A. (continued 2)
Reading edition
Archon, âk’n, Archont; Archonship = ambt van A; adj. Archontic.
Arctic, âktik, noordelijk; koud: Arctic circle = Noordpool(cirkel); Arctic expedition.
Ardency, âd’nsi, vuur, drift, ijver.
Ardennes, âden, (de) Ardennen.
Ardent, âd’nt, vurig, volijverig; Ardent spirits = alcoholische dranken; My most ardent wish = vurigste.
Ardour, âdə, vuur, gloed, ijver.
Arduous, âdjuɐs = steil; moeielijk; Arduousness, steilheid, etc.
Are, ɐ̂, Teg. tijd, meerv. van to be = zijn; subst. are = 119,6 vierk. yards.
Area, êriə, oppervlakte, gebied, terrein; de ruimte vóór een sousterrain in Engelsche huizen, die van de straat door een hek langs eene trap toegang geeft tot de keuken, etc.; Area-bell = keukenbel; Area-sneak = (insluip)dief.
Arena, ərînə, arena.
Arenaceous, arineišəs, zandig, brokkelig, dor; Arenarious, zandig; Arenose, arinous, arinous.
Areometer, ariomətə, areometer.
Areopagus, ariopəgɐs, Areopagus.
Argent, âdž’nt, zilverkleurig; subst. zilver, zilverwitte kleur; Argental, zilveren, zilverhoudend; Argentan = nieuw zilver; Argentiferous = zilverhoudend; Argentine, âdž’nt(a)in, zilveren, luidklinkend; Argentijnsch; subst. verzilverd nieuwzilver; zilvervisch; Argentijn; Argentina, Argentinië.
Argle-bargle, âg’lbâg’l = redetwisten.
Argonaut, âgənôt, Argonaut; nautilus.
Argosy, âgəsi, karaak.
Arguable, âgjuəb’l, bewijsbaar; betwistbaar; Argue, âgju, redeneeren, redetwisten, debatteeren, getuigen van, overreden: It was no use to argue the point = bespreken; He argued me into = bracht mij door overreding tot; Argument, âgjument, argument, bewijs, bewijsgrond; onderwerp eener discussie; hoofdinhoud: Don’t start an argument = begin geen discussie; Argumentation = bewijsvoering; Argumentative = bewijzend, logisch; polemisch; subst. Argumentativeness.
Argus, âgəs, Argus: Argus-eyes; Argus-eyed.
Argyle, âgail, stad.
Aria, âriə, aria.
Arian, êriən, Ariaansch; subst. een aanhanger van Arius; Arianism, Arianisme.
Arid, arid, dor, onvruchtbaar; Aridity, dorheid, etc. = Aridness.
Ariel, êriəl; Aries, êriîz, Ram (sterrenb.); rammei.
Aright, ərait, recht: To set aright = recht zetten, in orde brengen.
Arise, əraiz, opstaan, zich verheffen, verschijnen, ontstaan; zich verzetten (against).
Arista, əristə, baard (der korenaren); stekel.
Aristarch, aristâk, Aristarch.
Aristocracy, aristokrəsi, aristocratie; Aristocrat, aristəkrat, aristəkrat; Aristocratic(al), aristocratisch.
Aristotelean, Aristotelian, aristətîliən = van Aristoteles (Aristoteles of Aristotle) = Aristotelic.
Arithmetic, ərith-mətik, rekenkunde, rekenboek, rekenen, getalleer: Commercial (Mercantile) Arithmetic = handelsrekenen; Mental arithmetic = uit ’t hoofd rekenen; Arithmetic(al), arithmetik(’l), rekenkundig; Arithmetician, rekenaar; Arithmometer = rekenmachine.
Ark, âk, ark; het biezen mandje, waarin Mozes lag; soort platboomd rivier vaartuig (Amer.): The Ark of the Covenant = de Arke des Verbonds; Noah’s Ark (ook v. speelgoed).
Arkansas, âkansəs, Arkansas.
Arm, âm, subst. arm, wapen, macht; Arm verb. wapenen, versterken, voorzien van: With one’s arms across = With folded arms; An infant in arms = nog op arm gedragen kind; At arm’s length; Arm in arm; Right arm = rechterhand (fig.); Secular arm = wereldl. macht, overheid; Soldiers of the same arm = wapen; The cavalry arm = het wapen der cav.; Arms, wapenen; wapen: Coat-of-arms = familiewapen; Master at Arms = provoostgeweldiger; Stand of arms = geweer met bajonet, patroontasch, etc.; volledige uitrusting; To call to arms = te wapen roepen; All the nations were in arms against France = traden gewapend op tegen; The people was under arms = onder de wapenen; Shoulder, carry arms = over, schouder ’t geweer; The whole force stood to arms = was in ’t geweer; Armed at all points = van ’t hoofd tot de voeten; Arm-chair = armstoel; adj. theoret., doctrinair, dilettant: Arm-chair critics; Arm-chair authorities, etc.; Arm-hole = armsgat; Arm-pit = oksel; Arm-rack = wapenrek; Armful = armvol; Armless = zonder wapenen of armen.
Armada, âmeidə, armada.
Armadillo, âmədilou, gordeldier; oproller (insect).
Armament, âməment, krijgstoerusting; krijgsmacht.
Armature, âmətjuə, uitrusting, bewapening, armatuur; pantser, versterking.
Armenia, âmînjə, Armenië; Armenian, Armenisch; Armeniër.
Armiger, âmidžə, wapendrager, schildknaap.
Arminian, âminj’n, Arminiaan.
Armistice, âmistis, wapenstilstand.
Armlet, âmlət, armpje, inham; armring, armstuk.
Armorial, âmôriəl: Armorial bearings = wapenschild; subst. wapenboek.
Armour, âmə, wapenrusting, harnas, pantser, beslag; Armour verb. pantseren, uitrusten: Armour-bearer = Armiger; Armour-clad = gepantserd; Armour-plate = pantserplaat; Armoured train = gepantserd; Armourer = wapensmid, geweermaker; Armoury = arsenaal; wapenfabriek (Amer.).
Armstrong, âmstroŋ, uitvinder van het Armstrong gun.
Army, âmi, leger, menigte, zwerm: Army-chaplain = veldprediker; Army corps; Army examination = toelat. exam. voor een mil. school; Army list = ranglijst; Army men = officieren.
Arnaut, Arnaout, ânaut, ânaut; Arnold, ânəld, Arnold, Arnout.
Arnut, ânət, aardnoot, aardakker.
Aroma, əroumə, aroma; Aromatic, aromatisch: Aromatics = specery; Aromatize = kruiden, geuren.
Arose, ərouz, imperf. van to arise.
Around, əraund, in ’t rond, rondom, omheen: I’ll get around you = ’k zal je wel vinden.
Arouse, ərauz, opwekken, aansporen, (doen) ontwaken, in beroering (opschudding) brengen.
Arow, ərou, op eene rij, achtereenvolgens.
Aroynt thee, ərôint dhî, scheer je weg.
Arquebus, âk(w)əbɐs, haakbus, oud vuurroer; Arquebusier âkwəbəsîə, busschieter: Officers of Arquebusiers of St. George (St. Andrew) = van den Jorisdoelen (Adriaansdoelen).
