DERDE BOEK. (continued 2)
Reading edition
De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht, het voor hem bestemde te mogen ontvangen.
Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust, dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde. Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen nader uiteenzette.
„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een goed teeken zijn, graaf Lomond; gij kunt op bevordering aanspraak maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd naar den grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend, kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijn Soren moet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te gemakkelijker te kunnen betitelen.”
Zij traden het vertrek weder binnen.
„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons onttrekken.”
„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,” sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig verouderd, Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel, die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij voorheen zoo vaak bemoedigde.”
„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.
„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”
Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.
„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”
De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.
De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in beslag genomen. Alisette trad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te begroeten.
„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”
„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een keur van gaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”
„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,” hernam Alisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”
„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,” merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkte Françoise hem en was verrast, een vreemde te zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te verhalen, dat Alisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met schertsende vriendelijkheid eene roos; Regnard echter bekwam er geen. „Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten, keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik op Regnard werpende.
„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”
Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond onverhoeds naast de gravin.
„Ach, daar zijt gij immers,” riep Alisette uit en trad op haar toe; „hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen. En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en bleef vriendelijk maar dringend weigeren.
Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der beide schoone meisjes aan te zien. Alisette, in haar wit golvend gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk; Alisette's wangen en lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven; Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd en de sneeuwwitte nek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk edel in gelaat en houding; Alisette haar met rustelooze levendigheid omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.
Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem schemerde bevallig op den donkeren grond.
„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riep Françoise uit, toen zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”
Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid voor haar zelve lag opgesloten.
Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zich zelf en besloot zijne navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”
Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.
Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska. Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog van Regnard en de fijne opmerkzaamheid van Alisette op hare hoede te zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij, als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer jeugd, in vele punten van aanraking stond.
Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen? Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk eener zoete, hoopvolle verwachting.
HOOFDSTUK IX.
De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen; dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof, Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner waarnemingen omtrent de verleidelijke Alisette, noch aan het schilderen van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.
Op zekeren avond trad Rasinski de zaal, waar Jaromir, de gravin en Lodoiska bijeen zaten, driftig binnen met de woorden: „Ons lot is beslist. De keizer heeft den 29sten Mei Dresden verlaten, zal zich eenige dagen in Posen ophouden en trekt dan vermoedelijk, zonder Warschau aan te doen, op Thorn. Wij hebben bevel bekomen, om morgen op te rukken en den weg naar Kowno in te slaan. Een dag is ons dus nog overig, en dien willen wij in den huiselijken kring doorbrengen. Heden nog kan ik broeder en vriend zijn, morgen ben ik niets dan soldaat.” Zijn oog fonkelde helder bij deze woorden en verhoogde den adel van den zachten ernst zijner wezentrekken. Op de vrouwen daarentegen maakte de tijding, die het hart der mannen, de onzekerheid sinds lang moede, met blijdschap vervulde, een bedroevenden indruk. Lodoiska verbleekte en sidderde; op de trekken der gravin stond eene kommervolle bezorgdheid te lezen: „Dus werkelijk reeds zoo spoedig?” vroeg zij opstaande en naar den broeder toetredende.
„De oorlog,” vervolgde deze, „schijnt thans onherroepelijk verklaard. Alle onderhandelingen, die laatstelijk door Narbonne gevoerd werden, zijn afgebroken. Men zegt dat vooral het lot van ons vaderland den twistappel tusschen de beide heerschers werpt; Napoleon wil ons als eene vrije, zelfstandige natie erkend zien, doch Rusland is niet gewoon, den roof, dien het tusschen de bloedige klauwen houdt, los te laten. Het toont grimmig de tanden. Laat ons zien, of de Hercules, wiens opgeheven knods Europa doet beven, den kamp met dit monster zegevierend ten einde zal brengen!”
Een vuurgloed van verontwaardiging kleurde zijn gelaat. De zuster stond met treurige blikken voor hem, streek hem het haar van het voorhoofd en zeide, hare hand op zijn arm leggende: „Gij hadt vroeger een vroolijker vertrouwen, toen minder sterren van hoop aan den gezichtseinder blonken. Vat moed, broeder! Wanneer wij ons niet aan uwe moedige kracht kunnen opbeuren, wat zal ons dan ondersteunen en staande houden?”
