← Table of contents
1812

ACHTSTE BOEK. (continued 2)

Reading edition

Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend was er niet.

„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk. „Voorzeker gaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de vreemde stad waagt!”

Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche, ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard wist, begaf hij zich naar beneden.

„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde voorbijsnellen.

„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,” vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij ook brieven gehad?”

„Jawel! en van een zonderlingen aard!”

„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”

„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd ben; maar lees gij hem mij voor.”

„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.

„Zijt gij ongesteld, vriend?”

„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”

„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”

„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”

„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”

„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!” riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo nederwierpen. Jaromir las:

„Teeder geliefde Vriend!

„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde, wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven, om mij op te beuren, stuit op mijne borst af, maar het gebed dringt tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen, als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir! Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming, en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk, onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat gij weder in de armen rust van

Uwe Lodoiska.”

„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien niet verre meer.”

Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden. Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is, dubbel ellendig, wanneer zij het is!

Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde, vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te geven, naar Bernard.

„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”

Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste schreden de straat opgaande, in het duister verdween.

Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren, dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot gebogen heb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme, bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op den Gotthard was ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of ben ik slechts vermoeid?

Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster, om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche, onmetelijke stad uitgebreid.

HOOFDSTUK V.

Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.

Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart; hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging, van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij was op de wandelplaats te Pillnitz; de lieve gezellinnen zijner jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange, onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik, gelijk zoo dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten. De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich, dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep. Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had, zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend, half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek, met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk het droombeeld; „en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.

„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.

Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”

Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer, een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag hij alle voorwerpen om zich heen weder in de volle scherpte hunner omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen, toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.

„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.

„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”

„Niet het minste; maar toch....”

„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle waarschijnlijkheid eene vrouw.”

„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte, gesluierde gestalte....”

„Juist! Maar hoe weet gij......”

„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en stond als versteend voor den vriend.

„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield, om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne pistolen....”

„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”

„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener vrouwelijke stem.”

„Zij is getroffen? Waar?”

Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet, althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken. Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op. Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur, eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”

Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken. Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken. Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven. De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had, was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel. „Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek, waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles, wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed, bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel, is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood, waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield, terug en las met in tranen zwemmende oogen:

„Gij waart eens mijn redder uit dreigend gevaar! Gij beschermdet mij met broederlijke trouw! Wie vermag de wonderbare doeleinden der Voorzienigheid te doorgronden, die ons toenmaals vereenigde en scheidde, ons thans weder bijeenbrengt en voor eeuwig van elkander afscheurt!—Doch de minuten zijn kostbaar. Verlaat dit huis, snel, oogenblikkelijk! Het uiterste gevaar dreigt u! De kloof des verderfs gaapt onder uwe voeten; onder den grond, dien gij betreedt, opent zich een vreeselijke afgrond. Eén oogenblik te laat en gij verzinkt! Meer mag ik u niet ontdekken.—Ach, reeds dat wordt mij als eene zware misdaad toegerekend! Doch een heilige plicht der dankbaarheid gebood mij, ze te begaan.—De toekomst is duister als de nacht, mijn leven aan stormen prijsgegeven.—Wat ook mijn lot zij, met zusterlijke trouw zal mijn hart het beeld van den edelen vriend bewaren; mocht ook ik niet geheel door hem vergeten zijn!

Bianca.”

Roerloos, de strakke blikken onbewegelijk op den naam gevestigd, stond de jongeling daar, toen Rasinski binnentrad. „Waar blijft gij?” vroeg deze. „Wij hebben eene deur ontdekt; men haalt bijlen, om haar open te breken, want nu moet ik noodzakelijk alles weten.—Maar is Bernard nog niet terug?—In 's hemels naam, wat deert u? Wat is er gebeurd?” vroeg hij verbaasd, toen Lodewijk als versteend voor hem stond en hem het papier toereikte. Rasinski las het haastig door. „Hier zijn hoogere machten in het spel,” riep hij uit; „nooit is mij zoo iets overkomen. Maar gevaar? Welk gevaar dreigt ons? Wij zullen dit toch zeker niet letterlijk te verstaan hebben.—Wij moeten de geheimzinnigen opsporen. Kom, laat ons het avontuur gemeenschappelijk wagen!”

Lodewijk liet zich gewillig medeslepen. Zij vonden de rijknechten reeds bezig, het slot der geheime deur met eene bijl te verbrijzelen. Na eenige forsche slagen gelukte zulks. „Thans onbevreesd, maar voorzichtig,” sprak Rasinski, greep in de eene hand eene kaars, in de andere een pistool en ging voor.

Men bevond zich in een smallen, lagen gang, die nauwelijks hoogte en breedte voor één man had. Het scheen, dat deze in den muur zelven was uitgehouwen en in dezelfde richting met den breeden, buitensten gang voortliep. Echter helde hij merkelijk en daalde zelfs op enkele plaatsen snel naar beneden. „Mij dunkt, het riekt hier zoo brandig en zwavelachtig,” sprak Rasinski, nadat zij ongeveer dertig schreden waren voortgegaan. „Merkt gij niets?”

„Of ik!” kuchte de rijknecht. „Er moet hier dichtbij iets smeulen.”

Zij gingen nog een tiental schreden verder, maar nu sloeg hun een dichte, sulferachtige damp te gemoet, zoodat de kaars eensklaps geheel blauwachtig rood vlamde.