Arrack, arək, ərak, arak.
Arraign, ərein, voor een rechtbank roepen, beschuldigen, aanklagen: Clerk of Arraigns = ambtenaar belast met het opmaken van de aanklacht; Arraignment, aanklacht, etc.
Arrange, əreinž, schikken, regelen, in orde brengen, arrangeeren (muz.), afspreken: I have arranged for it = ik heb maatregelen genomen; Arrangement = schikking, inrichting.
Arrant, ar’nt, erg, doortrapt, aarts …: He is an arrant fool = groote gek (= in één woord: een gek).
Arras, arəs, tapijt (als behang in vroeger tijd); Atrecht; Arrased = met arras behangen.
Array, ərei, subst. slagorde, gelid; troepen; kleeding, dos, kleederpracht; installeeren der jury, de geïnstalleerde jury; Array verb. (in slagorde) opstellen; de juryleden oproepen en installeeren; uitdossen: To challenge the array = de lijst der juryleden wraken.
Arrear, ərîə, achterstallige schuld (doorgaans mv.): I am in arrears = achterop met het betalen mijner schulden; That sum is in arrears = nog niet betaald.
Arrest, ərest, verb. tegenhouden, stuiten; arresteeren; boeien; subst. inhechtenisneming, beslag; To arrest a fire = stuiten; To arrest the attention (the eyes) = boeien; Arrested development = belemmerde ontwikkeling; Open arrest = kamerarrest; Under (an) arrest = in arrest; To put (place) under arrest; To lay arrest on = beslag leggen op.
Arret, ərei of əret, de beslissing van eene rechtbank, arrest; decreet, edict.
Arris, aris, scherpe kant: Arris-beam = graatbalk; Arris-gutter = V-vormige goot; Arris-wise, diagonaal.
Arrival, əraiv’l, aankomst, aangekomene, aangekomen schip, aanvoer: The man was looking through the arrivals = keek eens na, wat (wie) (in)gekomen was; Arrival book = vreemdelingenboek; Arrive, əraiv, aankomen, bereiken, verkrijgen: Edison has arrived and is world-famous = E. heeft zijn pogingen bekroond gezien; To arrive at a conclusion = komen tot.
Arrogance, arəgəns, aanmatiging; Arrogant = aanmatigend; Arrogate, arəgeit, zich aanmatigen, wederrechtelijk toeëigenen.
Arrow, arou, pijl: Broad arrow = pijlvormig teeken op wapenen, mijlsteenen en tuchthuiskleeren: Arrow-head = pijlspits; Arrow-root = pijlwortel; arrowroot.
Arry, ari, plat Londenaar uit de volksklasse; Arriet, ari-it, diens meisje.
Arse, âs, aars.
Arsenal, âsən’l, arsenaal.
Arsenic, âs’nik, âsənik, subst. arsenicum, rattenkruid; adj. (âsenik): Arsenic acid = arseenzuur; Arsenious acid, âsîniəsasid, arsenigzuur.
Arsis, âsis, rijzende stembuiging, arsis.
Arson, âs’n, brandstichting (Jur.).
Art, ât, kunst, bekwaamheid, handigheid; list: Applied art = kunstnijverheid; High art = ‘in stijl’; To be art and part in = deelachtig zijn aan; Fine (Polite) arts = de schoone kunsten; Liberal arts = de vrije kunsten; Master of Arts = een acad. graad, die zonder examen aan Bachelors wordt verleend als ze nog drie jaar ‘aan’ zijn gebleven; Art-school = teekenacademie; Art-union, vereeniging voor kunst; Artful, artistiek; geslepen; subst. Artfulness; Artless, smakeloos; ongekunsteld, argeloos; subst. Artlessness.
Artemisia, âtimižə, Artemisia; alsem.
Arterial, âtîriəl, slagaderlijk: Arterial blood = slagaderlijk bloed; Through the lungs venous blood is arterialized = door de longen wordt aderlijk in slagaderlijk bloed veranderd; Artery, âtəri, slagader, hoofdkanaal, hoofdader.
Artesian, âtîžən, Artesisch: Artesian well = … put.
Arthur, âthə, Arthur; adj. Arthurian.
Artichoke, âtitšouk, artisjok.
Article, âtik’l, subst. artikel, post, voorwerp, substantie, lidwoord (gramm.): Articles = contract, monsterrol; Article verb. door artikelen vaststellen, door bepaalde voorwaarden verbinden, vaststellen: You are a nice article = fijn heer; The genuine article = je ware! What is the next article? = verlangt u nog iets (in winkels)? Articles of association = statuten; Articles of war = krijgsartikelen; I was articled there = op bepaalde voorwaarden aangenomen; Articled to a firm; An articled clerk = een klerk die een bepaalde som (premium) betaalt aan den solicitor bij wien hij in de leer is.
Articular, âtîkjulə, tot de gewrichten behoorend, gewrichts - -: Gout is an articular disease = gewrichtskwaal; Articulate, âtikjulit, adj. geleed; gearticuleerd; duidelijk; Articulate verb. âtikjuleit, articuleeren, geleed verbinden; Articulateness = duidelijkheid; Articulation, geleding, articulatie.
Artifice, âtifis, kunst; streek; Artificer, bedreven werkman (vooral in tech. vakken); schepper; Artificial = kunst(vaard)ig, kunstmatig; geveinsd, gemaakt: Artificial arms, Artificial eyes = kunst - -; Artificial florist = kunstbloemenmaker; Artificial numbers = logarithmen; subst. Artificiality = Artificialness = gekunsteldheid.
Artillerist, âtilərist, artillerist; Artillery, âtîləri, artillerie, zwaar geschut: Captain A. of the artillery; Artillery-butt = kogelvanger; Artillery-driver = stukrijder; Artilleryman = artillerist; Artillery practice = oefening met de kanonnen.
Artisan, âtiz’n, âtizan, werkman; Artisan house; Artisans’ dwellings.
Artist, âtist, kunstenaar; Artistic(al), âtistik(’l), artistiek; Artiste, âtîst, artiest.
Artocarpus, âtəkâpəs, broodvruchtboom.
Arundel, ar’ndəl of ərɐnd’l (Amer.).
Aryan, êriən, âriən, Arisch; subst. Arische taal, Ariër.
Arytenoid, aritînôid, bekervormig (kraakbeen van het strottenhoofd).
As, az, gelijk, zooals, toen, terwijl, aangezien, als, bij voorbeeld: As far as I know = voor zoover; As if = alsof; He told me As much = zulks; As to (As for) = wat betreft; As though = alsof; As yet = nog, totnutoe; As I live = zoowaar; As it were, als ’t ware; I might as well go = ik kon wel eens gaan; She has enough to bear as it is = toch al genoeg; He had had to retrench as it was = toch al.
Asafoetida, asəfetidə, duivelsdrek.
Asbest(os), azbest(os), asbest(os), asbest, steenvlas; Asbestic, asbest …; Asbestine = asbest.…; onverbrandbaar; Asbestous = Asbestic.
