijn maag jeukt; Stomacher, stɐməkə, lijfje, borstlap; Stomachic, stəmakik, maagversterkend, maag …; maagmiddel: Stomachic fever = gastrische koorts.
Stone, stoun, subst. steen, edelsteen, druksteen, pit, niersteen, hagelkorrel of strontje op het oog; bij de rensport en bij wol en haver, gewicht van 14 lbs = ± 6,360 K.G.; bij vleesch en visch in Londen ± 3,629 K.G.; adj. steenen; Stone verb. steenigen, met steenen plaveien of omwallen, steenen (pitten) verwijderen uit: The philosopher’s stone = de steen der wijzen; Stone of offence = steen des aanstoots; To break stones = steenen kloppen; I will not cast the first stone at him = den eersten steen niet werpen; You cannot get blood out of a stone = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; To kill two birds with a stone = twee vliegen in één klap slaan; Not to leave a stone standing = geen twee steenen op elkaar laten; To leave no stone unturned = niets onbeproefd laten; To mark with a white stone = (als iets bijzonders) met een krijtje aan de balk schrijven; To walk upon the stones = rondslenteren; To stone plums = de pitten uit pruimen verwijderen; Stone-age = steenperiode; Stone-blind = stekeblind; Stone-bottle = kruik; Stone-break = knollige steenbreek; Stone-broke = aan lager wal: Your money came in precious handy, for I was close on stone-broke = want ik was “er aan toe”; Stone-buck = steenbok; Stone-chat(ter) = roodborst-tapuit; Stone-coal = anthraciet; Stone-coral = massief koraal (tegenover getakt); Stonecrop = muurpeper; Stone-curlew (-plover) = griel; Stone-cutter = steenhouwer; steensnijder; Stone-dead = morsdood; Stone-deaf = stokdoof; Stone-falcon = steenvalk; Stone-fruit = steenvrucht; Stone-hammer = steenhamer; Stone-hard = zoo hard als steen, ongevoelig; Stone-hatch = bontbek-pluvier; Stone-hearted = met een hart van steen; Stone-horse = hengst; muurpeper; Stone-mason = steenhouwer; Stone-pit = steengroeve = Stone-quarry; Stone’s-cast, stone’s-throw = steenworp: Within a stone’s-throw = op den afstand v. een steenworp; Stone-still = volkomen stil, bewegingloos; Stone-wall = steenen muur; Stone-walling tactics = parlementaire obstructie; Stone ware = aardewerk of steengoed; Stonework = metselwerk; Stone-wort = waterhalm; Stoniness, subst. v. Stony = steenachtig, vol steenen, meedoogenloos, verhard, zonder geld; Stone-hearted = hardvochtig.
Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand.
Stook, stuk, subst. 12 schoven; Stook verb. in schoven zetten.
Stool, stûl, kruk; stoel(gang), stomp waaruit takken spruiten (zooals b.v. bij knotwilgen); Stool verb. uitspruiten: Between two stools we come to the ground = tusschen twee stoelen zit men in de asch; Stool of repentance = zondaarsbank (Schotl.); Stool-pigeon = lokduif, lokvogel.
Stoop, stûp, bukken (ook fig.), buiging, kruik of flesch (van 2 quart); stoep, bordes (Amer.); Stoop verb. bukken (ook fig.), zich vernederen of verlagen, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen, afdalen: His hair is grizzled, and he begins to stoop = gedoken of gebukt te loopen (= Has a stoop, Walks with a stoop); He stooped to the meanest measures = verlaagde zich; Stoop-shouldered = met ronde schouders.
Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding, einde, leesteeken, toets, klep, register (orgel); Stop verb. verstoppen, dichtstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, belemmeren, weerhouden, onderdrukken, stoppen, stilstaan, pareeren, besnijden, den toon regelen met een stop, etc.: Full stop = punt; To come to a stop = blijven steken, hokken, plotseling blijven staan; Put a stop to his nonsense = maak een einde aan; I found him on the top of the bus, and pressed him to stop off = dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; Stop thief! = houd den dief; He stopped short = bleef plotseling staan, hield ineens op; Where are you stopping? = logeert gij; To stop a neighbour’s light = betimmeren; Will you stop (stay) supper? = blijven soupeeren; Stop-cock = kraan; Stopgap = noodhulp, bladvulling, stopwoord, nestkuikentje; Stop-order = opdracht met limitatie; Stop-watch = subst. horloge dat naar verkiezing kan worden stilgezet; adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are stop-watch excursionists = het is den meesten om een vluchtig bezoek te doen; Stoppage, stopidž, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris), staken van betalingen, stilstand (in handel, etc.); Stopper = subst. wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw om vast te maken; Stop verb. een kurk doen op, stoppen, sluiten: A Stoped bottle; A Stopless cruet = olie- en azijnstelletje zonder stop of kurk; Stopping: Stopping-place; Stopping-train = boemeltrein; Stopple, subst. stop, prop; Stople verb. met een stop sluiten.
Storax, stôraks, soort v. welriekende hars.
Store, stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis, magazijn, proviand; winkel (Am.); adj. opgestapeld, voorhanden; Store verb. opstapelen, opleggen, opslaan, in het pakhuis bergen, voorzien: In store = voorhanden; To have (keep) in store; A great pleasure, a scolding is in store for you = staat je te wachten; I lay great store on my introduction by you = stel grooten prijs op; To set great store by = op hoogen prijs stellen; Stores = benoodigdheden; coöperatieve winkel of bazaar: The army and navy stores = de coöperat. winkels der ambtenaren van oorlog en marine; Baby stores = magazijnen voor kindergoed; Commissary of stores = intendant; The ship was stored to the last scuttle of coals = was van alles tot het geringste toe voorzien; Storehouse = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur, schatkamer: This booklet is a storehouse of facts = bevat een schat van feiten; Store-keeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); Store-room = magazijnkamer, bergplaats; Store-ship = proviandschip; Storage, stôridž, opberging, bergloon, opstapeling, verzameling; Storage battery = accumulator.
Storied, stôrid, beroemd, beschreven of versierd met tafereelen uit de geschiedenis, met eene geschiedenis; (in samenst.: met eene verdieping: Four-storied = met 4 verdiepingen). Zie Story.
Stork, stök, ooievaar; Stork’s-bill = reigersbek (plant).
Storm, stöm, storm, onweer, regen, hevige stoornis, ontroering; Storm verb. bestormen, stormen, woeden: A storm of applause = stormachtige toejuichingen; A storm of bullets = kogelregen; A storm of rain = plasregen; Storms of fate = levensstormen; The ship was overtaken by a storm = door een storm overvallen; This raised a storm of indignation = deed ontstaan; The town was taken by storm = stormenderhand; A period of storm and stress = tijd van opwinding en onrust; The Storm and Stress period in German literature = de “Sturm und Drang” periode in de D. letterkunde; They were stormed at with shot and shell = ontvangen met een regen van; Storm-beat(en) = door stormen geteisterd; Storm-bird, Storm-finch = stormzwaluw; Storm-cock = groene specht; Storm-cone = kegel als stormsignaal; Storm-drum = cylinder als stormsignaal; Storm-jib = stormstagzeil; Storm-sail = stormzeil; Storm-signal = stormsignaal; Stormer = bestormer; Stormful = onstuimig; Storming party = stormloopende troep; Storminess, subst. v. Stormy = stormachtig, hevig, hartstochtelijk; Stormy-petrel = stormzwaluw.
Storthing, stötiŋ, parlement van Noorwegen.
Story, stôri, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis; verdieping; Story verb. verhalen vertellen, tot onderwerp van een verhaal maken: But that’s another story = heel wat anders; That is but an idle story = een praatje; He is wrong in the upper story = het schort hem in de bovenste verdieping; Here my story ends = nu is mijn verhaal uit; As the story has it, goes = zooals het verhaal of praatje luidt; To make a long story short = om kort te gaan; Don’t tell stories = vertel nu geen leugentjes; Story-book = vertelselboek; Story-teller = verhaler, verteller; leugenaar; Story-telling = het verhalen, of leugens vertellen; Story-writer. Zie Storied.
Stot, stot, jonge stier.
Stoughton, stout’n.
Stound, staund, stekende pijn; verwondering; Stound verb. pijn doen; verdooven.
Stoup, stûp, wijwaterbakje, flesch, kruik.
Stour, stûə, strijd, tumult.
Stourbridge, stɐ̂bridž; Stourford, stûəfəd.
Stout, staut, subst. donker Eng. bier; adj. krachtig, flink, dapper, sterk, gezet, gewichtig: With a stout heart = moedig, dapper; Stout-built = krachtig gebouwd; Stout-hearted = moedig, dapper, subst. Stout-heartedness; Stoutish = vrij gezet; Stoutness = stevigheid, flinkheid, gezetheid.
Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; Stove verb. warm houden, in een broeikas zetten: Peat stove = theestoof; Spirit stove = theelichtje; Wooden stove = stoof; Stovepipe hat = kachelpijp, hooge hoed.
Stove, stouv, imp. en p.p. van Stave: Her bows and bulwarks were stove in, and her rudder was lost = werden ingeloopen.
Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, uitscheiden: Stow that = schei daarmede uit; Stowage = het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats, bewaargeld, pakhuisloon: It is safely stowed, In safe stowage = veilig geborgen of geplaatst; Stowaway = blinde passagier: iemand die zich om vrijen overtocht aan boord te verkrijgen, tijdelijk verscholen houdt.
Stowe, stou; Stowel, stouəl.
Strabism, streibizm, het scheelzien; Strabotomy, strəbotəmi, operatie voor scheelheid.
Strachan, strôn.
Straddle, strad’l, het wijdbeens staan of loopen; afwachtende houding (Amer.); Straddle verb. wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan boven of zitten op; een afwachtende houding aannemen: Yonder straddle cannot be the characteristic of the sublime = gindsche wijdbeensche gestalte; He rode straddle-legged = schrijlings.
Straggle, strag’l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn of liggen, in ongeregelde orde loopen, ronddwalen, woekeren (van planten); Straggler = zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some straggles of the hunting train = eenige achtergeblevenen v. den jachtstoet; Straggling: Straggling houses = verspreid liggende huizen; A straggling street = onregelm. straat (vooral als de huizen niet op eene lijn staan); A straggly beard = een ongelijke, slordige baard.
Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, onvermengd, onmiddellijk: It is as straight as you can go = al maar recht uit; To do the straight thing = eerlijk handelen; To be in the straight for home = huistoe gaan; To act (speak) straight from the elbow = ronduit, royaal; To bring matters straight = in orde brengen; To contradict straight out = vierkant tegenspreken; Do it straight = direct; I gave it him straight = heb het hem ronduit gezegd; To lie straight out = rechtuit; To look straight in the face; We shall make it straight = in orde brengen, recht maken; To pull straight = terecht trekken; To set straight = terecht zetten, in orde brengen; He is a straight up and down man = door en door eerlijke vent; Straight-fronted corset = corset “droit devant”; Straighten = recht maken: To straighten one’s glasses, necktie = terecht zetten, trekken; I unconsciously straightened myself = richtte me op; This mistake ought to be Straightened out = verholpen; Straightforward = oprecht, ronduit, eerlijk; subst. Straightforwardness; Straightness = rechtheid, etc.; Straightway = onmiddellijk, dadelijk.
