← Table of contents
1812

ZESTIENDE BOEK.

Reading edition

Illustration from 1812: Historische roman

HOOFDSTUK I.

Twee maanden waren er verloopen. De vreeselijke storm, die zoo veler levenslot tot in zijne diepste grondvesten geschokt had, was eindelijk voorbij. Dus ook deze wrange beker van lijden en ellende kon geledigd worden! De donkere wolken togen voorbij, de hemel werd helderder, het hart kon weder aan eene Voorzienigheid gelooven.

Lodewijk en Bernard hadden met Bianca en Maria Koningsbergen bereikt en daar eindelijk eene zekere verblijfplaats gevonden, tot welke de verschrikkingen van den oorlog niet doorgedrongen waren.

De tijd had hunne uitgeputte lichamen gesterkt en begon ook de bloedende wonden van de ziel te heelen.

De gravin was door Bianca's bemiddeling in veiligheid gebracht en met Lodoiska naar Warschau teruggekeerd.

Diep medelijden met den toestand dezer ongelukkigen en bezorgde deelneming in het lot van Rasinski, die door den stroom der krijgsgebeurtenissen rusteloos werd voortgedreven, waren de eenige donkere schaduwen, welke in het stille, gelukkige leven der vereenden vielen, die de Voorzienigheid langs zoo wonderbare wegen geleid en zoo kennelijk behoed had.

Welk een tijd der zoetste mededeelingen, hoewel ook met de weemoedigste herinneringen doormengd, mochten Lodewijk en Maria thans met elkander doorleven! In de eerste uren van hun wederzien werden zij door den storm der geweldige gebeurtenissen zoo onweerstaanbaar medegesleept, dat het hart geen tijd vond, zich aan het stille geluk der beschouwingen te wijden. Thans, in de lange winteravonden, nu een vertrouwelijk vertrek vier schoone zielen vereende, werden alle zorgen en bezwaren rijkelijk vergoed. Hun gesprek bepaalde zich bij voorkeur tot het verledene, op hetwelk de opkomende zon der toekomst nu reeds vriendelijker stralen begon terug te werpen, ja zelfs vertoefden de gedachten van broeder en zuster gaarne bij het graf der moeder, hoewel een zachte weemoed hun binnenste doordrong bij het herdenken van die edele ziel, die getrouwe hand, welke hen in de dagen hunner jeugd zoo liefderijk geleid had.

Met innige vreugde zag Lodewijk de vriendschap tusschen Bianca en Maria bloeien en aanwassen, maar met nog vuriger dankgevoel ontwaarde hij, dat Maria's zusterlijke toegenegenheid voor Bernard elken dag naarmate diens edel, groot hart zich meer en meer voor haar opende, ook warmer en inniger werd. In Bernards innerlijk gemoedsbestaan had eene gewichtige omkeering plaats gegrepen; het werd allengs kalmer, rustiger, bedaarder in hem. Als bij edelen wijn loste de opbruisende gloed der gisting zich in een helder, weldadig vuur op. Reeds de laatste vreeselijke worstelingen hadden den onstuimigen aandrang van ruwe kracht aanmerkelijk gewijzigd en bedwongen, doch de zuivere straal der liefde drong thans nog dieper in zijne woelige, rustelooze borst door, en hare golven werden kalm en effen, als duchtten zij, het heilige beeld zijner vereering misvormd terug te spiegelen. Het bedarend vermogen, waarmede vroeger reeds Bianca's nabijheid op hem gewerkt had, oefende Maria thans in een nog hoogeren graad uit. Hoe diep en smartelijk de gloed ook in hem brandde, bestreed hij dien toch mannelijk, als wilde hij Maria's liefde door zelfbeheersching en verloochening verdienen. Hij had een blik in het binnenste heiligdom harer ziel geworpen, en gelijk de edele gemakkelijk doorziet en verstaat, vermoedde ook hij den strijd, dien zij doorstaan had, en begreep hij, waarom zij kampte. Hare vurige vaderlandsliefde, die thans in nieuwe, schoone verwachtingen herleefde, kende hij en wist, wat zij daarvoor in staat was op te offeren. Voor zijne liefde durfde hij vooreerst nog niets hopen, doch van hare warme vriendschap was hij verzekerd, en uit dien hoofde wilde hij thans niet verder bij haar aandringen, daar hij de smart eerbiedigde der nog altijd in stilte bloeiende wonden harer ziel, die door de genezende kracht der zelfverloochening nauwelijks gesloten, nu onlangs weder zoo vreeselijk waren losgereten. Uit den grond van haar hart was zij hem dankbaar voor deze grootmoedige terughouding en matiging; want zij besefte, hoeveel strijd ze hem dagelijks kosten moest.