„Zou de waarschuwing dan toch woordelijk gemeend zijn?” fluisterde Rasinski Lodewijk in het fransch toe. „Ik houd het niet raadzaam, hier verder door te dringen!”

Deze, wiens angstig kloppend hart de hoop van de geliefde te zullen wedervinden niet kon opgeven, antwoordde: „Nog kunnen wij ons veilig verder wagen, want de terugweg is ons immers niet gesloten. Laat mij vooruitgaan.”

„Neen, het is beter, dat ik de voorste ben; in uw ijver kondt gij u te ver wagen en de noodige voorzichtigheid uit het oog verliezen.”

Zij traden andermaal ettelijke schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en dichter en maakte hun het ademhalen bezwaarlijk. Daar woei hun plotseling eene koelte te gemoet, alsof de wind zich ergens een vrijen doortocht gebaand had, en in hetzelfde oogenblik werden de drie lichten, welke zij bij zich droegen, uitgebluscht. Onmiddellijk daarop volgde een doffe knal en het gansche gebouw scheen op zijne grondvesten te wankelen.

„Dat was eene mijn!” riep Rasinski; „wij moeten terug!”

Zelfs Lodewijk zag in, dat een verder voortdringen dolzinnigheid zijn zoude. Men keerde dus om en tastte in het duister om zich heen. Maar eensklaps werden zij door een verstikkenden walm omwolkt en een smoorheete gloed vervulde de enge ruimte, zoodat zij bijna het bewustzijn verloren. „Voort! Voort!” riep Rasinski en dreef Lodewijk aan, terwijl deze ook de overigen voor zich uit stiet. Haastig voortspoedende, met beklemden adem, doeken voor neus en mond houdende, trachtten zij Rasinski's kamer te bereiken. Ademloos stormden zij ze eindelijk binnen, maar vonden ook haar reeds met rook en smook gevuld. Rasinski vloog op het venster toe en sloeg met de kolf van zijn pistool de glasruiten in die kletterend op de straat rinkelden. Door dit middel bekwam men lucht en kon onbelemmerd ademhalen. Lodewijk ijlde naar de zaaldeur, doch nauw had hij ze geopend of ook van daar dwarrelden hem de grijze rookwolken tegen, die uit den grond schenen op te stijgen. Echter flikkerde de lamp nog en kon hij nog zijne kamer bereiken, om in allerijl wapens, mantel en mantelzak bijeen te rapen. Bianca's sluier, armband en brief droeg hij reeds op de borst. Zoo spoedde hij weder naar Rasinski terug, die hem reeds in de zaal te gemoet kwam. Thans weergalmde door de stilte van den nacht eensklaps van buiten de kreet: „Brand! Brand!” en bijna terzelfder tijd roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak onder de vensters. Allen vlogen langs de breede marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken. Bij de poort kwam Bernard in vollen loop op hen toesnellen.

„Goddank, dat gij gered zijt!” riep hij: „ik vreesde reeds, dat ik te laat zou komen. Maar maakt, dat gij buiten komt, want de vlammen slaan reeds van alle zijden door de vensters en het dak uit. Hier is de baardige satan los!”

Smart en zaligheid der liefde, bedwelming, verbazing, schrik, dankbare vreugde, al deze verschillende gewaarwordingen overstelpten op eenmaal Lodewijks boezem, doch de machtige vloed der gebeurtenissen verzwolg ze alle in zijne bruisende golven en vergunde het hart de rust niet, om tot zich zelf in te keeren en waarlijk te gevoelen. Het oogenblik vorderde de daad; de bedaarde beschouwing werd van de voorwerpen, waarop zij zich vestigen wilde, met geweld afgetrokken.

Thans echter kon men het gevaar in zijn geheelen omvang overzien. Eene zwarte, ondoorzichtige wolk lag over het paleis; slechts enkele roodachtig flikkerende vuurtongen bliksemden door het duister. De rook drong uit alle vensters van het gebouw, dwarrelde uit de benedenverdiepingen naar boven en steeg in dichte kolommen uit de dakgaten opwaarts. Een enkelen blik was toereikend, om ten volle overtuigd te worden, dat de brand moedwillig was aangelegd, dat de licht ontvlambare stof door het gansche gebouw verspreid en door een plotseling werkend middel overal tegelijk aangestoken moest zijn.

Met angstvolle verwachting zag men de ontwikkeling van het indrukwekkend schouwspel te gemoet. Aan redding was bij het volslagen gebrek aan water en bluschmiddelen niet te denken; men had reeds moeite gehad, om de paarden, die op het binnenplein stonden vastgebonden, en eenigen voorraad in veiligheid te brengen.

Rasinski liet zijne manschappen onder de wapens treden en de rotten tellen, om te zien of iemand ontbrak. Allen waren tegenwoordig.

„Nog is het bijna windstil,” sprak hij; „de rook trekt een weinig zijlings af; als de vlammen in dezelfde richting gejaagd worden, kunnen wij hier zonder gevaar blijven, anders moeten wij ons naar het Kremlin terugtrekken. In alle gevalle dient het voorval gemeld te worden.” Hij riep Jaromir en gelastte hem, onverwijld naar het Kremlin te rijden, ten einde den generaal-adjudant des keizers van alles te verwittigen. De jongeling wierp zich in den zadel en rende in vliegende vaart de straat op.