Strain, strein, subst. inspanning, spanning, druk, krachtige poging, streven, verstuiking, verdraaiing (fig.), toon, lied, melodie, trant, stijl, afkomst, ras, karaktertrek; Strain verb. rekken, uitrekken, verrekken, spannen, zich inspannen (afsloven), overspannen, drukken, dwingen, verdraaien, filtreeren: His bulldog strain = zijn bulhondenmanier (toon); He read on in the same strain = op denzelfden toon; That is rather a strain on me = dat vergt vrij wat inspanning van mij; There was a great strain on the masts = de masten hadden heel wat te houden; Expectation is still on the strain = de verwachting is nog hoog gespannen; To take too high a strain = een te hoogen toon aanslaan; You strain courtesy = je maakt te veel complimenten; To strain one’s eyes = erg inspannen; You strain the law and all the rules in your support = verdraait wet en regel om u te dekken; To strain every nerve = alle krachten inspannen; To strain a point = te ver gaan: That would be straining a point = dat zou overdrijving wezen; To strain one’s voice = uitzetten; Strained interpretation = gewrongen uitlegging; Strained relations = gespannen verhoudingen; To strain after novelty by starting paradoxes = uit zijn op iets nieuws; They strain at (beter: out) the gnat and swallow the camel = zij zuigen (zijgen) de mug uit en slikken den kemel door; The curtain strained a restful light into the room = liet doordringen; To strain off the water = het water afgieten; All the impurities were strained out = het werd gezuiverd van; We have strained the milk through linen = gefiltreerd; Strainer = zijgdoek, vergiet; Straining = inspanning, etc.; blikgat.
Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.); moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The Straits of Gibraltar = de straat van G.; We were in a strait (in great straits) = zaten “erin”, in de klem; To drive a person (in)to straits = in ’t nauw brengen; The straitest advocate of popular rights must acknowledge this = de meest onvervalschte voorstander; Strait formality = stijve vormelijkheid; In strait of money = in geldverlegenheid; Strait-jacket (Strait-waistcoat) = dwangbuis; Strait-laced = stijf of strak geregen, gedwongen, stijf, kleingeestig: We are not so strait = wij nemen het niet zoo nauw; Straiten = nauw maken, beperken, strak aanhalen, in verlegenheid brengen: This circumstance has straitened me in money matters = heeft mij in ongelegenheid gebracht; To be in straitened circumstances = bekrompen; Straitness = bekrompenheid, gestrengheid, verlegenheid, moeielijkheid.
Strake, streik, ijzeren hoepel, gangplanken (op een schip), kort zijspoor.
Stramineous, strəminjəs, van stroo, lichtgeel.
Strand, strand, subst. strand; streng, streen, vlecht; Strand verb. op het strand (zetten) loopen, stranden: I used my skill in smoothing the strands of their lives = om voor hen de kinken uit de kabel te slaan; Stranded goods; Strand-wolf = bruine hyena.
Strange, streinž, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon: Strange to say, he did not know me = ’t is vreemd; I am strange in London = onbekend in (met); subst. Strangeness; Stranger = vreemdeling, onbekende, nieuweling, oningewijde; adj. vreemd: This foreigner is no stranger here = deze buitenlander is hier goed bekend; He is a stranger to this business, our plans = eene nieuweling, niet op de hoogte van; To make a (no) stranger of a person = als (niet als) een vreemde behandelen.
Strangle, straŋg’l, worgen, onderdrukken, verstikken: To strangle a bill = een wetsontwerp bij de 1ste of 2de lezing doen vallen; Strangler = worger, onderdrukker; Strangles = droes bij paarden; Strangulated, straŋgjuleitid: Strangulated hernia = beklemde breuk; Strangulation, straŋgjuleiš’n, worging, beklemming.
Strap, strap, subst. riem, drijfriem, beugel, schouderbedekking, baardschraper; Strap verb. met een riem vastmaken, ermee afranselen, aanzetten op een riem: Endless strap = riem zonder eind; Straps = souspieds; Strap-hanger = passagier, die zich aan een strap vast houdt omdat er geen zitplaats is; Strapper = pootige kerel; manwijf; Strapping = flink, groot en sterk gebouwd: A strapping young fellow.
Strasburg, strasbɐ̂g.
Stratagem, stratədž’m, krijgslist, sluwe zet, list; Strategic(al), strətedžik(’l), strategisch; Strategics = strategie; Strategist, stratidžist, strateeg; Strategy, stratidži.
Strath, strath, riviervallei (Schotl.); Strathmore, strathmö; Strathspey, strathspei, strathspei = een Schotsche dans.
Stratification, stratifikeiš’n, laagswijze ligging; Stratiform = in lagen; Stratify, stratifai, in lagen op elkaar liggen; Stratum, streit’m, laag.
Stratus, streitəs, laag wolken.
Straw, strô, stroo(halm), stroohoed, lange pijp; adj. van stroo, waardeloos, onecht; Straw verb. met stroo vullen of omwinden: A straw shows how the wind blows = kleinigheden zijn soms sterke aanwijzingen; He is a man of straw = stroopop, nietsbeteekenend man, gefingeerde persoon; Women in the straw = kraamvrouwen (plat); It is not worth a straw = geen lor waard; I do not care a straw (two straws) = het kan me geen zier schelen; To condemn to straw = voor stapelgek verklaren; A drowning man will catch at a straw = zich aan een stroohalm vastklampen; His eyes draw straws = het zandmannetje komt; We got from the bed on the straw = wij geraakten van het bed op het stroo; He does not sit here to pick straws = hij zit hier ook niet om vliegen te vangen; You have been picking straws = gij zijt aan het stroodorschen geweest; To split straws = spijkers op laag water zoeken; Straw-bail = waardelooze borgtocht; Straw-bid = schijnbod, ook verb.; Straw-board = strookarton; Straw-bonnet = stroohoed; Straw-bottomed = met zitting van stroo; Straw-built = van stroo gemaakt; Straw-colour = lichtgele kleur; Straw-cutter = hakselmachine; Straw-hat = stroohoed; Straw-mattress; Straw-paper = stroopapier; Straw-rope = strootouw; Straw-wisp = wisch; Straw-yard = asyl voor dakloozen; Strawy = van stroo, als stroo.
Strawberry, strôberi, aardbei; Strawberry-leaf = symbool van hertogelijke waardigheid: To work for the strawberry-leaf = naar den hertogstitel streven; Strawberry-tree = aardbeziënboom.
Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; Stray verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: Stray notes on Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; Stray sheep = verdoold schaap, verdoolde; Stray visitor = toevallig; He strayed from the right path = raakte van het goede pad af; Strayer, Strayling = verdwaalde, afgedwaalde.
Streak, strîk, subst. streep, ader; Streak verb. strepen vormen, aderen; uitsnijden (= To streak it): I had a streak of luck, and followed it up = ik had een kansje, en maakte er gebruik van; Streakiness, subst. v. Streaky = gestreept, doorregen; verontrust (Amer.).
Stream, strîm, subst. stroom, strooming; Stream verb. stroomen, uitstroomen, zwemmen, fladderen, wapperen, overboord gooien, wasschen: Stream of air (light, words); Tributary streams = zijrivieren; To row against the stream = tegen den stroom op roeien (fig.); To go (float) with the stream; Up, down the stream = stroom op, stroom af; Streamer = wimpel, lamfer, serpentine; Streamers = noorderlicht; Streamlet = stroompje, riviertje; Streamy = rijk in stroomen of lichtbundels.
Streel, strîl, sleepen: Her train streeled after her like the tail of a comet = sleepte haar na.
Street, strît, straat: In (the middle of) the street = (midden) op straat: The street was blocked, stopped up = de straat was versperd; The man in the street = het groote publiek; To be on the streets = op straat staan (fig.); She is on (walks) the streets, Went upon the streets = is, ging de baan op (fig.); To turn out into the street = op straat zetten; Street-arab = verwaarloosd kind; Street-car = tramwagen (Amer.); Street-door = voordeur; Street-orderly = straatveger, vuilnisman; Street-sweeper = straatveger; Street-walker = prostituée.
Strength, streŋth, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid, weerstandsvermogen, krijgsmacht, aantal: He claimed acquaintance with me on the strength of having seen me there = op grond dat; He recovered strength very soon = kreeg weldra zijne krachten terug; A “Try-your-strength” machine = krachtmeter op kermissen; Strengthen = versterken, bevestigen, doen toenemen; Strengthener = versterker, versterkend middel; Strengthless.
Strenuous, strenjuɐs, ijverig, krachtig, energiek: Strenuous exertion = krachtige poging of inspanning; subst. Strenuousness.
Stress, stres, subst. kracht, druk, nadruk, klem, aandrang, hoofdzaak, gewicht; Stress verb. den nadruk of klem leggen op: Principal, Even stress = hoofdklem, zwevende klem; Ill through stress of work = door overwèrken; Under the stress of circumstances = drang; Under a stress of weather = in zwaar weer; He laid stress upon it = drong er op aan, legde er nadruk op; The second syllable is stressed = de klem ligt op de tweede lettergreep.
Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspanning, geval van nood (On stretch), overdrijving, slag (bij ’t laveeren), recht einde van een baan, richting; Stretch verb. uitstrekken, uitsteken, rekken, op de leest slaan, inspannen, overdrijven, met volle zeilen varen, in gestrekten galop rijden: At (On) a stretch = achtereen, zonder ophouden; You can get this at a stretch = desnoods, op zijn hoogst; To keep on (put upon, to) the stretch = in spanning houden, spannen; We stretched south = voeren naar het Z.; Shall I stretch the gloves for you? = uwe handschoenen even oprekken; I want to stretch my legs = ik moet mijne beenen eens wat strekken; To stretch metals = metaal uitsmeden; To stretch a point = zich bijzonder inspannen, veel moeite doen; You are stretching the truth = doet der waarheid geweld aan; He stretched forth his hands = stak uit; Stretcher = rekker, draagbaar, spoorstok (waar de voet op rust bij het roeien), leugen: Stretch-bearers = de soldaten aangewezen om gewonden weg te dragen; Stretching-course = streksche steenen.
Strew, strû, strou, (be)strooien, verspreiden, bezaaien, uitstrooien: Illustrations strew almost every page = bijna iedere bladzijde is rijkelijk geïllustreerd; Strewn = gestrooid.
Stria, straiə, groef, fijne streep, cannelure; Striate, straiit, gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; subst. Striation, straieiš’n.
Stricken, strik’n, geslagen, vergevorderd: Stricken in age, in years = hoogbejaard; Stricken down in the full bloom of youth = weggenomen, gestorven.
Strickle, strik’l, strijkel (bij het graanmeten), wetsteen voor zeisen.
Strict, strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a strict watch over us = hield streng toezicht; This won’t do in strict grammar = dat kan er streng grammatisch niet door; subst. Strictness; Stricture, striktjə, kritische opmerking, zinspeling (met upon); strictuur: He passed strictures on me = maakte aanmerkingen op mij.
Stride, straid, subst. groote stap, schrede, klein eindje; Stride verb. schrijden, groote stappen doen, afstappen: It’s only a cock stride = het is maar eene haneschree; Giant’s stride = zweef (gymn.); To get into one’s stride = op streek komen; To take long strides.
Strident, straid’nt, krassend, snijdend; Stridor, straidə, hard krassend geluid; Stridulation = piepend, snorrend geluid; Stridulous, stridjulɐs, krassend, piepend, knarsend.
Strife, straif, strijd, twist: To be at strife.