Hoe eerbiediger Bernard derhalve terugtrad, des te nauwer moest Maria zich ook aan hem verbonden, des te heiliger zich aan hem verplicht gevoelen.

Wellicht had zij er op zijne dringendste bede niet toe kunnen besluiten, hem haar hart te schenken; doch nu hij zwijgend en gestreng afstand deed, veroorzaakte dit van hare zijde eene vrijwillige, hartelijke toenadering, en van uur tot uur voelde zij eene sterkere verplichting, om diens geluk op vaste grondslagen te vestigen, die het zoo mannelijk edel wist op te offeren. Hoe meer liefde plicht bij haar werd, werd ook die plicht liefde. Zoo werd de zuivere, schoone bloesem eener edele toegenegenheid in de koesterende stralen van warme dankbaarheid en ongeveinsde hoogachting meer en meer ontwikkeld. Alleen de lichte, fijn geweven sluier harer maagdelijke schaamte en zijn heilige eerbied verborgen nog het zoete geheim van de minnende harten. Hij waagde het niet, de bloem aan te roeren, die zich met schuw gesloten kelk tot hem neigde. Beider hart zweefde thans in dit onzekere, bange geluk; doch stil en ongemerkt rijpt de kostelijke vrucht, en prijkt ze in vollen wasdom, dan valt zij, bij den minsten adem eener gunstige koelte, als van zelve in den geopenden schoot.

De zaden der wereldgeschiedenis rijpten meer en meer tegen den naderenden oogst. Reeds gistte en kookte het merkbaar in alle vaderlandsgezinde harten; men voelde den ijzeren druk van het juk, dat zoolang den nek gekromd had, een oogenblik opgeheven, en koen en vrij en hoopvol haalde de borst adem.

Op een avond, dat het viertal in een vertrouwelijk gesprek bijeen zat, werd er laat aan de deur geklopt, en op Lodewijks roep trad Arnheim binnen. Een donkere blos vloog over Maria's wangen, toen zij den edelen man herkende. In dezen oogenblik vermoedde zij, uit het onderscheid harer gezindheid jegens hem en jegens Bernard, de liefde, die zij den laatsten toedroeg. De binnentredende sprak haar, als de eenige, die hij in dezen kring kende, het eerst aan:

„Nauwelijks durfde ik mijne oogen vertrouwen, toen ik u dezen namiddag in de schemering aan het venster ontdekte; ik hoorde echter spoedig, dat ik mij niet bedrogen had. Vergun mij, dat ik de stoutheid van mijn bezoek met een heugelijk nieuws verontschuldig, hetwelk ik u vooral zoo spoedig mogelijk wilde mededeelen.”

„In elk geval zijt gij van harte welkom,” hernam Maria, „en dubbel welkom, zoo gij eene verblijde tijding voor ons vaderland medebrengt.” Zij maakte hem met haren broeder, met Bianca en Bernard bekend.