Rasinski glimlachte. „Ik heb soms uren, zuster, dat ik alles uit een somber oogpunt zie; zulks is echter spoedig voorbij, en waar ik kracht en vertrouwen tot handelen noodig heb, ontbreken ze mij niet. Doch laat dat daar; heden en morgen behoor ik aan u, aan de lieve beperking van den huiselijken kring, en wil mij daarin geheel verplaatsen. Zelfs mijne blikken zullen de heilige grens niet overschrijden, die, als een gewijde toovercirkel, de zwarte geesten des levens van ons verwijderd houdt. Want treed ik over die tooverlijn, dan word ik een speelbal van de woeste zee, en de losgelaten stormen mogen mijne boot naar willekeur voortzweepen. Wij hebben immers ook nog huiselijke zaken af te doen,” vervolgde hij en wierp een blik op Lodoiska, „uwe schoone pleegdochter maakt aanspraak op onze zorg.” Het meisje sloeg het zachte oog ter aarde en een licht rood schemerde op hare wangen. „Ja, mijne kinderen,” vervolgde hij, tusschen de gelieven tredende, „hebt gij wel overlegd, wat gij doen wilt? Wie zou uwe liefde niet met vreugde aanzien? Gij zijt elkander waardig; Jaromir ken ik, hij zal een hart als het uwe, Lodoiska, als een kostbaar kleinood weten te schatten en te beschermen. Maar zijn dit tijden, om banden der liefde aan te knoopen? Mag men op een zaad hopen, dat in den stormwind wordt uitgestrooid? Wie gaat scheep, als de zee woelt en bruist; wie geeft een vreugdefeest in een huis, dat boven den afgrond waggelt? Hebt gij een maatstaf, waarnaar gij de vervulling uwer hoop berekenen kunt? Gij werpt u in den woeligen stroom, zonder te weten of de naaste golf u scheiden, dan aan een veiligen oever werpen zal.”
Lodoiska blikte Rasinski schroomvallig aan en zeide: „Zijn het dan niet juist de tijden van zorgen en gevaar, die men gemeenschappelijk te lichter draagt? Het geluk, den zonneschijn des levens geniet ook de eenzame voor zich zelf.”
„Maar de man zal geen wezen aan zijn lot verbinden, wanneer dit zelf onzeker is als de wentelende baar.”
„Waarlijk,” riep Jaromir levendig, „ik mag thans niet om u aanhouden, want alles staat op een te onzeker spel! Maar een verbond der hoop zou ik toch gaarne met u aanknoopen.”
Hij sprak deze laatste woorden met een zoo onschuldig smeekend gelaat, dat Rasinski onwillekeurig moest glimlachen. „Wanneer gij,” vervolgde hij, beider handen aangrijpende, „ernstig bedacht en overwogen hebt, wat gij doen wilt; wanneer het niet enkel de vluchtige roes van een oogenblik is; wanneer gij, Jaromir, uwe jeugdige lichtzinnigheid genoeg beheerschen kunt, om de proef van lange, ernstige jaren te doorstaan, dan hebt gij recht om eene verbintenis der trouw te sluiten en geen gevaar, dat haar van buiten bedreigt, mag u terugschrikken. Ook ik weet de edele gezindheid in den mensch op prijs te stellen, die in een donker uur des levens minnende harten meer voor de bezwaren dan voor de genoegens daarvan te zamen bindt. Uw oom, Lodoiska, heeft mij eene vaderlijke volmacht gezonden, om u met Jaromir te verloven. Wanneer gij dus niet beschroomd zijt, den ernstigen stap in het gebied der plichten te wagen, mag ik uwe handen ineen leggen en de ringen uwer gelofte wisselen.”
Het schoone wezen stond bevend en met donkeren rozegloed op de wangen voor den ernstigen, vaderlijken vriend. „Gij wilt dus?” sprak deze. In plaats van antwoord te geven, zonk zij sprakeloos aan de borst der gravin, doch liet hare rechterhand aan Rasinski die ze zachtkens in die van den verrukten jongeling nederlegde.
„O, hoe onuitsprekelijk gelukkig ben ik,” riep hij uit, terwijl hij de hand van het bevende meisje aan zijne lippen bracht.