Strike, straik, subst. strijkel (bij het graanmeten), maat van ½ tot 4 bushels; werkstaking; Strike verb. slaan, stooten, botsen, treffen, strijken, afstrijken (bij het graanmeten), licht aanraken, staken, munten, stooten op, aanheffen, aannemen, (wortel)schieten: To come, to go on strike = het werk staken; To declare a strike off = opheffen; To strike accounts = rekeningen afsluiten, opmaken; To strike an attitude = zich in postuur stellen; To strike foolish attitudes = dwaze houdingen aannemen; To strike a bargain = een koop sluiten; To strike a blow = een slag toebrengen; The camp was struck, marching orders having been received = het kamp werd opgebroken; To strike coins = munten slaan; To strike fire = vuur slaan; To strike one’s foot against = stooten met; We struck hands with them = sloten een verdrag; To strike a match on one’s sleeve = aanstrijken; To strike oil = een petroleumbron ontdekken; fortuin maken; We struck the railway and followed the line = kwamen aan de spoorlijn; The ship struck a hidden rock = stootte op een blinde klip; To strike sail = strijken; To strike the sands = op ’t strand loopen; We could strike no soundings there = konden er geen grond vinden; To strike work = het werk staken; Heaven has struck him blind (dumb) = heeft hem met blindheid, stomheid geslagen; It strikes cool after these hot rooms = ’t voelt kil, komt kil aan; To strike home = raak slaan, gevoelig treffen; An idea strikes me = daar valt me in; It strikes me that you are pale = het valt mij op; He struck at my heart = richtte een slag op; The moment he comes back, I strike for a subscription = zal ik een poging doen om hem te laten inteekenen; Here the cricket struck in = viel mee in, begon mee te doen; He died of small-pox struck in = naar binnen geslagen; I’ll try to strike in with your wishes = te doen overeenkomstig; Let us strike into that green track = inslaan; Strike off a shilling = doe er af; He was struck off the roll (list) = geroyeerd; He struck off the heads of all the poppies = sloeg af; Struck on a girl = verliefd op; He struck out forcibly = sloeg krachtig armen en beenen uit (bij het zwemmen); To strike out for oneself = zich zelf een weg banen (fig.); Why did you not strike out this word? = heb je niet doorgehaald; I have struck out an entirely new plan = bedacht; To strike to = zich overgeven, slaan op; The band struck up the national anthem = zette in; I have struck up a friendship (an acquaintance) with him = heb aangeknoopt; Strike-measure = strijkmaat; Striker = wie of wat slaat, treft, enz., handlanger, officiers-oppasser (Amer.); werkstaker, verouderde term voor Batsman; Striking = treffend, opvallend: A striking-looking person = met een opvallend uiterlijk; I wind up the striking-part, striking-work = slagwerk.
String, striŋ, touw of touwtje, snoer, riem, pees, reeks, serie, snaar, koord, nerf, vezel, spier, zweep (Amer.); String verb. aan een touwtje rijgen, spannen, besnaren, afhalen, van een pees voorzien, te pakken nemen: Schubert’s Quartette for strings = voor strijkorkest; Have you got a bit of string for me = een touwtje; He has two strings to his bow = meer dan een pijl op zijn boog; A string of endearing names = eene reeks “lieve” namen; A pretty string of prattling schoolgirls = een snoezig troepje; In a string = op een rijtje, aan een risje; He has all the world in a string = alles danst naar zijn pijpen; I have an other on the string = achter de hand; To have a person on a string = aan ’t lijntje; All his nerves were strung to the utmost = waren ten hoogste gespannen; She felt completely strung up = zeer krachtig en vol leven; To string beads = kralen aanrijgen; To string beans = boonen afhalen; String-band = strijkorkest; String-beans = snijboonen; Stringed: Stringed instrument; Stringed quartet = strijkkwartet. Zie Stringiness.
Stringency, strinž’nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte, gedruktheid; Stringent = beperkt, nadrukkelijk, hard, streng, bindend.
Stringiness, striŋinəs, subst. v. Stringy = vezelig, kleverig, vol pezen; Stringy-bark = soort v. eucalyptus (Austral.); Stringy-barker = jong kolonist (omdat ze in huizen woonden van Stringy-bark gemaakt).
Strip, strip, subst. reepje, strookje; vernieling (Amer.): Strips = karwats, tuchtiging; Strip verb. afstroopen, strippen, ontkleeden, ontdoen, onttakelen, uitmelken, berooven, wegnemen, schillen: He was stripped of everything = beroofd; She stripped off her gloves = trok uit; Strip-leaf = strippeling; Stripper = die afstroopt; namelker; Strippings = de laatste melk uit eene koe.
Stripe, straip, subst. streep, striem, slag, chevron; Stripe verb. strepen, strepen vormen, striemen: He has got (lost) his stripes = hij heeft de strepen gekregen (is gedégradeerd); Striped = gestreept.
Stripling, stripliŋ, subst. jongmensch, jongmaatje; adj. jong, jeugdig.
Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, kampen, strijden, wedijveren (with): He strove against his weakness = streed tegen; Striver.
Stroke, strouk, subst. slag, streep, trek, haal, zet, stoot, plotselinge ziekteaanval, beroerte, achterste roeier in een boot: With (At) a stroke = met één slag; This is a good (capital) stroke = een goede zet, stoot, enz.; I have done a good stroke of business = een goeden slag geslagen; Stroke of fate = slag van het noodlot; Stroke of the sun = zonnesteek; Not a stroke of work = geen slag werk; It was on the stroke of eleven = op slag van; He has had a stroke = beroerte; He fetched me a back stroke = gaf mij een slag in ’t geniep, steek onder water; To give (set) the stroke = den slag aangeven; To keep stroke = slag houden; He rowed stroke in our boat = hij roeide slag in onze boot; Stroke-oar = Strokesman = slagroeier.
Stroke, strouk, streelen, strijken, glad strijken, liefkoozen: You do not know how to stroke him the right way = gij weet niet met hem om te gaan; You stroke him the wrong way = irriteert hem, jaagt hem ’t land op.
Stroll, stroul, subst. wandeling; Stroll verb. slenteren, wandelen, ronddwalen: To go for (To take) a stroll; Stroller = zwerver, rondreizend acteur; Strolling actors = rondreizende tooneelisten; Strolling-booth = kermistent.
Strong, stroŋ, sterk, krachtig, zwaar, hevig, vurig, flink, gezond, talrijk, hel, schel: He is a little too strong = hij overdrijft wat al te zeer; To come (go) it strong = boud spreken, zwetsen, opsnijden; By the strong arm = met geweld; To take a strong line = flink aanpakken; Strong box = cassette; Strong breeze = krachtige bries; Strong cigar = zware; Strong faith; Strong injunctions = nadrukkelijke bevelen; He used strong language = hij vloekte; Strong memory; Grammar is not her strong point; Strong pulse = krachtige; Strong room = safe, kluis; Strong verbs; Strong wall = brandmuur; Strong waters = spiritualiën; Strong-bodied = sterk, pittig; Stronghold = vesting; bolwerk (fig.); Strong-minded = flink, onvrouwelijk; Strong-set = krachtig, stevig.
Strontium, stronšiəm, strontium.
Strop, strop, subst. scheerriem, strop voor een blok; Strop verb. aanzetten, scherpen: The bird stropped his beak upon the tree.
Strophe, stroufî, strophe; Strophic, stroufik, strophisch.
Stroud, straud.
Strouding, straudiŋ, een grove warme stof, ook gebruikt als ruilmiddel met de Roodhuiden.
Strove, strouv, imperf. van to strive.
Strow, strow; Zie Strew. Strown, stroun, p.p. van to strow.
Struck, strɐk, imperf. en p.p. van to strike: Struck-measure = Strike-measure.
Structural, strɐktšur’l, den bouw betreffend, organisch; Structure, strɐktšə, bouw, structuur, gebouw.
Struggle, strɐg’l, subst. worsteling, strijd, nood; Struggle verb. worstelen, spartelen, zwoegen, strijden (Struggles = trekkingen): The struggle for life (existence) = de strijd om het bestaan; The struggle of life = levensstrijd; He Struggled hard to get out of it = spande zich zooveel mogelijk in; Struggler.
Strum, strɐm, hameren, rammelen, tjingelen: I strum a little = speel een beetje; I heard the strumming all the evening = dat getjingel; She was strumming her music-lesson = studeerde voor.
Struma, strûmə, kropgezwel, halskliergezwel; Strumose, strûmous, Strumous, strûməs, klierachtig.
Strumpet, strɐmpət, subst. slet.
Strung, strɐŋ, imperf. en p.p. van to string.
Strut, strɐt, subst. trotsche majestueuse gang, gemaakte deftigheid by het loopen; stut; Strut verb. trotsch en gemaakt deftig stappen, stutten; Strutter.
Struthious, strûthiəs, gelijk een struisvogel.
Strychnine, striknin, strychnine.
Stuart, stjûət.
Stub, stɐb, subst. stomp, stompje, eindje; souche; oude hoefnagel; Stub verb. uitroeien, de wortels uitrukken; stooten tegen (Amer.): To buy at the stub = op stam koopen; To stub one’s foot (toe) = met den voet stooten tegen (Amer.); Stub-nail = kopspijker.
Stubbiness, stɐbinəs, subst. v. Stubby.
Stubble, stɐb’l, stoppel: Stubblefield; Stubbly = stoppelig.
Stubborn, stɐb’n, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig, volhardend; subst. Stubbornness.
Stubby, stɐbi, vol stubs, kort en dik, stekelig, stijf.
Stucco, stɐkou, subst. gips of gipswerk; Stucco verb. stukadoren: Stucco-ornaments; Stuccoer.
Stuck, stɐk, imperf. en p.p. van to stick: He stares like a stuck pig = hij kijkt of hij het in Keulen heeft hooren donderen; A stuck-up fellow = een pedant of trotsch kereltje.
Stud, stɐd, subst. stoeterij, dekhengst; knop, paal, zuil, nagel, overhemds- of manchetknoopje; Stud verb. met knopjes of spijkertjes beslaan of versieren, bezaaien: A high studded room = eene hooge kamer op pilaren; The entrance of the house was low studded = laag onder verdieping; The studding had already given shape to the building = het paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen; Studded with quotations = vol; Stud-bolt = schroefbout; Stud-book = paarden- of hondenstamboek; Stud-farm = stoeterij; Stud-horse = stamboekpaard, dekhengst.
Studding, stɐdiŋ: Studding-sail = lijzeil.
Student, stjûd’nt, student, beoefenaar, kenner, vorscher: Student of nature; We don’t call them students at Oxford or Cambridge, we call them ‘undergraduates’; Studentship = beurs; Studied, stɐdid, bestudeerd, vormelijk, wel overwogen, gestudeerd: He did it studently = met voordacht; Studio, stjûdjou, atelier; Studious, stjûdiəs, vlijtig, ijverig, leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is studious of performing your wishes = doet zijn best om; subst. Studiousness; Study, stɐdi, studie, nadenken, ijver, leergierigheid, onderzoek; studie, étude; studeervertrek; Study verb. studeeren, bestudeeren, nadenken; zich beijveren, rekening houden met: He is a quick study = kan vlug leeren; His face was quite a study = het was de moeite waard om te zien wat gezicht hij zette; He was in a brown study = in somber gepeins verzonken; I’ll make it my study to please you = mijn best doen; Her understudy = de actrice die voor haar invallen moet in geval van nood; I have studied you in everything = ik heb steeds getracht al uwe wenschen te voorkomen.