Ascend, əsend, opklimmen, opstijgen, teruggaan tot, opstaan, opgaan, beklimmen; opvaren: They ascended the hill = zij beklommen; Ascendable = beklimbaar, enz.; Ascendancy, overwicht, invloed: Nature has an ascendency over logic = de natuur gaat boven de leer; Ascendant = opklimmend, stijgend, superieur; subst. overwicht, invloed, hoogte, horoscoop: His star is in the ascendant = zijn geluksster gaat op; He has the ascendant over me = hij heeft overwicht over mij; Ascendency = Ascendancy; Ascension = (be)stijging, hemelvaart (van Jezus): Ascension Day = Hemelvaartsdag.
Ascent, əsent, beklimming, opgaan, opkomst, stijging, hoogte.
Ascertain, asətein, zich vergewissen, vaststellen, vernemen; Ascertainable, vast te stellen; Ascertainment, vaststelling, etc.
Ascetic, əsetik, ascetisch, streng, vroom; subst. asceet, kluizenaar; Asceticism, ascetisme; Ascetical = Ascetic.
Ascham, ask’m: Roger Ascham, een schrijver (1515–68).
Asci, asai, Ascians, asiənz, schaduwloozen.
Ascribable, əskraibəb’l, toe te schrijven; Ascribe, əskraib, toeschrijven aan; Ascription = toeschrijving.
Asexual, əsekšuəl, geslachtloos.
Ash, aš, esch; adj. van esschenhout = Ashen.
Ash, aš, subst. asch: Cigar (pipe, tobacco) ash; Volcanic ash(es); Ashes = asch (ook fig.): Peace to his ashes; To lay in ashes; Sitting in dust and ashes; Pale as ashes = Ashen pale; To grow ashen = doodsbleek worden; Ash-bin = aschvat; Ash-box, Ash-bucket = aschbak, aschemmer; Ash-pan = aschbak; Ash-path = asphalt wielerbaan; Ash-pit = aschkuil, aschbak; Ashputtel = Asschepoester; Ash-tray = aschbakje; Ash-Wednesday ašwenzdi, Aschdag; Ash-weed, ašwîd, geitebaard (plant); Ashy = aschkleurig.
Ashamed, əšeimd, beschaamd: To be ashamed of = zich schamen over.
Ashlar, Ashler, ašlə, hardsteen; hardsteenen façade; Ashlaring = hardsteenen muur; dakbetimmering; arduin.
Ashore, əšö, aan (naar) wal; gestrand: To go ashore = landen; ook = To run ashore = stranden.
Asia, eišiə, Azië; Asiatic, Aziatisch; Aziaat.
Aside, əsaid, adv. ter zijde, aan eene zijde: To earn large sums aside = er bij verdienen op minder eerlijke manier; To lay (put) aside = overleggen, sparen; This is aside from the question = staat buiten de kwestie; subst. terzijde.
Asinine, asin(a)in, ezelachtig, ezels - -; Asininity, ezelachtigheid.
Ask, âsk, vragen, verzoeken, verlangen, uitnoodigen: To ask about = naar; To ask after = naar; To ask again (back) = terug; To ask for = naar, om; I asked a penny of him, I asked him for a penny = om; To ask (for) nothing better = niets liever willen; To ask to dinner; A thing to be asked and had = voor het vragen (= To be got for the asking); An asking child = dat veel vragen doet; I could have it for the asking = ik heb het maar voor ’t vragen; To ask in church = ’t voorgenomen huwelijk afkondigen.
Askance, əskâns, Askant, əskânt, schuins, van terzijde: He looked askance at me = scheel, jaloersch.
Askew, əskjû, schuins, scheef, verachtelijk.
Aslant, əslânt, schuins, dwarsover: To hang aslant.
Asleep, əslîp, in slaap; ontslapen: He was fast (sound) asleep = in diepe rust; To fall (To rock) asleep.
Aslope, əsloup, hellend.
A-smear, əsmîə, bevuild.
Asp, asp, (Aspic, aspik), aspis, adder; esp(eboom), ratelpopulier; adj. Aspen: To tremble like an aspen leaf; Asp tree = esp.
Asparaginous, aspəradžinəs, asperge - - -; Asparagus, əsparəgɐs, asperge.
Aspect, aspəkt, gezicht(spunt), oogpunt, zijde, kant, licht; stand; uitzicht; voorkomen; ligging: The house has a southern aspect = ligt op het Zuiden.
Asper, aspə, subst. spiritus asper.
Asperity, əsperiti, ruwheid, scherpheid, norschheid.
Asperge, aspɐ̂dž = besprenkelen; ook subst. = Aspergill(um), aspədžil(’m), wijwaterkwast.
Asperse, əspɐ̂s, belasteren, bezwalken; besprenkelen: Who dared asperse my friend’s character? Aspersive = lasterlijk; He has cast shameful aspersions on this man = schandelijk belasterd; Aspersorium = wijwaterbekken.
Asphalt, asfalt, əsfalt, asphalt: Asphalt pavement; Asphaltic (= Asphaltite): Asphaltic cement; The Asphaltites Lake, dhiasf’ltaitîzleik = Doode Zee.
Asphodel, asfədel, affodil; Asphodelian = hemelsch.
Asphyxia, əsfikš(i)ə; Asphyxial, verstikkings - -; Asphyxiate = doen stikken; Asphyxiation = verstikking; Asphyxiator, (koolzuur) bluschapparaat; Asphyxy = Asphyxia.
Aspic, aspik, spijk (gr. lavendel); soort vleesch- of vischspijs. Zie Asp.
Aspirant, əspair’nt, eerzuchtig; subst. aspirant, kandidaat: Stiff aspirants = zware concurrenten.
Aspirate, aspirit, subst. eene geaspireerde letter; spiritus asper; adj. geaspireerd; Aspirate verb. (aspireit) aspireeren; Aspiration = aspiratie, streven, verlangen; Aspirator = aspirator; Aspiratory: Aspiratory organs = ademhalingswerktuigen.
Aspire, əspaiə, streven, trachten naar (after).
Asportation, aspöteiš’n, wederrechtelijk ontvoeren van goederen.
Asquint, əskwint loensch; heimelijk.
Ass, as, ezel, domkop: Asses’ bridge = het eerste moeielijk vraagstuk (Prop. 5.) in Euclides; iets waarmee een domoor niet terecht kan; To make an ass of = voor den mal houden; To make an ass of oneself = zich ezelachtig gedragen.
Assagai, asegai, assagaai.
Assail, əseil, aanvallen, bestormen; Assailable, aantastbaar; Assailant = Assailer, aanvaller.
Assassin, əsasin, sluipmoordenaar; Assassinate, vermoorden; Assassination = (sluip)moord.
Assault, əsôlt, subst. aanval, bestorming; persoonlijk geweld, ordeverstoring, belemmering van ambtenaren; Assault verb. aanvallen, bestormen, aanranden: Indecent assault = aanranding; Assault at (of) arms = militair assaut; Assaulter, aanvaller.
Assay, əsei, subst. onderzoek, toets; de te onderzoeken stof; Assay verb. onderzoeken, toetsen, keuren, beproeven: Assay balance = justeerbalans; Assay-master = essayeur = Assayer = essayeur.
