ELFDE BOEK. (continued 2)
Reading edition
Willhofen stond onzeker, wat te doen. Doch Lodewijk wierp zich voor Feodorowna's voeten neder en riep uit: „Bij al wat u heilig is, bezweer ik u, red mijn vriend, neem mijn leven daarvoor in de plaats.”
„Mijne moeder!” riep Feodorowna met nadruk, „de menschelijkheid, het gebod der liefde....”
„Dwaze! om een lijk mede te sleepen zullen wij, levenden, een buit der wolven worden? Neen, zeg ik, neen; ik beveel u spoed te maken. Terstond vooruit!”
„Dan blijf ik hier,” riep Lodewijk buiten zich zelf, „tot de dood ook aan mijn rampvol leven een einde maakt.” Hij trok den verstijfde aan zijne borst, wikkelde hem in zijn pels en drukte hem vast aan zijne borst. „Mijn Bernard, gij, trouwste hart op de gansche aarde,” zeide hij en zijne tranen vloeiden zonder ophouden. „Thans komt de dag der vergelding, ik verlaat u niet. Aan mijne borst zult gij—moet gij weder ontwaken.”
„Solanow, klim op!” beval de gravin met ziekelijke heftigheid. „Het kost u het leven, wanneer gij nog talmt! Laat hier blijven, wie wil!”
„Moeder, moeder!” riep Feodorowna uit, terwijl zij hare hand vatte, „het geldt een menschenleven—het geldt dat van onzen redder!”
„Die ons thans in het verderf wil storten,” viel de gravin in. „Kom bij mij, of ik laat u achter.”
Men hoorde inderdaad het huilen der wolven al nader en nader. De bedienden waagden niet te gehoorzamen, noch tegen te spreken. Feodorowna was in een vreeselijke tweestrijd met zich zelve. „Welaan dan,” begon zij na eenige oogenblikken met fierheid, „dan moet ik beslissen. Moest ik tot mijn onuitsprekelijk lijden den naam van prinses Ochalskoi aannemen, dan zal die mij ten minste eenmaal tot heil verstrekken. Mij behooren deze paarden, deze lijfeigenen, gij kent uwe vorstin, uwe gebiedster. Bij uw leven gelast ik u thans, dezen hulpelooze niet achter te laten.”
Zij stond in eene gebiedende, majestueuze houding voor de bedienden; toorn en verbazing boeiden der gravin de tong.
„Haast u, red u met ons en uw vriend,” zeide Feodorowna thans tot den half bedwelmden Lodewijk. „Haast u!”
Willhofen sprong toe en hielp Bernard voor op de bank zetten, waar Lodewijk hem met zijn eigen pels bedekte en met zijne armen vast aan zich drukte.
„Ik ga hier voor op den dissel zitten,” riep de brave knecht, „dan hebben wij alle drie plaats.” Op den zadel van den dissel springend, greep hij snel de teugels aan en riep: „Vooruit knapen!”
De paarden, die, de nabijheid der woedende wolven ruikende, reeds angstig hadden staan trappelen en met hunne hoeven de sneeuw omwoelden, vlogen thans, alsof zij wisten, dat hunne redding er van afhing, als de wind vooruit. Pijlsnel ging de vaart door het donkere bosch; evenwel vernam men het gehuil der vervolgende roofdieren al nader en nader. Opeens kraakte en bewoog het zich in de takken en plotseling sprong een groote wolf met machtige sprongen uit de struiken, om zich voor de paarden te werpen en deze in den strot te grijpen. Doch de vlugge Willhofen had dadelijk de buks in de hand en velde het dier neer op het oogenblik, dat het het schuw op zijde springend paard naar de keel wilde vliegen.
„Die is betaald! Hij zal ons zijne huid niet schuldig blijven,” riep de schutter vroolijk, zonder bijzonder veel acht te slaan op het luide geschreeuw der gravin. „Paulowitsch, hebt gij geladen? Wees op uwe hoede!”
Er vergingen eenige minuten, zonder dat een nieuwe vijand zich vertoonde. Het akelige gehuil scheen zwakker te worden.
„Zij zijn schuw geworden,” zeide Willhofen, zich tot Lodewijk wendend, die echter, zijn vriend aan het hart houdende, nauwelijks bemerkt had, wat er voorgevallen was.—„Wees onbezorgd, genadige gravin en prinses,” zeide hij tot deze, „nu kunnen de beesten ons niets meer doen. In vijf minuten zijn wij uit het dichtste woud en dan is de baan zoo glad als een spiegel. Dan zal een zwaluw in hare vlucht ons niet inhalen.”
Thans werd het bosch lichter; men kwam op eene, slechts door laag kreupelhout bedekte vlakte, ongeveer een kwartier breed. De slede vloog als een pijl uit een boog over de vastgereden baan heen. Aan de overzijde zwenkte men eene rechte doorgehouwen laan in, en na weinige minuten lag het jachtslot voor de oogen der reizenden.
„Dat noem ik rijden!” riep Willhofen, toen hij voor de poort stilhield, waaruit reeds twee oude bedienden, door het klappen der zweep opmerkzaam gemaakt, met lantaarnen naar buiten waren gekomen. „Zie maar, hoe de paarden dampen! Van den grooten den tot hier nog geen twintig minuten, en dat half door de diepe sneeuw! En het zijn toch goed tien wersten.”
Onder deze woorden was hij afgesprongen en had den koetsier de teugels overgegeven. De bedienden hielpen de vrouwen uit den wagen. Zwijgend, zonder te groeten, ging de gravin, op den arm van een der bedienden steunende, in het slot.
Bianca beval dadelijk, voor Lodewijk en zijn vriend de meeste zorg te dragen. Daarop wendde zij zich met deze worden tot hem: „Hier zijt gij mijn gast; dit slot behoort mij; wil de Hemel die groote smart van u afwenden, dan hoop ik, dat gij hier onbekommerde uren zult doorbrengen.”
Lodewijk, die nog was blijven zitten, daar hij Bernard in den arm hield, wendde zich tot haar, toen zij sprak. Hare zachte stem vond ook nu nog den weg tot zijne ziel. „Engelachtig wezen,” begon hij—daar bewoog Bernard zich aan zijne borst en haalde diep adem. „Hij leeft!” riep Lodewijk, alles vergetend uit. „Algoede Hemel! Hij leeft! hij leeft!”
Hopend en vreezend tegelijk, sloeg hij zijne armen om zijn vriend en beefde hevig.
„Waar ben ik?” vroeg Bernard en sloeg de oogen op.
„In mijne armen!” riep Lodewijk en zijn boezem klopte ademloos en dreigde vaneen te springen door overmaat van vreugde.
Feodorowna hief hare oogen bewogen ten hemel. Ook voor haar vertoonde zich voor het eerst een schijn van hoop. Willhofen hielp den nog half bewust- en beweginglooze van de slede heffen en leidde hem, gezamenlijk met Lodewijk, in het voor dezen bestemde vertrek, waar zij hem op stoelen nederlegden. Daarop haastte de getrouwe knecht zich, om spoedig reddings- en versterkingsmiddelen te gaan halen.
Hier kwam de herlevende weder tot zijne volle bewustheid. „Lodewijk,” riep hij uit, „zie ik u weder! Leeft gij, of zijn wij reeds aan de overzijde? Of was alles een droom?” En met eene warme omhelzing drukte hij den vriend aan zijn hart.
„Wij leven! Een genadig besturende God heeft ons behoed.—O, gij zult nog andere wonderen zien.”
Willhofen trad binnen met een warmen, door Feodorowna gereed gemaakten drank; een bediende bracht wollen dekens, om er den verstijfde in te wikkelen. „Dat is Goddank niet meer noodig,” riep Willhofen, toen hij zag, dat Bernard geheel tot leven en bewustzijn was teruggekeerd. „Doch hier, mijnheer, drink een weinig.—Dat zal u krachten geven.”
Bernard bracht het glas aan zijne lippen. Weinige druppels gaven hem een nieuw levensgevoel; de macht der vreugde voleindigde het werk der genezing spoedig.
„Kom, Ossip,” zeide Willhofen tot den bediende, „wij zijn hier niet meer noodig en er is nog veel op andere plaatsen te doen.”
Beiden vertrokken.
„Broeder!” begon Bernard, toen zij alleen waren, „aan uwe borst hebt gij mij weder tot het leven teruggeroepen! Hier bezweer ik het u, bij de wonderbare wegen der Voorzienigheid, dat er geen droppel bloeds in mijn aderen is, die u niet behoort! Bij den Almachtige!” Hij hief zijne hand op; in zijne vermoeide trekken keerde de edele, alles trotseerende kracht terug, die als een veerkrachtig staal te sterker opsprong, naarmate de druk des noodlots haar harder dreigde samen te persen.—„Doch, nu, vertel mij,” sprak hij. „Waar zijn wij? Hoe zijn wij ontkomen? Wat mij betreft, mij is, buiten eene gruwelijke geschiedenis, waardoor mij letterlijk het leven van binnen bevroren is, want anders, dat gevoel ik nu, zoude de koude mij nog niet overweldigd hebben, niets ontmoet, dan dat ik in het bosch heb rondgedwaald. Maar u?”
Juist wilde Lodewijk spreken, toen de deur geopend werd en Feodorowna met opgeslagen sluier, in rouwgewaad, binnentrad. Een armblaker, die op eene tafel naast de deur stond, wierp een helder licht op hare edele, door de vreugde zacht gekleurde gelaatstrekken. „Zie daar onze redster,” zeide Lodewijk en wees op de binnentredende.
„Uw vriend leeft? De goede hemel zij gedankt!” sprak zij naderbij komende, met eene stem, waarin de heilige beweging harer borst bevend doorklonk.
Bernard hief het oog verwonderd tot haar op. „Die trekken ken ik,” riep hij plotseling, van onverklaarbare gevoelens van herinnering doordrongen, „en ik weet van waar. Maar ook deze stem heb ik meer gehoord.”
Eene gelijke verwondering hield ook Feodorowna's blikken aan het edele gelaat van Bernard geboeid. Het zien van hem wekte wonderbare, vreemde en onverklaarbare herinneringen in haar op. Zij reikte hem, door eene zachte neiging des harten geleid, hare hand toe. Bernard boog zich om die te kussen, doch in het oogenblik, dat hij er zijne oogen op sloeg, schrikte hij als zag hij eene geestverschijning, en stond met bevende lippen, sprakeloos, zijne oogen onafgewend op Feodorowna's gelaat gevestigd, roerloos stil. Driftig streek hij met zijne hand over zijn voorhoofd en door zijne haren, alsof hij daar een lastige drukking en smart gevoelde.
„Wat schort u?” vroeg Lodewijk en trad deelnemend nader.
„Niets, niets!” riep Bernard wild en beefde over het geheele lichaam. „Een waanzinnige droom—doch wanneer ik daaruit ontwaak, word ik razend.—Om Gods wil, maak mij toch dezen knoop uit mijne haren los—ik kan ze immers niet uitrukken!”
Daarbij trok hij krampachtig aan zijn hoofdhaar. Lodewijk voelde den knoop en maakte dien zachtjes los. Bernards ring viel op den grond; hij greep er snel naar, nam hem op, reikte hem Feodorowna toe en sprak met hijgende borst: „Mij dunkt, deze ring gelijkt op den uwen—ik verruilde hem eens—in Warschau—hij draagt de letters—Waanzinnige!” riep hij opeens en trok het voorhoofd in diepe plooien, „maak u niet zelf razend door zulke droomen. Lodewijk, schud mij, opdat ik voel, of ik waak.”
Feodorowna had den ring van hem aangenomen, zij wilde hem met den haren vergelijken, doch haar oog werd duister. Bevend zonk zij op de knieën neder, vouwde hare handen als ten gebede en smeekte zacht, met hemelwaarts gekeerde blikken: „Algoede! beproef mij niet te hard—wanneer mijn hart zich bedriegt, zoo breekt het—zooveel vermag het niet te dragen—neem mij in Uwe bescherming.”