Stufa, stûfə, dampwolk die in vulkanische streken uit den grond komt.
Stuff, stɐf, subst. stof, materie, hoofdzaak, het wezenlijke, goederen, rommel, goed(je), dwaasheid; Stuff verb. farceeren, opvullen, volproppen, volstoppen, opzetten (van dieren), overladen, wijsmaken: He had the stuff of a statesman in him = was geknipt voor; What you say there is stuff and nonsense = klinkklare onzin; This poetry is stuff and trash = armzalige rijmelarij; Food stuffs = levensmiddelen; The stuff = “duiten”; A stuffed tiger = opgezette; Stuff a cold and starve a fever = bij een verkoudheid moet men veel, bij koorts weinig gebruiken; The birds had stufffed their nests in all corners = hadden gestopt; Stuffing = werk, bladvulling, pakking, vulsel; Stuffing-box = werkbus, pakkingbus; Stuffiness, subst. v. Stuffy = benauwd, benepen, volgepropt; nijdig, eigenzinnig (Amer.): A hot and stuffy theatre = een heete en benauwde schouwburgzaal.
Stulm, stɐlm, galerij, gang in een mijn.
Stultification, stɐltifikeiš’n, subst. v. Stultify, stɐltifai, verdwazen, zich belachelijk maken; voor ontoerekenbaar verklaren; zich zelf tegenspreken (reflex.); Stultiloquence, stɐltiləkw’ns, ijdel gesnap, zotternij; adj. Stultiloquent.
Stumble, stɐmb’l, subst. struikeling, domheid, vergissing, bok; Stumble verb. struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten, zich stooten aan (fig.), een bok schieten (fig.), toevallig treffen: Many stumble at a straw and leap over a block = vele menschen zijgen (zuigen) de mug uit en zwelgen den kemel door; It is a good horse that never stumbles = het beste paard struikelt wel eens; I stumbled on it when looking for something else = trof het toevallig; To stumble over a thing = struikelen; Stumbler; Stumbling-block (Stumble-stone) = struikelblok, steen des aanstoots.
Stump, stɐmp, subst. stomp, stronk, politieke tribune, doezelaar, paaltje van een wicket bij het cricketspel, (Stumps = beenen); Stump verb. knotten, uitroeien, verbluffen, de stumps aanraken (bij cricket), doezelen, opdokken (up), strompelen, eruit snijden (it), politieke redevoeringen houden: I shall make you use your stumps = je beenen maken; To bestir one’s stumps = beenen maken; To be (go) on the stump = het land doorgaan om polit. redevoeringen te houden; He has taken to the stump = houdt verkiezingsredevoeringen; Three candidates went stumping = hielden verkiezingsredevoeringen; He stumped the country = reisde al redevoeringen houdende het land af; We have stumped it = zijn er uitgesneden; Now I am stumped = zit ik er in, ben ik verlegen; To stump up = opdokken; Stump-foot = horrelvoet; Stump-orator = verkiezingsredenaar, bombastisch spreker; Stump-oratory = verkiezingswelsprekendheid; Stump-speaker = Stump-orator; Stump-speech = verkiezingsrede, bombastische toespraak; Stumpy = vul stompen, knoestig, kort en dik; subst. geld, “centen”.
Stun, stɐn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen; Stunner = harde slag, iets buitengewoons: Isn’t he a stunner? = is hij niet een kranige, bovenste beste vent; That’s a stunner = dat is een kolossale leugen, groote opsnijderij; A stunning thing = iets dat verbazend groot, mooi, enz. is.
Stundist, stɐndist, protestantsch afgescheidene in Rusland.
Stung, stɐŋ, imperf. en p.p. van to sting.
Stunk, stɐŋk, imperf. en p.p. van to stink.
Stunt, stɐnt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei achterlijk is; Stunt verb. belemmeren, den groei beletten; Stunted = in den groei belemmerd; subst. Stuntedness.
Stupe, stjûp, subst. warme omslag; Stupe verb. zulk een omslag leggen.
Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefactive = verdoovend, Stupefier = verdoovend middel; Stupefy, stjûpifai, bedwelmen, verdooven, gevoelloos maken, verbluffen; Stupendous, stjûpendəs, verbazend groot, kolossaal, machtig; subst. Stupendousness.
Stupid, stjûpid, stom, dom, onzinnig, dwaas; subst. domoor; Stupidity, stjupiditi, domheid, stompheid = Stupidness.
Stupor, stjûpə, gevoelloosheid, stompzinnigheid: Stupor of a limb = het slapen.
Sturdiness, stɐ̂dinəs, subst. v. Sturdy, stɐ̂di, krachtig, stoer, forsch; brutaal: Sturdy beggar.
Sturdy, stɐ̂di, subst. draaiziekte (bij schapen).
Sturgeon, stɐ̂dž’n, steur; adj. Sturionian, stûriounj’n.
Stutter, stɐtə, stamelen, stotteren; ook subst.; Stutterer; He brought it out Stutteringly = kwam er stotterend mee voor den dag.
Sty, stai, subst. varkenshok (ook fig.); stijgje of strontje (op het oog); Sty verb. in een kot opsluiten, leven.
Stygian, stidžən, tot den Styx behoorende, helsch: Stygian darkness = helsche duisternis.
Style, stail, subst. stilus, stift, zuil, sonde; stijl, manier, voornaamheid, titel, naam, tijdrekening; Style verb. betitelen, noemen, aanwijzen: New style = Gregoriaansche tijdrekening; Old style = Juliaansche tijdrekening; That is the style = zoo hoort het, zoo is het naar den aard; He lives in style = voornaam; In bad style = onbetamelijk; In good style = volgens goeden smaak; Stylet = stilet, stijl, tentijzer; Styliform = stijlvormig; Stylish = naar de mode, fijn, chic: A stylish dress = een “chique” japon; subst. Stylishness; Stylist = stylist; Stylite, stailait, styliet, pilaarheilige; Stylograph, stailəgraf, stift, vulpen; Stylography, stailogrəfi, teeken- of graveermethode met de stift; Styloid, stailôid, priemvormig.
Styptic, stiptik, subst. en adj. samentrekkend, (bloed)stelpend (middel).
Styria, stiriə, Stiermarken; Styrian, subst. en adj. (bewoner) van Stiermarken; Styx, stiks.
Su, s(j)û, Suabia(n) = Swabia(n).
Suability, siûəbiliti, vervolgbaarheid; Suable, siûəb’l, vervolgbaar (in civiele zaken).
Suakin, swâkin.
Suave, sweiv, swâv, vriendelijk, minzaam, goedig; subst. Suavity, swaviti.
Sub, sɐb (= Subaltern, Subordinate, Substitute); in samenst.: eenigszins, zoowat, onder, lager dan, sub; Subagent; Subbeadle = onderpedèl; Subcommittee; Subdeacon; Subdean; Sub-distinction; Sub-editor = tweede redacteur; Sub-genus = onderverdeeling; Subgovernor; Sub-lieutenant = 2e luitnt. = Second l.; Sub-order = onderverdeeling; Subprior = onderprior; Subrector = conrector; Sub-species = tweede soort; Sub-title; Sub-treasury = depart. v. financiën van sommige Amer. steden; Sub-tutor = ondermeester; Sub-variety = tweede variëteit; Zie verder de afzonderlijke artikelen.
Subacid, sɐbasid, zuurachtig, bijtend, scherp; ook subst.
Subacrid, sɐbakrid, tamelijk scherp.
Subaerial, sɐbəîriəl, onder de lucht.
Subah, sûbə, provincie (Indië); Subahdar, sûbədâ, sûbədâ, gouverneur eener provincie; inlander met kapiteinsrang.
Subalpine, sɐbalp(a)in, onderaan de Alpen.
Subaltern, sɐb’ltɐ̂n, sɐbôltən, subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar of officier onder den rang van kapitein); Subalternate, sɐbəltɐ̂nit, ondergeschikt, opvolgend, afwisselend.
Subaquatic, sɐbekwatik, Subaqueous, sɐbeikwiəs, onder het water (gevormd, levend).
Subaxillary, sɐbaksiləri, onder den oksel.
Subclavian, sɐbkleivj’n, onder het sleutelbeen.
Subconscious, sɐbkonšəs, half bewust.
Subcostal, sɐbkost’l, onder de ribben.
Subcutaneous, sɐbkjuteiniəs, onderhuidsch: Subcutaneous syringe = injectiespuitje.
Subdivide, sɐbdivaid, onder verdeelen; Subdivisible, sɐbdivizib’l, onderverdeelbaar; Subdivision, sɐbdiviž’n, onderafdeeling.
Subdue, sɐbdjû, onderwerpen, onderdrukken, ten onder brengen, overwinnen, temmen, kastijden, verzachten, omwerken: Subdued humour = ingehouden humor; Subduer = overwinnaar, onderwerper.
Suberic, siuberik: Suberic acid, kurkzuur; Suberose, siûbərous, Suberous, siûbərɐs, kurkachtig, zacht, elastisch.
Subjacent, sɐbdžeis’nt, dieper gelegen.
Subject, sɐbdžəkt, subst. onderdaan, onderwerp, thema, cadaver, patient, medium; adj. onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig, genegen: I approached the subject with great predilection = vatte de taak op; To dwell on a subject = er bij stilstaan; Subject to his approval = afhankelijk van zijne goedkeuring; Subject to fits of anger = opvliegend; Subject to my order = te mijner beschikking; To hold subject to a person = ter beschikking houden; Subject-matter = onderwerp van gedachte of gesprek, stof.
Subject, səbdžekt, onderwerpen, blootstellen; Subjection = onderwerping, afhankelijkheid: To bring to subjection; Subjective = subjectief; Subjectivity, sɐbdžəktiviti, subjectiviteit.
Subjoin, səbdžôin, toevoegen, achteraan voegen: I subjoin the following remarks = voeg hier aan toe; Subjoined = hiernevens.
Subjugate, sɐbdžugeit, onder het juk brengen, gekluisterd houden; subst. Subjugation; Subjugator = onderwerper.
Subjunction, səbdžɐŋkš’n, bijvoeging, toevoeging: In subjunction to = verbonden met; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs).
Sublate, səbleit, wegvoeren, verwijderen.
Sublet, sɐblet, onderverhuren.
Sublimate, sɐblimeit, verb. sublimeeren; veredelen; subst. sɐblimit, sublimaat: Our time tries to sublimate away many dogmas = vele leerstukken, al verfijnend en veredelend, te doen verdwijnen; subst. Sublimation.
Sublime, səblaim, adj. verheven; Sublime verb. sublimeeren, gesublimeerd worden; verheffen, veredelen: The sublime = het verhevene; Sublime Porte = de Verheven Porte; From the sublime to the ridiculous there is but one step; Sublimity, səblimiti, verhevenheid: His Sublimity = titel van den Sultan.
Sublunary, sɐblûnəri, ondermaansch, aardsch.
Submarine, sɐbmərîn, onderzeesch; subst. zeeplant (zeedier); ook Submarine boat.
Submerge, sɐbmɐ̂dž, onderdompelen, onder water zetten, overstroomen: The submerged population = de (in den strijd om ’t bestaan) ondergegane bevolking; Submergence = Submersion, sɐbmâš’n = onderdompeling, overstrooming.
Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst. Submissiveness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen of vernederen, voorleggen, aanbieden, beweren: He had to submit to that humiliation = moest zich onderwerpen; I submit this matter to your better judgment = onderwerp; The Governor submitted my name for appointment to the place = gaf mij op ter benoeming; To submit a testimonial = overleggen; He submitted that it was impossible = gaf te kennen, gaf toe.
Submultiple, sɐbmɐltip’l, factor.
Subocular, sɐbokjulə, onder het oog.
Subordinate, sɐbödinit, ondergeschikt, onderhoorig; subst. ondergeschikte, bijzin; Subordinate verb. (sɐbödineit) onderwerpen, ondergeschikt maken; Subordinateness = Subordination = ondergeschiktheid, onderwerping; Breaches of subordination = insubordinatie.
Suborn, sɐbön, omkoopen, tot meineed verleiden: He was hanged unlawfully, the evidence being suborned = aangezien de getuigen omgekocht waren; Subornation = omkooping; gehoorzaamheid: Subornation of perjury = meineed; Suborner.
Subpoena, sɐbpînə, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij niet-verschijning = Writ of subpoena; Subpoena verb. dagvaarden.
Subramose, sɐb-reimous, Subramous, sɐbreiməs, met weinig takken.
Subreption, səbrepš’n, verkrijging op slinksche wijze of door misleiding; Subreptitious = op slinksche wijze verkregen.
Subrogation, sɐbrəgeiš’n, in-de-plaats-stelling, onderschuiving.
Subscapular, sɐbskapjulə, onder het schouderblad.
Subscribe, səbskraib, onderteekenen, inwilligen, (zich) abonneeren (for, to): A gold medal had been subscribed for him by the learned society in acknowledgment of this treatise = was hem vereerd geworden …; I cannot subscribe to this = kan niet onderschrijven; Shall we subscribe to this monthly together? = samen inteekenen op; Subscriber = onderteekenaar, inteekenaar; Subscript = onderteekend; Subscription, səbskripš’n, inteekening, inschrijving, contributie, onderteekening: Subscriptions are invited = inschrijvingen worden ingewacht; Subscription-list = inteekenlijst.
Subsection, sɐbsekš’n, onderafdeeling.
Subsequence, sɐbsikwens, opvolging; Subsequent (to) = later, volgend, opvolgend: She subsequencely stated this = vervolgens.
Subserve, səbsɐ̂v, dienen, bevorderlijk zijn: The bane of criticism frequently is that it subserves interests not its own = dat ze andere belangen dan hare eigene dient; Subservience, Subserviency, səbsɐ̂vj’ns(i), dienstigheid, bevorderlijkheid, nut; Subservient = dienstig, dienstbaar, ondergeschikt: Subservient to your interests = dienstig voor.
Subside, səbsaid, zinken, zakken, bezinken, inzakken; bedaren, ophouden: The children went to bed and so subsided = en kwamen zoo tot rust; He subsided into silence = had niets meer te zeggen; Subsidence, Subsidency, sɐbsidens(i), səbsaidəns(i), zakken, vermindering: The subsidence must be shored up somehow = in de vermindering (verzakking) moet op de eene of andere manier worden voorzien.
Subsidiary, səbsidjəri, hulp …, bijkomend; subst. helper: Subsidiary troops = Subsidiaries = hulptroepen; Subsidize, sɐbsidaiz, subsidieeren; Subsidy, sɐbsidi, subsidie; Subsidies = bijdragen in de oorlogskosten.
Subsist, səbsist, bestaan, leven, bestaan van (on, upon), eigen zijn aan: Man exists, and must subsist on food which should consist of nourishing ingredients = bestaan van … bestaan uit; Subsistence, Subsistency = bestaan, wezen, onderhoud, middel van onderhoud, inherentie: To have subsistence = bestaan; To gain one’s subsistence = den kost verdienen; Subsistent, bestaande, inherent.
Subsoil, sɐbsôil, ondergrond; Subsoil verb. den ondergrond omploegen; Subsoil-plough = ondergrondsploeg.
Substance, sɐbst’ns, zelfstandigheid, stof, werkelijkheid, hoofdbestanddeel, vermogen: That is in substance what he told me = de korte inhoud: Substantial, səbstanš’l, werkelijk, wezenlijk; stevig, deugdelijk, voedzaam, welgesteld, solied, belangrijk, vrij aanzienlijk (Substancials = hoofdzaken): Many substancial citizens maintained order = aanzienlijke burgers; Substancial house = kapitaal huis; Substancial meal = stevig; Substancially correct = in hoofdzaak juist; Substantiality = het wezenlijke, hoofdzakelijke; deugdelijkheid, voedzaamheid, bemiddeldheid = Substantialness; Substantiate, səbstanšieit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He could not substantiate the charge = de beschuldiging niet bewijzen; Substantival, sɐbst’ntaiv’l, sɐbst’ntaiv’l, zelfstandig; Substantive, sɐbst’ntiv, subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several papers have a substantive unity = vormen op zichzelf eene éénheid, vormen een onafhankelijk geheel; A substantive post, rank, work = onafhankelijk, afzonderlijk.
Substitute, sɐbstitjût, subst. plaatsvervanger, surrogaat, remplaçant; Substitute verb. vervangen; Substitution = (plaats)vervanging; adj. Substitutive.
Substratum, səbstreit’m, onderlaag.
Substruction, sɐbstrɐkš’n, Substructure, sɐbstrɐktjə, benedenbouw, fundament.
Subtenant, sɐbten’nt, onderhuurder.
Subterfuge, sàbtəfjûdž, uitvlucht, voorwendsel.
Subterranean, sɐbtəreinj’n, Subterraneous, sɐbtəreiniəs, onderaardsch.
Subtile, sɐ(b)til, fijn, dun, teer, ijl; scherp, sluw, spitsvondig; subst. Subtileness; Subtilization, subst. v. Subtilize, sɐ(b)tilaiz, fijne onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haarklooven; Subtilty, sɐ(b)tilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid, haarklooverij.
Subtle, sɐt’l, slim, listig; Zie Subtile; Subtle-witted = scherpzinnig; subst. Subtleness, Subtlety = fijnheid, slimheid, arglistigheid.
Subtonic, sɐbtonik, stemhebbende medeklinker.
Subtract, səbtrakt, aftrekken, verminderen: That does not subtract from his merit = vermindert niet; Subtracter; Subtraction = aftrekking, vermindering, onttrekking; Subtractive = verminderend, negatief; Subtrahend, sɐbtrəhend, aftrekker.
Suburb, sɐbɐ̂b, voorstad; omtrek (gew. Suburbs); Suburban, səbɐ̂b’n, van de voorstad, plat; subst. bewoner van een voorstad.
Subvene, səbvîn, te hulp komen, bijstaan; Subvention, səbvenš’n, subst. tusschenkomst, rijksbijdrage; Subvention verb. eene (rijks)bijdrage verleenen, steunen.
Subversion, səbvɐ̂š’n, omverwerping; Subversive = omverwerpend: That would be subversive of every rule = zou omvergooien.
Subvert, səbvɐ̂t, omkeeren, het onderstboven keeren, vernietigen, verwoesten; Subvertant, Subverted = omgekeerd (herald.); Subverter = omverwerper; Subvertible = wat omvergeworpen kan worden.
Subway, sɐbwei, onderaardsche (door)gang, tunnel.
Subworker, sɐbwɐ̂kə, sɐbwɐ̂kə, helper.
Succade, səkeid, sukade.
Succedaneous, səksideinjəs, plaatsvervangend; Succedaneum = surrogaat.
Succeed, səksîd, opvolgen, komen na, slagen, verkrijgen, goed afloopen: As darkness succeeds light = zooals de duisternis komt na het licht: Nothing succeeds like success = wie heeft, dien wordt gegeven: He did not succeed in getting the place = slaagde er niet in; He succeeded to the title = volgde op in; That will not succeed with me = gaat niet op bij mij; Nothing succeeds with him = niets gelukt hem; Succeeder.
Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: Success to trade! = leve de handel; He is a social success = hij is zeer gewild in gezelschapskringen; To meet with bad success = mislukken; Successful = gelukkig, subst. Successfulness; Succession = (erf)opvolging, volging op, volgreeks, nakomelingschap; Law (Right) of succession; War of Succession = successieoorlog; By order of succession = het rijtje langs; In succession = achtereenvolgens; Succession-duty = successierecht(en); Succession-sale = verkoop van eene nalatenschap (Amer.); Successional = achtereenvolgend, opvolgend; Successive = achtereenvolgend: On three successive nights = drie avonden achter elkaar; Successor = opvolger, nazaat.
Succination, sɐksineiš’n, het vasten (schertsend van Succi, den Italiaanschen vaster).
Succinct, sɐksiŋkt, kort, bondig, beknopt; subst. Succinctness.
Succinic, sɐksinik: Succinic acid = barnsteenzuur.
Succory, sɐkəri, suikerij, cichorei.
Succotash, sɐkətaš, gerecht van jonge maïs en boonen (Amer.).
Succour, sɐkə, subst. hulp, bijstand, steun, ontzet(ter); Succours = hulptroepen; Succour verb. te hulp snellen, steunen, ontzetten: He ran to my succour = snelde mij te hulp; Succourer; Succourless = zonder hulp; subst. Succourlessness.
Succulence, Succulency, sɐkjulens(i), sappigheid; adj. Succulent.
Succumb, səkɐm(b), bezwijken.
Succursal, səkɐ̂s’l: Succursal church = hulpkerk.
Succussion, səkɐšən, schok.
Such, sɐtš, zoodanig, zulk, zóó: Such a one = zoo een, zoo iemand; Such and such = die en die, eenige: Mr. such a one = mijnheer zoo-en-zoo; No such thing = niets daarvan; Such is life = zoo gaat het in het leven; Such was her virtue, that = zoo groot was; Such as won’t believe me = zij, die; Take such measures as will be effective = neem uwe maatregelen zoodanig, dat ze; Suchlike = dergelijke.
Suck, sɐk, subst. het zuigen, sterke drank, parasiet, kokinje; Suck verb. inzuigen, zuigen, uitzuigen (ook fig.), bedriegen (Amer.), zich vleiend indringen bij (up to): To give suck = zoogen; To suck at a cigar = zuigen aan; Suck in = inzuigen, opslorpen, beetnemen: It was a suck-in = het was beetnemerij; To suck up = opzuigen; Sucker, subst. zuiger (ook van een plant), zuigleer; Suck verb. zuigers uitsnoeien; Sucket = suikerballetje: Sucking: Sucking-bottle; Sucking-bag = dot; zuigflesch; Sucking-calf; Sucking-pig = speenvarken; Sucking-pump; Sucking-valve; Suckle = zoogen; Suckling = zuigeling; Suction, sɐkš’n, zuigen, zuipen, drank: Sucktion-pipe = zuigpijp, zuigbuis; Sucktion-pump = zuigpomp; Suctorial, sɐktôriəl, zuig - -.
Sudan, sûdân; Sudanese.
Sudatorium, siudətôriəm, zweetbad; Sudatory, siûdətəri, zweetkamertje, zweetbad; adj. zweetafdrijvend.
Sudden, sɐd’n, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a (the) sudden, All of a sudden = plotseling, in eens, onverhoeds; subst. Suddenness.
Sudermania, siûdəmeinjə, Sudermanland;
Sudetic, siudetik: Sudetic Mountains.
Sudor, siûdə, zweet; Sudoriferous, zweetverwekkend; Sudorific, zweetafdrijvend (middel).
Suds, sɐdz, zeepsop: We are in the suds = zitten er leelijk in; To leave in the suds = in den steek laten; To make some soapsuds = wat zeepsop.