Assemblage, əsemblidž, verzameling; verbinding; Assemble, əsemb’l, samenbrengen, vereenigen, vergaderen; Assembly, əsembli, verzameling, bijeenkomst; wetgevende vergad. (Amerik.); partij, bal (in een ’kursaal’); signaal om te ‘verzamelen’: The assemblage was blown (sounded); General Assemblage = Presbyteriaansche synode; Assemblage-man = lid eener wetgevende vergadering; Assemblage-room = bal-, concert-, ‘kursaal’.
Assent, əsent, subst. toestemming, goedkeuring, berusting; Assent verb. toegeven, toestemmen: The Royal Assent = koninklijke goedkeuring; She assented to it = vond het goed; Assentient, əsenšent, toestemmend; ook subst. Assentor.
Assert, əsɐ̂t, beweren, verklaren, laten gelden, handhaven: The man has asserted his influence = doen gelden; Assertable = Assertible, verdedigbaar; Assertion, bewering, etc; Assertive, positief, bevestigend: Self-Assertive = zelfbewust, aanmatigend.
Assess, əses, belasten, schatten, bepalen, vaststellen: To be Assessed on a sum = aangeslagen voor; Assessable: The income Assessable to income-tax = belastbaar; Assessment = schatting, belasting, etc.: Assessment on capital = vermogensbelasting; Assessor, assessor, schatter: Assessorship.
Assets, asəts, de activa: Personal assets = nalatenschap in roerend goed; Real assets = nalatenschap in onroerend goed; Assets and liabilities = actief en passief; We consider this as an asset which the liberals have secured by their labour and devotion = goed, voordeel.
Assever(ate), əsevə(reit), verzekeren, betuigen; Asseveration, plechtige verzekering.
Assident, asid’nt, bijkomend; subst. bijkomend symptoom: Assident signs (symptoms) = bijkomende symptomen.
Assiduity, asidjûiti, onverdroten ijver, vlijt; Assiduities (steeds meerv.) = dienstvaardigheid, attenties; Assiduous = volhardend, ijverig; subst. Assiduousness.
Assign, əsain, subst. iemand, wien eigendommen worden overgedragen of toegewezen; Assign verb. toewijzen, overdragen, bepalen, aanwijzen: Assigned to his use = hem ten gebruike aangewezen; To assign a person a share in a business = iem. in eene zaak opnemen; Assignable = toe te schrijven, aan te wijzen; Assignation, asigneiš’n, toewijzing, afspraak, overdracht; oproeping; Assignee, asinî, curator, gevolmachtigde, boedelberedderaar; executeur: Assignee in bankruptcy = curator; Assignee in law = door de Rechtbank aangesteld curator; Assignment, toewijzing, overdracht; assignatie.
Assimilable, əsimiləb’l, geschikt tot assimileeren; Assimilate, əsimileit, (zich) assimileeren, gelijk maken (worden, zijn); Assimilation, assimilatie.
Assist, əsist, helpen, bijstaan, steunen: Assist at = bijwonen: To assist at a ceremony; Assistance = hulp: To give (lend, render) assistance; They came to my assistance = mij ter hulp; Assistant = assistent: Chief assistant = eerste onderwijzer; Head assistant, eerste bediende; Assistant master = onderwijzer, secondant, leeraar.
Assize, əsaiz, subst. rondgaande rechtbank; vastgesteld gewicht, vastgestelde maat of prijs van levensmiddelen; Assize verb. den prijs of het gewicht bepalen, vaststellen (van eene belasting); Assize of bread; Assizes, əsaiziz, zitting der rondgaande rechters (minstens tweemaal per jaar in de 10 circuits, waarin Engeland en Schotland hiertoe zijn verdeeld); Assizement = inspectie van maten en gewichten; vaststellen der prijzen.
Associability, əsoušiəbiliti, vereenigbaarheid; adj. Associable = sympathisch; Associate, əsouši-it, verbonden, begeleidend; subst. metgezel, kameraad, bondgenoot, deelgenoot, lid (een rang lager dan Fellow of Member); Associate verb. əsoušieit, vereenigen, verbinden, vergezellen: To associate oneself = eene vennootsch. aangaan, omgaan met; Association = verbinding, vereeniging, associatie: Association foot-ball, volgens de regels van de Football Association van 1863 volgens welke de bal niet met de handen mag worden aangeraakt.
Assonance, asənəns, assonantie; Assonant = assoneerend; Assonate = assoneeren.
Assort, əsöt, (as)sorteeren, overeenstemmen (with); verkeeren (with): An assorted cargo; Assortment, assortiment.
Assuage, əsweidž, verzachten, lenigen, doen bedaren; Assuagement, verzachting, verzachtend middel.
Assuan, aswân.
Assume, əsiûm, aannemen, zich aanmatigen, zich toeëigenen; op zich nemen, eischen, aantrekken, voor waar aannemen: He assumeed the reins, command = nam op (zich); To assume the debts of a person = overnemen; To assume the responsibility; To assume a discourse = het woord nemen (Amer.); Assumedly = vermoedelijk.
Assumption, əsɐmš’n, aanneming, opneming, overname, onderstelling, toeëigening, aanmatiging; Assumtie (15 Aug.); opvatting; Assumptive, aangenomen, vooropgesteld; aanmatigend.
Assurance, əšur’ns, verzekering, zekerheid; driestheid, zelfvertrouwen, onbeschroomdheid, onbeschaamdheid; Assure, əšuə, verzekeren, assureeren (van het leven; van andere dingen insure en insurance); Assured, verzekerd, zeker, zelfbewust, driest; Assurer, verzekeraar; verzekerde; Assuring = geruststellend.
Assyria, əsiriə, Assyrië; Assyrian, Assyriër, Assyrisch; Assyriologist; Assyriology.
Aster, astə, aster.
Asterisk, astərisk, sterretje (*). Asterism, astərizm, gesternte; driestar ⁂.
Astern, əstɐ̂n, achter (naar of van achteren): To drop (fall) astern = achteruit zakken; Half-speed astern, Slow astern, Stop!
Asteroid, astərôid, asteroïde.
Asthma, as(t)mə, asthma; Asthmatic, asthmatisch (mensch); adj. = Asthmatical.
Asthore, astö, lieveling (Iersch).
Astir, əstɐ̂, in beweging: At five o’clock we were all astir = bij de hand.
Astonish, əstoniš, verbazen, versteld (raar) doen staan (opkijken); Astonishment, verbazing.
Astound, əstaund, ontzetten, ten hoogste verbazen.
Astrac(h)an (Astrakhan), astrakân, astrakan.
Astraddle, əstrad’l, schrijlings.
Astragal, astrəgal, astragaal; kootbeen = Astragalus.
Astral, astr’l, sterre - -: Astral body = astraallichaam (Theosophie); Astral lamp = astraallamp.
Astray, əstrei, verdwaald: To be astray in one’s reckoning = in de war zijn; To go astray = verdwalen; To lead astray = op een dwaalspoor (verkeerde wegen) leiden.
Astrict, əstrikt, samentrekken, verstoppen, beperken; Astriction, samentrekking, etc.; Astrictive, samentrekkend.