Zij hield de ringen afgewend voor zich uit en hare blikken vlogen ras op zijde, als beefde zij voor het schrikbarend orakel, dat zij moesten verkondigen, dan drukte zij ze beide hevig aan haar hart, alsof zij het kostelijkste waren, dat zij bezat, en zij zich daarvan voor eeuwig moest afscheuren. Opeens hechtte zij hare blikken onafgewend daarop. Zij beefde, haar boezem joeg, de rozengloed van den morgen kleurde hare wangen—toen verbleekte zij tot de sneeuw der lelie—de ringen ontzonken hare hand—zij strekte hare armen verlangend naar Bernard uit—hare lippen bewogen zich, doch het jagen harer borst verstikte ieder geluid—eindelijk riep zij met angstvolle inspanning: „Broeder, broeder!” en zonk als levenloos met het schoone hoofd aan de borst van den voor haar knielenden Bernard. Deze hield haar stom, bevend aan zich geklemd; zijne ijzeren kracht was gebroken, zonder ophouden vloten er tranen uit zijne oogen en bevochtigden de wangen der schoone zuster, die bewusteloos aan zijn hart rustte. „Lodewijk, Lodewijk!” bad hij dezen eindelijk met weeke stem. „Gij zijt beter dan ik—bid gij tot den eeuwigen Vader, dat zij mij niet ontvalle—uw smeeken zal Hij hooren!—Lieve, zachte roos, richt uw hoofd op!—Breek thans niet, gij engelrein hart, klop nog eenmaal levend en beminnend tegen de borst des broeders!”
In zijne armen hief hij zijne zuster omhoog en liet haar zachtjes op de rustplaats neder, waarop hij, nog voor weinige minuten, zelf tot een nieuw leven ontwaakt was. Daar sloeg zij het groote blauwe oog op en hief den mat neergezonken arm weder omhoog, om hem liefkoozend om den hals des broeders te slaan. Thans stroomde de milde bron der tranen over en verloste de borst van het overstelpend geweld der vreugde. Ruim ademde zij en een volle, eindelooze hemel van zaligheid straalde door den vochtigen nevel harer oogen.
„Zoo is het dan waar? Zijn het niet de toovergestalten mijner verbeelding, welke mij bedriegen? Ben ik niet verplaatst in de gewesten der zaligheid?—Ja, ja, gij zijt mijn broeder! De stem mijns harten bedriegt mij niet. Zij is waarachtiger dan de duizend teekenen mijner zintuigen, waaraan ik u herken. Ik heb nu een hart op deze wereld, dat mij toebehoort; eene borst, die mij niet ruw terugstoot, wanneer ik tot haar wil vluchten!—Niet waar mijn broeder!—Gij zult mij niet weder verlaten?”
„Verlaten?” vroeg Bernard, en sidderend drukte hij haar inniger aan zijne borst. „Gelijk de plant in eene donkere rotskloof naar het licht zoekt, zoo verlangde mijne borst naar een zusterhart! En gij waant, dat ik voor de warme gouden straal, die eindelijk in mijn verstorven hart dringt, den kelk zoude sluiten? Voor het eerst breekt in dezen heiligen stond het licht door de nevelwolken mijns levens! Voor het eerst zie ik deze schoone wereld verheerlijkt in zijn gouden rozenglans! Grauw, woest, akelig lag zij voor mij in donkere nevels gehuld.—Thans schittert zij van duizend kleuren! Neen, thans zal ons niets meer scheiden! Zelfs de dood niet, want ik vernietig mij zelf in het oogenblik, waarin hij u uit mijne liefdearmen wegrukt.”
HOOFDSTUK VII.
Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk, wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij den arm en zeide: „Vriend, men komt!”
„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken zoude hebben?”
„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder, het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”
„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,” zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”
Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenier Jeannette traden binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”
„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,” voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den avonddisch in de zaal zult komen?”
Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend; zij zweefde de kamer uit.
„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,” zeide Willhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”
„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens! Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen pels.”
Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen. Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen, en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het mom van luim te bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem dit bijna zonder moeite.
Willhofen had welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.
„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”
„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.
Thans verhaalden Lodewijk en Willhofen gedurende het verkleeden de geschiedenis van hun wedervinden.
„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk genoeg.—En Beaucaire en St. Luces hebben ook hun loon?—Er komen zoo oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja, waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom! Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene sluier uit het dal van Aosta hier zoo goed op de sneeuw zal schitteren, als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”
Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte. Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in die des vriends konde leggen.
Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welke Willhofen hun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.
Willhofen zette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,” zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.
Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan; daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend omarmd.
„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren, waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind aan wonderen en engelen te gelooven.”
„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”
De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.
„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat af om zijne tranen te verbergen.
„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet ik u met dezen naam begroeten.”
„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”
„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij, terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht, tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven, noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O, ik wenschte dat hij uw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij gevonden.”
„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.
„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”
„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.
„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”
„Boos op u zijn? Op u?”
„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ik geloofde aan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zalige overtuiging, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”
Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards borst.
„Dienzelfden dank ben ik hem schuldig, zuster,” hernam Bernard, met innigen nadruk sprekende.
„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.
„Is hij mij dan geen borg voor de zuster?”
Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken heerschte er eene heilige stilte.
„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier, waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene vreemde aandoening vervulden.”
Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten hebben.”
„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering; „het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die u het leven gaven, terug te denken.”
„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar zijn, dat zij mij u tot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.
Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze haar zijn wonderbaar vinden van Willhofen en den samenhang te verhalen, waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”
„Waldheim,” antwoordde deze.
„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend aan.
„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”
Intusschen trad Willhofen binnen.
„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het voorhoofd; „moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”
Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had, en wendde zich tot Willhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”
Willhofen naderde bescheiden.
„Kent gij misschien deze portretten?”
Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan niet honderdmaal in de kamer van den ritmeester Waldheim te Straatsburg boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend, en de genadige vrouw ook.”
Nauw had Willhofen deze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe? Mijn vader dus....”
„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet eens te spreken.”
„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en vergelding!” Hij dacht aan St. Luces en Beaucaire, die in denzelfden stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad van lang verloopen jaren was opgebloeid.
Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne moeder gekend, Solanow?”
De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.
Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard, die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste, dit hart is trouw; ik sta borg daarvoor; doch nu mag niets meer voor hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daarop Willhofen van alles en beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag, zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”
„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal verschijnen,” hernam Feodorowna, en Willhofen verliet, stilzwijgend zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het vertrek.
Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.
Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke plichtplegingen.
Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.
Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal. Feodorowna beval, dat Willhofen in de buurt en op zijne hoede zou blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader. „Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik weder geheel aan u.”
„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”
Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet, zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven, is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde, ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.
„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans beslissen.”
Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat; sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.
Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat voor hem den hemel der zaligheid wijd opende, doch zijn hart werd door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk, te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde, dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te gelooven.
Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.
„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”
Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.
„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel. „Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.
HOOFDSTUK VIII.
Thans eerst vereenigde de innigste band de drie beminnende zielen. Zij waren zóó overgelukkig, dat alle zorg, alle schrik voor de toekomst verbannen scheen. Slechts in het verledene verwijlden zij, zich vermeiende in het aangenaam herdenken van de oogenblikken hunner eerste ontmoeting, toen de kiem ontsproot van den heerlijken boom, die hen thans met zijne bloesemkroon beschaduwde. Lodewijk verhaalde van dien dag, waarop hij voor het eerst den groenen sluier op eene uitgebreide sneeuwvlakte had gezien en, door een onwederstaanbaar voorgevoel gedreven, hem dat vooruitzwevende doel was nageijld. „O, Bianca,” zeide hij geroerd, „toen reeds bouwde ik in hoogvliegende droomen luchtkasteelen, waaraan ik zelf niet durfde gelooven. En thans heeft eene wonderhand ons midden in die zalige gewesten gevoerd!—Maar ook thans waag ik niet te gelooven, dat alles werkelijk is, wat ik om mij zie. Spreek, mijne beminde, zullen deze liefelijke gestalten niet verzinken? Reik mij de hand ten onderpand, dat gij leeft, dat gij mij inderdaad nabij zijt en niet verdwijnen zult, wanneer ik u aanraak!”
Zij gaf hem vriendelijk glimlachend hare hand.
„Ja, ja, gij zijt het,” begon hij weder; „zoo glimlachtet gij, toen ik voor de eerste maal uw gelaat zag. Weet gij het nog? In het dal van Aosta, bij die hut, welke de wijnranken vertrouwelijk omslingerden, waar de kastanjeboom zijne takken beschaduwend over het grasperk uitbreidde. O, dat tafereel zal nimmer uit mijne herinnering verdwijnen!”
Zij zag hem aan met de uitdrukking der innigste liefde; een traan glom in haar helder blauw oog.—„O, het was schoon daar,” zeide zij bewogen.
„En weet gij, lieve zuster,” sprak Bernard, „waar ik u het eerst gezien heb?”
„Uwe eerste ontmoeting was eene gezegende,” hernam zij; „gij reddet de zuster uit den dringenden nood, waarin zij met hen, aan wie zij haar hart geheel gewijd had, verkeerde.”
„Neen! Ik kende u reeds veel vroeger,” zeide hij lachend. „Niet in eene romanesk gelegen hut, maar midden in den glans der rijke, bedorven wereld heb ik u het eerst gezien. Maar ik ontdekte den reinen diamant uwer ziel midden onder de menigte van valsche steenen, daar ik ze aan een anderen diamant zag toetsen. Het was te Londen in de Romeo en Julia, dat ik in uwe tranen spoedig echte parelen zag. Ik wilde de schoone schelp rooven—herinnert gij het u niet meer, mijne zuster?”
„Hoe?” vroeg zij verwonderd en zocht door het levend beeld haars broeders dat harer herinnering te verjongen; „hoe waart gij die jonge schilder?”
„Niemand anders dan ik,” hernam Bernard. „En gisteren nog zou ik u het bewijs hebben kunnen leveren, want Lodewijk had uw portret sinds lang. De schelm Beaucaire heeft het ons ontroofd.—Doch wie was die trotsche, engelsche gek, die mij uitdaagde en zich naderhand niet vinden liet?”
„O, mijn broeder,” antwoordde Bianca met levendigheid, „dan dank ik u reeds eene onmetelijke weldaad. Die Engelschman, lord Glower, was de voor mij bestemde bruidegom. Dit voorval verwekte een twist tusschen hem en mijn vader, wijl deze afkeurde, dat de lord zich aan het tweegevecht onttrokken had. Zoo werd door den beleedigden trots van den Engelsman eene betrekking verbroken, welke mijne gebeden en tranen te vergeefs getracht hadden af te wenden.”
„Men wilde u alzoo dwingen?” vroeg Bernard.
„De dochter,” antwoordde Bianca zacht en bepaald, „meende te moeten gehoorzamen; haar hart kende toen de liefde nog niet. Maar zij alleen werpt een zuiver licht op de verwarde paden der plichten en voert, gelijk de morgenster, den dwalenden voet aan het doel.”
„Doch gij waart gehuwd, lieve zuster?” vroeg Bernard.
Lodewijk beefde inwendig bij deze vraag.
Bianca bloosde sterk en sloeg beschaamd hare oogen neder. „Het was door dwang, dat ik den naam eener prinses Ochalskoi draag,” zeide zij zacht; „doch gij zult uwe zuster voorzeker vrijspreken.”
Zij verhaalde thans met weinige woorden de geschiedenis van haar huwelijk. Lodewijk werd daardoor hevig ontroerd, doch het trotsche hart van Bernard zwol van toorn. Hij stond op en ging met onrustige schreden door het vertrek op en neder.
„Lieve zuster,” sprak hij na eenige minuten, „uit alles, wat gij verhaalt, zie ik, dat ons heil hier aan een haar over een afgrond hangt. Wij hebben een uur in de zoetste rust ons geluk genoten; doch de nood dwingt ons te handelen. Zeg mij, weet graaf Dolgorow, dat het geheim uwer geboorte u bekend is?”
„Hij weet het niet; ik zweeg, om Ruschka's broeder niet in het ongeluk te storten, en om ongehinderd naar u te kunnen vernemen.”
„En zoudt gij nog schroomen, u aan hem te ontdekken?”
„Voorzeker,” riep zij snel.
„Zoudt gij dan vreezen....”