Sue, sjû.
Sue, siû, aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of schadevergoeding zoeken, eischen, in rechten vervolgen, smeeken: The wife sued her husband on the plea of non-support = diende een aanklacht in op grond, dat de man haar niet onderhield of kon onderhouden; He sued us for damages = eischte schadevergoeding van ons; He sued out a pardon for us = verzocht en verkreeg.
Suet, siûət, nierenvet; adj. Suety.
Suez, sûəz: Suez Canal.
Suff, sɐf = Suffragette.
Suffer, sɐfə, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf ondergaan, boeten: We suffered chains for religion’s sake = we droegen ketenen; To suffer a change = ondergaan; To suffer losses = lijden; To suffer punishment = ondergaan; To suffer a reverse = tegenspoed hebben; To suffer wrong = lijden; You will have to suffer for it = er voor moeten boeten; Don’t suffer yourself to be fooled = laat je niet versukkelen; Sufferable = draagbaar, toelaatbaar; Sufferance = smart, ellende, lijden, dulden, toestemming of verlof: He is here on sufferance = wordt hier geduld; Sufferer = lijder, dulder, die toelaat: You’ll be the sufferer = zult er het slachtoffer van worden; To be a sufferer by = bij iets verliezen, te kort komen; Suffering = het lijden, verlies.
Suffice, səfais, səfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: Suffice it to say = het zij voldoende te zeggen; Sufficiency, səfiš’nsi, voldoendheid, genoegzaamheid, voldoende voorraad, voldoende geschiktheid; Sufficient = voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt, deugdelijk: Sufficient in law = rechtsgeldig; Sufficient reason = voldoende reden; You have done sufficient to deserve a dinner = genoeg; Sufficient unto the day is the evil thereof = elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad (Matth. VI, 34).
Suffix, sɐfiks, achtervoegsel.
Suffix, səfiks, achtervoegen; subst. Suffixion.
Suffocate, sɐfəkeit, (doen) stikken, smoren: It was suffocatingly hot there = stikkend heet; Suffocation = verstikking: Crammed to suffocation = stikvol; Suffocative = stikkend.
Suffolk, sɐfək.
Suffragan, sɐfrəgan, subst. en adj. suffragaan: Suffragan bishop = onderbisschop, wijbisschop.
Suffrage, sɐfridž, stem; kiesrecht, stemming, goedkeuring: Extension of the suffrage = uitbreiding; Female suffrage; Household suffrage = huismanskiesrecht; Universal suffrage; An advocate of woman (women’s) suffrage = voorstander van het vrouwenkiesrecht; Suffragette, sɐfrədžet, (hartstochtelijke) voorstandster v. het kiesrecht v. vrouwen; Suffrage verb. manifesteeren; Suffragist = voorstander van vrouwenkiesrecht.
Suffuse, səfjûz, overgièten, spreiden over: She was all suffused with blushes = blosjes kleurden hare kaken; Suffusion = verspreiding over, overgièting, blos.
Sugar, šugə, suiker, vleierij, geld; adj. van suiker; Sugar verb. besuikeren, vergulden (fig.): Powdered sugar = poedersuiker; Refined sugar; A glass of sugar and water = suikerwater; Sugar of lead = loodsuiker; I am not made of sugar (-plums) = niet poeslief; We sugared the trees = bestreken de boomen met een mengsel van rum en stroop (om daardoor de nachtvlinders te lokken en te vangen); Sugar-baker = suikerwerker; raffinadeur; Sugar-basin = suikerpot; Sugar-beet = suikerbiet; Sugar-candy = kandijsuiker; Sugar-cane = suikerriet; Sugar-caster = strooier; Sugar-house = suikerraffinaderij; Sugar-loaf = suikerbrood; Sugar-loaf hat = hoed in den vorm van een suikerbrood; Sugar-loaf waves = korte golven; Sugar-louse = Sugar-mite; Sugar-maple = suikerahorn; Sugar-mill = suikerfabriek, suikermolen; Sugar-mite = suikerworm; Sugar-orchard = aanleg van Sugar-maples; Sugar-planter = suikerplanter; Sugar-plantation = suikerplantage; Sugar-plum = suikerboon; vleierij, lievigheid; Sugar-refiner = suikerraffinadeur; Sugar-refinery = suikerraffinaderij; Sugar-spirit = rum; Sugar-tongs = suikertangetje; Sugariness, subst. v. Sugary = zoet, suikerachtig; Sugarless.
Suggest, sədžest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen, suggereeren; Suggestion = ingeving, wenk, aansporing, inblazing, suggestie: At this suggestion the man immediately withdrew = toen hij dit hoorde (toen dit geopperd werd); I did it on your suggestion = op uw wenk of raad; Suggestive = opperend, een wenk gevend, wijzend (duidend) op, veelbeteekenend: Yours is a very suggestive present = veelbeteekenend, toepasselijk; To be suggestive of = wijzen op; In a French comedy suggestiveness is expected = kan men gewaagde toespelingen verwachten.
Suicidal, siûisaid’l: Suicidal problem = zelfmat (schaakspel); Suicidal thoughts = gedachten van (aan) zelfmoord; Suicide, siûisaid, zelfmoord (ook fig.), zelfmoordenaar: To suicide oneself (= To commit suicide); To be suicided = zelfmoord laten begaan; Suicidism, siûisaidizm, neiging tot zelfmoord.
Suit, siût, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel, kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding; Suit verb. passen, voegen, betamen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: Civil suit = civiel proces; Criminal suit = strafzaak; A suit of armour = complete wapenrusting; A suit of mourning = rouwpak; The housemaid gave notice, and the cook followed suit = en de keukenmeid eveneens; I played diamonds, and he could not follow suit = kon niet bekennen; Suit yourself = zooals je wilt; That will exactly suit me, suit me down to the boots (ground) = dat is net wat ik hebben moet; He suited the action to the word = voegde de daad bij het woord; Such a behaviour does not suit you = voegt u niet; Suitability, subst. v. Suitable = gepast, voegzaam, geschikt; subst. Suitableness.
Suite, swît, gevolg, reeks, stel: Suite of furniture = ameublement; A suite of rooms = eene suite.
Suitor, siûtə, verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces.
Suk(e)y, s(i)ûki, theeketel; ook verk. van Susan.
Sulcate(d), sɐlkit (sɐlkiteitid), gegroefd, gespleten; Sulcus, sɐlkəs, voor, groef.
Sulk, sɐlk, subst. booze luim: Sulk verb. in kwade luim zijn, pruilen: To be in a sulk (the sulks) = uit zijn humeur; He stood out against her sulks and pouts = gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen; Sulkiness, subst. v. Sulky = gemelijk, pruilend.
Sulky, sɐlki, licht tweewielig karretje bij wedrennen: Sulky harrow = eg met zitplaats voor bestuurder.
Sullen, sɐl’n, gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, vijandig, onaangenaam, eigenzinnig, halsstarrig, langzaam, traag, onheilspellend: Sullens = kwade bui; subst. Sullenness.
Sully, sɐli, subst. smet, vlek; Sully verb. besmetten, bemorsen, bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = bezoedelt uwe eer.
Sulphonal, sɐlfən’l, sulfonal.
Sulphur, sɐlfə, zwavel; Sulphur verb. met zwavel verbinden (bestrooien), zwavelen; Sulphur-springs = heete zwavelbronnen; Sulphurate, sɐlfjureit, met zwavel verbinden, zwavelen; subst. Sulphuration, sɐlfjureiš’n; Sulphureous, sɐlfjûriəs, zwavelig, zwavelhoudend; subst. Sulphureousness; Sulphuretted = gezwaveld: Sulphuretted-hydrogen = zwavelwaterstof; Sulphuric, sɐlfjûrik, zwavel …: Sulphuric acid = zwavelzuur; Sulphurization, subst. v. Sulphurize, zwavelen, vulcanizeeren.
Sultan, sɐlt’n, Sultan; Sultana, sɐltânə, sɐlteinə, sultane; Sultanate, sɐltənit, sultanaat; Sultaness = Sultana; Sultanic, sɐltanik, van een sultan; Sultanship.
Sultriness, sɐltrinəs, subst. v. Sultry, sɐltri, drukkend, zwoel.
Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; Sum verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) sum = ronde; The civil engineer’s advances are great in the sum = de vooruitgang van den civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; That is the total sum of my experiences = het totaal; The sum and substance = korte inhoud; To do (make, work) a sum = maken; He is good at sums = kan goed sommen maken; He could not do a sum in large divisions, in multiplication = geene groote deelingen en vermenigvuldigsom maken; It can’t be summed up in two words = laat zich niet zeggen; The judge’s summing-up was lucid and impartial = ’s rechters resumé van het verhoor en de pleidooien.
Sumac(h), siûmak, sumak, pruikenboom.
Sumatra, sumâtrə; Sumatran = (bew.) van S.
Summarily, sɐmərili, in ’t kort, summier; Summarize = resumeeren; Summary, sɐməri, subst. korte inhoud, kort begrip, resumé; adj. beknopt, kort, snel, afgedaan: The judge gave a summary of the case = summing-up.
Summation, səmeiš’n, het samentellen.
Summer, sɐmə, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel, groote steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj. zomer.…, zomersch; Summer verb. den zomer doorbrengen, den zomer door laten weiden: We went for a brief summering in the country = voor een kort tijdje in den zomer buiten wonen; To summer and winter a person = van haver tot gort kennen; Indian summer = nazomer (in N. Amer.); St. Luke’s summer = St. Martin’s summer = zacht en mooi najaarsweer, voorspoed na ongelukken en rampen; One swallow does not make a summer; Summer-colts = golvende trillingen van heete lucht nabij den grond; Summer-fallow, subst. braakliggend land in den zomer; Summer verb. in den zomer braak laten liggen; Summer-house = tuinhuisje, zomerverblijf; Summer-lightning = weerlichten; Summer-time = zomertijd; Summer-wheat = zomertarwe; Summering = vroege appel of peer; Summery = zomersch.
Summerset, sɐməset, Summersault, sɐməsôlt, buiteling.
Summit, sɐmit, top, kam, kruin, hoogste punt; Summit-level = hoogste punt van eene spoorbaan, een kanaal, etc.
Summon, sɐm’n, oproepen, dagvaarden, opeischen, zenden om; Summon verb. dagvaarden: Summons, subst. dagvaarding; A summons was issued (taken out) against him = hij werd voor het gerecht gedaagd; To serve a summons on = een dagvaarding beteekenen; Summons me for that if you like = dagvaard me hiervoor; To summon up one’s courage = zich vermannen; Summoner = deurwaarder.
Sump, sɐmp, poel, mijnput, smeltkroes.
Sumph, sɐmf, domkop; plof.
Sumpter, sɐmptə, subst. pakpaard = Sumpter-horse.
Sumptuary, sɐm(p)tjuəri, de uitgaven betreffende: Sumptuary edict, law = wet tegen te groote weelde; Sumptuous, sɐm(p)tjuəs, kostbaar, duur, weelderig, prachtig; subst. Sumptuousness.