Astride, əstraid, schrijlings: Astride of a chair.
Astringency, əstrinž’nsi, samentrekkende eigenschap; gestrengheid; Astringent, əstrinž’nt, samentrekkend, streng; stoppend (middel).
Astrolabe, astrəleib, astrolabium.
Astrologer, əstrolədžə, sterrenwichelaar; adj. Astrologic(al); Astrology, sterrenwichelarij.
Astronomer, əstronəmə, sterrenkundige; Astronomic(al) = sterrenkundig; Astronomy = sterrenkunde.
Asturian, əstjûriən, Asturisch; Asturiër; Asturias, əstjûrias, Asturië.
Astute, əstjût, slim, sluw, schrander; Astuteness = slimheid, etc.
Asunder, əsɐndə, vaneen, gescheiden: To break (cut, fall, go, rend) asunder.
Asylum, əsail’m, asyl, toevluchtsoord: Lunatic asylum = krankzinnigengesticht; Orphan asylum = weeshuis; Asylum for the deaf and dumb (for homeless poor) = doofstommeninstituut (asyl voor dakloozen).
Asymmetric(al), asimetrik(’l), asymmetrisch; subst. Asymmetry.
Asyndeton, əsindət’n, asyndeton.
At, at, tot, te, aan, op, in, bij, van, etc.: At all = soms, nog: If I come at all; Not at all = geenszins; At break of day = bij het aanbreken; At first = in den beginne; At full gallop; At your hands = van u; At haphazard = op goed geluk af; At home = tehuis; ontvangdag; adv. thuis, op zijn gemak; At last, At length = eindelijk, ten slotte; To be at law = procedeeren; To be at a loss = verlegen; At most = op zijn hoogst; At once = ineens, zoowel als: At once his aunt and housekeeper; At one: To be at one = het eens zijn; At peace = in vrede; At sea = op zee; in ’t onzekere, de plank mis, in de war; At that = en als zoodanig: A third-rate entertainment and dull at that = en als zoodanig, en dan nog saai; At war = in oorlog; I did not know what he would be at = heen wilde; The majority was returned at 152 = bedroeg; The house rose at her = de aanwezigen stonden op bij hare binnenkomst.
Atabal, atəb’l, Moorsche keteltrom.
Ataghan, atəgan, jatagan, kromme Turksche dolk.
Ataunt(o), ətônt(ou) = met alle zeilen bij: To put ataunt = in orde brengen.
Atavism, atəvizm, atavisme, erfelijkheid; Atavistic, atavistisch.
Ate, eiti.
Ate, et of eit, Past Imp. van to eat.
Atelier, atəlîə of əteljə, atelier.
Athanasian, athəneiž’n, van Athanasius: The Athanasian Creed; subst. aanhanger van die leer.
Atheism, eithiizm, Atheisme; Atheist, atheist; Atheistic(al), atheistisch.
Athelstan, ath’lstən.
Athen(a)eum, athənîəm, athenaeum.
Athenian, əthînj’n, Athener; Atheensch; Athens, ath’nz, Athene.
Athirst, əthɐ̂st, dorstig; gretig: Athirst (for).
Athlete, athlît, athleet; Athletic, athletisch: Athletic club (games, sports); Athletics = athletiek; Track athletics = oefeningen in hardloopen; Athleticism, Athletism = krachtsport, spierkracht.
Athwart, əthwöt, overdwars, dwars, scheef: Athwart the stream = dwarsstrooms.
Atilt, ətilt, voorover (gebogen), wankelend, met gevelde lans: To run atilt = aanvallen (at).
Atkins, atkinz: Tommy Atkins = algemeene naam voor den Engelschen soldaat.
Atlantean, atəntîən, atlantisch; Atlas - -; Atlantes, atlantîz, Atlanten.
Atlantic, atlantik, Atlantisch; subst. Atlantische Oceaan = Atlantic Ocean.
Atlantides, atlantidîz, de Pleiaden.
Atlas, atləs, Atlas; atlas (ook de stof); atlas formaat (= Atlas-folio); eerste halswervel.
Atmology, ətmolədži, verdampingsleer; Atm(id)ometer, atm(id)omətə, verdampingsmeter.
Atmosphere, atməsfiə, dampkring; omgeving; Atmospheric: Atmospheric engine = luchtdrukmachine; Atmospheric stone = meteoor.
Atoll, ətol of atəl, atol.
Atom, at’m, atoom; zonnestofje; Atomic = atoom …; Atomism = atoomtheorie; Atomize = in atomen ontleden; Atomology; atoomtheorie; Atomy = skelet, dwerg.
Atone, ətoun, boeten, vergoeden, verzoenen; Atonement = verzoening, boete: Atonement Day = Groote Verzoendag.
Atop, ətop, bovenop (of).
Atrip, ətrip, uit (vrij van) den grond (van een anker); in top geheschen: The bells in the tower were all atrip = zoo hoog mogelijk opgetrokken, dus: werden hard geluid.
Atrium, eitriəm, atrium.
Atrocious, ətroušəs, afgrijselijk, gruwelijk, wreed, verfoeilijk; Atrocity, afgrijselijkheid.
Atrophy, atrəfi, subst. atrophie; verb. uitteren, wegkwijnen.
Attach, ətatš, (vast)hechten, verbinden, vastknoopen, gevangen (in beslag) nemen; attacheeren: Eternal shame would have attached to England for allowing such barbarity = het zou E. tot eeuwige schande gestrekt hebben; This penalty attaches to offenders = wordt gegeven aan; Attachable = verbindbaar, enz.; Attachment, verbinding, aanhankelijkheid, liefde; arrest, beslag.
Attack, ətak, subst. aanval; Attack verb. aanvallen; Attacker, aanvaller.
Attain, ətein, bereiken, verkrijgen: He Attained his end = bereikte zijn doel; Attainability, bereikbaarheid; Attainable, bereikbaar, verkrijgbaar; subst. Attainableness; Attainment, bereiking, het verkregene; Attainments = kundigheden, talenten.
Attainder, əteində, eerverlies: A Bill of Attainder was brought into Parliament = wetsontwerp tot gevangenneming en verlies van burgerschapsrechten wegens hoogverraad.
Attaint, əteint, subst. smet; Attaint verb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, van verraad beschuldigen; vervallen verklaren van zijne rechten; Attaintment = Attainture = eerverlies.
Attar, atə, essence.
Attemper, ətempə, matigen, temperen, verzachten, vermengen, geschikt maken voor.
Attempt, ətem(p)t, subst. poging; aanslag; Attempt verb. trachten, pogen, aanvallen, een aanslag doen: Attempted murder = poging tot moord; They attempted (made an attempt upon) the life of the king = deden een aanslag op.