„Alles, mijn broeder, voor u, voor mij—voor uw vriend,” voegde zij er zachter bij.
„Dan moeten wij ons zelven den weg banen. Strenge bewaring van het geheim is ten eerste noodig.—Mijne zuster, ik heb u slechts eene vraag te doen; wilt gij met ons naar Duitschland gaan? Kunt gij rang, macht en rijkdom verzaken, om een broeder en een vriend te volgen, die u niets aanbieden dan hun hart, hun hoofd en in het ergste geval hunne werkzame handen?”
„O mijn broeder!” riep Bianca en sloeg haren arm om hem heen, „vraagt gij mij waarlijk, of ik de vurigste wenschen mijns harten wil vervullen?”
„Goed dan,” zeide Bernard bedaard; „zoo is de weg, dien wij in te slaan hebben, te zwijgen en te vluchten, wanneer zich eene gunstige gelegenheid voordoet, maar vooral om thans te scheiden, opdat ons laat bijeenblijven geen argwaan wekke. Morgen zal de zon ons immers wel weder beschijnen.”
In Bernards toon lag iets gebiedends, dat bijna onwillekeurige gehoorzaamheid vond. Zoo gehoorzaamde Bianca hem dan ook en scheidde, na eene innige omarming, met liefdevollen blik, terwijl zij door de deur naar de vertrekken der gravin verdween. Bernard en Lodewijk begaven zich naar hunne slaapkamer.
In de voorzaal wachtte Willhofen, die hun bijzonder als bediende was toegevoegd, en lichtte hen door de gang naar hun vertrek.
Toen zij binnengetreden waren, sprak Lodewijk hem aan: „Vriend, trouwe, eerlijke knecht mijns vaders, zult gij zijn zoon evenzoo aanhangen als hem?”
„Ach, mijnheer,” riep Willhofen vroolijk, „reeds omdat gij een Duitscher zijt en mijne taal spreekt, zoude ik alles voor u doen. Maar mag ik een openhartig woord spreken?—Lieve heeren, uwe zaken staan hier gevaarlijk—de graaf en de gravin denken anders dan de prinses; zij is eene engelachtige vrouw.”
„Willhofen,” zeide Lodewijk, „wij zijn niet blind voor ons gevaar, maar juist gij moet ons raad geven, hoe wij het ontkomen. Gij weet te veel om niet alles te weten; de prinses is de zuster mijns vriends en mijne verloofde. Zij is bereid, ons naar Duitschland te volgen. Is dat nu of spoedig uit te voeren?”
„Mogelijk is het zeker, doch zeer moeielijk,” hernam Willhofen. „Meent gij dan, dat, wanneer het zoo gemakkelijk was, ik niet reeds voor lang zou gevlucht zijn? Slechts daarom heb ik in mijne oude dagen de wapenen weder opgenomen, om den duitschen grond nader bij te zijn; want ik hoopte gelegenheid te vinden om te vluchten. Tot nu toe is het echter onmogelijk geweest, vooral nu, daar de landstorm, de boeren, de kozakken en de fransche legers rondom alles bedekken. Wien wij ook in handen vallen, wij zijn altijd verloren! Ik zeg wij, lieve heeren; want gij zult mij toch toestaan, met u te vluchten?”
„Wij hopen dit, mijn vriend,” hernam Lodewijk.
„Maakt gij onze vlucht mogelijk, oude,” zeide Bernard, „dan zult gij in Duitschland een zorgeloozen ouderdom hebben.”
„O God,” riep de oude man, „wanneer de zon mijns levens toch nog vroolijk onderging! Ik zal beproeven, wat mogelijk is. Ik sta nog al goed bij de gravin, ik wil zien, of zij mij haar vertrouwen schenkt; want vooral moeten wij te weten komen, of zij kwaad vermoedt. Is haar argwaan reeds opgewekt, dan hebben wij geen tijd te verliezen; anders kunnen wij met iederen dag uitstel slechts winnen.”
„Doe wat gij kunt, beste vriend,” zeide Lodewijk, „en breng ons zoo spoedig mogelijk bericht.”
Willhofen vertrok.
„Zal onze nacht zoet of onrustig bewogen zijn?” vroeg Lodewijk, toen hij zich met Bernard alleen zag. „Vriend, welk een dag was dit!”
„Op aarde ben ik niet veel geweest,” hernam Bernard, „maar eene reis of twee, drie in den hemel en in de hel. Thans echter moet ik bekennen, dat al de zenuwen mijner ziel zoo afgemat en moe zijn, als mijn lichaam, waarin ik langzamerhand de vermoeidheid des doods voel binnensluipen. Het noodlot met zijn donder en bliksem heeft mij elk kwartier uit den slaap opgejaagd. Maar gij weet, er komt een tijd, wanneer de afgematte zelfs door het verdoovende kraken van een nevens hem neerstortenden sneeuwval noch verschrikt, noch gewekt wordt. Thans ben ik zoo ver; ik kon, zooals eenige manschappen, die in doodsvermoeidheid op marsch nedergestort waren, een twaalfponder tegen mijne voeten zien rijden en het der moeite niet waard rekenen, ze op zij te trekken.”
Lodewijk, die slechts door geweldige gemoedsaandoeningen geslingerd was geworden, maar bijna geen lichamelijke vermoeienissen had ondervonden, voelde zich minder uitgeput. Met schrik zag hij derhalve Bernard onder het spreken al bleeker en bleeker worden, en bemerkte aan zijne dof slepende stem, dat het bewustzijn hem begaf. Snel sprong hij op hem toe, greep hem bij den arm en riep: „Bernard, wat scheelt u? Zijt gij ziek?”
„Neen, beste—maar—geheel—dood af—,” antwoordde hij in afgebroken woorden en zonk in de armen zijns vriends ineen.—Zoo was dan ook eindelijk de uitgeputte kracht van dezen sterke, die tot nu toe door de uiterste inspanning van zijn geest de natuur getrotseerd had, gebroken. Lodewijk droeg hem zacht op een rustbed en liet aan den slaap over, hem met zijne versterkende kracht opnieuw te doen opleven.—Spoedig verzonk hij ook zelf in zoete verdooving, welke nauwelijks door zwakke droombeelden werd afgebroken.
Toen hij ontwaakte, was het klaar dag en een schitterende lichtstroom drong hem in de oogen. Willhofen stond voor hem en zeide glimlachend: „Gij hebt een gezonden slaap, mijnheer, dat moet ik zeggen. Ik heb reeds driemaal te vergeefs aan de deur geklopt en moest eindelijk binnentreden.—Maar de heer dáár slaapt nog vaster.”
Lodewijk had eenige oogenblikken noodig, om de hem omringende voorwerpen in samenhang te brengen met zijne morgendroomen, die hem, gelijk zoo dikwijls in zijn vaderland hadden overgebracht. Hij richtte zich op. Als een wonder kwam hem de frissche kracht zijner leden voor; hij voelde den vollen levenslust, den jeugdigen levensmoed zoo goed als ooit te voren in zijne beste dagen. „Ja, alles is wezenlijk,” zeide hij en zag den oude vroolijk in het brave gelaat.
„O, welk een geluk is zulk ontwaken!”
Hij sprong op en beschouwde Bernard; ook in hem was de levenskracht teruggekeerd; hij ademde vol, maar licht: een toonbeeld van mannelijke gezondheid.
„Bernard!” zeide hij en nam zijne hand. „Bernard!” Hij ontwaakte niet, voordat zijn vriend hem de hand op het voorhoofd legde. Toen sloeg hij zijne oogen op en zeide: „Lodewijk, zijt gij het, die mij zoo vriendelijk wekt? Gij hebt een schoonen droom verjaagd; doch hij ontvliedt voor eene nog schoonere waarheid.”
„De prinses is reeds voor lang opgestaan,” zeide Willhofen; „doch zij heeft uitdrukkelijk bevolen, dat ik u niet zoude wekken. Eindelijk scheen het mij echter toch tijd toe daar het bijna middag is.”
„Middag?” vroeg Bernard en een soort van schaamte kleurde zijne wangen. „Foei, dat wij ons hier dadelijk als een paar slaapkoppen moesten tentoonstellen!”
„O, de gravin ligt ook nog te bed,” antwoordde Willhofen, „en zelfs de gevangenen zijn nog niet afgemarcheerd; de dag van gisteren was voor ons allen hard.”
„Welke gevangenen?” vroeg Bernard.
„De Franschen, die wij gisteren in onze macht kregen,” hernam de oude man. „Zie daar, juist worden zij gemonsterd, om verder in het binnenland gevoerd te worden.”
Bernard trad aan het venster. Het gezicht der twintig ongelukkigen, die met bleeke gezichten, slecht gekleed, half verhongerd voor hem stonden en van koude of vrees voor hun lot beefden, sneed hem door het hart. „Waar brengt men hen heen?” vroeg hij.
„Denkelijk daarheen,” antwoordde Willhofen, „waar ik zoovele jaren versmacht heb, naar Siberië; de weg daarheen is gemakkelijk gevonden, maar terug is hij moeielijk.”
„En waarom kwaamt gij daar?” zeide Lodewijk. „Wie had het recht, een ongelukkigen schipbreukeling in balling te zenden?”
„Het geschiedde volkomen naar de wet,” zeide Willhofen met bitterheid; „ik was naakt en bloot aan de kust geworpen. Een russisch herbergier borgde mij vijf roebels, weergeven kon ik ze niet. Toen werd ik met het gebruik van mijn dienst zijn eigendom en hij verkocht mij aan prins Ochalskoi, die juist eene fabriek op zijne goederen bij Bern oprichtte.”
„Dus voor vijf roebels!”
„Zuchtte ik achttien jaren lang naar mijn vaderland en al de mijnen.”
„Wees getroost, oude,” klopte Bernard hem op de schouders, „van nu af zal het beter gaan. Het is altijd een mooie dag geweest, wanneer de avond helder is.—Doch wat beteekent dat? De gevangenen schijnen immers weer uiteen te gaan?”
Willhofen zag uit. Een kozak was het plein opgereden en sprak met de boeren, die het transport begeleidden. „Ik wil dadelijk zien, wat er gaande is,” zeide hij en ijlde naar buiten.
Na eenige minuten keerde hij met de tijding terug, dat Dolgorow bevolen had, de lieden hier nog op te houden, daar hij morgen en overmorgen door gelukkige aanvallen op de fransche achterhoede het getal der gevangenen hoopte te vermeerderen. Dan konden zij allen tegelijk worden vervoerd.
„Zoo doe mij den dienst, vriend,” zeide Bernard, „en zorg, dat die ongelukkigen, die reeds half dood zijn, zoo goed mogelijk verzorgd worden.”
Willhofen beloofde het en vertrok.
Beide vrienden hadden zich intusschen aangekleed en begaven zich naar de zaal, waar, zooals hun bericht was, Bianca met het ontbijt op hen wachtte. Doch toen zij binnen kwamen, vonden zij het vertrek ledig, ofschoon de tafel voor het ontbijt was gedekt. Een bediende, die spoedig daarna binnentrad, meldde hun vanwege de gravin Dolgorow, dat de prinses niet zou verschijnen.
Lodewijk was ontsteld, doch Bernard scheen er niet bijzonder op te letten en zette zich aan tafel. Toen de knecht zich verwijderd had, vroeg Lodewijk: „Wat mag er gebeurd zijn? Zou de ziekte der gravin eene gevaarlijke wending hebben genomen?—Ik had mij zeer op dezen vriendelijken morgengroet verheugd; want de heldere, klare dag kan ons, dunkt mij, eerst de volle zekerheid van ons geluk geven. En nu....”
„Als hier maar niets ergers achter verborgen ligt,” bromde Bernard en stond op. „Ik vermoed niets goeds. Mijne zuster zou het zonder dringende reden niet van zich hebben kunnen verkrijgen, haren broeder, eerst gisteren gevonden, heden niet opnieuw te begroeten. Laat ons daarom voorzichtig zijn en toch niet door te veel vragen ons zelven verraden.”
„Gelooft gij dan, dat er zich iets gevaarlijks voor ons heeft opgedaan?” vroeg Lodewijk verwonderd.