Stom en angstig, elk oogenblik verwachtende de vlammen door het dak te zullen zien uitslaan, richtten thans allen de oogen op het in damp en rook gehulde gebouw. Eensklaps viel een heldere lichtglans op den breeden voorgevel, alsof deze door een plotseling opgaande zon beschenen werd. Verwonderd zag men in het rond; de gansche hemel stond in donkerrooden gloed en scheen in eene blakende vuurzee herschapen. Rasinski rende de straat op tot aan den tuinmuur, waar hij een vrijer uitzicht in de verte had. „Heilige hemel!” riep hij, hier een tweede gebouw, dat in de nabijheid van het Kremlin moest liggen, ontdekkende, uit welks hoog, reusachtig koepeldak de vlammen met volle woede opsloegen, terwijl eene zwarte rookwolk voor de starren, die nog in het zenith glansden, loom en langzaam voortwentelde. „Dat is geen toeval; hier worden vreeselijke raadslagen volvoerd!” Hij wilde juist terugrijden, toen Bernard hem met het bericht te gemoet kwam, dat aan het einde der straat een magazijn in brand stond.

Thans zag Rasinski duidelijk in, waarop de vijand het had toegelegd, en begreep hij, dat koelbloedige beradenheid hier alleen redden konde. „Hoe is de wind?” vroeg hij en zag opmerkzaam rond. „Ik geloof zuidwest,” hervatte Bernard. „Juist; doch hij schijnt veranderlijk! Intusschen willen wij ons voorloopig terugtrekken, anders kon ons de terugweg geheel worden afgesneden.”

Van de vlucht uit den geheimen gang tot op dit oogenblik waren nauwelijks tien minuten verloopen. Tot hiertoe had men nog geen alarm in de stad vernomen en men scheen dus op de overige bivakken van den brand nog niet onderricht te zijn; althans de plechtige stilte van den nacht was gedurende dit schrikwekkend verheven schouwspel in de verdere wijken der onmetelijke keizerstad nog door niets gestoord. Thans echter hoorde men uit de verte van alle zijden de trommen roeren, de signaal- en jagershorens schallen, de trompetten schetteren. Er ontstond een gewoel, alsof een groot leger werd overvallen. De ruiterij zat op, het voetvolk greep naar de wapens en trad aan. Nog wist men niet of men enkel een woedend element of wel ook een heimelijk loerenden vijand, die, daardoor beschermd, te voorschijn zou springen, te bekampen had. De onzekerheid vermeerderde dus den eersten schrik. Intusschen vlogen de hooge gebouwen van alle zijden in lichtelaaie; de wind verhief zich en joeg het vuur als een gloeienden stortvloed over de stad voort. Nu was men in een ondoordringbaar duister van verstikkenden rook gehuld, die, in de enge straten saamgeperst, niet dadelijk een uitweg vond, dan stond men in een hellen lichtgloed en de weerschijn der vlammen deed alle wapens roodachtig afschijnen, als waren zij in dampend Russenbloed gedoopt.

Thans bereikte Rasinski met de zijnen eene kleine straat, waar de brand nog niet was uitgebroken. De hoogte der huizen belette den weerglans der op een afstand vlammende gebouwen zoo verblindend neer te vallen, als tot nu toe bijwijlen het geval was geweest; men bevond zich in een schemerend halfdonker, schoon de hemel nog door roodachtige rookwolken en vliegende vuurvonken bedekt was. Het einde der straat stiet op eene brug, die op dit oogenblik door de artillerie versperd was, die in allerijl den terugtocht aannam, ten einde de kruit- en ammunitiewagens zoo mogelijk nog aan het dreigend gevaar te onttrekken. Rasinski's troep moest dus hier halthouden, totdat de baan weder geopend zou zijn.

„Ziet gij, vrienden,” sprak hij de beide vrijwilligers aan, „mijn voorgevoel wordt bewaarheid! Thans zie ik aan het onheil geen einde.—Ik wenschte wel, dat Jaromir weer terug was,” vervolgde hij na eene pauze; „in het eind kan hij ons in het geheel niet wedervinden.”

„Ik ga hem opzoeken,” riep Bernard, en ook Lodewijk toonde zich dadelijk daartoe bereid.

„Dat zou hem niets baten en mij ook om uwentwil in ongerustheid brengen. Gij hebt ons gisterenavond reeds angst genoeg aangejaagd door uw plotseling verdwijnen, Bernard. Waar zijt gij toch al dien tijd geweest?”

„Ik heb in den tuin gewandeld, daar het mij toch onmogelijk was te slapen. Bovendien heb ik daar eene ontdekking gedaan, die ons nu wel is waar weinig meer baten zal, maar toch zekerlijk met den brand in verband staat.”

Men zag hem vragend aan, vooral Lodewijk scheen opmerkzaam te worden.

„Ik was juist van plan om naar mijne kamer terug te keeren, want het had reeds middernacht geslagen, toen ik, de breede heesterlaan doorgaande, die op het portaal uitkomt eensklaps uit een zijpad een lichtschijnsel door de struiken zag vallen. Het was een gedaante in een mantel met eene lantaarn. Eerst dacht ik, dat men mij opzocht, maar ik hield het toch raadzaam mij achter een dikken kastanjeboom schuil te houden, tot ik wist, wie de onbekende was; want gij moet weten, dat ik tegen den avond al eenige ontdekkingen gedaan had, die....”