Sun, sɐn, subst. zon, zonneschijn, zonsopgang(ondergang); Sun verb. in de zon warmen, drogen of zitten: The sun rises, declines, sets, goes down = de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the sun very much in his eyes = was erg dronken; I have got a touch of the sun = lichte zonnesteek; There is no new thing under the sSun = niets nieuws onder de zon; Sun-beam = zonnestraal; Sun-bird = zonnevogel; Sun-blind = zonneblind; Sun-bonnet = dames zomerhoed; Sun-bronzed; Sun-burn = roode vlek van het verbranden door de zon; Sun-burnt = door de zon verbrand, met sproeten; Sun-clad = in stralen gehuld; Sun-dew = zonnedauw; Sundial = zonnewijzer; Sundown = zonsondergang (Amer.) = Sunset(ting); Sun-dried = in de zon gedroogd; Sunfish = zonne(maan)visch; Sun-flower = zonnebloem; Sun-glass = brandglas; Sun-god; Sun-hat; Sun-heat; Sunlight = zonnelicht; Sunlit = verlicht door de zon; Sun-myth = zonnemythe; Sun-ray; Sunrise, Sunrising = zonsopgang, Oosten; Sun-rose = zonnekruid; Sunset gun = het avondschot; Sunshade = parasol, zeil of scherm; Sunshine = zonneschijn, voorspoed, opgewektheid: To be in the sunshine = beneveld zijn; Sunshiny = zonnig, schitterend; Sun-spot = zonnevlek; Sunstricken, Sunstruck = door een zonnesteek getroffen; Sunstroke = zonnesteek; Sun-up = zonsopgang (Amer.); Sunless = zonder zon, beschaduwd; Sunlike; Sunniness, subst. v. Sunny = zonnig, opgewekt, blijde: Sunny eyes = vriendelijke oogen; I am on the sunny side of fifty = ik ben nog geen vijftig.
Sunday, sɐnd(e)i, Zondag: A month of Sundays = lange en onbepaalde tijd; He was dressed in his Sunday best = in zijne mooie Zondagsche kleeren; Sunday citizen = zondagswandelaar; Sunday-out = uitgaanszondag; Sunday-school = Zondagsschool.
Sunder, sɐndə, verb. scheiden, verdeelen; subst. slechts in de uitdrukking: In sunder = vanéén, in tweeën.
Sundified, sɐndifaid, op zijn Zondags.
Sundries, sɐndriz, diversen: Dealer in sundries = in galanterieën; Sundry = verscheidene, verschillende: All and sundry = alle gezamenlijk.
Sung, sɐŋ, part. perf. van to sing.
Sunk, sɐŋk, part. perf. van to sink; Sunken battery = verdekt opgestelde; Sunken face = ingevallen; Sunken rock = blinde klip.
Sun(n), sɐn, Indische hennepplant; Sunn-hemp.
Sunna, sɐnə, alle voorschriften van Mohamed die niet in den Koran staan; Sunnites, sɐnaits, orthodoxe Mahomedanen.
Sup, sɐp, subst. slokje; Sup verb. slurpen, soupeeren, een avondmaal verschaffen: I supped and dined them for several weeks = ik zorgde voor hun avond- en middagmaal; We supped on cold beef = wij hadden koud rundvleesch voor het avondeten.
Super, siûpə, verk. van Supernumerary.
Superable, siûpərəb’l, wat te overkomen is, overwinbaar.
Superabound, siûpərəbaund, ruim, overvloedig zijn (met with); Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg.
Superadd, siûpərad, nog eraan toevoegen; Superaddition = het bijvoegen of bijgevoegde.
Superannuate, siûpəranjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt maken, zijn of verklaren, pensionneeren; Superannuated = verjaard, uitgediend, gepensionneerd: Superannuated officer; Superannuated spinsters = oude vrijsters; Superannuation, siûpəranjueiš’n, ongeschiktheid, pensionneering, pensioen; Superannuation act; Superannuation fund; Superannuation money (allowance).
Superb, siupɐ̂b, grootsch, prachtig, rijk, voortreffelijk; subst. Superbness.
Supercargo, siûpəkâgou, supercargo (scheepsterm).
Superciliary, siûpəsiljəri, boven de wenkbrauw(en); Supercilious, siûpəsiljəs, trotsch, aanmatigend, verwaand; subst. Superciliousness.
Supereminence, siûpəreminens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Supereminent.
Supererogation, siûpərerougeiš’n: Doctrine of Supererogation = leer, dat de goede werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke Christenen ten goede komen; Works of supererogation = vrijwillige werken (boven hetgeen God van den Christen eischt), die den medechristenen ten goede komen; Supererogatory = meer dan de plicht eischt.
Superexcellence, siûpəreksəlens, buitengewone voortreffelijkheid; adj. Superexcellent.
Superficial, siûpəfiš’l, oppervlakkig, ondiep: Superficial measure = vlaktemaat; Superficiality, siûpəfišaliti = Superficialness; Superficies, siûpəfišîz, oppervlakte, buitenkant.
Superfine, siûpəfain, allerfijnst; subst. Superfineness.
Superfluity, siûpəflûiti, overtolligheid, overdaad; Superfluous, siupɐ̂fluəs, overtollig, overdadig; subst. Superfluousness.
Superfrontal, siûpəfrɐnt’l, altaarlaken dat over het frontaal hangt.
Superheat, siûpəhît, oververhitten.
Superhuman, siûpəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Superincumbent, siûpərinkɐmb’nt, liggende op.
Superinduce, siûpərindjûs, bij- of toevoegen; subst. Superinduction.
Superintend, siûpərintend, het toezicht hebben op, controleeren; Superintendence, Superintendency = oppertoezicht; Superintendent = opzichter, inspecteur, directeur: Lady Superintendent = directrice; Superintendentship.
Superior, siupîriə, subst. meerdere, superieur; adj. hooger, boven, opper, meer, verhevener: Superior courts = opperste gerechtshoven (Common Pleas, Exchequer en Queen’s Bench); Superior force (strength) = overmacht; Superior planets = planeten verder van de zon dan de aarde; To be superior to = staan boven; Superiority, siupîrioriti, meerderheid, voorrang, overmacht: Air of superiority.
Superjacent, siûpədžeis’nt, liggende op (Geol.).
Superlative, siupɐ̂lətiv, overtreffende, ongemeen, zeer voortreffelijk; subst. overtreffende trap; subst. Superlativeness.
Supernacular, siûpənakjulə, heerlijk, lekker; Supernaculum, siûpenakjul’m, voortreffelijke drank, nagelproef: To drink supernacular = een nagelproef doen.
Supernal, siupɐ̂n’l, bovenste, hemelsch: She was supernal in intelligence = haar geest was superieur.
Supernatural, siûpənatšər’l, bovennatuurlijk, supernaturalistisch; Supernaturalism = bovennatuurlijke toestand, supernaturalisme; Supernaturalist; Supernaturalistic; Supernaturality = Supernaturalness.
Supernumerary, siûpənjûmərəri, subst. ambtenaar of officier boven de formatie; figurant; adj. boven een bepaald getal.
Superpose, siûpəpouz, leggen op; adj. Superposition.
Superroyal, siûpərôiəl, formaat papier (49 bij 70 cM.; Amer. 56 bij 71 cM.).
Supersaturate, siûpəsatjureit, oververzadigen; subst. Supersaturation.
Superscribe, siûpəskraib, schrijven op of boven, adresseeren; Superscription = opschrift, adres.
Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen, vervangen, noodeloos maken: To be superseded in the command = van het bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, bevel tot opschorting of schorsing; Supersedure, siûpəsîdjə, opschorting, afschaffing, schorsing.
Supersensible, siûpəsensib’l, bovenzinnelijk = Supersensual, siûpəsenšuel.
Supersession, siûpəseš’n = Supersedure.
Superstition, siûpəstiš’n, bijgeloof, bijgeloovigheid, òverpreciesheid; Superstitious = bijgeloovig, overprecies, nauwgezet: Superstitious practices, uses = bijgeloovige praktijken; subst. Superstitiousness.
Superstratum, siûpəstreit’m, bovenste laag.
Superstructure, siûpəstrɐktjə, bovenbouw.
Superterrestrial, siûpətərestriəl, bovenaardsch.
Supervene, siûpəvîn, bijkomen, onverwacht gebeuren of er tusschen komen, verrassen; Supervenient, siûpəvînj’nt, bijkomend; subst. Supervention.
Supervise, siûpəvaiz, het toezicht hebben of houden op, inspecteeren; Supervision, siûpəviž’n, opzicht, toezicht: Under police supervision (Supervision of the police) = onder voortdurend politietoezicht; Supervisor, siûpəvaizə, opziener, inspecteur; Supervisory power = bevoegdheid om toezicht te houden.
Supination, siûpineiš’n, achteroverligging, ligging v. de hand met de palm naar boven.
Supine, siûpain, supinum (gramm.).
Supine, siupain, achteroverliggend, hellend; onverschillig, werkeloos; subst. Supineness.
Supper, sɐpə, subst. avondeten, avondmaal: We have partaken of the Lord’s Supper = aan het Avondmaal deelgenomen: Supper-time = tijd van avondeten; Supperless: To go supperless = geen avondeten krijgen.
Supplant, səplânt, verdringen, verdrijven, den voet lichten; subst. Supplantation; Supplanter.
Supple, sɐp’l, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig, kruipend; Supple verb. buigzaam en lenig maken of worden, buigen (fig.), afrijden, zich schikken; Supple-jack = gladbladige paulinia; sterke en lenige wandelstok; subst. Suppleness.
Supplement, sɐpliment, subst. toevoegsel, aanvulling, supplement, toelage; Supplement verb. aanvullen (sɐpliment); Supplemental, Supplementary, sɐpliment’l, sɐplimentəri, aanvullend, bijvoegend, bijgevoegd.
Suppliant, sɐpliənt, Supplicant, sɐplikn’t, subst. smeeker, nederig verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, sɐplikeit, smeeken, vragen, bidden: Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory = smeekend.
Supplier, səplaiə, verzorger, leverancier; Supply, səplai, subst. aanvulling, bijdrage, aanbod, voorziening, voorraad, versterking, vervanger; Supply verb. aanvullen, verschaffen, voorzien, leveren, verzorgen, de plaats vervullen van: Demand and supply = vraag en aanbod; Supplies = benoodigdheden, versterking, toevoer, voorraad, de door het parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies were voted = de gelden werden toegestaan; They were supplied with the necessaries of life = voorzien van; Will you supply my place for a while? = mij vervangen; To supply a (felt) want = in eene (gevoelde) behoefte voorzien.
Support, səpöt, subst. ondersteuning, onderstand, hulp, steun, onderhoud, verzorging, stut, onderstel, statief, voet, begeleiding; Support verb. steunen, onderhouden, stutten, helpen, uithouden, volhouden, verdedigen, (goed) spelen, begeleiden, leven, lijden, dulden: He cannot support himself = zichzelf niet onderhouden; Sugar supports itself = is vast; I won’t support such insults = niet verdragen; Support arms = schouder ’t geweer; Supportable = verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; subst. Supportableness; Supporter = steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, verband, schilddrager (Herald).
Supposable, səpouzəb’l, onderstelbaar, vermoedelijk; subst. Supposableness.
Suppose, səpouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen, onderstellingen maken: Let it be supposed that… = laten we aannemen, dat …; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; Suppose we go = zouden we niet eens gaan?; That being supposed = in deze veronderstelling; They are soldiers, I suppose = het zullen wel zijn; I suppose = niet waar?