„Ik geloof evengoed niets als alles; want beide is even mogelijk,” antwoordde Bernard ras.—„Hm! misschien is het ook maar voorzichtigheid van mijne zuster; zij houdt zich met voordacht van ons verwijderd, om zich niet te verraden.—Ik ken de gewoonten van Rusland niet genoeg, om te weten, wat voor eene gastvrouw vreemd zoude staan of niet. Men moet haar vertrouwen, want zij heeft evenveel verstand als liefde getoond.—Geduld slechts, en alles zal zich ophelderen.”
Lodewijk, ongerust geworden, ging zonder spreken op en neder.
Spoedig daarop kwam Willhofen terug en verhaalde, dat de gevangenen op bevel der prinses goed verzorgd werden, zoodat het meer bezorgdheid voor hun toekomstig lot was, dat hen kwelde, dan wel de tegenwoordige ongemakken.
Intusschen verliepen er een, twee, drie uren en Bianca liet zich niet zien.
HOOFDSTUK IX.
Bernard sloeg aan Lodewijk eene wandeling in de open lucht voor; hij nam dit aan. Zij gingen het slotplein over en namen de ligging van het gebouw nader op.
Het was rondom door dichte, hooge dennenbosschen omgeven, door welke evenwel vier breede wegen waren uitgehouwen, die elkander rechthoekig sneden. Deze waren vrijwel gebaand, doch in het overige lag de sneeuw los en hoog, zoodat het zoowel te voet als met een slede even moeilijk scheen, wanneer men den grooten weg verliet door het woud te dringen.
„Het gebouw schijnt oud,” zeide Bernard; „Gothische, nieuw-grieksche, barbaarsche stijl, alles door elkander. Deze beide ronde hoektorens met hunne lange, dunne spitsen moeten van oude dagteekening zijn.—Hoever wij hier wel van den grooten weg af zijn?”
„Ik hoorde Willhofen zeggen, omtrent vier of vijf uren,” antwoordde Lodewijk, „en Smolensko ligt zeven uren van hier.”
„Zoo rekende ik ook,” stemde Bernard hem toe; „in die richting moet het liggen. Wij zouden den weg door die breede laan moeten nemen.”
„Het is dezelfde, waardoor wij gisteren hierheen gekomen zijn,” meende Lodewijk.
„Hoort gij niets?” vroeg Bernard opeens en luisterde, terwijl hij zijn hoofd op zijde boog en de hand, om het geluid op te vangen, aan zijn oor hield.—„Dat is eene kanonnade, in de richting van den grooten weg, doch zeer ver.”
„De bosschen houden den klank tegen,” zeide Lodewijk en luisterde ook naar de enkele doffe schoten, welke men hoorde.
„Het kon het leger van Ney wel zijn, dat daar aan den dans is, en misschien is Rasinski bij het gevecht,” zeide Bernard.
„Rasinski!” riep Lodewijk; „hoe zal die brave vriend misschien over ons bezorgd zijn! O, wanneer wij hem eenig bericht konden doen geworden.”
„Zekerlijk zou dat goed zijn,” zeide Bernard en bewoog nadenkend, doch toestemmend zijn hoofd. „Over het geheel moet ik u zeggen, dat ik mij, hoe gemakkelijk het hier in het slot voor ons zij, toch liever met mijne zuster onder zijne bescherming zou bevinden dan hier. Eens moeten toch die vreeselijke vermoeienissen een einde nemen. Met iederen dag komen wij het vaderland en de verzorgingstoestellen voor het leger nader. De weg werd vast, effen—ik geloof dat wij het ergste geleden hadden.”
„Ach,” zuchtte Lodewijk, „wanneer wij maar eerst den voet weder op vaderlandschen bodem konden zetten!”
Naar het verwijderde gevecht luisterende, gingen de vrienden nog eenigen tijd op en neder. Ondertusschen was het reeds laat geworden en begon het te schemeren. Zij keerden naar huis terug, daar hun dit uur als dat des middagmaals was aangewezen. De tafel was reeds gedekt, doch slechts voor hen beiden alleen; zelfs Willhofen wist niets naders te berichten over het uitblijven der prinses, dan dat zij waarschijnlijk de zieke gravin gezelschap moest houden.
„Houd u slechts goed voor de bedienden,” fluisterde Bernard Lodewijk toe; „geen schepsel hier mag gissen, dat wij ongerust zijn.”
Bij deze woorden schonk hij een glas wijn in en klonk met Lodewijk op de bewoneressen van het huis. Gedurende het eten was hij voortdurend opgeruimd en schertste veel, zelfs met de bedienden, wie hij eenige russische woorden afleerde, om zich dan, hoe gebrekkig ook, met hen in hunne moedertaal te onderhouden.
Het was donker geworden en men bracht licht. Bernard begon, om het gesprek gaande te houden, van Schotland te vertellen. Lodewijk hoorde hem verstrooid aan; zijne bezorgdheid wies met iedere minuut.—Het was thans zeven uur, de burgerlijke beleefdheid jegens gasten zoude reeds lang gevorderd hebben, dat de vrouw des huizes hen begroet had. Er moest eene dringende reden zijn, die Bianca weerhouden had.
Gedeeltelijk om zich te verstrooien, gedeeltelijk om hunne onrust te verbergen, hadden zij ieder uit eene kast een deel van Voltaire genomen; zij zetten zich aan eene andere tafel en lazen. De bedienden namen inmiddels de tafel af en verwijderden zich.
Doch nauwelijks waren zij eenige oogenblikken alleen geweest, toen Willhofen binnentrad, voorzichtig omzag, of er ook iemand in den omtrek was, en toen Bernard een stukje papier toereikte.
Daarop zag hij met potlood in het engelsch geschreven: „Mijn broeder, wanneer alles slaapt, kom dan onder het venster van mijne slaapkamer.”
„Weet gij, wat dit papier behelst?” vroeg hij Willhofen, nadat hij het gelezen had.
„Ik geloof bijna; de kamenier der prinses, Jeannette, heeft het mij gegeven.”
Bernard ging onrustig op en neder. „Kent gij de ligging van het slaapvertrek der prinses, Willhofen?” vroeg hij dezen.
Deze knikte.
„Wanneer alles in huis slaapt, moet ik mij onder haar venster vervoegen; kunt gij mij zonder gevaar daar brengen?”
„Eene kleinigheid! Ik zal wel zorgen, dat het den portier zwaarder zal vallen, zijne oogen, dan ons de oude, verroeste poort te openen.”
„Wanneer gaat men hier slapen?”
„Vóór middernacht; tegen twaalf uur zijn we zeker, buiten de muizen op den korenzolder, geen schepsel meer wakker te zullen vinden.”
„Kom dan op dat uur bij ons op onze slaapkamer, vriend; gij kunt ons daardoor een gewichtigen dienst doen.”
Willhofen ging heen.
Bernard en Lodewijk gingen naar hunne kamer en wachtten in ongeduldige spanning op het uur van middernacht. Langzaam kroop de tijd voorbij. Angstig luisterden zij naar ieder geluid in het slot, naar het geraas van open- en toegaande deuren, het loopen der knechts door de gangen, en of het roepen en antwoorden niet eindelijk eens een einde zoude nemen.—Dikwijls was het minuten aaneen doodstil; dan brak het geluid van een openspringend slot of de lompe, zware, door de lange gangen dreunende tred van een knecht de diepe stilte opeens weder af. Eindelijk, na elf uur, scheen alles in slaap gedompeld te zijn.
„Het slot is stil als het graf,” zeide Bernard, terwijl hij zachtjes de deur opende en naar buiten zag. „Het is nabij middernacht. Ik wenschte, dat Willhofen kwam, opdat de onzekerheid een einde had.”
Lodewijk was door sombere voorgevoelens en bekommernissen gekweld; doch hij uitte geen woord, om Bernards zichtbare onrust niet nog te vermeerderen.
„Wat blaast de wind door het slot!—Het zal weer een heerlijke nacht buiten zijn!—Mij dunkt ook, dat het weer kouder geworden is. Onze vensters bevriezen, niettegenstaande de gloeiende kachel.—Maar hoor, ruischt daar niet iets op de gang? Waarachtig, het komt langzaam nader. Denkelijk zal het Willhofen zijn; de oude is een vos, hij komt langzaam op zijne teenen, en is, denk ik, zonder schoenen.” Hij luisterde; het kwam allengs nader en nader. Bernard opende eventjes de deur en vroeg door de reet: „Zijt gij het, vriend?”—„Ik ben het,” antwoordde fluisterend eene vrouwelijke stem; tegelijk opende de aankomende de deur, en de kamenier der prinses trad in eene bevallige dracht, een klein mutsje op, doch met een doek om het gelaat, binnen.
Beide vrienden schrikten. Bernard vermoedde een verliefd avontuur en zeide vrij norsch: „Gij zijt verdwaald, mijn kind.” „Neen, ik heb de rechte deur niet gemist,” hernam het meisje met eene bekende stem, terwijl zij tevens den doek afnam, die haar gelaat half bedekte.—Het was Bianca.
„Gij zelve, lieve zuster! in deze kleeding?” riep Bernard zachtjes, terwijl hij een schrede terugtrad; „om 's hemels wil, wat beteekent dit?”
„De nood dwong mij tot deze vermomming,” hernam Bianca, „ik ben eene gevangene en kon slechts in dit kleed naar u toesluipen.”
„Gij eene gevangene?” riep Bernard verwonderd; Lodewijk trad eene schrede nader.
„Laat ons kort zijn, mijne lieven,” antwoordde Bianca, „want de oogenblikken zijn kostbaar. Ik vrees, dat ons geheim half en half verraden is. Wij moeten gisteren beluisterd zijn. Toen ik u verliet en naar de gravin ging, vond ik haar in groote spanning; zij zat bijna geheel gekleed op de sofa en schreef. Bij mijn binnenkomen raapte zij haastig hare papieren bijeen en sprak over onverschillige dingen; doch de hevigste onrust was op haar gelaat niet te miskennen. Ik vermoedde wel, wat er kon geschied zijn, doch om hare achterdocht niet nog meer gaande te maken, vroeg ik niets, doch begaf mij dadelijk door mijne werkkamer, die aan het woonvertrek der gravin paalt, naar mijne slaapkamer, waar Jeannette, mijne kamenier op mij wachtte. Ik liet mij spoedig ontkleeden en zond haar weg; vol ongerustheid bleef ik op. Ik opende de deur mijner slaapkamer een weinig en hoorde, dat de gravin nog op was, ja zelfs met iemand sprak. Ik kon niet onderscheiden wat, doch meende aan de stem een kamerdienaar van den graaf te herkennen. Eindelijk werd het stil; ik begaf mij te bed. In den nacht echter hoorde ik duidelijk de poort openen en eene slede wegrijden. Dezen morgen begaf ik mij al vroeg naar mijne pleegmoeder. Zij had iets achterdochtigs in hare blikken, zoodat ik niet kon twijfelen, of zij had ons geheim gedeeltelijk ontdekt; doch zij liet niet het minste bemerken. Zelf reeds had ik mij voorgenomen, het ontbijt op mijn kamer te nemen, om geen argwaan te wekken; ik zou evenwel des middags aan tafel zijn gekomen. Doch de gravin liet zich ontvallen, dat zij hoopte, dat ik den dag bij haar zou doorbrengen, daar het niet paste, dat ik, terwijl zij zelve ziek was, met de beide vreemden alleen at, zij voegde er bij, dat zij het onbehoorlijk zou vinden, wanneer ik u weder sprak, voor dat de graaf terug was gekomen. Ik voegde mij naar haren wil, doch het werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat er iets moest zijn voorgevallen. Gedurende den voormiddag ging ik in mijne kamer en zag bij toeval, dat de deur naar de gang gesloten en de sleutel er uitgetrokken was. Nu doorzag ik alles; ik was eene gevangene der gravin; zij moet ons geheim kennen. De kamerdienaar heeft zich den ganschen dag niet vertoond; ik gis dat hij naar den graaf gezonden is.—Daarom besloot ik u, mijn broeder, van alles te onderrichten, en zond Jeannette met het briefje. Het gesprek met u door het venster kon echter gevaarlijk worden; ik liet dus Jeannette laat op mijne kamer komen, onder voorwendsel, dat ik verlangde, dat zij bij mij zoude slapen, daar ik niet recht wel was. Zoodra zij vast sliep, deed ik stil hare kleeding aan en ging zoo onbemerkt door de kamer der gravin. Thans echter vraag ik u, mijn broeder, wat zullen wij doen?”
„Snelle vlucht schijnt mij het eenige redmiddel,” hernam hij eindelijk. „Zou het mogelijk zijn, Smolensko dezen nacht te bereiken?”
„Mogelijk is het. Maar zullen wij het uiterste wagen, vóór het uiterste ons dringt? O mijn broeder, schoon ook de heiligste band van vrome kinderlijke liefde en van vertrouwen op hen, welke ik als mijne ouders eerde, smartelijk vaneengescheurd is, voel ik mij toch nog door duizend draden van gewoonte en dankbaarheid aan hen gebonden. Als ik mij, heimelijk vluchtend, in den nacht van hen moest losrukken, zou toch eene diepe smart mijne ziel doorgrieven en mijne borst zich door de beschuldiging van ondankbaarheid gekweld voelen.”
„Maar wat wilt gij doen, mijne lieve,” hernam Bernard, „wanneer gij zelve verklaart, dat gij uw broeder voor uwe ouders niet durft erkennen? Heeft dan liefde hunne daden jegens u bestuurd? Of hebben zij u opgevoed, alleen om u op te offeren, om met uwe schoonheid onwaardig voordeel te zoeken?”
„Gij spreekt de waarheid—doch de liefde en de eerbied, die achttien jaren in mijn hart gebloeid hebben, zijn daarin vastgeworteld. Eenmaal beminde ik mijne ouders onuitsprekelijk; want ik had slechts weldaden, ofschoon ik thans gevoel, koud en streng toegemeten, van hen ontvangen. Maar heeft mijn hart ook de vrije, schoone, heilige liefde verloren, het kan zich toch niet vrijspreken van de plichten der dankbaarheid. Het goede, dat ons gedaan is, boeit ons, ook al is het niet uit de zuivere bron der liefde gevloten. Broeder, raad mijn twijfelend hart, leen mij uw vasten mannelijken arm in dezen storm van tegenstrijdige gevoelens, die mij geheel dreigt te overstelpen.”
Bij deze woorden nam zij zijne hand, als wilde zij hem smeeken, en richtte haar vochtig oog naar het zijne, dat donker vlamde, omhoog.
„Gij hebt recht, lieve zuster,” hernam hij. „Recht, met uw vrouwelijk, duldend, alles vergevend hart; ik, met mijn trotsch mannenhart, denk anders en heb ook gelijk.”—„Wij moeten weg,” sprak hij met hevigheid, „ik dwing er u toe en neem de zedelijke schuld geheel op mij. Gij moet mij volgen, mijne zuster, en wel dadelijk; bij God, gij moet!”
„Ja, ik geloof, dat hij gelijk heeft,” zeide Lodewijk bescheiden doch vast en trad nader bij zijn geliefde. „De rechten des broeders zijn heiliger.”
„En de uwe sinds gisteren de heiligste!” riep Bernard, hem in de rede vallende. „Bloos niet, lieve zuster, en mistrouw de waarheid niet daarom, wijl zij tevens het hoogste geluk uws harten uitmaakt. Ik weet het wel, edele zielen aarzelen zelfs het goede te doen, wanneer het één is met hunne wenschen, maar niet altijd is slechts het zich opofferende hart het meest deugdzame. Vertrouw op mij; ik beslis, doch zonder hartstocht. Verbreek de boeien, die, half door liefde en half door dwang gesmeed, de vrije bepaling van uw wil verhinderen.”
„Welnu, het zij dan zoo,” sprak zij na eenige oogenblikken van stillen, inwendigen strijd; „ik gehoorzaam u, mijn broeder.”
„En dadelijk,” viel Bernard in; „want iedere minuut toevens brengt gevaar aan.”
„En waarheen wilt gij vluchten?” vroeg Bianca.
„Naar Smolensko.”
„Hoe!” riep zij verschrikt, „en zweeft daar het zwaard des doods niet boven uwe hoofden?”
„Sinds onze verbitterde aanklagers door hun vreeselijk noodlot achterhaald zijn,” hernam Lodewijk, „vrees ik van die zijde niets meer voor ons. Niet onze schuld, maar de wil om ons schuldig te vinden, bracht ons gevaar aan.”
„Dan volg ik ook u daarheen.—Willhofen zal ons paarden en eene slede bezorgen.”
„Wij wachten hem ieder oogenblik hier, daar hij mij te middernacht naar u zoude voeren,” antwoordde Bernard.—„Maar hoort gij niets?—Dat zijn zweepslagen en bellengerinkel! Zeer duidelijk!”
Bianca verbleekte. „Eene slede, die de slotpoort nadert! Dat is mijn vader!”
„Hij of een ander,” riep Bernard; „thans is het geen tijd tot vluchten. IJl naar uwe kamer terug, zuster, eer de aankomst der slede de lieden in huis wekt. Zoodra het rustig is, ben ik onder uw venster.”
Hij dreef haar voort; zij zweefde met vlugge schreden de lange gang door. Nauwelijks was zij in de binnenvertrekken verdwenen, of de naderende slede hield voor de poort van het slot stil en er werd zoo hevig en luid aangeklopt, dat men niet behoefde te twijfelen, of het was de eigenaar zelf, die begeerde binnengelaten te worden.
De poort werd geopend; Bernard loerde door de reet der halfgeopende deur. Twee mannen kwamen de trappen op, doch een verward gedruisch van stemmen liet gissen dat er nog andere nieuw aangekomenen beneden waren gebleven. Thans herkende Bernard den kamerdienaar, die, met een armblaker in de hand, een dicht in een pels gewikkelden heer voorlichtte. Lodewijk verzekerde, dat het de graaf was; ook richtte hij zijne schreden terstond naar de vertrekken der gravin. Daarop werd het stil; men hoorde niets meer. Een kwartier brachten Bernard en Lodewijk in gespannen verwachting door. Toen werd er zacht aan hunne deur getikt; het was Willhofen. De goedwillige, slimme oude had bijna den ganschen samenhang der dingen geraden. Hij was van meening, dat er voor dezen nacht niets meer te wagen was, zonder den stand der zaken gevaarlijker te maken. Daarom nam hij op zich, der prinses een briefje van Bernard in het venster te werpen, dat haar van het genomen besluit onderrichtte.—Hij voerde dit gelukkig uit, bracht daar bericht van en beloofde waakzaam te zijn, om, zoodra het minste gebeurde, hun een wenk te geven.
De nacht verliep voor hen allen in eene onrustige spanning, die nauwelijks eene meermalen afgebroken sluimering toeliet.
HOOFDSTUK X.
De gravin Dolgorow had de betrekking van Bianca tot de gasten meer vermoed, dan geweten. Door een toeval was Jeannette de verraderes geweest; want deze was het, die dadelijk na het oogenblik, dat Bianca haar braven broeder het eerst herkend had, de gezelschapskamer naderde. Zij hoorde luid en heftig spreken en vernam de woorden: Broeder, Zuster! Verwonderd stond zij stil en luisterde onwillekeurig, ten minste zonder erg. Toen naderden Willhofen en eenige bedienden, en de klank hunner voetstappen werd door Lodewijk vernomen, die de zachtere schreden van het meisje niet had bemerkt. Hunne nadering brak de eerste zoete vertrouwelijkheid van broeder en zuster af; doch Jeannette bemerkte dadelijk bij het binnenkomen, dat er iets ongewoons was voorgevallen. De kamerdienaar van den graaf, Jacques, was haar minnaar; haar eerste werk was dus, dezen geslepen mensch haar vermoeden mede te deelen, waarbij zij zekerlijk niet begreep, hoezeer zij het geluk harer beminde meesteres in de waagschaal stelde. Doch Jacques had een scherpen blik voor zulke intrigues. „Hoor, Jeannette,” zeide hij, „wanneer de prinses zich over niets uitlaat, doe dan ook, als vermoeddet of wist gij niets. Voor bedienden is niets gevaarlijker, dan de geheimen hunner meesters tegen den wil van deze te weten. Wanneer het ook in het begin voordeel schijnt, bekomt het ons later nog altijd slecht. Somtijds wordt men op geheel vreemde wijze tot zwijgen gebracht.” Het meisje was door deze waarschuwing zoo bevreesd gemaakt, dat zij zich inderdaad niet het geringste tegen hare meesteres liet ontvallen, maar, zoo eerlijk was zij, ook niet tegen iemand anders. Jacques daarentegen legde zich op den loer en wist dit zoo behendig te doen, dat hij, eer het een uur verder was, ten minste met zekerheid wist, dat Bianca haar geheim voor de gravin verborg. Thans achtte hij de omstandigheden geschikt, om ze tot zijn eigen voordeel aan te wenden. Hij ging naar de gravin en ontdekte aan deze, eerst slechts uit de verte, doch, daar de uitgestrooide vonk met een onverwachten spoed tot eene heldere vlam opsloeg, toen in zijn geheelen omvang alles wat hij wist. Zij beloofde hem eene rijke belooning, wanneer hij tegen iedereen zweeg en slechts hare bevelen in deze zaak geheel wilde opvolgen. Jacques, hebzuchtig, loos, ondernemend, beloofde alles, zonder evenwel aan Jeannette, wier trouw aan hare meesteres hij kende, een woord te zeggen.
Zoo reisde hij dan nog in dienzelfden nacht met brieven van de gravin aan haren gemaal af, en was ook thans met hem teruggekeerd. Het ontvangen bericht moest voor den graaf van een allerverontrustend gewicht zijn; hij had zelfs zijn ijver tegen de vijanden zijns vaderlands voor een oogenblik ter zijde gesteld, om zijne eigene aangelegenheden te behartigen.
Hij vond de gravin, wier ongesteldheid hoofdzakelijk in te groote lichamelijke vermoeienis bestaan had, nog gekleed; de beweging, in welke haar geest zich sinds gisteren bevond, had haar hare volle krachten teruggegeven.
„Welnu, wat zegt gij van mijne ontdekking?” vroeg zij hem, zoodra zij zich met hem alleen bevond; „wat zijt gij voornemens te doen?”
„Vóór alle dingen,” hernam Dolgorow, „moet ik weten, in hoeverre gij zeker van uwe zaak zijt, en in hoeverre Feodorowna van uw weten bewust is?”
De gravin verhaalde, en vergat ook de maatregelen van voorzichtigheid niet, die zij genomen had, om eene samenkomst tusschen broeder en zuster te verhinderen. Dolgorow ging gedurende het geheele verhaal met over elkander geslagen armen op en neder en schudde menigwerf zijn hoofd, ten teeken van afkeuring.
„En wie van de beide vreemdelingen moet dan nu de broeder zijn?” vroeg hij, toen de gravin ophield.
Met eene soort van schaamte bekende de gravin, dat zij dit niet wist. Zij had onvoorwaardelijk aangenomen, dat het Lodewijk was, waartoe de door haar met zooveel ergernis opgemerkte neiging van Bianca tot dezen haar vrij natuurlijk verleid had. Thans eerst, nu de graaf haar de vraag ook met betrekking tot Bernard voorlegde, zag zij in, dat zij volstrekt geen bepaalden grond voor haar vermoeden bezat.
„Hadt gij slechts dien ongelukkigen maatregel met dat halve gevangen houden niet genomen!” zeide Dolgorow met nauw onderdrukten toorn. „Ik begrijp niet, wat u dit helpen kan. Het was niets, dan een overblijfsel der gewoonten uwer moederlijke gestrengheid en willekeur, die evenwel na Feodorowna's huwelijk in geen geval meer te pas komen. Hoe nam zij het op?”
„Zij heeft er zich volstrekt niet over uitgelaten,” hernam de gravin bedeesd.
„Dan hebben wij misschien nog hoop, dat zij het niet bemerkt heeft?” viel de graaf haar haastig in de reden.
De gravin wist het tegendeel zeer goed, daar zij het daaruit kon opmaken, dat hare kamer de doorgang voor Jeannette was geworden, doch zij bevestigde Dolgorows vermoeden om zijne verdere, juist niet zeer beleefde verwijtingen te ontgaan.
„Dat redt ons,” zeide hij geruster; „en heeft de prinses ook al iets bemerkt, dan moet het geheel als eene vergissing worden voorgesteld, welke men aan den kamerdienaar kan wijten.—Voorloopig willen wij dus niets meer beginnen; morgen zal ik zelf zien en opmerken. Om 's hemels wil geene gewelddadige maatregelen in deze zaak, tot wij ze geheel niet meer kunnen vermijden of ten minste juist weten, in hoever ons geheim verraden is. Ook dat die Jacques er iets van vernomen heeft, is hoogst onaangenaam. Wel is hem de waarheid geheel en al onbekend en, zooverre ik bemerken kan, twijfelt hij er niet aan, dat Feodorowna onze dochter is; doch hij houdt den onverwacht teruggekeerden broeder voor een zoon, welken wij, wie weet waarom, verwijderd moeten hebben. Ja, ik geloof, dat hij eigenlijk van meening was, uwe jaloezie door deze ontdekking op te wekken. Ondertusschen, dat is hetzelfde; zeer onaangenaam blijft het voor ons, dat een zoo vreemd niet te vertrouwen mensch ook maar eenig vermoeden van zoodanige betrekkingen heeft.—Misschien,” vervolgde Dolgorow na eenige oogenblikken, gedurende welke hij zwijgend en nadenkend op en neder was gegaan, „misschien is het geheel een loos alarm. Wie zegt ons, dat Jacques goed gehoord heeft? Evenwel, des te voorzichtiger moeten wij te werk gaan, want men kan niet weten, of Feodorowna en haar vermoedelijke broeder elkaar niet reeds sinds langen tijd kennen en zorg gedragen hebben, hunne bewijzen op plaatsen neder te leggen, die voor ons ontoegankelijk zijn. In dit geval kunnen wij in den moeilijksten toestand geraken.—Ja, ik ben besloten! Morgen zal ik het geheele geval kennen. Wel kwam ik hier met het besluit, om dadelijk de meest beslissende stappen te doen, en ik meen, gravin, dat gij mij genoeg kent, om te weten, dat ik voor de noodzakelijkheid niet als een kind terugbeef,—wij zijn in Rusland nog zoo angstig of weekhartig niet; ik weet zoo goed als anderen in dit rijk, dat men een rotsblok, dat ons in den weg ligt, moet doen springen;—doch zonder overijling! Misschien gelukt het mij, een betere en zekerder weg te vinden, die er omheen leidt.—Goeden nacht! Ik zal geruster slapen, dan ik geloofde. Nog iets, opdat wij ons zelve niet tegenspreken. Mijne aankomst hier was geheel toevallig, hoort gij, gravin, toevallig! Voor het overige zal ik morgen de eerste zijn, die Feodorowna goeden dag zegt en zich over de geslotene deur verwondert.”
Met deze woorden nam hij afscheid en ging met Jacques, die hem in de voorzaal wachtte, naar zijne kamer.
Doch de onrust van zijn gemoed liet hem niet toe te slapen; het lang sluimerende geweten was machtig ontwaakt. Er mocht thans bedrog of waarheid in het spel zijn, hij leerde, dat het zaad der schuld, mocht het nog zoo diep begraven, nog zoover door den storm des tijds verwaaid zijn, voortkiemt, tot zijne bittere vruchten rijp zijn.
„Dwaas,” sprak hij tot zich zelf, „wat maakt gij u voor zorgen? Uw doel is bereikt, gij zijt in het bezit, wie wil u verjagen?—Hm! wanneer echter de Ochalskoi's vernamen, dat er een bedrog had plaats gehad? Slechts als vader van Feodorowna zijn uwe rechten geldig!—Doch wie zal ze u betwisten? Den eenigen, die spreken kon, zijn de lippen verzegeld. Ruschka slaapt. Schrikgestalten van een dwazen waan! Herschenschimmen!”
Zijne plannen waren echter nu rijp geworden, en hij bezat behendigheid en kracht, om ze uit te voeren. Zijn eerste gang was naar Bernard en Lodewijk, die hij als gasten des huizes welkom heette. Met de geslepenheid eens hovelings speelde hij den voorkomenden gastheer, vroeg naar hun welstand, naar den aard hunner ontvangst, zonder ook slechts met een woord iets kwaads te laten blijken. Lodewijk, die de wereld minder kende en wiens rechtschapen hart ook den argwaan niet zoo licht toeliet of, wanneer hij zich vertoonde, met gemoedelijken weerzin verwierp, had zich door dit gedrag laten bedriegen. Bernard daarentegen werd te bezorgder, naarmate de graaf zich minder achterhoudend aanstelde; hij vermomde zich dus met hetzelfde masker tegen hem en nam den schijn aan van een zorgeloos, lichtzinnig vertrouwen, terwijl hij zijne geheime gedachte zorgvuldig verborg. Het gelukte hem volkomen, den geruste te spelen; hij ging hierin zoover, dat hij den graaf zijn Londensch avontuur met Bianca openhartig bekende. „Ik ben schilder,” zeide hij met de losheid van een luchthartigen kunstenaar, „en wij beschouwen een schoon gelaat in zeker opzicht als een eigendom, dat ons niemand mag betwisten. Daarmede, heer graaf, moet gij die daad, die zekerlijk de gewone regels der welvoegelijkheid niet tot rechter mag hebben, verontschuldigen.”
„Wij zijn zulke barbaren hier in Rusland niet,” hernam Dolgorow glimlachend, „om den kunstenaar niet zoodanige vrijheid willig toe te staan. Maar bezit gij het portret?”
„Ik heb het gehad tot voor twee dagen, of veeleer mijn vriend, dien ik het, daar het bij hem zulke aangename en tegelijk raadselachtige herinneringen opwekte, geschonken had. Zijne portefeuille, waarin het lag, werd hem door den ellendeling afgenomen, dien, zoo ik hoor, eene vreeselijke vergelding heeft getroffen; in wiens handen het gekomen is, weet ik niet.”
„Gisteren,” zeide Dolgorow, „zijn mij twee portefeuilles, die men bij de gevangenen had gevonden, ter hand gesteld, doch ik beken, dat ik nog geen tijd gehad heb om ze te openen. Ik ben toch inderdaad nieuwsgierig om te zien, of de uwe daarbij is.”
Met deze woorden snelde hij naar zijne kamer en keerde spoedig daarop met twee brieventasschen terug, waarvan hij er eene open in de hand hield. Het was die van Lodewijk. De graaf hield Bernard het portret voor en zeide: „Herkent gij dit voor uw werk?”
„Hoe zoude ik niet?”
„Dan is het billijk, dat gij uw eigendom terugneemt.”
„Het is, zooals ik zeide, niet meer het mijne, maar dat van mijn vriend.”
De graaf overhandigde Lodewijk de portefeuille, waaruit echter alle papieren verdwenen waren. Dolgorow had ze er eerst uitgenomen, wijl hij er naricht in hoopte te vinden; hij verontschuldigde zich daarmede, dat hem de portefeuille ledig ter hand was gesteld en Beaucaire haar dus waarschijnlijk reeds geledigd zou hebben. De tweede was noch Bernards noch Lodewijks eigendom; de graaf behield haar alzoo en verwijderde zich daarmede, om Feodorowna zijn morgenbezoek te brengen.
„Het is mij oneindig veel waard, dat dit portret weder in mijn bezit is gekomen,” zeide Lodewijk. „Ik ben nu veel geruster; alle gevaar schijnt voorbij en de graaf is een man, die toch wel vertrouwen verdient.”
„Waarlijk, men zou er om lachen,” zeide Bernard, „dat een zoo verstandig mensch als gij, zoo blind en dwaas kan zijn. O, Lodewijk! gij zijt te goed voor deze wereld—en ik vrees, dat mijne zuster het ook is en zich laat bedriegen. Zult gij dan eeuwig zulke kinderen in het leven blijven, dat gij u eene slang aan den boezem laat leggen, omdat zij eene glinsterende huid heeft? Wilt gij dan nooit leeren, dat de bontgevlekte tijger zich slapend houdt, wanneer hij het scherpst loert? Wie overdekt dan een wolvenkuil met adders? Rozen strooit men er over! Rattenkruid moet er als suiker uitzien, anders vreten de ratten het niet.—Lodewijk, Lodewijk! Deze lachende vriendelijkheid is mij bedenkelijker, dan wanneer hij met getrokken zwaard voor mij stond!”
„Gij ziet alles te donker in, mijn waardste,” hernam Lodewijk.
„Meent gij?” vroeg Bernard spottend. „Het beteekent wel niets, dat Bianca eene gevangene is?—En deze onverwachte aankomst, midden in den nacht? Lodewijk, zoo de deur openstond, ik ging er liever uit, zooals ik hier voor u sta, dan nog een uur hier te blijven. Ja, was het niet om mijne zuster, gij moest op stel en sprong mede.”
Willhofen trad binnen en brak hun gesprek af met de vraag, of zij wilden komen ontbijten.—Zij gingen.
Eenige minuten bleven zij alleen in de zaal. Hierop trad Dolgorow binnen. Hij was zoo beleefd als te voren, verzocht hun plaats te nemen, en schonk zelf de chocolade.
„Onze dames,” zeide hij, „staan wat laat op. Wij zullen haar wel voor het eten niet te zien krijgen. De gravin was gisteren ongesteld, dat heeft ook de vorstin van het genoegen beroofd, de plichten van gastvrouw jegens u te vervullen. Ik denk, dat de dames het verzuimde heden zullen inhalen.”
Bernard vroeg naar den staat der politieke omstandigheden.
„Daarover doen wij het best liever niet te spreken,” hernam Dolgorow beleefd; „ik als Rus zou misschien geheel anders moeten denken, dan gijlieden, die ten minste uwe oude kameraden bij het leger hebt.—Het heeft voor mij een bijzonder belang, dat ik u reeds te voren ontmoet heb,” voer hij na eenige oogenblikken voort, zich tot Lodewijk wendende. „Toen wij aan den voet van den Simplon, dien wij door uwe hulp zoo gelukkig overgekomen zijn, door toeval gescheiden werden, wendde ik mij door het gebergte naar Bern, ging van daar naar Tyrol en kwam op den grooten weg naar Munchen. In Duitschland hadden wij verder geen avontuur, doch wel in Warschau, waar wij bijna verraden waren geworden en het ons eerst, na ons verscheiden dagen bij goede vrienden verborgen te hebben, in den nacht gelukte te ontvluchten.”
„Wij zijn ook in Warschau geweest,” zeide Lodewijk.
Bernard gaf hem een verholen wenk, om voorzichtig te zijn, en nam snel zelf het woord op, om geheel onbepaald en algemeen van hun verblijf aldaar te spreken. De graaf vroeg naar het een en ander; hij sprak van Engeland, vernam naar Bernards reizen, naar zijne vroegere woonplaats; kortom, hij zocht op eene geschikte wijze den levensloop en de betrekkingen van beiden zoo nauwkeurig mogelijk uit te vorschen. Bernard antwoordde met groote omzichtigheid; doch alles liet zich niet verzwijgen, en voornamelijk waren Lodewijks betrekkingen spoedig voor Dolgorow in zoover duidelijk, dat hij niet meer twijfelen kon, of Bernard moest Feodorowna's broeder zijn, indien het een van deze twee was. Met opmerkzaamheid beschouwde hij zijne gelaatstrekken, om uit de gelijkenis zijne vermoedens te bevestigen; doch hier was het toeval hem niet gunstig, daar Bernard sprekend op zijn vader, Bianca op hare moeder geleek, en tusschen hen veeleer een merkwaardig verschil in gelaatstrekken dan eene overeenkomst bestond, ofschoon zich al eenige gelijkende trekken lieten vinden. Doch wanneer men ze zoeken wilde, dan bood het gelaat van Lodewijk oneindig meer waarschijnlijkheid voor de bloedverwantschap aan. Bernard had daarenboven met behendigheid in zijn gesprek weten in te vlechten, dat hij uit Dresden geboortig en de zoon van een armen voorzanger aan de kruiskerk was, die hem, gelijk hij er lachend bijvoegde, toen hij voor drie jaren stierf, bij zijn laatsten wil niets had nagelaten, dan den vrijen wil, om te gaan waar hij wilde.
Zoo bleef Dolgorow natuurlijk in de kwellende onzekerheid, of zijn geheim inderdaad ontdekt was, dan of slechts toevallige omstandigheden of half begrepen woorden of uitdrukkingen den schijn eener ontdekking hadden voortgebracht.
Om niet door al te veelvuldig, angstig vragen verdenking te wekken, sloeg hij zijnen gasten eene partij op het schaakbord voor. Lodewijk, die van het spel maar zeer weinig verstond, verontschuldigde zich, Bernard nam den voorslag schijnbaar zeer gaarne aan. De kamerdienaar bracht een schaakbord; zij zetten zich tot spelen; Lodewijk bleef in het vertrek en zag toe.
„Ik heb een gevaarlijke partij,” merkte de graaf na de eerste zetten aan; „ik zal moeite hebben, mij te verdedigen.”
„Uw oordeel na zoo weinige zetten, heer graaf, bewijst uwe meerdere sterkte,” antwoordde Bernard.
Zij speelden ondertusschen voort, en schenen, ofschoon beiden hunne gedachten inwendig op geheel iets anders gevestigd hadden, toch met de grootste aandacht op hun spel te letten. Bernard bezat geestkracht genoeg, om zich tot opmerkzaamheid te dwingen en niet door verstrooidheid te verraden, dat de overwinning in het spel hem op dit oogenblik de onverschilligste zaak ter wereld was.
Zoo verliep de voormiddag; het etensuur naderde. De gravin zoowel als Bianca zouden aan tafel verschijnen. Toen de graaf des morgens bij zijne dochter was geweest, had hij daarvan als van een onvermijdelijken huiselijken plicht gesproken, die gisteren alleen om de gezondheidstoestand der gravin had mogen verzuimd worden. Bianca echter die de geslepenheid van Dolgorow, om zich te beheerschen en zijn wezen in allerlei gedaanten te plooien, reeds uit zijn vroeger diplomatisch leven kende, liet zich door zijn gedrag niet misleiden. Toen hij echter door de deur, die de bijzondere uitgang van hare kamer was, trachtte te gaan en zich verwonderd hield dat deze gesloten was, bekwam zij de volkomen zekerheid, dat hij veinsde, te meer daar hij dadelijk en met zekeren ijver, dien eene onverschillige zaak niet had kunnen teweegbrengen, aan Jeannette bevolen had, den kamerdienaar te vragen, of hij den sleutel had, en hem te gelasten, zorg te dragen, dat de deur geopend werd. Ondertusschen ging hij, en spoedig daarop werd de deur inderdaad geopend. Bianca wist echter te goed, dat zij daardoor niet hare wezenlijke vrijheid, maar slechts den schijn daarvan had teruggekregen, en dat men nu hare schreden des te zorgvuldiger zoude bewaken. Evenwel scheen de vlucht haar niet onmogelijk, en daarenboven was deze het eenige middel, dat haar overbleef. Haar hart zocht derhalve meer naar raad dan naar verstand. Zij moest oude, heilige verplichtingen verbreken—nieuwe, oneindig dierbaarder, op zich nemen; van hare ouders, haar vaderland, zelfs van haar naam plotseling afstand doen en in eene gansch andere wereld treden. Hoezeer haar hart haar ook daarheen trok, ondervond hare edele ziel echter nu eerst, in het oogenblik der beslissing, met hoeveel onzichtbare draden het leven ons omzweeft, welke dan eerst houden en binden, wanneer wij ze voor altijd willen losscheuren. In deze spanning schreef zij aan Gregorius, haren vaderlijken vriend en raadgever, die met haar geheim bekend was en bad hem dringend, zoo spoedig het hem eenigszins mogelijk was, naar het jachtslot te komen. Doch zij was voorzichtig genoeg, hem den grond voor hare bede niet te melden. Zij wist, dat hij eene zoo dringende uitnoodiging toch zoude volgen. Willhofen beloofde den brief door een vertrouwden bode te zullen doen bezorgen, en meldde een uur daarna, dat het hem gelukt was.
Thans voelde haar hart zich wonderbaar verlicht; haar vertrouwen op den dierbaren leeraar was onbegrensd; zij hield zich verzekerd, dat zijne tegenwoordigheid haar bescherming en redding zoude aanbrengen, want het was zijn plicht, haar beide aan te bieden, en zij wist, dat, waar deze hem riep, zijn moed onverzettelijk was.
Zij ging met hare moeder naar de eetzaal. Hier zag zij Lodewijk en Bernard na de haar zoo lang en smartelijk gevallen scheiding weder. Haar hart klopte, doch zij beheerschte hare gewaarwordingen met geweld, om zich niet te verraden. Vriendelijk, welwillend kon zij immers zijn, want zij was dit steeds, en thans konden dankbare gevoelens haar bovendien het gunstige voorwendsel daartoe zijn. De oefening der groote wereld hielp daar de uren aan tafel te boven komen, zonder door iets hare stemming te verraden. De bedrevenheid haars broeders, die zich van het gesprek meester maakte, het op Schotland en Engeland, op zijne reizen aldaar en op de kunst in het algemeen leidde en alzoo ook Lodewijk, die over ernstige en belangrijke zaken altijd met verstand wist te spreken, in het gesprek trok, kwam haar heerlijk te stade. Dolgorow zelf liet zijne achterdocht reeds half en half varen en gaf zich aan de hoop over, dat alle bekommeringen slechts op toevallige omstandigheden berustten. Eindelijk stond men van tafel op, en de vrouwen wilden zich verwijderen. Daar vond Bianca een, naar zij geloofde, onbewaakt oogenblik en fluisterde Bernard de woorden toe: „Houd goeden moed, ik heb hoop, op eene gelukkige wending van ons lot.”
Doch Dolgorow, die juist eenige door Jacques gebrachte brieven geopend had en las, wierp toevallig een blik over het papier op een spiegel, waarin hij Bernard en Bianca's gestalten geheel en al zag. Hij zag hunne vertrouwelijkheid, bemerkte hun fluisteren en den indruk, welke de woorden op Bernards gelaat teweeg brachten. Wel is waar had hij geen woord verstaan, doch in beider trekken lag eene uitdrukking van vertrouwelijkheid, die slechts door eene zeer nauwe betrekking kon ontstaan zijn en te meer verwondering baarde, daar beiden, toen de deur onverwachts openging, opeens de uitdrukking hunner trekken veranderden en de stijve houding der beleefdheid weder aannamen. Wat hier gebeurd was, kon geen plaats vinden tusschen de prinses Ochalskoi en een vreemdeling zonder rang of naam. Derhalve had Dolgorow opeens de ontegensprekelijkste bewijzen voor de gegrondheid van zijne achterdocht. Het verraste hem nu hij er bijna van terug gekomen was, zóó sterk, dat hij, die onder de moeielijkste omstandigheden bezonnen en koel bleef, voor een oogenblik zijne bedaardheid verloor en zich een half onderdrukten uitroep van verbazing liet ontvallen. Doch even spoedig als hij zijne bedaardheid verloren had, had hij die teruggekregen, terwijl hij voorbedachtelijk dien uitroep herhaalde en hevig op den grond stampte, doch den schijn aannam, alsof het de berichten, die hij in zijne brieven vond, waren, welke hem zoozeer aandeden. „Het is ongehoord! onvergeeflijk!” riep hij uit en kneep den brief hevig in elkander; „men zou dol worden over zulk eene handelwijs!”
Zelfs Bernard liet zich door dit mom bedriegen en vermoedde niet, dat zijn geheim in dit oogenblik ontdekt en verraden was. Behendig met den graaf instemmend, zeide hij half vragend, half deelnemend: „Gij ontvangt zulke onaangename tijdingen heer graaf?”
De Gravin deed dezelfde vraag, doch meer bepaald.
„Wat zou het zijn,” antwoordde Dolgorow, „dan nieuwe redenen tot oude klachten. Geheel verkeerd handelen, onzinnig veranderen, tegenstrijdige bevelen, welke alles in de war brengen, wat men met eigen krachten der liefde van het vaderland onderneemt!—Vergeef mij, maar ik moet eenige oogenblikken alleen zijn, om mijne drift te doen uitwoeden.”
Met deze woorden boog hij zich en ging naar zijne kamer, terwijl de vrouwen tegelijk de haren opzochten. Bianca nam ondertusschen afscheid met de vriendelijke vertroostende woorden: „Ik hoop, dat wij elkander bij de thee wederzien.”
Zoodra Dolgorow op zijne kamer was gekomen, schelde hij den kamerdienaar, om hem nogmaals nauwkeurig omtrent alles te ondervragen, waarop hij zijn vermoeden gegrond had. Jacques die lang gemerkt had, hoe gewichtig deze zaak voor den graaf was, verzweeg, gedeeltelijk omdat hij niet gaarne de verdienste der ontdekking met iemand wenschte te deelen, gedeeltelijk om in de gunst van Jeannette te blijven, niet alleen wat deze hem gezegd had, maar zelfs, dat zij hem inderdaad het gewichtigste ontdekt had. Daarom waren zijne verklaringen voor den graaf geheel onvoldoende. Hij gebood hem te vertrekken en bleef peinzend in zijne kamer, terwijl hij zich kwelde, een middel te vinden, om de waarheid te ontdekken. Opeens werd het hem helder. „Dwaas!” riep hij, „hoe kunt gij zoo dom zijn en niet dadelijk daarop komen? Hij of zij moeten hier een of andere brieven, documenten, of andere herkenningsteekenen hebben; het was anders onmogelijk, dat zij elkander gevonden hadden!—Dat moet mij licht geven. Vooreerst willen wij het gemakkelijkste beproeven en Feodorowna's kamer in stilte doorzoeken.”
Hij schelde. Jacques trad binnen.
„Is de prinses op hare kamer?”
„Neen: hare hoogheid werkt bij de genadige gravin.”
„Het is goed!—Gij kunt vertrekken.”
Zoodra de kamerdienaar vertrokken was, stak Dolgorow eene kleine dievenlantaarn aan, nam die onder zijn mantel en ging naar Bianca's kamer. Het gelukte hem, er onbemerkt binnen te sluipen.—Dadelijk sloot hij de deuren naar beide kanten dicht en begon zijn onderzoek. Hij had eenige loopers bij zich gestoken, waaraan geen slot gemakkelijk weerstand bood en die hij nog uit den tijd van zijne gevaarvolle diplomatieke betrekkingen bezat, toen hij de papieren zijner ondergeschikten steeds in het geheim zorgvuldig nazag, om zich van hunne trouw te overtuigen. Met behulp dezer werktuigen gelukte het hem spoedig, Bianca's gesloten secretaire te openen. Na eene poos gezocht te hebben, vond hij onder hare brieven dien van Ruschka boven op liggen, daar zij hem eergisteren eerst weder geborgen had. Deze nam allen twijfel weg; en toen hij nu de portefeuille ontdekte en opende, waarin de portretten der beide ouders zich bevonden, wier gelijkenis met de kinderen niet te miskennen was, had hij verder geene de minste verklaring of navorsching noodig, om te weten dat Bernard de teruggevonden broeder was. Zorgvuldig legde hij alles weder op zijne plaats, ontsloot de deur en snelde naar zijne kamer terug.
Thans hielden hem de plannen, hoe hij het naderend onheil het best zoude afweren, bezig. Spoedig was hij besloten. Hij moest Feodorowna's lippen evenzoo verzegelen, als die van Ruschka, door bedreigingen tegen wat haar het dierbaarst op aarde was. Die taak viel den gewetenlooze licht, doch hij had de middelen niet dadelijk bij de hand. Bernard en Lodewijk moesten het lot der gevangen Franschen deelen. Dan zoude hun lot daarvan afhankelijk gemaakt worden, of Feodorowna op de hostie wilde zweren, nimmer het geheim harer geboorte te verraden. Doch daartoe had men meer manschappen noodig, dan men in het slot had. Buiten de bedienden, van welke de meesten lijfeigenen van Feodorowna waren, op wie Dolgorow zich in een beslissend oogenblik niet durfde verlaten, was er niemand op het slot. Bernard en Lodewijk alleen konden een zoo dapperen tegenweer bieden, dat men ten minste genoodzaakt zoude zijn hen te dooden, en dan was de borgtocht voor het geheim verloren. Feodorowna's leven echter zelf durfde Dolgorow niet aantasten; gedeeltelijk wijl hare lijfeigenen in zulk eene daad eene vreeselijke, onverzoenlijke misdaad zouden gezien hebben, gedeeltelijk omdat hij vooruit zag, dat de gravin hare toestemming zoude weigeren, eindelijk ook wel, omdat hij hier de inwendige maat van zijn misdadig pogen gevuld gevoelde. Want ieder, zelfs de slechtste, heeft eene grens van zijn misdadig willen in zich, welke hij niet kan overschrijden. Zelfs de diepste afgrond der misdaden wordt eenmaal gevuld, en er is een punt, waar het heilige gebod der zedelijkheid zich zoo onverwinnelijk doet gelden, dat de meest ontaarde, al moest hij daardoor de vrucht van al zijne vorige misdaden verliezen, al moest hij zelf der aardsche vergelding ten buit worden, evenwel zijne wilskracht tot het booze verlamd gevoelt en den laatsten slag, welke hem aan het doel zoude voeren, niet waagt toe te brengen. Zoo grijpt de onzichtbare arm des Almachtigen zelfs in het raderwerk der boosheid en beveelt een onherroepelijken stilstand.
Dolgorows besluit stond vast. Hij wilde genoegzame manschap in de nabijheid van het slot doen komen, om iederen wederstand onmogelijk te maken. Dan zouden Lodewijk en Bernard naar buiten gelokt, onverwachts overvallen, gegrepen, gekneveld en zoo stil mogelijk weggevoerd worden, zoodat niemand in het slot het gewaar werd. Wanneer men aldus het binnenste van het bosch bereikt had, wilde Dolgorow hun verklaren, dat hun lot en dat van Feodorowna van de bewaring van hun geheim afhing, en hen dan met de overige gevangenen binnenslands wegvoeren. Eerst nadat alles volbracht was, zou Feodorowna den afloop der zaak vernemen, en dan zou het zeker gemakkelijk zijn, haar de belofte eener eeuwige geheimhouding door bedreiging tegen de gevangenen af te persen.
Willhofen was een verdacht getuige voor Dolgorow. Hij besloot derhalve, zich van hem te ontdoen en tevens door hem zijn doel te bereiken, daar hij hem als bode uitkoos, om het bevel over te brengen, dat de manschap op het slot zoude komen, maar tevens den houtvester, die het bevel over dit gedeelte der als landstorm verzamelde boeren had, verzocht Willhofen niet mede terug te zenden, maar hem tot nader order met iets anders bezig te houden.
De snelle daad volgde op het weldoordachte besluit. Hij schreef het bevel, verzegelde het, schelde en liet, toen Jacques binnen kwam, Willhofen roepen.
„Hier is een brief van gewicht te bestellen, Solanow,” dus sprak hij hem toe; „gij moet dadelijk zadelen en rijden. Ik stel er u verantwoordelijk voor, dat het bevel uiterlijk binnen drie uren overhandigd is.”
De oude boog zich zwijgend, nam den brief en vertrok.
Thans schepte Dolgorow lucht. Het gevaar scheen afgewend, de dreigende wolk verdeeld. Hij vermoedde niet, dat zijn plan verongelukt was, nog eer het tot de uitvoering kwam.
HOOFDSTUK XI.
Bianca immers wist reeds, dat en hoe zij verraden was. Jeannette had namelijk in de kamer der prinses gezeten en gewerkt. Toen het licht haar begon te begeven, zette zij zich op een leuningstoel in de, door de dikke muren van het slot ruime vensterholte en werkte, zoolang zij zien kon. In de schemering hield zij op en zonk, daar zij eenigen tijd ledig bleef zitten, in slaap. Opeens wordt zij door een geruisch gewekt, richt zich op en ziet met verbazing den graaf voor de geopende secretaire der prinses staan. Onwillekeurig getuige dezer handeling zijnde, vreest zij, zich te verraden; de groote zijden gordijnen bedekken de vensters zoo, dat zij niet kan bemerkt worden. Zij besluit daarom zich niet te verroeren en zich slapende te houden. Doch zij slaat acht op alles, wat Dolgorow doet. Eindelijk gaat hij, nadat hij eerst de beide vroeger in het slot gedraaide deuren zachtjes ontsloten heeft. Deze omstandigheid overtuigt het meisje, dat hier iets geheimzinnigs tegen de prinses ondernomen wordt, daar zij de treurige verwijdering tusschen deze en hare ouders reeds lang kent. Zij brengt dit in verband met hetgeen zij gehoord en aan Jacques toevertrouwd heeft; zij wordt bevreesd, door hare onvoorzichtigheid hare zoo oprecht beminde meesteres in gevaar gebracht te hebben, haar geweten laat haar geen rust, zij moet derhalve bekennen, wat zij meent te weten, wat zij gezien heeft. Met dit voornemen, om door de eerlijkste oprechtheid zoo mogelijk haar misgreep goed te maken, wil zij naar de prinses snellen, toen deze zelve onverwacht binnentreedt. Jeannette verhaalt, wat er gebeurd is. Bianca vermoedt den samenhang; zij doorziet, dat zij geheel verraden is, dat zij geen tijd te verliezen heeft. Dadelijk besluit zij, met haren broeder te spreken. Jeannette moet de kamer sluiten en krijgt bevel, zoodra zich iemand aan de deur laat hooren, te antwoorden, dat de prinses bezig is zich te verkleeden en voor het oogenblik niemand kan binnenlaten. Intusschen ijlt Bianca, door dezelfde muts van Jeannette, welke zij haar gisteren gedurende hare sluimering heimelijk ontvreemd heeft, voor herkenning bewaard, naar de kamer van Lodewijk en Bernard en verhaalt hun, wat geschied is. Er wordt besloten nog dezen nacht te vluchten. Gregorius zal de hulpeloozen opnemen, wanneer men zijne woning kan bereiken voordat hij op weg naar het slot is, of wanneer het toeval het zoo gelukkig doet uitkomen, dat men hem ontmoet. Wordt deze hoop niet vervuld, dan blijft Smolensko, nog door de Franschen bezet, hun als toevluchtsoord overig.
Willhofen zal hen op de vlucht vergezellen. Hij wordt van alles onderricht en belooft paarden en een slede gereed te houden. Om de noodige voorbereidselen daartoe te maken, heeft hij juist de kamer verlaten, toen Jacques hem ontmoet en bij den graaf ontbiedt. Met een voorgevoel van hetgeen er geschieden zal, treedt hij bij dezen binnen, doch bewaart volkomen zijne geruste en gewone houding. Zonder argwaan geeft Dolgorow hem den brief, dien Willhofen dadelijk naar Bernards kamer brengt, waar Bianca zich nog bevindt. Men opent hem; Bianca leest het in 't russisch geschreven bevel; de meening van Dolgorow is duidelijk. Bernard vermoedt zijn plan, ofschoon niet in de volle afschuwelijkheid, daar de brave nooit zoo diep in de ziel van de boosdoeners indringt, dat hij hunne ontwerpen in den geheelen omvang overziet. Thans is ieder oogenblik kostbaar en er is geen tijd te verliezen; de vlucht moet nog in dit uur geschieden. Terwijl Willhofen naar beneden snelt, om, onder voorwendsel van zijn paard te zadelen, de paarden voor de slede te spannen, voorziet Bianca zich op hare kamer van de noodwendigste zaken. Zij kan er thans niet buiten, Jeannette deelgenoote van haar geheim te maken; deze wil van hare gebiedster niet wijken, maar bidt met tranen, in haar lot te mogen deelen. Bianca moet inwilligen, haar mede te nemen, te meer daar het meisje van Dolgorows toorn alles te vreezen heeft, wanneer hij slechts vermoeden kan, dat zijn geheim door haar kon verraden zijn. Deze pakt derhalve in alle haast kleedingstukken en wat haar verder onmisbaar schijnt in, terwijl hare meesteres zich van geld voorziet en hare juweelen, papieren, brieven en kleinigheden in een kistje bijeen legt. Bernard en Lodewijk hebben zich inmiddels, op raad van Willhofen, met pistolen, die den bedienden toebehooren, gewapend. Lodewijk gaat naar beneden naar het plein, om, zoodra Willhofen te paard stijgt, met de slede te volgen. Bernard ijlt naar zijne zuster, om haar te geleiden. Een teeken, dat hij uit het venster aan de benedenstaanden geeft, geeft blijk, dat de vrouwen gereed zijn.
In angstvolle spanning stond Lodewijk op het plein en hield de oogen onafgewend op Bianca's venster gericht. Het dringende gevaar, de mogelijkheid om verraden te worden, de val in de diepste ellende, welke alsdan op de schoone droomen eener namelooze zaligheid moest volgen, dit alles veranderde voor de op de pijnbank gespannen verwachting de seconden in eene eeuwigheid.
Eindelijk trad Bernard met een licht aan het venster en blies het uit. Dit was het afgesproken teeken. Willhofen sprong te paard en reed naar de poort toe, welke hij beval te openen. Lodewijk volgde hem met de slede: onder de poort aan de trap, zoo luidde de afspraak, zou hij stilhouden, Bernard en Bianca opnemen en dan, zoo snel de paarden vermochten, den vooruitgaanden Willhofen volgen. Dat zij niet dadelijk vervolgd konden worden, daarvoor had de voorzichtige Willhofen gezorgd, doordien hij de tuigen van alle overige paarden, die in het slot waren, bijeengenomen en over een ingevallen vak van den muur in de slotgracht geworpen had, die wel toegevroren was, doch waar niemand deze dingen zoude zoeken. Het was derhalve te verwachten, dat zij vóór het aanbreken van den dag niet zouden gevonden worden. De duisternis begunstigde hunne onderneming; zacht, zoodat men de voetstappen der paarden over de sneeuw nauwelijks hoorde, kwam Lodewijk tot onder de poort. Willhofen was er reeds buiten en hield aan de brug stil. Bij den matten schijn der lamp, die het verwulf verlichtte, zag Lodewijk met een kloppend hart de drie gedaanten op de trappen staan. Hij hield stil. „Zijt gij het, Bernard?” fluisterde hij. „Wij zijn het,” was het antwoord en metéén naderde Bianca, om in te stijgen.
Daar klonk op eenmaal Dolgorows vreeselijke stem: „Verraad! Holla! Sluit de poort, grijpt de verraders!” In hetzelfde oogenblik flikkerde eene getrokken sabel over Bernards hoofd en, door den houw getroffen, stortte deze ter aarde.
Bianca gaf een luiden gil, wierp zich over den gevallene heen en Dolgorow in den weg, die den arm reeds tot een tweeden slag ophief.
„Om Gods wil erbarming, houd op—het is mijn broeder!” riep zij op een toon, die door de ziel sneed.
Lodewijk stond onbewegelijk. Doch snel bezon hij zich, hij sprong van de slede, greep een pistool en schoot op Dolgorow. Hij trof hem licht aan den schouder, zoodat de gewonde een oogenblik wankelde en terugtrad. „Vlucht, ongelukkige,” riep Lodewijk nu en wilde Bianca omvatten, doch reeds waren drie bedienden, die in de wachtkamer naast de poort gezeten hadden, toegesneld en rukten hem achterover op den grond. „Pakt de schelmen! Bindt hen!” riep Dolgorow woedend, en de knechts, welker getal spoedig door eenige van het plein komenden vermeerderde, wierpen zich op de ongelukkigen. Hij zelf greep Bianca aan, rukte haar omhoog en droeg haar, daar zij zich wilde verzetten, met geweld de trappen op. Hare kracht ging in hare smart te gronde; zij kon geen weerstand bieden. Jeannette volgde hare gebiedster. De knechts rukten, zonder verdere bevelen af te wachten, den bewusteloozen Bernard en den verstommenden Lodewijk met zich voort en sleepten hen den graaf na.