„Zij is nu uwe bruid,” sprak Rasinski, „en door de heiligste plichten zijt gij aan haar verbonden. Zult gij den moed hebben, die te vervullen?”
„Tot aan mijn dood!” riep Jaromir heftig en drukte het bekoorlijke wezen, dat zich met de gansche teederheid van het vrouwelijke hart aan hem overgaf, onstuimig aan zijne borst.
Juist trad Boleslaw binnen en werd bleek als de dood, toen hij de twee in elkanders armen zag; ook hij toch had eene ernstige, diepe liefde voor de schoone Lodoiska opgevat, en niet vermoed, dat zij de verloofde van den vriend zijn konde. Met eene zelfbeheersching echter, die zijn streng, wel hartstochtelijk, maar toch vast karakter alleen mogelijk maakte, bedwong hij schrik en smart tevens en vertoonde een kalm gelaat, terwijl de doodsteek hem de borst verscheurde. Met vasten tred ging hij op de aanwezenden, van wie niemand zijne komst bespeurd had, toe. „Mag ik u geluk wenschen?” vroeg hij, zich tot Jaromir wendende.
„Neen,” riep deze vurig, „want ik bezit reeds het zaligste geluk, dat de aarde ons aanbiedt!”
De vrienden omhelsden elkander hartelijk; voor Lodoiska boog de jongeling zich ernstig, greep hare hand en sprak: „Wees gelukkig, in alles gelukkig!”—Nu sidderde en verbleekte hij toch; zijne jeugdige heldenkracht dreigde te bezwijken. „Weet gij al, dat wij overmorgen oprukken, graaf Rasinski?” richtte hij zich tot dezen, om het gesprek eene andere wending te geven.
„Voorzeker,” was het antwoord.
„Ook dat de overste Regnard met zijn regiment marcheert en de dragonders en de drie compagnieën rijdende artillerie eveneens?”
„Ik had slechts zooveel van het bevel vernomen, als mij zelf betreft. Overigens moet ik bekennen, dat dit geleide mij niet uitstekend behaagt, want hoe talrijker wij zijn, hoe slechter nachtkwartieren wij te wachten hebben. Ik bemin ons vaderland, maar zijne gastvrije steden en dorpen zijn eer geschikt om vijandelijke legers te laten verhongeren, dan om bevriende den kost te geven.”
Bernard en Lodewijk, die tegelijk met Boleslaw te huis gekomen, zich eerst naar hunne kamers hadden begeven, traden thans binnen en maakten den vriendenkring voltallig. Ook aan hen werd het bruidspaar voorgesteld, ook zij ontboezemden hunne beste wenschen.
Rasinski liet in den loop van den avond eene zachte opgeruimdheid blijken, die hem uiterst beminnelijk maakte. „Hoe jammer,” riep hij in het vervolg van het gesprek uit, „dat onze vriend Bernard sabel en lans zoo druk te hanteeren heeft gehad. Hij had waarlijk geen tijd, om aan penseel of krijt te denken; anders had hij mij het beeld der lieve bruid moeten teekenen.”
„En hij had het mij zelfs beloofd. Ten voeten uit wou hij haar schilderen!” riep Jaromir.
„Schoon ik tot het laatste geen tijd gehad heb, kan ik ten minste nog eene teekening beproeven,” viel Bernard hem in de rede. „De avond is lang; eene, hoe vluchtige schets is toch beter dan niets, en weinige uren zijn daartoe volkomen toereikend. Het is eene goede eigenschap van ons bedrijf, dat het in zulke gevallen slechts op een deel onzer krachten aanspraak maakt en noch ons zelf, noch anderen in het gezellig onderhoud hinderlijk is; ten minste verlangen wij slechts zeer geringe opoffering. Hand en oog arbeiden, maar het oor kan den loop van het gesprek vrij volgen en de geest leent zich gemakkelijk tot beide verrichtingen. Vergunt mij dus, mijne kleine, vluchtige werkplaats hier voor eenige oogenblikken op te slaan, laat mij de lichten naar mijn zin plaatsen, geeft mijne oogen de anders niet zeer kiesche vrijheid, om zich scherp op het voorwerp mijner bezigheid te richten, en ik hoop nog iets te leveren, dat althans tot eene kleine vergoeding voor de grootere uitvoering, waartoe ons thans geen tijd blijft, dienen kan. Geeft u vrij en ongedwongen aan het gesprek over. Dikwijls heeft eene beeltenis oneindig meer waarheid en leven wanneer wij haar, zonder dat ons doel vermoed wordt, heimelijk afloeren, dan wanneer het voorwerp er zich toe zet, om op het doek te worden overgedragen. Het rampzaligst van alles is, wanneer iemand alle plooien en plooitjes van zijn gezicht met angstvallige bezorgdheid in orde schikt, om er de uitdrukking van ongedwongenheid toch recht kunstmatig in te brengen, of wel om het nog mooier te maken, een onnatuurlijk lachje om de lippen beitelt, zooals de naaister een kleed met linten garneert.”