„Gij herinnert u, dat ik u reeds te Warschau van een geheim vaderlandsch verbond gesproken heb,” begon Arnheim; „thans is het tijd, vrijer daarvan te spreken, want het uur, dat het vruchten moet dragen, is gekomen. Duitschland zal opstaan met man en macht; het gansche volk zal te wapen geroepen worden. Pruisen stelt zich moedig aan het hoofd. Mijn vaderland is nog door andere, arglistig aangeknoopte staatkundige banden gekneld; doch er bestaat hoop, dat ook Oostenrijk zich met geweld zal losrukken. Tot de dag daar is, dat het vrij en onverdeeld kan optreden, vergenoegt het zich, de geestdrift van enkelen voor de heilige zaak te ontvlammen en hunne pogingen te ondersteunen. Zoo ben ik reeds sedert eenige weken uit den dienst mijns keizers in dien van den koning van Pruisen overgegaan. De hoofden onzer vereeniging hebben reeds voor langen tijd den wenk ontvangen, op een beslissenden stap des konings voorbereid te zijn. Heden voor een uur, is eindelijk het vurig gewenschte bericht gekomen, dat dezen gedaan is. Pruisens koning spreekt krachtig tot zijn volk; hij roept het ten strijde op voor het heiligdom van den eigen haard, van het vaderland, van de vrijheid. Een heilige krijg ontvlamt, waarin de volken hunne dierbaarste, zoolang miskende rechten voor hun bloed herwinnen zullen; een krijg, die den vallende den martelaarspalm, den overwinnende den lauwer des eeuwigen roems aanbiedt! Zoo zal dan ons vaderland eindelijk verlost worden uit de ketenen van smaad en ellende! Deze zalige vreugde verruimde mijne borst en doet mij wat ik aan eigen leed te dragen heb bij het groote gebrek van het geheel vergeten.”

Hij wierp bij deze laatste woorden een veelbeteekenenden blik op Maria, dien zij slechts te wel verstond.

„U,” ging hij tot haar gericht voort, „heb ik als zulk eene dochter van het vaderland leeren kennen, dat ik het, glimlach vrij, voor een gunstigen wenk des hemels hield, u juist in dezen oogenblik, nu ik u zulk eene tijding brengen kon, onverwachts weder te vinden.”

„O, ontvang mijn innigen dank,” hernam Maria diep ontroerd en met een helderen vreugdetraan in het blauwe oog. „Welk een morgenrood doen uwe woorden aan den donkeren hemel van ons vaderland voor mij aanlichten!”

„En eene heerlijke zon zal prachtig verrijzen,” riep Lodewijk in gloeiende geestdrift. „Thans, thans eerst komen de dagen, dat ik vrij en gelukkig adem! Zelfs mijne liefde bloeit eerst vol en tierig in dit nieuwe licht!—O Bianca, tot hiertoe waart gij eene bloesem, welker geur een zoet voorgevoel der naderende lente in een doffen, beklemmenden kerker droeg. Thans bezielt ons de sidderende morgenstraal! Hij valt op mijn hart, als op de Memnonszuil, en ontlokt het zoete, hemelsche klanken. O Bianca, welke dagen zullen wij beleven!”

Bernard had ernstig, maar innerlijk doorgloeid en verwarmd des ritmeesters bericht aangehoord. „Ik treed als vrijwilliger in uwe gelederen,” sprak hij met onverzettelijke beradenheid, en reikte Arnheim de hand.

„En ik vecht aan uwe zijde, broeder,” riep Lodewijk vurig. „Thans eerst zullen wij ondervinden, met welk gevoel een man de donders van den slag om zich hoort kraken. O, en nu zegen ik dat jaar van beproeving, dat wij doorworstelden, want het was ons eene strenge, leerrijke oefenschool. Dubbel kan ik thans het ongelijk vergoeden, waaraan ik mij tegen wil en dank jegens mijn vaderland schuldig maakte. Gehard in den vreeselijken veldtocht, die achter ons ligt, wegen wij thans driewerf zooveel in dien, welken wij te gemoet snellen. Geen nieuwelingen meer, beproefde mannen, verstaald in nood en gevaren, weten wij thans het zwaard te voeren. O waarlijk, lieve zuster, gij spraakt waarheid; het vroolijk morgenrood breekt door den diepsten nacht.”

Bernard wandelde, terwijl Lodewijk zich geheel door zijne verrukking liet medesleepen, onrustig en peinzend op en neder. „Ik voel, wat er gebeuren moet,” begon hij eindelijk, „en een edel gevoel doortintelt ook mijne borst, maar vreugde kan ik het niet noemen. Deden wij onrecht door aan den kamp van het verloopen jaar deel te nemen, was het ons hoogere plicht, het hoofd op het blok te leggen en als weerlooze offers der snoodste arglistigheid te vallen, dan treft ons thans ook de Nemesis. En zij treft zwaar!”