Supposition, sɐpəziš’n, onderstelling, stelling, gissing, vermoeden: Suppositional, sɐpəzišən’l, vermoedelijk; Supposititious, səpozitišəs, ondergeschoven, onecht, nagemaakt, valsch: Supposititious case = aangenomen of ondersteld geval; A supposititious child = ondergeschoven; The supposititious joys of basking in luxury = het twijfelachtig genot; subst. Supposititiousness; Suppositive, səpozitiv, subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend.
Suppository, səpozitəri, zet- of steekpilletje.
Suppress, səpres, onderdrukken, dempen, verhelen, weglaten, stelpen, stoppen, opheffen: The circulation of the letters was suppressed = werd verhinderd; Suppresser; Suppressible = onderdrukbaar; Suppression = onderdrukking, weglating, verheling, stopping: The suppression of one letter may give an entirely different sense = het weglaten van eene letter; Suppressionist = voorstander van onderdrukking (van den handel in sterke dranken); Suppressive = onderdrukkend, verbergend; Suppressor.
Suppurate, sɐpjureit, zweeren, etteren; Suppuration = het etteren, etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel).
Supra, siûprə, (in samenst.) boven, aan de andere zijde: Supra-axillary = boven den oksel; Supraclavicular = boven het sleutelbeen; Supracostal = boven of op de ribben; Supralapsarian = voorstander van een Calvinistische leer die de verkiezing vóór den zondenval stelt; Supramaxillary = boven de kaken; Supramundane = bovenaardsch, hemelsch; Suprarenal = boven de nieren; Suprascapular(y) = boven het schouderblad.
Supremacy, siupreməsi, oppermacht: Oath of Supremacy = eed waarbij de oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke zaken erkend wordt.
Supreme, siuprîm, hoogste, opperste: The Supreme = de Allerhoogste; His will ought to be supreme = zijn wil moet het hoogste zijn; Supreme command = opperbevel; Supreme Court of Judicature = het in 1875 gevestigde hof, waarin de High Court of Chancery, Courts of Queen’s Bench, Common Pleas, Exchequer en het High Court of Admiralty, Court of Probate for Divorce and Matrimonial Cases en London Court of Bankruptcy werden vereenigd; het bestaat uit twee afdeelingen: het High Court of Justice en het Court of Appeal; Supreme folly = grootste dwaasheid; To rule supremely = de opperheerschappij hebben.
Sura, sûrə, hoofdstuk van den koran.
Surah, s(j)ûrə, soort van zijden stof.
Sural, siûr’l, kuit …
Surat, sûrat, sûrât, grof katoen (Voor-Indië).
Surbase, sɐ̂beis, lijstwerk langs een zuilvoet; Surbased, sɐ̂beist: Surbased arch = elliptisch gewelf.
Surcease, sɐ̂sîs, subst. ophouding, dood, staking; Surcease verb. ophouden, een einde maken aan.
Surcharge, sɐ̂tšɐ̂dž, overladen, te veel vragen, oververhitten; subst. overlading, overvraging, strafport, oververhitting, 2de of 3de hypotheek; Surcharger.
Surcingle, sɐ̂siŋg’l, sɐ̂siŋg’l, zadelgordel, riem; Surcingle verb. met een gordel(riem) bevestigen.
Surcoat, sɐ̂kout, overjas, wapenrok.
Surd, sɐ̂d, subst. onmeetb. grootheid, zooals √ 2; adj. stemloos (van medeklinkers), onmeetbaar.
Sure, šuə, zeker, ongetwijfeld, onfeilbaar: As sure as death and taxes = zoo zeker als 2 × 2; As sure as a gun = zoo zeker als wat = As sure as can be; He is a good fellow to be sure = buiten kijf; I am sure I shall not go = ik ga bepaald niet; I am sure I don’t know = ik weet het heusch niet; I won’t be sure = ik durf het niet zeker zeggen; He is sure not to come = hij komt bepaald niet; Be sure not to forget = denk er om; That’s sure enough = dat is vast en zeker; That’s him, sure enough = hij is het waarachtig; I will make sure where he is = mij vergewissen; Surefooted = vast van voet, stevig op de beenen, vertrouwbaar; subst. Surefootedness; I can do that surely = dat mag ik toch wel doen, he? Sureness = zekerheid; Surety = veiligheid, zekerheid, pand, borgtocht, gerustheid: Of a surety = zeer zeker; I’ll be surety for you, be your surety = voor u instaan, borg voor u zijn; To stand surety = borg blijven; Suretyship = het borg zijn, borgschap.
Surf, sɐ̂f, branding; Surf-boat = boot om mee door de branding te varen; Surf-duck (-scoter) = brileend; adj. Surfy.
Surface, sɐ̂fis, subst. oppervlakte, buitenkant, uiterlijk, vlak; adj. oppervlakkig (= Surface-deep); Surface verb. eene zachte oppervlakte geven, glad wrijven: Her information is of the most surface kind = is zoo oppervlakkig mogelijk; Surface-man = wegwerker, lijnopzichter; Surface-survey = landmeten; Surface-water = overdag van de oppervlakte der aarde in een mijn dringend water.
Surfeit, sɐ̂fit, subst. overlading, walging; Surfeit verb. (zich) de maag overladen; oververzadigd zijn: Surfeited with too much appetite = overladen (volgepropt) door.
Surge, sɐ̂dž, subst. groote golf, stortzee; Surge verb. golven, hooge baren vormen, een touw laten schrikken (scheepst.): The audience surged down the corridors = stroomde.
Surgeon, sɐ̂dž’n, heelmeester, chirurg: Royal College of Surgeons = Surgeons’ Hall = Kon. Instituut ter examineering van chirurgen; Surgeoncy = betrekking van arts (in leger of vloot); Surgery = heelkunde, operatiekamer, spreekkamer en apotheek van een dokter; Surgical, sɐ̂džik’l, heelkundig: Surgical instruments = chirurgische instrumenten.
Suricate, siurikeit, palm eekhorentje.
Surinam, sûrinâm, Suriname.
Surliness, sɐ̂linəs, subst. v. Surly, sɐ̂li, norsch, knorrig, gemelijk, afsnauwend.
Surmise, sɐ̂maiz, subst. vermoeden, gissing, argwaan; Surmise verb. vermoeden, onderstellen; Surmiser.
Surmount, sɐ̂maunt, te boven komen, overwinnen: A heavy gilt club surmounted by a crown = met een kroontje er op; A weathercock-surmounted cupola = koepeltje met een weerhaan er op; Surmountable = overkomelijk, verwinbaar; Surmounter.
Surmulot, sɐ̂mjulot, groote woudrat.
Surname, sɐ̂neim, subst. familienaam, bijnaam; Surname verb. ook sɐ̂neim, een bijnaam geven, bij een bijnaam noemen.
Surpass, sɐ̂pâs, overtreffen, te boven gaan: Surpassable = overtrefbaar; Surpassing = uitstekend, buitengewoon: A maiden of surpassing beauty = van weergalooze schoonheid.
Surplice, sɐ̂plis, koorhemd, stool.
Surplus, sɐ̂pləs, subst. overschot, toegift; adj. overtollig: In surplus = bovendien; Surplusage, sɐ̂pləsidž, overschot, groot aantal, overtolligheid: He has a surplusage of daughters = eene heele collectie.
Surprise, sɐ̂praiz, subst. verrassing, overrompeling; Surprise verb. overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: By surprise = bij verrassing; That was a surprise to me = dat verraste me zeer; I am surprised at what you say = ik ben getroffen; The beggars surprised Brielle = verrasten; To surprise oneself = zich betrappen op; Surprise-party (in Amerika) = een troepje personen, dat ongenood in het huis van een gemeenschappelijken vriend komt, en waarvan ieder zijne bijdrage voor een souper levert; Surprise-visit = onverwacht (inspectie)bezoek; Surpriser; Surprising = verbazingwekkend, buitengewoon; subst. Surprisingness.
Surrebut, sɐ̂ribɐt, voor de vijfde maal repliceeren (jur.); Surrebutter = vijfde wederantwoord; Surrejoin, sɐ̂ridžôin, voor de derde maal repliceeren; Surrejoinder = derde wederantwoord.
Surrender, sərendə, subst. overgave, uitlevering; Surrender verb. overgeven, uitleveren, afstaan, afstand doen, zich overgeven (aan): The town surrendered to the enemy at discretion = gaf zich over; To surrender upon terms = op voorwaarden; surrenderer.
Surreptitious, sɐrəptišəs, op slinksche wijze, bedriegelijk, heimelijk: Surreptitious edition = nadruk.
Surrey, sɐri.
Surrogate, sɐrəgit, subst. plaatsvervanger; Surrogateship.
Surround, səraund, subst. soort buffeljacht door omsingeling, de keten van jagers die omsingelt; Surround verb. omringen, omsingelen, insluiten: Surrounding country = Surroundings = omgeving: London and its surroundings = zijne omgeving.
Sursolid, sɐ̂solid, vijfde macht v. een getal.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasting.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasten.
Surtout, sɐ̂tût, overjas.
Surveillance, sɐ̂veil(j)’ns, toezicht.
Survey, sɐ̂vei, overzicht, inspectie, taxatie, meting; douanedistrict (Amer.): He took a survey of the matter = nam op, onderzocht.
Survey, sɐ̂vei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen, scherp onderzoeken, meten (van land), peilen; Surveying-chain = meetketting; Surveyor = opziener, opzichter, administrateur, landmeter; verificateur (Amer.); Surveyorship.
Survival, sɐ̂vaiv’l, het overlèven, het blijven bestaan, in leven blijven, laatst overgeblevene, overblijfsel: Survival of the fittest = het overlèven van de krachtigste individuen.
Survive, sɐ̂vaiv, overlèven, nog leven, in leven blijven: He will survive his next birthday = zal nog halen; They are all dead, but he survives = hij is er nog; Those who survive = de overlèvenden; Surviver, Survivor = langstlevende: The survivors of the wreck = zij die er het leven hebben afgebracht; Survivorship = voordeel, dat den langstlevende toevalt.
Susan, sûz’n, siûz’n, Suzanne, Suze; Susanna, s(j)uzanə, Susanna.
Susceptibility, səseptibiliti, subst. v. Susceptible, səseptib’l, vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; Susceptibleness = teergevoeligheid; Susceptive, səseptiv, vatbaar, toegankelijk; subst. Susceptiveness.
Suspect, səspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen, achterdocht koesteren, vreezen; subst. een verdacht persoon; Suspected = verdacht; subst. Suspectedness; Suspecter.
Suspend, səspend, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen ophouden, staken, suspendeeren, stremmen: The lamp was suspended by a chain to the ceiling = hing; To suspend hostilities = schorsen; I wish to suspend my judgment = op te schorten; The officer was suspended = de ambtenaar werd geschorst; The firm suspended payment = staakte hare betalingen; To stand suspended = weifelen, in tweestrijd zijn; Suspenders = kous-ophouders, bretels: Suspenders they were called, braces not being a parliamentary word = ze werden suspenders genoemd, aangezien braces niet fatsoenlijk is; Suspense, səspens, onzekerheid, besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal suspense = in doodelijken angst; To keep in suspense = in spanning of onzekerheid laten; Suspensible = zwevend; Suspension, səspenš’n, (op)hanging, ophouding, opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing, stremming, staking: Suspension of arms, of hostilities = eene staking der vijandelijkheden, een wapenstilstand; Suspension of pain; Suspension of payment; Suspension-bridge = hang- of kettingbrug; Suspensive = twijfelachtig, onzeker; Suspensor = breukband; suspensoir, zaadstreng; Suspensory = hangend, dragend.