Zijn gereedschap werd door een bediende binnengebracht, hij verplaatste de lichten, koos een geschikt standpunt en ging ijverig aan het werk. Het gesprek der overigen werd inmiddels voortgezet en ook hij nam daaraan ongedwongen deel, schoon hij soms slechts toeluisterde en slechts nu en dan enkele woorden daartusschen wierp om eene geuite meening goed te keuren, haar door eene losse opmerking te ondersteunen of een scherpen pijl der tegenspraak daarop los te laten.
Men behandelde intusschen slechts algemeene onderwerpen, die wel eene zekere deelnemende levendigheid verwekken, maar toch geene hartstochtelijke bewegingen der ziel veroorzaken konden. Zulks had Bernard uitdrukkelijk gevorderd, daar hij bij het losbarsten van onstuimige gemoedsdriften onmogelijk op de rustig begonnen wijze had kunnen voortteekenen; met groote behendigheid wist hij deze stemming te doen standhouden en steeds te rechter tijd het gesprek te beteugelen of aan te sporen, al naarmate het dreigde te verflauwen of al te levendig te worden.
„Ik ben klaar,” riep hij, nadat er twee uren verloopen waren, en sprong met het blad in de hand op. Nieuwsgierig drongen allen om hem heen, om zijn werk te beschouwen. Hij trad eenige schreden achteruit en hield plagend het blad met de rugzijde naar het gezelschap toe.
„Geen spanning, geen verwachting!” riep hij; „het is eene half mislukte schets, meer niets. Had ik tijd, die morgen te herhalen, ik zou het blad verbranden, eer iemand van u het gezien had; dat betuig ik u bij mijne kunstenaarseer, die ik juist op het punt ben een weinig aan de kaak te stellen.”
Thans wendde hij het blad om; men zag twee teekeningen. De eerste stelde Lodoiska voor, de tweede Jaromir, beide in borstbeeld, slechts vluchtig, maar geestig uitgevoerd en sprekend gelijkende. Allen verheugden zich in het geslaagde werk en bewonderden de zinrijke uitvoering; maar vooral Jaromir was verrukt en riep uit: „Welk een heerlijk geschenk, welk eene dubbele verrassing! Nu kan ik het beeld van mijn meisje medenemen en haar het mijne achterlaten.”
Lodewijk was de eenige, die de teekeningen nauwkeuriger beschouwde; na eenige oogenblikken zeide hij glimlachend: „Inderdaad, ik wist in den beginne niet, waarom gij die ouderwetsche lijsten om de beelden getrokken hadt; daar ik u ken, vermoedde ik dadelijk eene oorzaak, die ik nu meen gevonden te hebben. Waarlijk, de inval is goed en nog beter uitgevoerd.”
„Ja, ja, gij kent mijne streken,” hernam Bernard, „en weet, dat ik zelden honderd schreden rechtuit ga. Bokkesprongen op den effen weg zijn mij nu eenmaal tot behoefte geworden, want de Uilenspiegel zit mij onveranderlijk, van mijne geboorte af, in den nek.”