Maria doorgrondde de gedachten, die Bernards borst verontrustten. Lodewijk echter hernam: „Ik versta u niet, Bernard; welke Nemesis ziet gij in de beschikkingen, welke ik voor de genaderijkste des hemels houde?”

„Ook ik houd ze daarvoor; maar leggen ze ons toch niet eene zware beproeving op?—Uwe edele geestdrift, Lodewijk, deed u dat voorbijzien. Zoo moet ik u dus herinneren, wat ik anders van u, die altijd beter, altijd edeler en fijner van gevoel geweest zijt dan ik, zou gehoord hebben?”

„O zwijg,” viel Lodewijk hem driftig in de rede; „ik weet, wat gij zeggen wilt. Voorzeker, dit offer wordt zwaar; het is de ring van Polycrates, dien wij in zee moeten werpen.”

„Ik versta u beiden,” sprak Maria met diepe ontroering; „maar het moet zoo zijn, het moet, hoe bitter het wezen moge. En Rasinski zal de eerste zijn, die uw besluit billijkt. Zelf groot van ziel, gevoelt hij ook al wat groot is, waar en onvervalscht; maar vrij, open, rond moet gij met hem handelen. Door niemand anders, dan door u, verneme hij, dat er een dag kan komen, waarop gij met het zwaard in de hand tegen elkander overstaat.”

„Zoo zij het,” sprak Bernard: „wij schrijven hem, zoodra het beslist is, wat wij doen.”

„Dat kan terstond geschieden,” viel Arnheim hem in de rede; „de gang, die u tot kampvechters voor Duitschlands vrijheid zal maken, is nog in dit uur mogelijk.”

„Gaan wij dan, er bestaat voor ons geen grond tot uitstellen meer,” hernam Bernard.

Zij gingen.

Den volgenden morgen bevatten de dagbladen de oproeping des konings aan zijn volk, de oproeping van den derden Februari van het jaar achttienhonderd dertien. De geestdrift ontgloeide alle harten. Onder luid gejubel stroomden de duitsche mannen toe en schaarden zich onder de wapperende banieren der herrijzende vrijheid; vreugdetranen glansden in het oog der duitsche jonkvrouwen en hare boezems zwollen trotsch op in vaderlandsch zelfgevoel. Vroolijk zag de moeder den zoon, de zuster den broeder, de bruid den geliefde derwaarts trekken; elke droeve traan werd verzwolgen door de hoog golvende zee van verheven vreugde, wier baren in het zachte morgenrood der hoop gloeiden en glansden. O schoone tijd, o liefelijk stralende Aurora der vrijheid, die een eeuwig lachenden lentehemel over Germanjes landouwen welven moest!

Bernard en Lodewijk waren bij het leger ingelijfd; den volgenden morgen reeds zag men hen opnieuw onder de wapens. Echter drukte een zware last op hunne borst bij de gedachte, dat zij van nu af gedwongen waren, tegenover den edelsten vriend, den redder en beschermer van hun leven vijandig te staan en de wapens tegen zijn vereerd hoofd te voeren. Deze sombere stemming kon niet wijken, alvorens het tusschen hen en Rasinski tot een mannelijke verklaring was gekomen. Van het eerste rustige uur na hun besluit maakten zij dus gebruik, om zelven hem daarmede bekend te maken. Lodewijk schreef hem:

„Dierbaarste Vriend!

