ZEVENDE BOEK. (continued 2)
Reading edition
„Maarschalk Davoust?”
„Zeker, wie anders?”
„Het gevecht is dus bloedig?”
„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”
„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze woorden reed Rasinski terug.
De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de maarschalk Ney met zijne drie divisiën voorwaarts.
Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het was Rapp, die, toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel van het paard geworpen werd. Het was de twee en twintigste wonde, die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen, dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den eersten wenk gereed te zijn.
De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet, wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren; een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren door Ney's en Davousts dappere scharen genomen.
In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder den stampenden hoefslag. Bernard wierp een blik op Lodewijk, die hem ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken. In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was de vorst Bagration, die, op Kutusows bevel, met deze frissche benden aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren, daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen, geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde. Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd, deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.
Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken. Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe, om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst. Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaar paard, om in het lot dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren, toen de maarschalk Ney aan de spits der herzamelde infanterie zich opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe daden te verzamelen.
Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten, die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder. Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!” kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten? Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop, waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen, die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galop vliegt deze op hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de zijnen opnieuw verzamelt en ordent.
Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij, en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.
Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt, hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden, ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre, herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.
Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving gelouterd.
Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den koning van Napels verzamelden zich de cavalerie-regimenten ten tweeden male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welke Bruyères en Nansouty aanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der overwinning, bedekken het slagveld.
De zoom der hoogten achter Semenowskoi is nog altijd met sterke batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht. Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal een korte verademing toe.
Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij, terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweede bedrijf van het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval beschermen moest.
Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder. Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet, maar ordende zich telkens weder opnieuw.
„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski, „maar zij offeren zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen dien misslag duur betalen.”
„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te offeren.”
„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski. „Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in, hoe zij ons ontkomen zouden.”
„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken der garde aangedrongen,” hernam Bernard.
„Ook maarschalk Ney,” sprak Boleslaw.
„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.
„Vermoedelijk.”
„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”
„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”
„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet ongelukkig gevochten.—Maar is dat niet Regnard, die daar aankomt?”
Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam, door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski snelde op hem toe.
„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.
„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt. Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, dat ik mij niet langer te paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des satans dreigen mij razend te maken!”
„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,
„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat, Davoust en Ney hebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons in het verderf te storten!”
„Wij zullen het toch winnen!”
„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”
„De vijand doet ook het zijne!”
„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw. Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet zachtjes uit den zadel glijden.”
Hij reikte hem de hand en reed verder.
Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat. Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende regimenten nederwierpen.
„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden. „Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de keizer toonen, dat hij nog de veldheer van Austerlitz en Marengo is!”
Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen moesten.
„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen, dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterden slag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort. Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste, vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder. De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten. Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden krater doen oprijzen.
Tegen de beide zijden der redoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen der aanvallers. Murat zendt twee cavalerie-regimenten tegen deze colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperen Montbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij, beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaal Caulaincourt voor het front, om Montbruns plaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij, „niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”
Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel, een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.
Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien. Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug. Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierig verslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende voorwaarts.
Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog. Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!
Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal bedekken.
HOOFDSTUK V.
Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter, dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.
Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken, was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht. Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe, huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven, die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om. Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe, waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendste afgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder. Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe wonden in zijn hart achterlaten.
Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen heuvel bij Duomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf, het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.
„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”
„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook, hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel, wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan! Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker veld lag!”
„En Maria?”
„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”
„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Doch steeds gewoon, zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon: „Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”
„Hoopt gij dat?”
„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”
Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een lijk was, waarover ik gevallen ben.”
„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten. Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen niet nog vermeerderen.”
Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken stap daartegen aanstiet.
„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”
Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken bezaaid.
„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”
Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij diep door het hart.
Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken, die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld geworden.
„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.
„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe, wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”
Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte; hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dekte het hoofd en reed in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!” riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst. Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want, schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen bloedigen, maar schoonen dag!”
Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken, plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen, de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het bivak betrokken.
Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.
„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”
De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen, elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten, had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch, door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski; Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.
„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski; „doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens borst een jeugdig vuur van moed en vaderlandsliefde gloeide, schoon zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”
„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.
„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte ons allen mede voort.”
„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.
„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden. Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren gebruik maken.”
Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig in vasten slaap.
Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt. Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de vlammen starende, den gloed aan.
„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.
„Middernacht.”
„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”
„Alles stil als de dood.”
„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de overwonnenen!”
Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op; die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.
„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”
Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.
„Werda?”
„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”
Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn vriend! Mijne droomen zijn wellicht nog akeliger! Wanneer gij een ervaren soldaat waart, zoudt gij mij begrijpen. Deze overwinning is ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen, hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven, wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren zal!”
Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.
Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den duisteren nacht.
„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt. Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure, regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland, aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen, door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen, vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie den slag gezien heeft, kent slechts de lachende zijde van den krijg. Zie morgen het slagveld en gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven. Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem, voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die gruwzame martelingen van een gerekten doodstrijd, die het medelijden zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend, dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne schouders wentelt.”
Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed. Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven, het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”
Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende morgen hen wekte.
HOOFDSTUK VI.
Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan wel naar Kaluga wendde.
Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen. In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden. De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen. Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de eenige prijs der overwinning, die men bevochten had! Vele regimenten waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.
Zoo wachtten zij op den keizer.
Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten, prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldaten herhaalden dien, maar het was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.
Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.
„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis bestuurt!”
„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde zie doen; gelijk zij tegen zijn groot een verdwijnen, even als de tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het stofdeeltje der enkele kracht, dat hij tot vorming van het geheel verzamelen moet. Of de atomen der enkele rechten daarbij verstuiven, dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt, om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen, die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen, dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen, omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”
„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.
Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”
Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had, daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had, om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders. Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem op eene baar leiden en wegdroegen.
Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te ijzen.”
Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O, helpt toch eindelijk ook mij!”
Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen, Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en daarmeê basta.”
De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen; vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijk vatte hem aan en wilde hem oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „Ah! ma mère!” ademde hij met brekende stem en was niet meer.
„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden geëindigd.”
„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden ijlings na.
Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had. Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld. De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten vermoeden, te beschadigen.
De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalk Berthier bleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.
Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk te onderkennen waren, in de verte schemeren.
„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem verwekt had, trachtte te verbergen.
„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,” vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.
„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,” sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet, die daar zoo haastig komt aanrennen?”
Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid, weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden bleven natuurlijk niet achter.
„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden. „Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”
„Wie heeft het bevel gebracht?”
„Een adjudant van den koning van Napels.”
„Hebt gij fourage gevonden?”
Jaromir schudde het hoofd.
„Dus hebben de paarden niets gehad?”
„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad te vinden.”
„En hoe zijn de manschappen?”
„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk. De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”
„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.
„Ja, maar aan beide zijden.”
„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder hen Caulaincourt en Montbrun. Ook de maarschalk Davoust is gewond.”
„Maar niet gevaarlijk!”
Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te storten.
Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd, dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert, hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen; eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepte ook reeds weder het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.