Na dit gesprek werden de overigen zeer begeerig, het geheim ontraadseld te zien. Nu men er eens opmerkzaam op gemaakt was, werd dit zeer gemakkelijk. Bernard had namelijk om elken kop een vierkante, schijnbaar ouderwetsch opgeluisterde lijst geteekend, elke hoek vertoonde een gezicht, en wel de uiterst welgelijkende beeltenissen der aanwezigen. Aan de beide bovenzijden waren Rasinski en zijne zuster, beneden Lodewijk en Boleslaw afgebeeld. Bovendien had hij aan elke lijst een knop gegeven, waaruit zijn eigen gezicht met hekelende spotachtige trekken op het gansche werk scheen neder te zien.
Deze luimige toegift tot het geschenk werd met levendigen bijval bekroond. Van alle zijden werd de schilder met lofspraken overstelpt en vooral Jaromir gaf zijne vreugde door luide ontboezemingen te kennen. „Zulk een beeld,” riep hij uit, „maakt mij waarlijk gelukkig, ja verheugt mij meer dan de schoonste schilderij; dit immers kan ik altijd bij mij dragen en mij in den aanblik verkwikken zoo vaak ik wil. Hoe trouw haar beeld mij ook overal verzellen zal, het is toch iets anders, als men het zoo werkelijk met de oogen zien kan.”
„Evenals het nog niet iets anders en duizendmaal schooner is,” hernam Bernard, „als men de geliefde zelve voor zich ziet, niet waar?”
Lodoiska sloeg het oog neder, daar Bernard haar bij deze woorden aanzag; doch spoedig hief zij het weder op en blikte Jaromir met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde aan, als wilde zij daardoor Bernards woorden bevestigen.
Hoeveel reden ook elk der aanwezigen hebben mocht om sombere gedachten te koesteren, door deze kleine verrassing was toch zulk een aangenaam, helder licht op de donkere grondkleur der gemoederen gevallen, dat men, zoo al niet in een vroolijke, dan toch in eene kalme en zacht opgeruimde stemming geraakte.
Zoo voldeed de kunst dan ook hier aan hare schoone roeping, door zacht bemiddelend in den ruwen strijd des levens te treden en zijne donkere, moeielijke paden te verlichten en te effenen. O, niet genoeg kunnen wij den goedertieren Schepper danken, dat Hij eene schoone gestalte uit zijn Hemel deed nederdalen, wier taak het is, de scherpe omtrekken der werkelijkheid door eene zachte schakeering der kleuren te doen wegsmelten en over de woest neerbruisende stortbeek der hartstochten den schemerenden stofregenboog uit te spannen, die ons bewijst, dat de stralen der goddelijke zon tot in de diepste, verborgenste aardkloof doordringen.
HOOFDSTUK X.
Reeds in den vroegen morgen dreunde het roffelen der trommen en het schetteren der trompetten door Warschau's straten en riep de troepen tot den afmarsch te zamen. Het vervulde Lodoiska met bange beklemdheid, daar zij thans den geliefde harer ziel aan duizend dreigende gevaren zoude prijsgeven.
Niet zoo angstig bezorgd, maar de borst met zoete verwachtingen voor het vaderland vervuld, zag de gravin de scheiding te gemoet; zij was te zeer poolsch, om niet met een inmengsel van blijden trots de krijgszuchtige tooneelen te beschouwen, welke de onrustige dagen van dien tijd haar zoo ruimschoots aanboden. Ook haren broeder, die haar het liefste op aarde, ja, die haar alles was, daar zij zonder hem geheel alleen stond, ook hem zag zij met kalmte aan den spits zijner schaar ten strijde trekken.
Een gekletter van sabels op de trap verkondigde haar het naderen van Rasinski en zijne kameraden, die in het vertrek der vrouwen traden om afscheid te nemen. Zij waren in volle uniform; sjerp en sabel versierden hen en van de czapka wuifden blinkende vederbossen. Het krijgsmanskleed verleent aan lichaam en ziel dezelfde krijgshaftigheid. Het is, alsof men zich de roeping van dien stand door zijne uiterlijke kenteekenen te beter bewust wordt. Vandaar waren de mannen bij het werkelijk afscheid nemen minder geroerd, dan hunne vroegere weeke stemming had doen vermoeden. Rasinski drukte de zuster met broederlijke warmte aan zijne borst en sprak mannelijk en vast: „Wij trekken uit tot eene hooge roeping; geen smartgevoel beklemme onze ziel. Slechts heilige geestdrift voor het vaderland mag haar doorgloeien. Wij zullen onze ontwijde altaren reinigen, den verdreven vaderlandschen goden eene nieuwe haardstede vesten, aan onze oude grenzen het wapen der Jagellonen weder neerplanten, hunne heilige vanen wederom laten wapperen tot roem van ons volk! Vaarwel, zuster! niet mij, niet ons, slechts onze wapenen verzelle uw zegen, slechts voor de overwinning rijze uw gebed tot den Almachtige omhoog! 't Zij wij vallen of wederkeeren, 't is hetzelfde, als slechts Polens witte arend met trotsche vleugels uit de donderwolken van den slag tot den helderen hemel der vrijheid opstijgt. Leef wel! God spare u voor eene betere toekomst!”
Hij liet den opgeheven arm zinken, omhelsde de zuster nog eenmaal, drukte ook op Lodoiska's bleeke wangen een kus, verliet met rasse schreden het vertrek en ijlde naar beneden, om zich in den zadel te werpen.
Jaromir klemde zijne bruid onder het storten van heete tranen aan de borst; verlangend sloeg zijn hart den kamp voor het vaderland te gemoet, maar het bloedde bij het scheiden van de geliefde. Zij weende nauwelijks, want eene kille doodsangst, vreeselijker dan de diepste smart, had hare tranen versteend. Slechts uit hare bleeke wangen en lippen, uit haar koortsachtig rillen liet zich de hevigheid van het lijden opmaken, dat haar in dit oogenblik bijna ontzielde.
Jaromir legde het sidderend marmerbeeld aan de borst harer moederlijke pleegster.
Deze weende haar angst in tranen, welke zij tot hiertoe bedwongen had, over het geliefde wezen uit. Voor het afscheid der drie jongelingen, die haar niet zoo nauw aan het hart lagen, schoon het, vooral in het uur der scheiding met warme vriendschap voor hen sloeg, voor dit vaarwel had zij slechts benevelde blikken en eene in sprakeloosheid toegereikte hand.
Boleslaw bleef de laatste in het vertrek. In zijne ernstige, hijgende borst woedde de storm van den hartstocht met verteerende macht. Hij zag haar, die voor eeuwig de zijne en hem voor eeuwig ontrukt was, als een beeld des doods voor zich, zag haar met mat gesloten oogen in de armen der moeder hangen; hij beefde, hij vermocht nauw staande te blijven, zoo krampachtig verscheurde hem de smart, die vruchteloos om den zachten dauw van een traan kampte. De storm der driften dreigde hem te overweldigen; het scheen hem, als mocht, als moest hij de geliefde aan het hart klemmen en hare liefde vorderen, daar de zijne grooter, waarachtiger, heiliger was dan die van Jaromir. Eene innerlijke stem riep hem toe: Drink, drink ten minste eenmaal den beker der zaligheid van hare lippen; drink, al moest hij u tot gloeiend gif worden! Eene koortsrilling huiverde hem door alle leden. Doch zijn betere genius behield de zege. „Neen,” riep hij sidderend, „dat ware meer dan broedermoord! Weg, weg!”—met deze woorden stormde hij het vertrek uit.
Eigen smart en verdooving hadden den blik der vrouwen zoo verduisterd, dat zij deze worsteling niet eenmaal opmerkten. Lodoiska hing nog immer bewusteloos in de armen der moeder; eindelijk sloeg zij het oog op en barstte in een stroom van tranen uit, doch met deze bezweken hare laatste krachten en zij zeeg, door de armen der gravin gehouden, in zwijm op een rustbed neder.
Daar buiten schetterden luid de trompetten. Men hoorde den dreunenden hoefslag van af- en aanrennende ruiters. De gravin snelde naar het venster. Het was Rasinski's nieuw regiment, dat zich voor het paleis verzamelde, om den chef te ontvangen. Eene krijgszuchtige veldmuziek vormde de spits van den trein; eenige officieren kwamen met lossen teugel aanstuiven, om Rasinski te begroeten. Deze kwam op zijn steigerenden arabischen schimmel, mannelijk schoon, in eene vorstelijke houding uit de slotpoort te voorschijn. Jaromir volgde hem op een slanken goudvos, die met de sierlijke vlugheid van een hert over den grond heenvloog; eenige oogenblikken later zag men Boleslaw op een ros, welks manen verwilderd om den trotschen nek zwierden, in eenige stoute sprongen uit de poort hollen. Hij was bleek als de dood en zijn oog rolde woest en somber onder de donkere wenkbrauwen, toen hij zich half in den zadel omwendde en naar de gravin opzag, die hem met een vriendelijk lachje haren groet toewierp.
Thans daverde de luide juichtoon der krijgslieden, die hun aanvoerder welkom heetten; de vroolijke veldmuziek viel jubelend in, vaandels golfden in den morgenwind, wapens flikkerden in zonneglans, rossen brieschten en snoven, vederbosschen wapperden, levendiger en levendiger werd het bonte gewoel. De kalmte, die bij den aanblik dezer moedige scharen de borst der gravin doordrong, gaf haar de overtuiging, dat ook Lodoiska's smart daardoor gelenigd en zij zelve tot een edelen moed ontvlamd moest worden. Zij trad dus op de machteloos neergezonkene toe en noodigde haar vriendelijk uit op het balkon te treden, ten einde den uittocht der dapperen mede aan te zien. „Schep moed, kom tot u zelve,” sprak zij met zachte overreding; „elk vast willen en moeten wordt een hecht steunsel, waaraan de smart, waaronder wij meenen te bezwijken, zich staande houdt. Het zal u troosten en sterken, den geliefde als man en held te zien, daar hij in blinkenden wapendos te velde trekt, om voor het vaderland te vechten. De achting doet onze liefde toenemen, en met haar de kracht, om te dragen en te lijden. Kom, zamel uwe krachten bijeen, toon den scheidenden vriend een bemoedigend gelaat; hij gaat ernstige beproevingen en gevaren te gemoet, die hij lichter overwinnen zal, als het beeld eener sterke, geloovig vertrouwende geliefde hem verzelt, dan wanneer zij hem weeklagende en hopeloos kermende voor de oogen zweeft.”
Lodoiska voelde zich door deze zachte, overtuigende toespraak gesterkt; haar minnend hart erkende, dat het plicht was, den vriend het uur des afscheids min smartelijk te maken. Zij verzamelde dus al hare krachten en volgde de gravin, die haar door de aangrenzende zaal op het balkon bracht.
Reeds het gezicht der woelende, golvende gelederen verruimde den geprangden boezem; kracht toch verwekt kracht. Juist begonnen de klokken der hoofdkerk ter vroegmis te luiden, zoodat deze ernstige, statige tonen zich met het luidruchtige krijgsgejoel vermengden. Het lichtblauw gewelf des hemels werd door geen wolkje ontluisterd, de vogels dartelden vroolijk door het groen; de frissche adem van den schoonsten, heldersten morgen deelde aan alles lust, leven en veerkracht mede. Het was, alsof de goedheid Gods zich eens recht levendig vertegenwoordigen en door duizend teekenen aan den mensch verkondigen wilde: Ik ben u eeuwig nabij met mijne onuitputtelijke liefde en ontferming. Welke smarten, welk lijden gij in uwen waanzin ook bereiden moogt, ik ben altijd tegenwoordig, om met zachte hand de wonden te heelen, die gij u zelven in uwe verblinding toebrengt.
Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir; deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de vrouwelijke gestalten op het balkon.
Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen onderscheidt.
„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten. Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!” De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar de schoone oud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op. Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp. Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst, groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in het gelid.
Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield. IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde, had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik, dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.
De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waar Alisette woonde. Zij stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren, die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest. Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde, toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir, dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan, sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in bijna teedere uitdrukkingen.
Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag, zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze! Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij hier blijft terugdenken?”
„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart aan Lodoiska. Maar Alisette was altijd zoo vriendelijk jegens mij!”
„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.
Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij in goede orde defileeren moeten.”
De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.
De overste Regnard vertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichte cavalerie rukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem, Regnard met het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de brug bedekte, en de prachtige Weichselspiegel de glansrijke gestalten terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden, het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende verhevenheid van het grootsche tooneel.