„Ja, ja, ik weet het; Lodewijk vertelde het mij.”

„Ik bleef dan op de loer staan en zag, dat de man met de lantaarn nog door anderen gevolgd werd. Zij sloegen uit het zijpad de hoofdlaan in en kwamen regelrecht op mij toe. Ik telde er tien. De kerel met de dievenlantaarn ging vooraan, daarop volgde een man in een mantel, die eene dame met een zwarten rouwsluier aan den arm had.”

Lodewijk loosde een diepen zucht, maar zweeg.

„De overigen schenen bedienden te zijn; ik zag er nog twee vrouwen onder; de eene was jong en rijk, maar de andere, groot en avontuurlijk gekleed, geleek in dracht en houding volmaakt het razende wijf, dat wij op de muren van het Kremlin gezien hebben en, schoon de lantaarn slechts een vluchtigen lichtstraal op haar wierp, wil ik zweren, dat zij het inderdaad geweest is. De laatste vier mannen droegen iets op hunne schouders, dat ik niet behoorlijk onderscheiden kon; ik zou het voor een in lakens gewikkeld lijk gehouden hebben.—Ik stond in twijfel, of ik het verdachte gezelschap zou aanspreken ja dan neen; maar, om de waarheid te zeggen, het was mij te talrijk om zulks te wagen, vooral daar ik mijne pistolen niet bij mij had. Wie weet ook, dacht ik, of het misschien niet vreedzame lieden zijn, die bij nacht voor ons vluchten en blij en dankbaar zijn, als wij hen slechts niet ophouden. Ik liet hen dus in vrede trekken, en toen zij voorbij waren, wandelde ik bedaard op het slot toe. Een weinig verder rook ik reeds pek en zwavel. Hm! dacht ik, zou deze zwarte bende tot de lijfwacht des satans behoord hebben? De reuk werd gedurig merkbaarder. Plotseling voelde ik de aarde onder mijne voeten beven en een doffe, holle slag dreunt door den stillen nacht. Nu krijg ik licht en vlieg als de wind het park door naar het slot. Eindelijk ben ik het boschje ten einde en zie de gebouwen voor mij, maar tevens den rook, die van alle zijden opstijgt en de roode vlammen, die zich uit de keldervensters verheffen. Ik wilde naar boven, om u te wekken, toen gij mij op de trap tegenkwaamt; zeker zijt gij door den rook wakker geworden.”

„O Bernard,” begon Lodewijk, „eene zonderlinge hulp was ons nabij. Ik....”

„Voorwaarts!” brak Rasinski Lodewijks verhaal af, want juist werd de doorgang vrij en men moest zich haasten, wilde men niet ten tweedenmale worden afgesneden. Op de brug gekomen, had men een ruimer uitzicht. Het vuur breidde zich van de westzijde af over de stad uit. De weerschijn spiegelde zich prachtig in den diepen vloed.

„De wind slaat om!” sprak Rasinski en zag naar de richting van rook en vlammen. „Ziet, hoe de vuurvonken op het Kremlin regenen!—Wij zullen een anderen koers moeten nemen.”

Een adjudant kwam in galop aanrennen en riep: „De cavalerie en artillerie moet zich buiten de poort op den weg naar Petersburg bijeentrekken.” Hierop wendde hij den teugel, vermoedelijk om dit bevel ook aan andere afdeelingen over te brengen, die, zonder te weten waarheen, door de stad omdoolden.

„Goed; nu kennen wij ten minste onze bestemming,” sprak Rasinski, „want waarlijk, ik wist niet, hoe ik mij in deze omstandigheden te gedragen had.”

Zij sloegen eene straat in, die hen naar de aangewezen verzamelplaats brengen moest. Spoedig echter zagen zij zich door een dicht gedrang omgeven, daar verschillende infanterie-colonnes, afgezonden om den brand in zijn verderen voortgang te stuiten en de orde bij de vlammende gebouwen te handhaven, hun in snellen stormpas te gemoet kwamen. „Plaats! plaats!” riep de aanvoerder en drong, de baardige sappeurs aan de spits, met zijne manschappen voorwaarts. Zoo kon de cavalerie, aan de rechterzijde der straat opeengepakt, niet dan stapvoets vooruitkomen. Inmiddels namen de vlammen in haar rug meer en meer de overhand; de rook, tot gloeiende en dreigend zwarte wolken verdikt, dreef al dwarrelend en wentelend over torens en paleizen voort en bedekte den hemel en zijne gesternten. Echter waren de straten niet verduisterd, maar huizen en grond gloeiden, als door de toortsen der furiën beschenen, in bloedrooden weerschijn.

De storm, door den vlammen-oceaan gelokt, wierp zich met grimmige, huilende woede op den golvenden vloed, deed dien in dwarrelingen opstuiven en joeg vonken, vuurvlokken en asch voor zich uit, die vervolgens in een dichten regen ter aarde vielen.

Elk ander lijden, verlangen, hopen en gevoelen werd verslonden door den ijskouden stroom des afgrijzens en der ontzetting, die midden uit de gloeiende vuurzee opwelde en zich in het hart van den koensten uitgoot. Het uur van het wereldgericht scheen aangebroken, het vlammend verderf achterhaalde volken en tronen; wallen van metaal noch muren van erts konden het onheil nu meer afwenden.