„Tot uw edel, grootmoedig hart richt ik deze woorden. De stroom der gebeurtenissen, die mij tot u droeg en mijn leven onder uwe bescherming stelde, heeft ons thans weder ver vaneengedreven. Doch hij scheidt ons niet alleen, hij drijft mij zelfs vijandig op u aan. Nog eer ik u de verklaring van dit woord geef, hebt gij het reeds verstaan. De volken rusten zich tot een vreeselijken krijg uit; de enkele mag zich aan de heilige zaak van het vaderland niet onttrekken; maar bloeden onder den harden plicht, dat mag hij. Gij hebt den schipbreukeling, die op de golven omzwalpte, aan boord genomen en veilig op de vaderlandsche kust aan wal gezet. En thans zal hij, de trotsche zeilen der vaderlandsche vloot volgend, verderf brengen, waar hij vroeger redding vond! Vriend, u, die mij kent, die mijn hart duizendwerf beproefd hebt, u vraag ik af, of ik ondankbaar zijn kan. Ik weet en bouw met heilig, onverzettelijk geloof daarop, dat gij mij vergeven zult, dat zelfs deze nieuwe stormen van het lot onze vriendschap niet zullen doen wijken of wankelen. Gewapend zullen wij tegen elkander over staan, maar in heel de schaar mijner duitsche broeders zal mijn hart voor geen zoo dierbaar leven sidderen, dan voor dat, hetwelk strenge plichten mij dwingen vijandig te bedreigen. In het gebed der onzen mogen wij bescherming vinden; Bianca en Maria zullen, als de donders van den slag dreunen, hare harten smeekend tot den Heer der legerscharen verheffen, en Hij, de Algoede, zal haar hooren en ons het uiterste niet opleggen. Door de dichte dampwolken des krijgs glanst eene schoone ster, de ster des vredes. Ook deze stormen zullen uitwoeden; eindelijk heeft de donderende vulkaan, die Europa's grondvesten schokken en daveren doet, uitgeblaakt, en de bloedige lavavloeden zullen staan, de opgeruide volkenstroomen, die nu tegen elkander opklotsen, in de oude, rustige bedding terugkeeren. Dan Rasinski, als de schoone oevers der aarde zich weder in kalme vloeden spiegelen, als de hemel helder lacht en Mars aan Themis het zwaard laat, opdat zij de landpalen der volkeren opnieuw afmete en hunne rechten met strenge schaal wege en wikke,—dan, Rasinski komt de dag, dat ook ons het loon voor de zwaarste opofferingen te beurt valt. Op den doorwoelden grond der slagvelden zullen wij elkander met de oude liefde en trouw omarmen, en de verwoesting om ons heen bedroeft ons niet meer, want reeds zien wij ze ontspruiten, de kiemen der nieuwe lente, die in verdubbelde schoonheid herleeft, werwaarts de vulkaan zijn vernielenden aschregen heeft voortgedreven. Derwaarts dan, laat ons het oog richten op dat verre, lichtende doel. Ver? Wat zeg ik! Hij, die sprak: er zij licht, en er was licht, wiens machtwoord zonnen uit de duisternis te voorschijn riep, Hij, voor wien duizend jaren zijn als één dag, Hij kan ons met sterken arm in één oogenblik des tijds derwaarts voeren. Daarom laat ons op Hem vertrouwen, want Zijne liefde is nog onuitputtelijker dan Zijne macht.—Eeuwig

Uw Lodewijk.”

Ook Bernard had geschreven:

„Rasinski!

„Kon ik u oog in oog zien, van mond tot mond met u spreken, dan zou de zachte blik en weeke toon het scherpe gif mijner woorden temperen. Doch drinken moeten wij het beiden, al scheurt het ons de borst stuk. Het lot neemt wraak aan mij. Gij weet Rasinski, om den wille van mijn vriend verried ik mijn vaderland, nam het zwaard en wondde de borst, die mij zoogde. Thans rolt de kogel om; de Nemesis wapent mij tegen den vriend en hem verraad ik voor het vaderland. Wat druischt mijn hart daartegen op en wil nu breken, dan oproerig worden en uit de borst springen? Te rust met u! Ik had en heb recht. Fier wil ik nu een ijzeren voorhoofd toonen en als een Spartaan op de pijnbank lachen, waarop het lot mij eene valsche, laffe verklaring denkt af te dwingen. U, Rasinski, doe ik de ware: Het is mijn heilige plicht, met de wapens in de hand op u in te stormen en u de borst te doorboren, die mij schut en scherm verleendet en waaraan mijn hart met warme liefde geslagen heeft. Doe gij mij ook zoo!—O, Rasinski! de dag zal schoon zijn, dat wij elkaar in donder- en onweerswolken, als bij Mosaisk, aantreffen en als het broederpaar voor Thebe's muren met speer en zwaard op elkaar inrennen en beiden doorboord neerzinken! Hier betuig ik u, ik zal u niet sparen; want zwaarder verraad wist ik jegens mijn vaderland niet te plegen. Doe gij mij ook zoo! Doch als wij naast elkaar onder de doode broeders liggen, dan wil ik met stervende stem roepen: „Rasinski,” en gij roept: „Bernard.” Met ons hartebloed stroome dan ook de volkenhaat weg; en hoe meer de wijkende kracht des levens onze borst doet verkoelen, des te warmer zal zij in heilige vriendschap ontgloeien. Hart aan hart zullen wij den adem uitblazen! Het zal eene schoone dood zijn en zij zullen ons beweenen, Bianca—Maria! Voorwaarts dan; alle stroomen, hoe wild zij bruisen, vinden immers toch eindelijk de zee, en dan rusten zij uit en hunne golven dringen niet meer rusteloos verder. Tot zoolang vaarwel!....

Bernard.”

Maria en Bianca verlangden de brieven te lezen.

„Naar gij wilt, mijne besten,” antwoordde Lodewijk; „schoon het misschien beter ware, dat gij het niet deedt.”

„Neen,” riep Bernard, „het is beter, dat gij ze leest. Gij weet wat er gebeurt, waarom zoudt gij het hoe niet weten.”

Hij gaf haar de bladen over en zij lazen, beiden tegelijk, stom, onder opwellende tranen. Bernard wandelde intusschen in hevige gemoedsbeweging door het vertrek; eindelijk bleef hij voor Lodewijk staan en sprak: „O, het snijdt mij door de ziel, broeder!” en de vriend lag aan het hart van den vriend.

Maria en Bianca schreven elk een innigen liefdegroet onder de woorden des broeders. Zoo werden de brieven afgezonden.

Er verliep eene week, eer men antwoord ontving. Eindelijk, op een avond, verscheen het. Bernard, aan wien het opschrift luidde, opende het niet, maar wachtte Lodewijks thuiskomst af.—Toen allen bijeen waren, gaf hij het dezen over en zeide: „Lees gij ons voor.” Lodewijk nam den brief, vloog hem vluchtig over en las met bevende stem:

„Mijne Vrienden!

„Ik heb uwe brieven ontvangen en wachtte ze reeds. Gij handelt, zooals onvermijdelijke plicht het van u vordert; kon mijne liefde nog voor u toenemen, zij zou het daardoor. Het altaar des vaderlands is het heiligste, waarop de man zijne offers kan brengen. Bij zijne geboorte reeds legt hij daaraan den stommen, maar onverbrekelijksten eed van trouw af. Houdt dien; ook zal ik hem houden, want ik zwoer hem als Hannibal reeds als knaap, schoon geen Hamilcar mij naar den offerhaard geleidde. Steeds vereerde ik de verhevene deugd van Brutus, die over zijne zonen het doodvonnis uitsprak, wijl zij hun vaderland verrieden; ik zou het over u uitspreken, zoo gij als Brutus' zoon misdeedt. En gelooft niet, dat een nieuwe dolksteek mijn hart treft. Ik ben er aan gewoon, dat de ijzeren voet der wereldgebeurtenissen de bloesems vertrapt, die ik voor mijn hart hoopte aan te kweeken. Het zorgelooze geluk der jeugd, het schoonere der liefde, alles heb ik aan den strengen God opgeofferd; ook den band der vriendschap wil hij verscheuren, doch dat vermag hij niet.—Ja, mijne vrienden, ik heb het lijden in eene ernstige school geleerd en ben gehard tegen zijne pijlen. Een ondoordringelijk staal dekt mijne borst. De ruwe slagen van het lot verpletteren ze niet meer, maar doordreunen haar enkel met doffe verdooving. Wij moeten elkaar bestrijden, maar mogen elkander toch beminnen. Den band die onze harten aaneenknoopt, zal zelfs het scherpe slagzwaard van den oorlogsgod niet doorsnijden. Is het ons al niet vergund, gelijk de helden van Homerus, het heiligste gastrecht der vriendschap ook in den open kamp te eeren, zoo kunnen wij toch, edeler dan zij, met liefde de hand drukken, waardoor wij vallen. Doch dat uiterste zal de goede God verhoeden, aan wien wij onze dagen toevertrouwen. Vrienden, broeders! Een wijze hand legde den blinddoek voor het oog des menschen, die hem belet, in de toekomst te blikken; vaak is het heilzaam, dat ook het heden voor hem omsluierd blijve. Laat ons dien zegen als eene weldaad afsmeeken en dien niet roekeloos van ons afstooten. Zoolang de worsteling duurt, die ons vijandelijk tegen elkander overstelt, willen wij onze vriendschap zwijgend in ons hart begraven. Geen onzer wete, geen onzer verneme iets van den ander. Niet te vermetel toch steune de mensch op zijn kracht. Wist ik, waar gij als vijanden tegenover mij stondt, wellicht ontzonk het zwaard mijne hand, wellicht ware ik niet in staat, aan mijne heilige gelofte getrouw te blijven. Derhalve breke deze strijd der volken, die zich als een ijzeren scheidsmuur verheft, thans alle zachte banden van liefde en mededeeling af, die vroeger tusschen ons en de onzen waren aangeknoopt. Misschien komt eens de dag des vredes, waarop gij hoopt, Lodewijk, en dan zullen wij elkander wedervinden. Valt het anders uit, het zij zoo. Wij zullen het tijdig genoeg vernemen. Vaart dan wel, mijne broeders!—En gij, vriendelijke gestalten, aan welke mijne ziel met zachten weemoed blijft denken, Bianca, Maria! Vaarwel, Maria, wees gelukkig, gij kunt het, want de jeugd lacht nog op uwe wang en nog bloeit de lente, die nieuw gestrooide zaden tot gulden vruchten rijpt. Wees en maak gelukkig!—Het is genoeg! Wij scheiden wellicht voor lang, wellicht.... doch mijne hand wil den sluier aanraken, die het gelaat der toekomst verhult, en de tijd alleen mag dien opheffen. Vaartwel tot aan den dood.

Uw Rasinski.”

Zoo was dan de laatste, zwaarste kamp der harten volstreden; alleen de lichtere, die des zwaards, bleef nog overig.

Den volgenden morgen luidden de klokken van alle torens; de scharen der krijgers verzamelden zich op de marktplaats, duizende burgers stroomden toe, om de uittrekkende dapperen nog eenmaal vaarwel te zeggen.

Bernard en Lodewijk waren gewapend; hunne rossen trappelden onrustig voor de deur. Bianca en Maria stonden, met beschreide oogen, maar machtig gesterkt door de verhevenheid van het oogenblik, aan de broeders geleund.

„God hoede u, lieve zuster,” brak Bernard eindelijk de stilte af; „vaarwel. En gij, Maria? En gij?”

Zij wilde hem de hand reiken, hij trok haar nader, zij zonk, overwonnen door zijne edele liefde, weenend aan zijn hart. Bernard drukte een zachten kus op het voorhoofd en sprak vast: „Neen, gij engel, thans eisch ik het beslissende woord niet van u, dat de bloesems van mijn levensgeluk zacht zal openen of voor altijd doen verwelken. Niet de overweldigende aandrang van het oogenblik zal het u ontwringen! Gij moet weten, of uwe diepe wonden genezen kunnen. Maar de dag van wederzien zal komen; die glansrijke zon, die daar de koepels bestraalt, belooft het ons. Dan treed ik voor u, Maria, en vraag: Wil het schoonste hart zich aan een getrouw hart wijden? Doch thans niet!”

Met deze woorden rukte hij zich los en snelde Lodewijk na. Maria zonk snikkend bedwelmd aan Bianca's boezem.

Nu hoorden zij den hoefslag der paarden. De scharen zetten zich in beweging. Lodewijk, Bernard, Arnheim waren onder de voorsten. Statig klokgebrom, wuivende doeken, juichende jubelkreten vergezelden de dapperen. Bruisend golfde de onstuimige zee der vreugde en droeg op hare stoute deiningen het hart over de diepste afgronden van angst en droefheid met zich voort. Want de tijd was vervuld en de oogst gerijpt, en de maaiers des Heeren togen uit met flonkerende zeisen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings