LAATSTE WOORDEN.
Reading edition
Zege luidde de voorspelling, zege de vervulling!—De storm van den laatsten vrijheidsslag aan Frankrijks grenspalen had uitgewoed; ten tweedenmale golfden de heilige banieren van de torentransen van Parijs.
In Ruslands sneeuwwoestijnen, onder den ruwen hemel van het barre Noorden, had de boom der vrijheid zijne diepe wortels geschoten; in den storm des heldentijds wies hij krachtig op; thans zou de zachte zon des vredes zijne bloesemknoppen openen, zijne schaduwrijke kroon ontwikkelen. Nog bewoog een angstig gevoel de harten bij de herinnering aan het dof nadonderende, in de verte aftrekkende onweder; doch de hemel welfde zich blauw en helder over de aarde en elke borst werd verruimd door de schoonste verwachtingen.
Zelfs de droefheid om de duizende offers werd een weemoedig geluk; er was immers slechts bloed der verlossing gevloten.
Alles, alles zoude deze tijd goed maken, elke wonde heelen, elke brandende smart met verkoelende balsem lenigen—wee hun, die hem vergiftigden!
Maria en Bianca hadden naar Lodewijks verlangen op het stille landgoed bij Dresden, dat de zuster zijner moeder bewoonde en waar de liefde en zorg der gespelen harer kindsheid haar beidde, een toevlucht gezocht. Hier zagen de terugkeerende vrienden haar weder; hier werd aller geluk door eene zoete, onverbreekbare verbintenis verzekerd. Ook Maria's hart toch was door Bernards edele trouw en grootmoedigheid geheel het zijne geworden; en de roos hunner liefde, waarin zoolang de zware onweersdroppen van smartelijke tranen gestaan hadden, flonkerde thans van sidderende dauwparelen der vreugde en ontvouwde den geurigen kelk met nieuw ontluikende schoonheid.
Slechts ééne wolk hing drukkend op het voorhoofd der gelukkigen, die hier vereenigd waren. De dag des vredes was gekomen; maar van den edelen vriend, die zich, zijn voornemen getrouw, tot dezen oogenblik elke gemeenschap met hen gestrengelijk ontzegd had, hadden zij niets vernomen. Een brief aan de gravin, door Lodewijk reeds voor ettelijke weken naar Warschau afgezonden, bleef onbeantwoord.—Zouden zij den edele te betreuren hebben? Was hij, gelijk de mannelijke Arnheim, de dichterlijke jongeling Benno, onder de offers gevallen, die de bloedige krijg onverbiddelijk geëischt had? Deze nieuwe bekommeringen vervulden de harten der anders zoo gelukkigen.
Op een avond, tegen het einde van Augustus, toen de schemering hare sluiers langzaam over den glans der nederdalende zon begon uit te spreiden, zat het viertal op het groene terras voor de tuinkamer aan de theetafel. Zij ontdekten een reiswagen, die van den met kreupelhout omkransten heuvel nederdaalde en langs den, op een kleinen afstand van den tuin voorbijloopenden straatweg nader kwam. De wagen hield stil aan het hek van het perk, een lakei opende het portier en eene rijzige, vrouwelijke gestalte in rouwkleeding klom uit en sloeg de laan naar huis in. „Die Juno heb ik meer gezien,” sprak Bernard, niet zonder een gevoel van beklemdheid, toen zij reeds zoo nabij was gekomen, dat men hare gelaatstrekken had kunnen onderscheiden, waren zij niet door een sluier omhuld geweest.
„Het is de gravin!” riep eensklaps Maria, die haar het langst en nauwkeurigst gekend had, en ijlde haar angstvol verrast te gemoet.
„Ja, ik ben het,” sprak de naderende stilstaande en sloeg den sluier op; daarop opende zij de armen, om Maria te ontvangen, sloot deze onstuimig aan het hart en drukte gloeiende kussen op hare lippen. Ook Lodewijk, Bernard en Bianca waren toegeschoten en ontvingen een zwijgende, smartelijk teederen groet van de waardige vrouw.
Zij was bleek; het lijden had diepe voren in hare edele trekken geploegd; tranen vergoot zij niet, maar de glans van het oog was uitgedoofd.
„Zoo moeten wij elkander wederzien,” sprak zij na lange worsteling met zich zelve en bood Bernard en Lodewijk de hand. „Zoo! O, ik heb het altijd gevreesd!”
De vraag naar Rasinski zweefde op aller lippen, doch niemand waagde het, haar te uiten.
„En gij komt alleen, geheel alleen?” vroeg eindelijk Bianca met bevende stem, „O, laat ons niet langer in kwellende onzekerheid aangaande het lot der zoo dierbare wezens.”
De gravin zuchtte uit diepe borst en hief het oog ten hemel. „Ik kom alleen. Geheel alleen! Dat is mijn antwoord.”
„En Lodoiska?” vroeg Maria met bleeke lippen.
„Dacht gij, dat zij hare smart overleven zou? Sinds een jaar rust haar gemarteld hart in vrede. Zij is gelukkig!”
„En Rasinski?” riep Bernard, die zich niet langer kon bedwingen.
Een zware zielestrijd was op het gelaat der gravin te lezen. „Ook hij heeft rust gevonden,” sprak zij eindelijk dof en langzaam. „Men zag hem het laatst in den slag bij Leipzig, in de nabijheid van vorst Poniatowski; verder weet ik niets van hem.”
Lang reeds had het beklemde hart dit vermoed; doch de bevestiging was daarom niet minder verpletterend. Maria zonk snikkend aan Bernards borst; hij klemde haar vast aan zich, zijn hoofd neigde zich tot het hare en zijne tranen besproeiden hare wangen. Bianca bedekte zich het schreiend oog en leunde de bleeke wang tegen den schouder van den echtgenoot.
„Ik ween niet meer over hem,” sprak de gravin met eene stem, die, in tegenspraak met hare woorden, eene zachte ontroering verried; „ik heb ook weinig geweend. Wel hem dat zijn oog zich sloot, dat hij deze dagen niet zien kan! Zou zijn edel hart onze schande verdragen?—Waarlijk, zoo is het beter!”
Maria wankelde naar haar toe en wierp zich aan hare borst. „O mijne moeder!” snikte zij, in tranen stikkende.
„Dochter, mijne dochter!” riep de gravin en thans ontsprong een heete tranenvloed ook uit hare oogen. „Eene dochter aan mijne borst! O, ik kan weder weenen!”
Ook Bianca naderde en sloeg haren arm om den hals der eerwaardige vrouw. „Rust bij ons uit, gij diep gebukte,” bad zij vleiend, „wij willen uwe dochters zijn!”
De gravin zag haar een oogenblik met vragende blikken aan; een hevige tweestrijd woelde in hare borst; met zachte armen voelde zij zich weder in het leven, in het schoone rijk der vreugde teruggetrokken. Doch plotseling richtte zij zich op, onttrok zich aan de omarming der weenenden, schudde weigerachtig het hoofd en zuchtte: „Neen, neen, het is onmogelijk! Zou ik, een eeuwig versteend beeld der smart, mij nederzetten in den kring van uw geluk en u elken vreugdebeker vergallen? Neen, neen, dat nimmer!”
In houding en stem drukte zij de onverzettelijkheid van haar besluit zoo krachtig uit, dat niemand de bede durfde herhalen. Inmiddels huppelde het blonde dochtertje van Alisette, Nadine, uit de heesters te voorschijn, bleef verwonderd voor de vreemde staan en zag haar met de groote, onschuldige oogen vragend aan.
Eene zeldzame aandoening maakte zich van de gravin meester bij den aanblik van het kind, dat zij dadelijk herkende. „Kent gij mij nog, Nadine?” vroeg zij met nauw hoorbare stem.
In stede van te antwoorden zag het kind haar nog altijd aan en drong zich met het blonde krulkopje vertrouwelijk tegen haar schoot.
Te hevig geschokt, weerde de gravin het zacht van zich af en keerde zich om, om te gaan.
„Blijf bij ons, schoone dame,” riep Nadine haar vriendelijk na, toen zij zich eenige schreden verwijderd had. Driftig wendde zij zich om, hief het kind op, kuste het en vroeg het met aandoening: „Wilt gij met mij gaan?—Dit kind zou mij een zoete troost in mijne eenzaamheid zijn,” richtte zij zich tot Bianca en zag haar vragend aan.
„Wat gij verlangt, niets, niets kan ik u weigeren,” antwoordde deze, hoe smartelijk de gedachte aan eene scheiding van het kleine, liefgekregen wezen haar ook door de borst drong.
„Neen, ook dat niet!” sprak de gravin na eenige oogenblikken, van innerlijken tweestrijd zacht maar vast en zette de kleine op het gras neder. „Zou ik een zwart rouwfloers over hare vroolijke jeugd werpen? Zou zij slechts onder cipressen wandelen en urnen om zich heen zien? Neen, ik wil de dagen, die ik nog leven moet—en God, de Almachtige geve, dat het weinige zijn!—niet met dat verwijt belasten. Verwijl onder gelukkigen, onschuldig kind!”
Zij kuste Nadine; deze liep op Bianca toe en vroeg deelnemend: „Moeder, gij weent?”
„Ik kwam alleen om afscheid te nemen,” begon de gravin na eenige minuten diepe stilte; „ik beefde voor dit uur, doch het ware liefdeloos geweest, het te vermijden. Ik vertrek naar Amerika.—Het kan mij een vaderland worden, want het is het eenige land der aarde, waar eene vrije ziel mag ademen. Mijn geboortegrond is een kerkhof, eene gevangenis, eene smadelijke gerichtsplaats—een oceaan ligge tusschen hem en mij! Wij willen elkaar het afscheid niet moeielijk maken; ras, opeens scheure de laatste band, die mij boeien wil. Vaartwel, dierbaren, volgt mij niet—eerst na mijn dood zult gij weder van mij hooren.”
Zij liet den sluier over het gelaat vallen en snelde met rassche, vaste schreden voort, nog eens met de hand terugwenkende, dat niemand haar volgen zou. Het door tranen verduisterde oog der achterblijvenden verzelde echter de koninklijke gestalte, tot zij in het geboomte en de schemering verdween.
UITGAVE VAN D. BOLLE te Rotterdam.
CHARLES KINGSLEY
HYPATIA
OF NIEUWE VIJANDEN IN EENE OUDE GEDAANTE.
Naar het Engelsch door W. J. MENSING.
NIEUWE UITGAVE 3e DRUK MET 34 ILLUSTRATIËN.
met een Woord vooraf van S. ULFERS.
Ingenaaid f 1.95 In Prachtband f 2.50
HYPATIA van Chs. Kingsley is een meesterwerk van het edelste gehalte, gebouwd op Christelijken en Historischen grondslag. De schrijver heeft meer bedoeld, dan zijne lezers het genot van een onderhoudend verhaal te verschaffen; hij wilde hen een blik doen slaan op den laatsten strijd van de oude wereld tegen de Christelijke Kerk in derzelver jeugd. HYPATIA van Chs. Kingsley plaatst den lezer terug naar de 5e eeuw onzer jaartelling, naar een der felste brandpunten van den strijd: het klassiek Alexandrië.
Zoo een episode uit dat groote treurspel kan niet anders dan veel bevatten, dat den lezer pijnlijk aandoet; het is een tijdperk, hetwelk met veel verhevens, veel afschuwelijks oplevert; een van die hachelijke en belangrijke gedeelten der wereldgeschiedenis, waarin zich deugden en ondeugden vertoonen nevens elkander, met een schrikbarende naaktheid en kracht. Menig bloedig tafereel komt er in voor, menig afgrijselijk drama, waarin belijders van den naam van Christus eene rol vervullen, die maar al te duidelijk bewijst, dat de geest des Meesters hun volkomen vreemd was gebleven.
Alexandrië, toenmaals een der hoofdzetels zoowel van de jeugdige Christelijke geleerdheid als van het afgeleefde Grieksche heidendom, moest de schouwplaats zijn van een dezer drama's, misschien wel het aandoenlijkste van alle, waarin de reinste en edelste der vrouwen het offer moest worden van den heerschzuchtigsten der Prelaten.
Kingsley heeft de oorkonden der geschiedenis van nabij gevolgd en in zijn bewonderenswaardig boek verraadt elke bladzijde den man die in dat tijdvak der historie volkomen thuis is. De Joden, de Gothen, de monniken, de verschillende klassen der bevolking van Alexandrië, zijn alle met de meeste zorg in hunne eigenaardigheid geteekend.
De levensbijzonderheden van Hypatia, zoo ook die van de meesten der overige personen zijn geschiedkundig waar, nevens hen treden enkele verdichte personen op, zooals de romandichter ze niet kan ontberen; maar ook deze zijn zoo meesterlijk uitgebeeld dat de wederga er van moeilijk, misschien in 't geheel niet te vinden zou zijn. De hoogste kracht der fantasie paart zich hier aan de nauwkeurigste kennis der historie. In het geheel heeft wellicht nooit een romanschrijver zich met het karakter zijner historische personen zoo weinig vrijheid veroorloofd en zijne verdichte personen zoo goed aan den geest en het kostuum van hunnen tijd doen beantwoorden, als in dit merkwaardig boek is geschied. En dan nog is Chs. Kingsley niet alleen romandichter en historieschilder, hij is eigenlijk Godgeleerde en Evangelieprediker; het spreekt dus van zelve dat zoo een man niet slechts een priester is der waarheid en schoonheid, maar dat hij ook offert op het altaar van Godsvrucht en deugd. Nooit zijn in een boek zoovele, zoo goede, zoo eminente verdienste vereenigd geweest als in Chs. Kingsley's monumentaal en onvergankelijk werk: HYPATIA of Nieuwe Vijanden in eene Oude Gedaante.
Wie den geest verkwikken wil, het weten vermeerderen, het hart veredelen, de Godsvereering versterken en verjongen, neme HYPATIA ter hand; hij (en zij) zal er geestelijk door vooruitgaan; zal met den inhoud en strekking van het bewonderenswaardig boek vertrouwd geworden zijnde, een gevoel van oprechte vereering koesteren voor den schrijver, die zijne gaven en zijn genie wijdde aan zulk een werk; zal hartgrondig beamen wat de schrijver bedoelt te leeren: dat het Christendom heden ten dage zijn taak nog niet heeft volbracht. Onze Eeuw moge hoeden en rokken, instede van toga's en tunica's dragen, het menschdom is hetzelfde gebleven.
„Dezelfde geest die de oude Egyptenaren verzocht, verzoekt ook U. Dezelfde God die hen zou behouden hebben als zij gewild hadden, wil ook U behouden, zoo gij wilt. Hunne zonden zijn de Uwe, hunne dwalingen de Uwe, hun oordeel is het Uwe, hunne verlossing de Uwe. Er is niets nieuws onder de zon; hetgeen geweest is, dat zal zijn. Laat hem, die zonder zonde is, den eersten steen werpen op Hypatia, Mirjam, of Cyrillus.”
UITGAVE VAN D. BOLLE te Rotterdam.
C. SPINDLER
DE JOOD
Historische Roman uit het begin der 15e Eeuw
GROOT FORMAAT 4e DRUK Met 6 Oorspronkelijke Platen
Ingenaaid f 3,— In Stempelband f 3,75
Reeds van nature is de goed geschreven historische roman eene aanzienlijke verschijning in de boekenwereld. Maar verschijningen zoo aanzienlijk als Spindler DE JOOD zijn er in den loop der tijden slechts weinigen aan te wijzen. De verdiensten van dat boek komen ten goede aan meer dan een geslacht, dat boek wordt nimmer vergeten; het geesteskind van zoo een schrijver kon niet met hem het graf in gaan.
Ondoenlijk, de bewondering te beschrijven, die de lezer van Spindler's DE JOOD in zich voelt ontstaan; onmogelijk, een denkbeeld te geven van de geweldig boeiende kracht, die van deze bladzijden uitgaat; alleen degene die er zelf kennis mede maakt kan dat meesterwerk naar waarde schatten.
Er mogen bladzijden in voorkomen van bloed en bladzijden van liefde, die niet bestemd zijn onder de oogen te komen van kinderen, een realistisch boek in de beteekenis die daaraan dikwijls wordt gegeven, is Spindler's werk niet, en waar realisme wordt aangetroffen, is dat ongezocht en natuurlijk.
Belangwekkend als weinigen, zijn tijd en plaats waar Spindler's DE JOOD ons heenvoert: de eerste jaren der 15e Eeuw, te Frankfort, Worms, Konstanz en andere plaatsen; de strijd om gewetensvrijheid. Zeden, tafereelen, personen en toestanden treden hier als in werkelijkheid voor ons en niet gemakkelijk zal men een tweede werk vinden dat zoo een krachtig afgebeeld stuk historisch leven te zien geeft, waarvan de intrige zoo wonderlijk mooi is gedacht, dat zoo oneindig veel afwisseling biedt, dat—als dit—telkenmale andere wendingen neemt dan men verwacht, dat meer boeiend en onderhoudend van stijl is, dat den lezer zoo volkomen onder zijn indruk brengt.
Boeiend zonder wederga is het van af de eerste zinsnede; met onvermengde belangstelling, zeer dikwijls in heftige spanning, volgen wij de daden en lotgevallen van Ben David, Dagobert, Zodick, Esther, Wallrade en anderen, terwijl we te vergeefs trachten het geheim, dat Bilger zoo lang blijft omhullen, te doorgronden. En na het beëindigen leggen wij slechts noode het boek, dat ons zooveel genot bracht, terzijde, terwijl het ons nog lang daarna blijft toe schijnen als hebben we zelf eenigen tijd verpoosd in die oude tijden te midden der hoofdpersonen uit Spindler's DE JOOD.