HOOFDSTUK VI.

Met lossen teugel was Jaromir door de straten naar de poort van het Kremlin gereden. Eene kille huivering bekroop zijne borst, toen hij alleen door de stille stad voortspoedde. Noch had hij geen tweeden brand bespeurd, noch sloeg geen vlam uit de gevels van verwijderde daken op, om zijn weg te verlichten. Echter had hij een duister vermoeden van de waarheid, en de zwarte steenmassa's der stad kwamen hem als eene gestolde, uitgebrande, bedriegelijke lavakorst voor, welker oude kloven en spleten opnieuw konden openscheuren, om aan de bandelooze, onderaardsche vuurstroomen een vrijen doortocht te verleenen. Hij moest door eene nauwe, kronkelende straat rijden, wier hooge huizen hem het uitzicht in de verte eene poos lang geheel benamen. Toen hij weder een open plein bereikte, zag hij reeds op drie plaatsen tegelijk een roodachtigen rook opstijgen, en eensklaps doorboorden heldere lichtstralen het floers van den nacht. Het waren de eerste vlammen, die door de daken van den bazar uitsloegen. Spoedig werd de hemel op verschillende plaatsen verlicht, en nog eer de jongeling de poort van het Kremlin bereikt had, hoorde hij de tamboers der wachten donderend alarm slaan. Adjudanten kwamen hem te gemoet rennen; hij riep hen aan, om te vragen tot wien hij zich met zijne berichten te wenden had. „Alles is reeds in orde,” luidde het antwoord. „De keizer is van alles verwittigd, maarschalk Mortier in volle bezigheid. Wij moeten alle ruiterafdeelingen en de artillerie gelasten, onmiddellijk de stad te verlaten. Daarentegen moeten sappeurs, mineurs, pontonniers en infanterie zich verzamelen, om te helpen blusschen. Alle berichten worden bij maarschalk Mortier gebracht.”

Jaromir begreep, dat hij niets beters kon doen dan terugrijden, om Rasinski het gehoorde mede te deelen. Hij gaf zijn paard de sporen, doch deels wijl hij niet nauwkeurig met den weg bekend was, deels wijl de zonderlinge verlichting hem misleidde, en eindelijk naardien eene uitrukkende veldbatterij de kleine zijstraat versperde en hem zoo tot een anderen weg dwong dan hij gekomen was, geraakte hij aan het dwalen en kon hij zich niet losmaken uit het net van kleine, elkander kruisende stegen en straten, die altijd op andere punten uitliepen, dan hij uit de richting, welke zij hem bij het inrijden schenen te nemen, meende te mogen opmaken. Ten laatste kwam hij op een open plein, dat door de vlammen met helderen vuurglans beschenen werd, en geloofde nu links te moeten afslaan. Zijn paard omwerpende, bespeurde hij eerst, dat hij zich juist tegenover de plaats van zijn bivak bevond, maar uit een anderen hoek daarop was teruggekeerd, waardoor de voorwerpen hem bij het eerste gezicht half bekend en toch vreemd waren voorgekomen. Het brandende gebouw aan zijne rechterhand was juist dat, waarin Rasinski vertoefd had; de vlammen sloegen reeds over den gevel uit en de rook wentelde zich in een breeden stroom over de tegenoverstaande huizen en daken voort, zoodat het uitzicht naar die zijde bijna geheel belemmerd was. Van troepen was geen spoor meer te vinden; echter maakte Jaromir uit het nog brandende bivaksvuur op, dat zijne kameraden nog niet lang vertrokken waren. Zij hebben het bevel, dat gij moest overbrengen, zeker reeds door iemand anders ontvangen, dacht hij, maar hij bleef in het onzekere, werwaarts hij zelf zich nu te wenden had, om hen spoedig weder in te halen. De sombere gedachten, welke hem verontrust hadden, waren door de machtige indrukken van het oogenblik een weinig afgeleid geworden; thans echter, daar de uitbarstingen zich vermenigvuldigden en de rook wellicht reeds uit twintig verschillende gebouwen ten hemel steeg, overviel hem plotseling eene angstvallige bezorgdheid voor Alisette. Zou zij gewaarschuwd, gewekt zijn? Zou zij weten, werwaarts zij zich wenden moet in dezen akeligen nacht van verschrikking? En wanneer zij ontwaakt door het verdoovend gedruisch, waarheen moet de eenzame, de hulpeloos verlatene vluchten? In vele wijken, waar geen troepen lagen, of waar bovenmatige vermoeidheid alles in loomen slaap gedompeld had, was nog niet eenmaal alarm geslagen. Hoe, wanneer zij in hare afgezonderde tuinkamer den trommelslag niet hoorde, wanneer het vuur ook haar paleis aantastte, wanneer zij....!