Attend, ətend, vergezellen, oppassen, behandelen, bijwonen, zijne opwachting maken; luisteren, verhooren (to), uitvoeren, nauwkeurig letten op: To attend a meeting, concert = bijwonen; I cannot attend any more pupils = hebben; To attend church, school = bezoeken; The queen was attended by the court = vergezeld; You do not attend to what he says = let niet op; To attend to the door = open doen; It is attended with fever = gaat gepaard met; Attendance, dienst, bediening, behandeling, tegenwoordigheid, bediendenstoet: List of attendance(s) = presentielijst; The smallness of the attendance = het geringe bezoek; The people in attendance = bedienende personen; A carriage was in attendance = stond klaar; To dance attendance (on) = lang moeten wachten; naloopen; Attendance-officer = ambtenaar, met de zorg voor het (verplicht) schoolbezoek belast; Attendant, subst. geleider, bediende, oppasser, bezoeker: (Attendants = gevolg); adj. vergezellend, verbonden met, aanwezend (on): A dinner, Attendant on the opening of the building = gegeven ter gelegenheid van.
Attention, ətenš’n, oplettendheid, beleefdheid: To call attention to = vestigen op; To give (pay) attention to = schenken aan; He paid her many attentions = was zeer galant, maakte haar het hof; The soldiers stood at attention = in de positie “geeft acht”; Attentive = oplettend.
Attenuate, ətenjueit, verb. verdunnen, verminderen, verzachten, vermageren; adj. (ətenju-it) verdund, vermagerd, verminderd, spits; Attenuation = verdunning, etc.
Attest, ətest, subst. attest; Attest verb. getuigenis afleggen van, betuigen, bevestigen; Attestation, attest; beëediging; Attester, getuige.
Attic, atik, adj. Attisch; subst. attica, dakkamertje, bovenverdieping; Attic bird = nachtegaal; Attic faith = onkreukbare trouw; Attic salt = Attic wit = fijn vernuft; Atticism = Attisch gezegde (dialekt).
Attire, ətaiə, kleeden, uitdossen, optooien; subst. kleeding, kleedij, opschik; gewei: Head attire = hoofdtooi; Attire-woman = kamenier; Attiring = opschik.
Attitude, atitjûd, houding: Attitude of mind = gemoedstoestand; To strike an attitude = een theatrale houding aannemen = To attitudinize; Attitudinizer = poseur.
Attle, at’l, gesteente zonder erts.
Attorn, atɐ̂n, overdragen; huldigen; subst. Attornment.
Attorney, ətɐ̂ni, procureur; gevolmachtigde; Attorney-general = Procureur-generaal; Letter, Power, Warrant of attorney = volmacht, procuratie; Attorneyship, procureurschap.
Attract, ətrakt, aantrekken, tot zich trekken, lokken, boeien: In these sketches the reader will find much to attract = veel aantrekkelijks; Attractable = aan aantrekking onderworpen; Attraction = aantrekking(skracht): Attraction of cohesion = cohesie; Attractive, aantrekkelijk: Attractive power = aantrekkingskracht; subst. Attractiveness.
Attributable, ətributəb’l, toe te schrijven; Attribute, atribjût, eigenschap, attribuut; Attribute, ətribjut, toeschrijven; Attribution = toeschrijving; toekenning. Attributive = attributief; attribuut.
Attrite, ətrait, berouwvol (uit angst voor straf); Attrited = geschaafd, afgesleten; Attrition = afschaving, het gesleten zijn; berouw (uit vrees voor straf, etc.).
Attune, ətjûn, stemmen, doen harmonieeren: An ear Attuned to music.
Atwain, ətwein, in tweeën, gescheiden.
Aubade, əbâd, aubade.
Auburn, ôbən, kastanjebruin.
Auch, ôtš: Auch, you hurt = au! dat doet pijn.
Auction, ôkš’n, openbare verkooping bij opbod; ook verb.: Auction mart = venduhuis; Auction sale; To put up to auction (for sale by public auction) = To sell by auction = veilen; Dutch auction = verkooping bij afslag; The auctioneer (ôkšənîə) repeated his “going, going, gone” = de afslager herhaalde zijn “Eerstemaal, andere maal, derdemaal”.
Audacious, ôdeišəs, onverschrokken; brutaal, onbeschaamd; Audacity, onverschrokkenheid, etc.
Audibility, ôdibiliti, hoorbaarheid; Audible = hoorbaar; subst. Audibleness.
Audience, ôdj’ns, gehoor; audientie, auditorium, toehoorders, lezers: To give audience to = aanhooren; audientie verleenen; To draw large audiences = veel publiek trekken; Audience of leave = afscheidsaudientie; Audience-chamber.
Audit, ôdit, subst. onderzoek en nazien van rekeningen en boeken en opmaking van balans; balans, rekenschap; ook verb. = verifieeren: Final Audit = Oordeelsdag; Commissioners of Audit = college van comptabiliteitsambtenaren; Exchequer and Audit Department = rekenkamer aan ’t hoofd waarvan de Comptroller and Auditor General staat; Audit-office = Afd. Comptabiliteit; Auditor = toehoorder; accountant; Auditorium = auditorium; Auditory = gehoor - -: Auditory nerve = gehoorzenuw.
Augean, ôdzîən, van Augias: To cleanse the Augean-stables = Augiusstal.
Auger, ôgə, avegaar.
Auget, ôdžət, leigoot voor de zundpijp.
Aught, ôt, iets, wat ook, in eenig opzicht; subst. iets: For aught I know = voorzoover ik weet; He may go there, for aught I care = voor zoover mij betreft.
Augment, ôgm’nt: Syllabic augment (Grieksche gram.).
Augment, ôgment: vermeerderen, vergrooten, toenemen; Augmentation, vermeerdering, etc.; Augmentative, vermeerderend, etc.
Augur, ôgə, subst. waarzegger (bij de Romeinen) uit vlucht en het geschreeuw van vogels; Augur verb. gissen, voorspéllen: That augurs well for our happiness = belooft veel voor; Augural = Augurial = voorspellend; Augury, ôgjuri, voorspelling.
August, ôgəst, Augustus: It will be a cold day in August before she sees me again = ’t zal lang duren; Augustan, ôgɐstən, den keizer A. betreffend; Augsburgsch: Augustan confession = Augsburgsche geloofsbelijdenis (1530).
August, ôgɐst, grootsch, verheven, doorluchtig; Augustness, grootschheid, etc.
Augustin(e), ôgɐstin, of ôgəstin, Augustinus; Augustijner monnik; Augustinian, ôgəstinj’n, aanhanger van de leer v. A. Augustijner monnik; Augustijnsch; Augustus.
Auk, ôk, alk.
Aula, ôla, Aula; Aularian, ôlêrj’n, tot eene aula behoorende.
Aulic, ôlic, tot een koningshof behoorend.
Aunt, ânt, tante (= Auntie, Aunty = tantetje); Aunt Sally = eene pop met eene pijp in den mond die er van zekeren afstand met stokken moet worden uitgegooid.
Aural, ôr’l: Aural surgeon = oordokter.
Aurate, ôrit, goudkleurig, goudhoudend; Aureate, ôriit, goudgeel, verguld.
Aurelia, orîljə, Aurelia; pop van een insect; Aurelian, pop - -; kapellenverzamelaar.
Aureola, ôrîələ, Aureole, ôrioul, stralenkrans, lichtkrans.
Auric, ôrik, goud - -.
Auricle, ôrik’l, oorschelp: Auricle of the heart = hartoor.