Hij dorst niet verder nadenken; zijn besluit was genomen, hij wilde naar haar toesnellen, haar wekken, waarschuwen, redden. Intusschen verdeelde de storm de breede wolken van smook en damp, die tot hiertoe naar de plaats, waar Alisette woonde, voortgestuwd en ze aan het oog onttrokken hadden. Daar zag hij roodvlammende vuurspitsen boven de boomen van den tuin opflikkeren; het paleis moest reeds branden; een onbeschrijfelijke angst overviel hem. Hij rende naar de tuindeur; zij was te eng om zijn paard door te laten. Ras wierp hij zich uit den zadel en opende het slot. Thans zag hij duidelijk, dat het gebouw reeds in vlam stond, schoon het woedend element nog niet geheel de overhand had bekomen. Zonder zich om zijn ros te bekommeren, ijlde hij in vollen vaart door de heesterperken, om de groote laan te bereiken die midden door het park voerde. Ademloos bereikte hij het einde van den tuin. Het paleis lag stil, eenzaam voor hem; niemand in de zwijgende ruimte scheen ontwaakt te zijn, niemand de nabijheid van eenig gevaar te vermoeden. Of de bewoners waren reeds ontvlucht en in veiligheid, òf de slaap hield hen nog in vaste banden gekluisterd en leverde de bedwelmde, weerlooze offers verraderlijk aan een zekeren ondergang over. Nog stond het gebouw niet in vuur, maar de vlammen lekten reeds met spitse, kronkelende tongen aan de voegen van het dak en bliksemden door de loome, langzaam voortkruipende dampmassa's die zich op de tinnen legerden en de muren als met een donker rouwfloers omkleedden. De gansche binnenruimte der prachtige woning was zoozeer met gloed en damp opgevuld, dat eene enkele aanblazing toereikend scheen, om de vlammen naar alle zijden op te jagen en het geheel met hare verterende golvingen te overstelpen.

Zonder zich te beraden, maar met een beklemd hart, wierp Jaromir zich in dezen zwangeren krater des doods, vloog de trappen op en stond weldra voor de kamer der geliefde. Hij klopte; geen antwoord; de deur was gesloten. Alisette kon wellicht in een nevenvertrek slapen en hem niet hooren; met een hevigen trap deed hij dus de deur uit de hengsels springen en trad binnen.

„Alisette!” riep hij; „Alisette! Waar zijt gij?”

Alles bleef stil. Was zij reeds gevlucht, of moest hij haar elders opzoeken? Bij het schijnsel van het vuur, dat, door de boomen voor de vensters gebroken, slechts mat in het vertrek viel, zocht en vond hij de deur der aangrenzende kamer. Ook daar was alles stil; echter zag hij eene nachtlamp op de tafel branden. Van rook of damp was hier nog niets te bespeuren, en de gloed van buiten drong niet helder genoeg door de vensters, om iemand te doen ontwaken; ook was het doodstil en van het gestadig luider wordende gewoel op de straat vernam men hier niets. Jaromirs vermoeden, dat Alisette nog sluimeren zoude, werd hierdoor bijna tot zekerheid; hij wierp onrustige blikken door het vertrek en daar hij niets ontdekte, dat spoor van leven aanduidde, opende hij driftig de deur van het volgende, waar hem een ledekant met gesloten zijden gordijnen in het oog viel. Een zachte rilling liep hem door de leden. „Alisette! Alisette!” riep hij.

„Wie is daar?” antwoordde hare stem angstig en bevend.

„Alisette, ik kom u redden, het slot staat in brand!” Met deze woorden ijlde hij op het bed toe, waaruit de zoete stem hem tegenklonk, ten einde het meisje op zijne armen uit het paleis te dragen. „Terug, terug!” riep zij hem toe, terwijl zij het voorhangsel met de eene hand gesloten hield en met de andere wenkte, dat hij zich verwijderen moest. „Om 's hemels naam terug!”—Jaromir geloofde, dat een gevoel van vrouwelijke schaamte haar dus beangstigde; doch de tijd bleef hem niet, het te bekampen, want eene forsche mannelijke stem riep luid en wrevelig: „Voor den duivel, wat is er dan?”

De jongeling stond als versteend, Françoise gaf een luiden gil. Op hetzelfde oogenblik sprong een man van het leger op.

„Wie dringt hier binnen?” vroeg hij met grimmige stem; doch eer Jaromir antwoorden kon, was ook Alisette opgesprongen, had zich aan zijne voeten geworpen, omklemde zijne knieën en snikte: „Veroordeel mij niet, ik ben onschuldig!”

Jaromir was bedwelmd, verplet, vernietigd. Hij zag zoovele onheilspellende schrikbeelden tegelijk op hem aandringen, dat zijn oog ze niet meer alle onderscheiden kon. Hij wierp de lamp van zich en riep, de handen tegen het voorhoofd gedrukt, hijgende uit: „O, ik rampzalige!”

Alisette had zijne knieën met beide armen krampachtig omstrengeld. Het los gewoelde haar golfde over de ontbloote schouders en den zwellenden boezem. „Ik sta niet op, eer gij mij vergeven hebt!” kermde zij en drukte het aangezicht op den grond. „En wilt gij niet, zoo vertrap mij; ik wil aan uwe voeten sterven.”

Jaromir hoorde en zag niet.

Eene forsche hand greep hem thans bij den arm en schudde hem hevig.

„Ik vorder eene verklaring, heer graaf, en vraag, met welk recht gij u verstout hebt hier binnen te dringen.”

Jaromir wendde zich half bewusteloos om. Juist brak tegenover de vensters een helle vuurgloed door het dak van een naburig gebouw, zoodat het vertrek roodachtig verlicht werd. Bij deze schemering herkende hij den overste Regnard, die in een haastig omgeworpen mantel voor hem stond.

Verschrikt sprong deze terug; Alisette, die zich juist wilde oprichten, gaf een doordringenden kreet en zonk weder half onmachtig op het vloerkleed neder. Jaromir was zoozeer verbijsterd, dat hij de vraag van den overste niet dadelijk vatten kon. In dezen had de onverhoedsche schrik met den ontbrandenden toorn te kampen; zoo bleef het eenige seconden doodstil.

„Voor den duivel! Ik vraag, wat uw indringen hier te beduiden heeft!” riep de overste, thans in woede losbarstend; „antwoord mij, als gij een man van eer zijt.”

Regnard geloofde het gevaar niet zoo nabij, en wat den naburigen brand betrof, daarover had hij zich met den moed van een oud soldaat al dadelijk weder gerustgesteld.

Alisette was thans angstvol opgesprongen. Zij wierp zich tusschen de beide mannen in en riep, de handen wringende: „In 's hemels naam, laat ons vluchten, vluchten! Ik wil immers alles, alles bekennen!”

Doch met onstuimig losbarstende woede greep Jaromir den naakten arm der smeekende aan, schudde haar als een tijger het lam, en donderde: „Beken, rampzalige! Hebt gij Lodoiska belasterd!”

„Vergeving! genade!” kermde de doodelijk beangste en wilde voor hem op de knieën zinken. Doch Jaromir slingerde haar grimmig van zich, zoodat zij op den grond neerstortte, en riep: „Giftige adder! vlucht, laat mij geen vrouwenbloed op mijne ziel laden!”

Regnard wilde den razende in den arm grijpen, maar Jaromir deed hem door een krachtigen stoot in een hoek terugtuimelen. „Wij spreken elkander nader; thans red u, want het paleis staat in brand.”

Een doffe donderslag, die uit de diepte der aarde opwaarts dreunde, verslond de laatste woorden. Het paleis sidderde, de vensterruiten sprongen kletterend in stukken; kalk en pleister vielen van de wankelende, opensplijtende zoldering naar beneden.

„Hel en duivel! Wat is dat?” riep Regnard.

„Barmhartige hemel!” kreet het meisje en wrong de handen.

„Van u weet de barmhartigheid niets,” riep Jaromir haar met doffe stem en dreigend opgeheven hand toe. „Deze gewelven storten in over uwe gruwelen en u verslinden de vlammen der hel.”

„Genade! erbarmen! red mij!” snikte de rampzalige en wankelde op Jaromir toe; maar zij kon zich niet langer staande houden en zeeg bleek en roerloos voor zijne voeten neder.

„Wij kunnen haar hier niet laten omkomen,” sprak Regnard koen beraden; „help mij haar naar beneden dragen.” Hij trachtte haar op te richten; Jaromir stond als eene ijzeren beeldzuil en staarde de onmachtige met strakke blikken aan. Intusschen werd de deur van het nevenvertrek opengestooten en het pleegkind van Françoise, de kleine driejarige dochter harer zuster, sloop binnen en stamelde angstig: „Ik ben zoo bang, tante.”

Bij den aanblik van dit hulpelooze wezen keerde het bewustzijn in 's jongelings borst terug en tegelijk zijn teergevoelig medelijden. „Neen, gij zult niet omkomen, kleine, schuldelooze engel,” sprak hij weemoedig; „gij noch deze misdadige.” Hij nam het kind op zijne armen en wikkelde het in een sjaal van Alisette. Regnard had haar reeds een mantel omgeworpen; echter was hij niet in staat haar op te richten, daar de bekomen wonde zijn arm nog krachteloos maakte. Jaromir reikte hem de kleine over en zeide: „Daar, neem gij het kind.” Hierop greep hij de bezwijmde aan, hief haar met jeugdige kracht op zijn arm en trad op de deur toe. „Mij na! Den tuin kunnen wij nog bereiken.” Regnard volgde hem.

Reeds drong een dichte damp en sulferlucht tot de vertrekken door; doch de vlammen wierpen van buiten zulk een helder licht op de voorwerpen, dat men zich in den weg niet bedriegen kon. De kleine trap, die naar den tuin afdaalde, was geheel met smook vervuld en een verzengende gloed sloeg de vluchtenden tegen. Zonder te aarzelen wierp Jaromir zich in den lichtenden nevel; in drie sprongen was hij beneden en bereikte gelukkig de open lucht. Regnard was hem stoutmoedig op den voet gevolgd. Ademloos, met verschroeide haren en wenkbrauwen, bleven zij op eene veilige plek in den tuin staan. Daar legden zij hun last op het gras neder en schepten adem.

„Wij zijn in zekerheid,” mompelde Jaromir op den doffen toon van koele onverschilligheid; „in den tuinmuur is eene deur, zoo de poort van het paleis reeds in brand mocht staan.—Wat ons betreft, heer overste, wij zullen elkander wel wederzien!”

Regnard zweeg. Hij vermoedde thans den samenhang en gevoelde, dat hij van den ongelukkige geene verklaringen te vorderen had. Deze echter trad haastig door den tuin, om zich te paard te werpen en de zijnen op te zoeken.

Het trouwe ros stond, hoewel niet aangebonden, geduldig aan de tuindeur en scheen zijn heer op te wachten. Jaromir wierp zich in den zadel en rende met lossen teugel de straat op.