Auricula, ôrikjulə, aurikel.
Auricular, ôrikjulə, oor - -: Auricular confession = oorbiecht; Auricular tradition = mondelinge overlevering; Auriculate(d), oorvormig, geoord.
Auriferous, ôrifərɐs, goudhoudend.
Auriform, ôriföm, oorvormig; Auriscalp, ôriskalp = oorlepeltje; Auriscope = oorspiegel; Aurist = oorarts.
Aurochs, auroks, ôroks, auerochs.
Aurora, ôrôrə, Aurora; morgenrood, dageraad: Aurora australis = Zuiderlicht; Aurora borealis = Noorderlicht; adj. Auroral.
Aurungzebe, ôrɐŋgseb, ôrɐŋgzeib.
Auscultate, ôskəlteit, ausculteeren; Auscultation, ôsk’lteiš’n, medisch onderzoek van longen of hart met behulp van den stethoscoop; Auscultator, ôsk’lteitə, stethoscoop; auscult. geneesheer.
Auspicate, ôspikeit, onder gunstige voorteekenen aanvangen; Auspice, ôspis, waarzeggen uit vogelvlucht: Auspices = auspiciën, voorteekens, leiding, bescherming: Under favourable auspices; Under the auspices of = bescherming van; Auspicious = gunstig (gezind); subst. Auspiciousness.
Austere, ôstîə, streng, norsch, stuursch; wrang; matig, eenvoudig; Austerity, strengheid, etc.; kastijding.
Austin Friars, ôstin fraiəz, Augustijner monniken.
Austral, ôstr’l, Zuidelijk; Austraal: Austral pole (der magneetnaald); Austral-signs = de zes zuidelijke teekens van den Dierenriem.
Australasia, ôstrəleišiə, Australia + Tasman., New Zeal., en de Fiji-eil.; of, dit alles + New Guin., New Cal., New Hebr., etc.; adj. Australasian; Australia = Australië; Australian = Australisch; Australiër.
Austria, ôstriə, Oostenrijk; Austrian = Oostenrijksch; Oostenrijker.
Authentic(al), ôthentik(’l), authentiek, betrouwbaar, geloofwaardig, echt; Authenticate = authentiseeren, verifieeren, legaliseeren, bekrachtigen; subst. Authentication; Authenticity = geloofwaardigheid, echtheid.
Author, ôthə, schepper, schrijver; bedrijver, aanlegger, bewerker: Author of an outrage; The author of her misery; Authoress = schrijfster; Authorship = auteurschap.
Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair, gezaghebbend; subst. Authoritativeness; Authority, ôthoriti, autoriteit, aanzien, gewicht, invloed; gezag, man van gezag, machtiging: Misuse of authority = misbruik van gezag; He is no authority on the subject; On the authority of = in opdracht van, op grond van; We have it on the best authority = have high authority for saying = uit zéér vertrouwbare bron; Authorization = autorisatie; Authorize = autoriseeren, machtigen: Authorized Version = Engelsche bijbelvertaling (1611), ongeveer onze Statenvertaling.
Autobiographer, ôtəbaiogrəfə, autobiograaf; Autobiographic = autobiographisch; Autobiography = autobiographie.
Auto-car, ôtəkâ, automobiel.
Autochthon, ôtok-th’n, ôtok-thoun, oorspronkelijke bewoner; wat aan een land eigen is, of aldaar zijn oorsprong had; Autochthonal = Autochthonous = oorspronkelijk.
Autocracy, ôtokrəsi, autocratie: Autocrat = autocraat; Autocratic(al) = autocratisch.
Auto da fé, ôtədâfei, auto-da-fé.
Autogenous, ôtədžinɐs, zelfvoortbrengend; Autogeny = zelfontstaan.
Autograph, ôtəgraf, autograaf; Autographic, ôtəgrafik, autographisch; Autography = autographie.
Automatic(al), ôtəmatik(’l), automatisch: Automatic machine = automaat; Automaton, ôtoməton, automaat.
Automobile, ôtəmoubil of ôtəməbîl, automobiel; Automobilism = automobielsport; Automobilist = automobilist.
Autonomic(al), ôtənomik(’l), autonoom = Autonomous, Autonomy = autonomie.
Autopsia, ôtopsiə; Autopsy, ôtəpsi, persoonlijke waarneming, autopsie; lijkschouwing; Autoptical = uit eigen aanschouwing.
Autotype, ôtətaip, autotypie; Autotype verb. door middel hiervan vermenigvuldigen.
Autumn, ôt’m, herfst; verb. rijpen (laten); Autumnal = herfst …: Autumnal Equinox.
Auxiliar, ôgziljə = Auxiliary, ôgziljəri, adj. hulp verleenend, hulp …: Auxiliary forces (troops); Auxiliary subst. helper, bondgenoot, hulpwerkw. = Auxiliary verb; Auxiliaries = hulptroepen.
Avail, əveil, baten, helpen, uitwerken; subst. baat, hulp, nut: It was to little avail = het baatte zoo goed als niets = It was of no avail, without avail; Avails = bedrag, opbrengst (Amer.); What can it possibly avail? = met mogelijkheid uitwerken, waartoe kan het in vredesnaam dienen? I have availed myself of that opportunity = gebruik gemaakt, geprofiteerd van; Availability = bruikbaarheid, enz.; Available, bruikbaar, beschikbaar, ter dispositie, geldig: I have no available money at this moment = beschikbaar; There were no available candidates for that post = geschikte; Available for three days = geldig; Available for wheeled carriages = bruikbaar; Available to the meanest understanding = bevattelijk.
Avalanche, avəlânš, sneeuwval; Avalanchine praise = overdreven lof.
Avarice, avəris, gierigheid, hebzucht; Avaricious = gierig, hebzuchtig, karig met (of); subst. Avariciousness.
Avast, əvâst, stop!
Avatar, avətâ of avətâ, de vleeschwording der Godheid (Hind. Myth.); voorwerp v. vereering; openbaring.
Avaunt, əvônt, weg van hier!
Ave, eivi of âvə, interj. Heil! Welkom! Vaarwel! Ave Maria = Ave Maria, âvə mərîə; Ave Maria-bell = het angelus.
Avenaceous, avəneišəs, haverachtig.
Avenge, əvenž, wreken, straffen: I’ll be avenged on you = gij zult mij satisfactie geven; Avenger = wreker: Avenger of blood.
Avens, av’nz, nagelkruid.
Aventail(e), av’nteil, vizier (van een helm).
Aventine, av’ntain, subst. Aventinus; toevluchtsoord; adj. Aventijnsch.
Avenue, avənjû, toegang, oprijlaan, allee; breede met boomen beplante straat (Amer.).
Aver, əvɐ̂, betuigen, verzekeren; beweren; Averment = betuiging, bewijsvoering.
Average, avəridž, subst. doorsnee, de gemiddelde hoeveelheid, het gemiddelde; averij; adj. in doorsnee, gemiddeld, gewoon; Average verb. het gemiddelde nemen, gemiddeld bedragen: General Average = averij gros; Average-adjuster (= Averager) = dispacheur; At (On, Upon) an average = gemiddeld; Let us strike an average = het gemiddelde nemen; Average amount = gemiddeld bedrag; The Average Englishman = de gewone; Average price = gemiddeld; Average sample = doorsneemonster; Being of the average stamp (order) = van het gewone slag; We averaged two hares a day = schoten gemiddeld; They average about 50 lbs each = wegen gemiddeld; They average £100 each = hebben een doorsneeprijs; The blacksmith averaged the soldier with a glance = nam hem met één blik op.
Avernal, əvɐ̂n’l, van den Avernus; helsch.
Averruncate, avərɐŋkeit, uitroeien; Averuncator = boomschaar, snoeimes.
Averse, əvɐ̂s, afkeerig: He was averse to (from) all work; Averseness, tegenzin, afkeer (to, for) = Aversion: My pet aversion = mijn grootste antipathie; Avert, əvɐ̂t, afwenden, afkeeren; Avertible = afwendbaar.
Aviary, eivjəri, volière.
Aviate, eivieit, avieit, vliegen; Aviation, eivieiš’n, avieiš’n, luchtvaart; Aviator, eivieitə, avieitə, aviateur, vliegenier; Aviatory trespass = een met een vliegtoestel begane overtreding.
Aviculture, eivikɐltjə, vogelteelt.
Avid, avid, gretig, begeerig (of, for); Avidity = begeerte, etc.
Avocation, avəkeiš’n, roeping, werk; bijbaantje, afleiding.
Avoid, əvôid, vermijden, mijden; opheffen, ongeldig maken; vrijkomen: He could not avoid doing it = moest het wel doen; Avoidable: Not avoidable = onvermijdelijk; Avoidance, vermijding; vacature; herroeping: In (the) avoidance of = om te vermijden.
Avoirdupois, avədjupôiz, Engelsch gewichtsstelsel, behalve voor goud, zilver, juweelen en geneesmiddelen (het E. pound daarvan heeft 16 ounces): To reduce one’s avoirdupois = gewicht.
Avon, eiv’n, av’n, rivier; Avondale, av’ndeil.
Avouch, əvautš, betuigen, verzekeren; subst. getuigenis; Avouchment, betuiging, etc.
Avow, əvau, belijden, erkennen; Avowable = te erkennen; Avowal = bekentenis, belijdenis; Avowee, əvauî. (Zie Advowee).
Avuncular, əvɐŋkjulə, een oom betreffend.
Await, əweit, verwachten, afwachten, verbeiden; te wachten staan.
Awake, əweik, verb. ontwaken, zich bewust worden (to); wekken; adj. wakker: He awoke from his stupor = ontwaakte uit zijne verdooving; That call will awake the dead; He is wide awake = klaar wakker; “gaar”; I am awake = weet er alles van; I am awake to all that you say = ik begrijp, doorzie.
Awaken, əweik’n, wekken, levendig maken: Awakenning-books = tractaatjes.
Award, əwöd, subst. oordeel, uitspraak, beslissing, toegekende belooning (straf); Award verb. toekennen, toewijzen, beslissen: He was awarded the first prize = The first prize was awarded (to) him; Awarder, scheidsrechter.
Aware, əwêə, bewust, onderricht: To be aware of = merken, bewust zijn, weten.
A-wash, əwoš = op gelijke hoogte als het water; drijvend.
Away, əwei, weg, voort, op een afstand: Away for shame = foei, schaam je! I could not away with those people = kon ze niet zetten; The patient could not away with being nursed = wou niet opgepast worden; Come away from that = ga daar vandaan; To clear away = afnemen; To drink away = er op los drinken; Fire away = brand los; Get away = maak, dat je weg komt; To give away = weggeven, verraden; He made away with himself = maakte zich van kant; Pull away = haal op! To work away = hard werken; Question away = vraag maar op!
Awe, ô, subst. ontzag, eerbied; Awe verb. ontzag inboezemen, intimideeren: To keep in awe = ontzag inboezemen; To stand in awe of = ontzag hebben voor; I was awed by his serious words; Awe-commanding = ontzag inboezemend; Awe-struck = met ontzag vervuld; Aweless = onbevreesd; subst. Awelessness; Awful = vreeselijk; ontzagwekkend: subst. Awfulness = eerbiedwaardigheid; afschuwelijkheid.
Aweary, əwîri, vermoeid; levensmoede.
A-weather, əwedhə, loefwaarts.
A-weigh, əwei: To be a-weigh = “anker op” zijn.
Awhile, əwail, gedurende een tijdje.
Awkward, ôkwəd, onhandig, lomp, smakeloos, onaangenaam, verlegen: It is awkward that I forget his name = lam, vervelend; Awkward age = lummeljaren; Awkwardness, onhandigheid, etc.
Awl, ôl, els; Awl-bird = groene specht; Awl-wort, ôlwɐ̂t, priemkruid.
Awn, ôn, baard (van gras of aren).
Awning, ôniŋ, wagenkap, zonnescherm: The awning front of the shop = ruimte vóór den winkel, door een zeil of scherm tegen de zon beschut.
Awoke, əwouk, Imperf. van to awake.
Awry, ərai, scheef, schuin: To be awry = scheef staan (zitten); To laugh awry = lachen als een boer, die kiespijn heeft; He looked awry = zuur; To wear awry = scheef dragen.
Axe, aks, bijl; Axe-head = de bijl in tegenstelling met den steel; Axe-helve = steel; To hang up one’s axe = de lier aan de wilgen hangen, zich terugtrekken uit iets; People with axes to grind = menschen, die hun eigen zelfzuchtige plannen op het oog hebben.
Axial, aksiəl, in de richting van de as.
Axil, aksil, Axilla, əksilə, oksel; Axillar(y), oksel …, okselstandig.
Axiom, aksiəm, axioma; Axiomatic(al), onomstootelijk.
Axis, aksis, as; de tweede halswervel.
Axle, aks’l: Axle-tree, aks’ltrî, de spil.
Axminster, aksminstə.
Axolotl, aksəlot’l, waterhagedis (Mexico).
Ay, Aye, ai, ja, Ay marry = ja waarachtig; Ay me = o wee mij!
Ayah, eijə, Brit. Ind. baboe.
Aye, ei of ai = eeuwig: Farewell, perhaps for aye, for ever and aye.
Ayes, aiz, de voor- (eig. ja-)stemmers in het House of Commons: The ayes and the noes (= tegenstemmers); The ayes have it = de meerderheid is er voor.
Aye-aye, ai-ai, vingerdier (op Madagascar).
Aylesbury, eilzbri; Ayrshire, êəšə: The Aylesbury Bard = Robert Burns.
Azalea, əzeiljə, azalea.
Azimuth, azimɐth, azimuth; adj. = Azimuthal.
Azoic, əzouik, zonder spoor van organisch leven, zonder organische overblijfselen.
Azores, əzôz, əzôriz, Azorische eilanden.
Azure, ažə, of eižə, adj. azuur, hemelsblauw; subst. het uitspansel; blauw veld (Herald.); Azure verb. blauw verven; Azure stone = Azurite, ažərait, lazuursteen.
Azyme, az(a)im, ongezuurd brood; ongezuurd, ongegist.