Van alle zijden stonden de gebouwen thans reeds in blakenden gloed; de nacht was helderder dan de dag. Slechts waar de opeengepakte smook en walm of de dichte aschregens voorbij togen, was het stikduister. De brandende straten schenen uitgestorven; alles was gevlucht. De reddingsmiddelen wendde men slechts aan om de nog vrijgebleven panden te beschutten, want waar het vuur eens was losgebroken, was elke worsteling met het vernietigend element vruchteloos. De vlam knapte en knetterde overal in het rond; het scheen Jaromir toe, dat het de furiën der hel waren, die hem vervolgden. Zijn paard werd door de sporen en den angst even krachtig voortgedreven; het vloog als een pijl uit den boog met hem voort. Maar de bedwelmde zocht geen uitweg, hij hield de teugels, maar bestuurde die niet, hij gaf geen acht op eenige teekens, hij lette niet op de richting van den wind; zijn paard bewusteloos de vrije keuze latende, verdoolde hij dieper en dieper in het labyrintische warnet der vlammende straten. Eerst toen het schuwe dier zich eensklaps van alle zijden in eene heining van vuur en vonken en gloed en licht zag besloten, en deinsde en zich wilde omwerpen en nogmaals deinsde, en brieschte en snoof, terwijl het zich steigerend op de achterpooten uitrekte, en spranken en vuurvlokken uit de smeulende manen trachtte te schudden,—eerst toen zag Jaromir, in welk een helschen poel hij geraakt was. De doorgloeide lucht was nauwelijks meer in te ademen, het oog brandde en sloot zich, door de hitte verblind; eene duldelooze, stekende pijn doorpriemde de hersenen. „Dus hier moet ik sterven?—Zijn het de vlammen der hel, die mijne misdaad zoo spoedig straffen?”

Hij was het leven moede, doch de natuur verzette zich tegen dezen pijnlijken marteldood. Met geweld spalkte hij de verblinde oogen open en staarde in de vuurzee, om ergens een uitweg te ontdekken. Een rukwind gierde huilend door de vlammen, perste ze met kracht te zamen en dreef ze vervolgens uitéén, den waggelenden muur met vernielende woede omversleurend. Jaromir wierp zich in de gapende kloof; een oogenblik lang werden de vlammende golven naar boven opgestuwd, zoodat de blik tot het punt waar de redding wenkt kon doordringen. Doch reeds sloegen de vlammen weder over zijn hoofd samen; plotseling hoorde hij een vreeselijk donderen en kraken; het was een dak, dat instortte; gloeiende balken en sparren en ribben kletterden naar beneden; zijn paard, door een zwaren hoeksteen in het kruis getroffen, zeeg verpletterd onder hem neder. Bedwelmd tastte hij in het rond, doch richtte zich weder op en drong te voet verder. Reeds waande hij zich verloren; met de oogen, die, door den gloed verblind, in de holen zengden, halfgesloten, spoedde hij voorwaarts, op de plaats toe, waar hij voor eenige minuten eene opene ruimte bespeurd had. Daar, in dien eenzamen vuurchaos, drong eensklaps eene ernstige, mannelijke stem tot zijn oor door. „Weet gij ons nog een uitweg uit de vlammende straten aan te wijzen?” hoorde hij zich van ter zijde toeroepen.

Blij verrast, toch één mede den dood gewijden makker in deze verlatenheid te hebben aangetroffen, wendde hij zich naar de zijde, vanwaar de stem kwam. Doch door schrik en eerbied versteend, bleef hij roerloos staan, toen hij den keizer, die met een klein gevolg uit ééne enge zijstraat vluchtte, voor zich zag. „Hoe? Hij zelf! Hij, van wien het lot van allen afhangt, in deze golvende vuurzee, waar nergens meer een reddingsweg te ontdekken is? Neen, zóó kan hij niet verloren gaan!”—Deze levendige, profetische overtuiging gaf hem kracht en bezinning terug. Door de rustige kalmte van den onverzettelijken man, die hem met dezelfde onveranderlijke trekken aanblikte, waarmede hij in den storm van het gevecht aan het roer stond, voelde hij zijn eigen vertrouwen versterkt. Het nam toe door een blik op de radelooze, bevende geleiders van den veldheer, die, door schrik verblind en verbijsterd, niet meer in staat waren de oude sporen der straten in de wentelende vlammen weer te vinden. Met bezielende kracht doordrong hem het gevoel, dat zijn nietig leven in vergelijking met dit onberekenbaar gewichtige niets gold, en daarom bedwelmde het hem niet meer, dat hij door duizend smarten verscheurd en thans door een reddeloos verderf bedreigd werd. Eer en mannenplicht verhieven hem boven zich zelf.

„Weet gij geen uitweg!” herhaalde de keizer. „Ik vertrouw ja,” was het vaste antwoord; „doch de weg gaat door vuur en vlammen.”

„Welaan dan! Het heeft haast,” hervatte de keizer en ging, werwaarts de hand des jongelings heenwees. Deze ging voor, vast besloten zich stout in den gloed te werpen. Doch het scheen, dat de losgelaten elementen huiverden, den machtige aan te tasten; althans de stormwind verhief zich met verdubbelde woede en brak eene baan door de vlammen. Jaromir snelde vooruit; het pad ging door asch en vuurregens, over smeulende balken en puinhoopen. Men ademde gloed in; het oog scheen te koken; tong en lippen verdorden. Daar waaide eene frissche windvlaag den jongeling leven en verkoeling toe; de ruimte was bereikt, de redding verzekerd!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings