DERTIENDE BOEK.
Reading edition

HOOFDSTUK I.
Door Rasinski's toedoen waren de vrienden weder in het bezit van een wagen gekomen, waarop Bianca, Jeannette en het kind den bezwaarlijken tocht konden voortzetten. Om in den algemeenen nood nog hulp aan te brengen, waar zij zulks vermochten, namen zij nog drie gekwetste officieren op, die beurtelings een der paarden bestuurden. Bernard, wiens wonde bij zijne frissche, jeugdige krachten en onder de betere verzorging, welke hij in de laatste dagen genoten had, volkomen genezen was, ging met Lodewijk te voet, maar zij hielden zich in de nabijheid van het voertuig. Rasinski en zijne manschappen beschouwden zich eenigermate als de bedekking van den wagen en verlieten dien slechts wanneer de krijgsplicht hen ergens elders riep.
De koude was geheel geweken en werd door een zóó sterken dooi gevolgd, dat zelfs de sneeuw ten deele wegsmolt en ten minste van den grooten weg geheel verdween. Viel dus ook al de winter het leger met zijne scherpe wapenen niet meer met zooveel geweld aan, zoo werd daarvoor de marsch nu dubbel bezwaarlijk. Zij, die in het vertrouwen, dat de vorst van duur zijn zou, hunne wagens met sleden verwisseld hadden, zagen zich thans bitter bedrogen, daar deze voertuigen bij het verdwijnen der sneeuw geheel onbruikbaar werden. Het toeval, meer dan eigen inzicht, had voor Bianca op eene tegenovergestelde wijze zorg gedragen. Gelijk men in tijden van druk en beproeving zelfs aan de geringste gunstig schijnende omstandigheden groote waarde hecht, zoo wilde ook zij daarin een bijzonder teeken ontdekken, dat de hand des hemels zich beschermend over haar uitstrekte en haar gelukkig uit den diepen afgrond dezer grenzenlooze ellende redden zoude. Met angstig medelijden zag zij echter den jammer aan, welke om haar heen heerschte en van uur tot uur eene meer verschrikkelijke gestalte aannam; het scheen haar bijna misdadig, in dezen algemeenen ondergang op eigen redding bedacht te zijn en dood en ellende niet gemeenschappelijk te willen deelen. Had de smart zich overal onder eene edele gedaante vertoond, zij zou misschien huiverig zijn geweest, slechts aan eigen behoud te denken; thans echter kwam onder deze ernstige beproevingen meerendeels alleen de diepe verdorvenheid der menschelijke ziel in hare gansche afschuwelijkheid te voorschijn. Hoogst zeldzaam bespeurde men eene verhevene, edele gelatenheid onder het verpletterend noodlot, des te menigvuldiger daarentegen eene wrokkende woede, een luid vloeken en verwenschen van alle menschelijke, heilige en goddelijke instellingen. Bianca ijsde hiervoor terug; haar gemarteld oog wendde zich van deze tooneelen van afgrijzen af en zij boog zich over het aanminnig kind op haren schoot neder, om in de beschouwing van diens zachte trekken de vreeselijke ontaarding der menschheid te vergeten. Ach, en juist dit kind herinnerde het haar niet ook de onnatuurlijkste daad? Stond achter het vriendelijke beeld van dezen lachenden engel niet de furiëngestalte eener aan het verderf ten prooi gegeven moeder, die in snoode waanzinnigheid zelve de heilige vrucht van haren schoot had willen vernietigen?—En wanneer de beangste het oog weder opsloeg, wat ontdekte zij dan om zich heen? Jammer, ellende, razernij, vertwijfeling, onmenschelijke woede tegen den Schepper en zijn schepsel!
De slijkige, in een moeras veranderde weg, vorderde eene bovenmatige inspanning van alle krachten. De voor sleden gespannen paarden stortten, in weerwil der meedoogenlooze zweepslagen, waarmede de geleiders hen onder grimmige vloeken trachtten voort te drijven, ter neder en waren nauwelijks in staat zich weder op te richten. Thans eerst, schoon te laat, werd het besluit genomen, het onmogelijke op te geven. Men spande de dieren uit en overlaadde hen met buit en voorraad; te vergeefs smeekten de zieken en gewonden, dat men hen niet vergeten zou. De hebzucht en het eigenbelang waren doof; wie nog krachten bezat, om voor zich zelf te handelen, zich zelf te redden, dacht aan geen plichten der menschelijkheid meer. Echter werd deze daad door de verdiende straf op den voet gevolgd, want nauwelijks had men, zonder zich om het gekerm der kameraden, die men aan een akeligen dood door honger of koude prijsgaf, te bekommeren, de uitgeputte paarden eenige honderden schreden vooruitgezweept, of deze stortten andermaal ter aarde en thans waren alle pogingen, om hen opnieuw op te jagen, vruchteloos. Huilend van woede trapten de verbitterde bezitters hun bijeengeraapten buit in het slijk en vernielden in hunne grimmigheid zelfs de levensmiddelen, die hen wellicht den volgenden dag van den hongerdood zouden gered hebben.—En honderden en duizenden zagen deze tooneelen aan, doch niemand stoorde zich daaraan, niemand ging het lot der verlatenen ter harte, zoo had de vreeselijke herhaling van dergelijke voorvallen zelfs het verschrikkelijkste tot iets onverschilligs, iets gewoons gemaakt, zoo de ondragelijke zwaarte van het eigen lijden elk gevoel voor dat van den vreemden verstompt! En niet alleen de ruwe, de onbeschaafde, dien beter weten en gevoel voor het ware en edele de borst niet gelouterd hadden, maar zelfs hij, die met de hoogere voorschriften der deugd bekend moest zijn, had ze ganschelijk vergeten en droeg van den mensch nog slechts de uiterlijke gedaante, en ook deze nog misvormd en bijna onkenbaar door honger, uitputting, ellende en krankheid.
Zoo zag men hoofdofficieren, zelfs generaals, onder de massa's der krijgers verloren, zich met behulp van een stok voortsleepen en den bodem, dien zij als overwinnaars betraden, als bedelaars verlaten, gelukkig genoeg, zoo zij buiten de bezwaren van den marsch niet nog de gevaren van den kamp en den hoon des vijands te verduren hadden, wiens zwervende aziatische horden, als eene schaar hongerige roofvogels, die om een verrottend lijk in het rond zwierf, het leger verzelden.
Eenige dagen verstreken, gedurende welke de sombere beelden zich in gestadige opvolging vernieuwden. De hoop van weldra het niet ver meer verwijderde Minsk te bereiken en aldaar voorraad in overvloed, ruimte ter herberging van allen en bovendien onderstand van versche, wel uitgeruste troepen te vinden, hield de kracht staande. Zoo trok men Toloczin binnen. Den volgenden morgen had men zich nauwelijks weder op marsch begeven, toen een officier den keizer met een schriftelijk bericht te gemoet kwam. Deze opende de depêche en verried door eene driftige beweging, dat de inhoud verre van geruststellend was.
Schoon het bericht nog een geheim bleef, liepen weldra allerlei vermoedens en geruchten, die aan de waarheid zeer nabij kwamen, door de gelederen rond. Tegen den avond van den volgenden dag liet zij zich niet langer ontveinzen, want reeds langs andere wegen was zij het leger ter ooren gekomen.—Minsk was verloren, in 's vijands handen!
Toen Rasinski op het bivak dit naricht uit den mond van Regnard vernam, verwisselde zelfs hij van kleur en drukte zich de hand voor de oogen, als wilde hij dat nieuwe onheil niet zien. „Zoo is dan de keizer een russisch staatsgevangene!” riep hij in onstuimige gemoedsbeweging.
Een somber zwijgen heerschte in den kleinen kring der verzamelde vrienden. Met vragende blikken hingen allen aan het gelaat van hun aanvoerder en trachtten vruchteloos nog eenige hoop op zijn gefronst voorhoofd te lezen.
„Dus ook dat nog,” vervolgde hij na een lange stilte. „En deze winter, die ons eerst eene maand te vroeg overviel, verraadt ons nu ten tweede male, daar hij ons verlaat, waar hij onze bondgenoot worden kon. Het verlies van Minsk, hoe hard het ook zij, ware nog te verkroppen, zoo de Beresina ons niet met hare moerassige diepten gevangen hield. Eene russische armee aan de overzijde der rivier is als een ijzeren grendel, die ons de poort van dezen Tartarus onherroepelijk sluit.”
„Ons blijft geene andere hoop,” hervatte Regnard, „dan deze, dat de vijand vóór ons onzen toestand hier nog niet kan kennen; dat hij ons wellicht vreest, wellicht te misleiden is.”
Rasinski schudde het hoofd. „Kutusow, meent gij, zou geen bode gevonden hebben, om Tschitschagoff, Wittgenstein, of hoe die generaals heeten mogen, van alles te verwittigen?—Een demon moest hen verblinden, zoo zij nu het net niet over de kostelijke vangst toetrokken! Eén uitweg rest ons nog—de eervolle kamp en ondergang.—Op de baan der schande kan ons het lot niet brengen, dat echter is ook de eenige gunst, die het ons toedeelt.”
Over Jaromirs wangen zweefde een weemoedig lachje, toen Rasinski zich dus uitliet. Bernard, die zulks bespeurde, ontdekte hieruit, welke hoop door het geheel verbrijzeld hart van den armen jongeling gekoesterd werd. Sedert de ongelukkige Alisette's lot kende, had buiten den somberen ernst, die na den rampzaligen avond in Moskou zijne jeugdige opgeruimdheid in ijzeren boeien geketend hield, ook nog eene stille droefgeestigheid hem overmeesterd, die dikwijls een wezenloos mijmeren en droomen geleek. Het mannelijk besluit zijner ziel, om door een stalen krijgsmansmoed de schuld, met welke hij zich bezwaard gevoelde, te verzoenen, was door een, buiten de grenzen van zijn wil gelegen oorzaak verlamd. De vastberadenheid, waardoor hij zich tot hiertoe in deze dagen van tegenspoed ook boven Boleslaw zoo gunstig had onderscheiden was verdwenen, de ellende om hem heen scheen hem koud en gevoelloos te laten, ja zelfs de roerende deelneming en bezorgdheid zijner dierbaarste vrienden bespeurde hij nauwelijks en beantwoordde hij met merkbare onverschilligheid.
Met diepe droefheid had de steeds opmerkzame Bernard deze verandering in het geheele gemoedsbestaan van den jongeling waargenomen. En thans nu het vonnis der veroordeeling over zijne makkers, over zijne vrienden, welke hij innig liefhad, over den roem van het leger en dien des keizers, ja over het lot van zijn vaderland werd uitgesproken, nu hij zijne lotgenooten verpletterd en als versteend voor zich zag, thans glimlachte hij, alsof eindelijk een lichtstraal der vreugde in den nacht zijner smarten doordrong. Hij geleek een afgemartelden lijder op het doodbed, die den engel der verlossing ziet naderen.
Bernard werd door den aanblik van den ongelukkigen vriend zelfs nu ten diepste ontroerd, daar de verbrijzelende knodsslag der wereldgebeurtenissen, die allen gelijkelijk trof, even bedwelmend op hem nederviel als op alle overigen. Dit ware onmogelijk geweest, wanneer hetzelfde oogenblik de zekerheid van den ondergang en zijne vervulling had doen geboren worden; doch wanneer nog een arm van den tijdstroom tusschen deze twee heenbruist, is de mensch, zelfs onwillekeurig, nog steeds geneigd, zijn geluk aan het zwakste, met de golven worstelende vaartuig der hoop toe te vertrouwen, en behoudt hij het gevoel eener tegenwoordigheid met al hare smarten en genietingen.
„Dus is juist dat zijne hoop en het doel zijner wenschen geworden, wat in elke andere borst alle wenschen en alle verwachtingen vernietigt?” dacht Bernard en liet zijn blik in weemoedige beschouwing op het bleeke gelaat en het matte oog van den jongeling rusten. „Zijt gij zoo diep ongelukkig, gij arme lotgenoot?”—Het vorschend oog van den scherpzienden vriend drong dieper door. Het was niet de verlossing uit zijn lijden, welke met de vernietiging der vrienden, des roems en van het vaderland gepaard ging, die Jaromir, nog bij zijn volle bewustzijn verkeerende, met een vriendelijk lachje had begroet! Dat kon slechts hij, voor wien de beelden des levens zich reeds begonnen te verwarren, voor wien zij in schemerende droomen overgingen. Ach, reeds lang had Bernard het bemerkt, maar de gedachte als een pijnigenden vijand van zich trachten af te weren, dat de Nemesis, die de schuldige Alisette achterhaald had, voor Jaromir een gruwzaam spiegelbeeld was geworden, waarin hij zijn eigen noodlot dreigend voor zich zag.
En dit niet alleen, maar ook de gedachte, dat zulk eene vreeselijke schuld op hem rustte, dat zijne misdaad de duistere wraakgestalten opriep en ze dreigend aan zijne schreden vasthechtte, folterde Jaromirs borst met duldelooze wroegingen, van welke hij geene verlossing zag dan in den dood, dien hij zich zelf niet geven mocht, zonder zich met nieuwen vloek te beladen. Door deze gestadige, inwendige marteling verteerde hij zich zelf, zijne kracht bezweek, zijn edele geest verloor het heldere, vrije bewustzijn; als nachtelijke spooksels slopen de verschrikkingen der krankzinnigheid zijne ziel binnen en hij ijsde terug bij hare kille aanraking. Wie zal het thans in hem veroordeelen, dat de donkere poort des doods hem die der bevrijding toescheen, toen zijn gemartelde ziel niet meer in staat was, haar zich anders voor te stellen?
Met ijskoude huivering wendde Bernard het oog van den ongelukkige af. De openhartige mededeeling zijner bange vermoedens zou thans eene verkwikkende weldaad voor hem geweest zijn, doch hij ontzeide zich die, om het hart zijner vrienden niet met nieuwen bitteren kommer te beladen. Het leed had hunne borst reeds genoeg verpletterd, waartoe ze met nieuwe, diepe wonden te doorpriemen?—Tot Jaromir wendde hij zich echter met warme, broederlijke liefde en beproefde, of woorden van opbeuring en hoop nog in staat waren, den zwarten roofvogel der krankzinnigheid te verjagen, die in enger en enger kringen om diens ziel zweefde en haar met giftige klauwen dreigde vaneen te rijten.
HOOFDSTUK II.
Na onuitsprekelijk vermoeiende marschen bereikte het leger eindelijk Niamanitza. Duizenden hadden op dezen vreeselijken weg den dood gevonden en de schrikwekkende tijding, dat Minsk in de handen der Russen was gevallen, werd dagelijks meer bevestigd. De landstreek werd gestadig woester, de weg liep bijna onafgebroken door onmetelijke mastbosschen voort, die slechts nu en dan door enkele armzalige hutten werden afgewisseld. Een grauwe, drukkende wolkenhemel scheen tot laag op de aarde neder te hangen en haar met zijne vochtige nevelsluiers aan te raken. Het was noch strenge vorst, noch dooiweder, doch bij voortduring woei een waterkoude, verstijvende wind, die door de ellendige kleeding der krijgslieden heendrong en hunne vermoeide ledematen verkleumde. De grond werd met spiegelgladden ijzel overtogen; elke schrede vorderde eene vreeselijke inspanning en bijna elke mistred had den dood tengevolge, daar het den kranken, die meerendeels uit krachteloosheid nederzonken, dikwijls onmogelijk was, zich weder op te richten.
In de dichtste duisternis had Rasinski met de zijnen een verlaten huis gevonden, dat, ter zijde van den weg gelegen, bij toeval door een zijner lieden was ontdekt geworden. Men zou den nacht in deze bekrompene, maar toch eene veilige schuilplaats verleenende hut dragelijk hebben doorgebracht, zoo men niet door de ontmoedigendste tijdingen ware verontrust geworden. Regnard, wiens ijzeren lichaam tegen alle vermoeienissen bestand was, en die zich met onbezweken ijver bezighield met het inwinnen der noodige berichten, kwam nog in den laten avond Rasinski van alles, wat hij had kunnen uitvorschen, verslag brengen en tevens zijn dochtertje bezoeken, dat nog steeds aan de hoede van Bianca bleef toevertrouwd.
„Nu, Regnard, wat nieuws?” vroeg Rasinski, die zich reeds op den grond had te slapen gelegd.
„Ik wilde u liever niet verontrust hebben, maar ik moet wel,” antwoordde de binnentredende. „Het schijnt, dat ik altijd de krassende ongeluksvogel zijn moet; maar wie duivel kan een nachtegaal of leeuwrik zijn op een veld van lijken, zooals onze marsch van Moskou tot hier geweest is. De raven zijn hier op hunne plaats.”
„Welnu, kras dan,” hernam Rasinski, zich van zijn leger oprichtende. Ook de overigen traden nieuwsgierig nader.
„Wij zijn geheel en al in het net,” vervolgde Regnard. „De brug bij Borisow is verbrand en de rivier zoo breed, dat aan opbouwen niet te denken is. De andere oever is met vijanden bezaaid; het leger van Tschitschagoff strekt zich tot alle punten uit, waar men de Beresina zou kunnen overtrekken; kortom, het is onmogelijk, den overtocht te bewerkstelligen.”
„Slechts één enkele nacht strenge vorst, en alles zou goed gaan,” riep Rasinski.
„Misschien, en vooral daar ik u toch nog ééne goede tijding kan brengen en wel, dat wij tegenover Kutusow toch eindelijk een geregeld legerkorps kunnen stellen. De maarschalk Victor komt met twintigduizend man versche troepen aanrukken, waarmede wij ons morgen in de vroegte zullen vereenigen. Zoo even is de lichte cavalerie van de voorhoede aangekomen.”
„Het zijn slechts zoovele offers te meer,” was Rasinski's somber antwoord. „Wel is waar, zoo het mogelijk werd, over den stroom te komen, zoo de hemel te onzen behoeve een wonder deed, zoo hij de rivier de Beresina in banden sloeg en haar deed stilstaan als de zon te Jericho—ja, dan konden de frissche strijdkrachten tot onze redding bijdragen.—Er bestaat nog eene mogelijkheid,” ging hij driftig voort, alsof hem een gelukkig denkbeeld was ingevallen; „zoo men Tschitschagoff omtrent het punt van onzen overgang misleiden kon! Men moet valsche berichten uitstrooien, wendingen maken, den vloed afwaarts in de richting van Ukoloda en Beresino, en dan plotseling den overtocht voor allen volvoeren. Thans, nu een versch armeekorps ons misschien eenige dagen uitstel kan verschaffen, is zulks mogelijk.”
„Op iets dergelijks is men bedacht,” hernam Regnard; „er worden reeds aanstalten gemaakt. De zwarigheid is slechts, het leger ongemerkt op het zware overgangspunt te vereenigen.—Doch het is laat; goeden nacht. Gij hebt rust noodig en ik niet minder; morgen althans vinden wij elkander, hoop ik, nog in leven.”
Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps staan en wierp nog een teederen blik op zijn kind, dat op een leger, hetwelk men achter in de hut van stroo en eenige dekens zoo goed mogelijk gespreid had, in Bianca's armen gerust sluimerde. Hij sloop nader, doch behoedzaam, om de slapende niet te wekken. „De hemel bescherme slechts deze,” fluisterde hij; „wat ons betreft, wij willen niet klagen, want wij zijn bestemd om te vallen.”—Haastig verliet hij de hut; Rasinski en de overigen wierpen zich weder op den grond, waar zij weldra vast insliepen.
Tegen den avond van den volgenden dag bereikte het leger Borisow, dat dicht aan de steile oevers der Beresina, die hier een breed moerassig meer gelijkt, gelegen is. De vaste brug over haar was, daar de stad eerst eenige dagen vroeger aan de Russen was ontrukt geworden, geheel vernield en onbruikbaar gemaakt. De maarschalk Oudinot hield Borisow bezet. Rasinski vernam spoedig, dat men, gelijk hij zelf zou hebben aangeraden, alles gedaan had, om den vijand in den waan te brengen, dat men het overgangspunt ten zuiden van Borisow kiezen wilde, waar de rivier inderdaad twee gunstige doorwaadbare plaatsen aanbod. De generaal Laurencé, als chef van den generalen staf met de herstellingen der bruggen belast, had verscheidene Joden, die spionnendiensten verrichtten, laten ontbieden en van de nauwkeurigste berichten aangaande die plaatsen ingewonnen. Hij was ten volle verzekerd, dat zij, na van hem hunne betaling ontvangen te hebben, den vijand alles zouden verraden, ten einde ook door dezen beloond te worden. Derhalve werden alle vragen zoo ingericht, dat ze niet anders vermoeden konden, of de armee zou door eene onverhoedsche wending langs den stroom zuidwaarts trekken, om zoo de vervolgers te misleiden, Tschitschagoff te ontduiken en het boven alles gewichtige Minsk door verrassing te hernemen. Inmiddels begaf zich het korps van maarschalk Oudinot in diepe stilte naar Studianka, waar de overtocht werkelijk zou volvoerd worden, op marsch. Ook Rasinski moest, nadat zijne manschappen eenige uren gerust hadden, derwaarts opbreken. Het uitdrukkelijk bevel luidde, dat men op dezen marsch de diepste stilte moest in acht nemen; ook was het ten strengste verboden, vuur te slaan of iets anders te doen, wat van den anderen oever zou kunnen bemerkt worden, daar deze door een keten van russische voorposten bezet was, welker verwijderde wachtvuren men op de boschrijke heuvelkruinen als bleeke sterren zag flonkeren. Zouden ze met haar bloedig schijnsel den ondergang van het leger verkondigen, dat in dit land door zulke vijandige gesternten bestraald werd? Om het onheil ten top te voeren, scheen door het noodlot de voltooiing van hun verderf, in het gezicht der redding, besloten. Een sombere ernst, door het diepe zwijgen en de angstig gespannen stilte nog verhoogd, had zich van de ziel der krijgslieden meester gemaakt. Bij alle harde ontberingen kwam thans ook nog het gemis van eene troostende bemoedigende toespraak, ja, de stikdonkere nacht vergunde niet eenmaal een versterkenden blik der liefde en der vriendschap op de naaste dierbaarste panden. Rasinski had Lodewijk en Bernard willen overreden, met Bianca het leger te verlaten en, zoover mogelijk, hunne reis langs de rivier voort te zetten, wijl hij geloofde, dat het hun onder bescherming van Bianca, die overal voor eene Russin kon doorgaan, misschien gelukken zou, een toevluchtsoord en wellicht spoedig de onbelemmerde baan naar Warschau te bereiken. Doch beide vrienden, en ten stelligste Bianca zelve, verklaarden, dat zij hun lot niet van dat van Rasinski en de zijnen wilden scheiden. Met dezelfde roerende hartelijkheid hadden Willhofen en Jeannette aan elke poging van Bianca, die hun insgelijks dezen weg tot levensbehoud wilde opdringen, wederstand geboden. Zoo waren er dan toch nog harten, in welke met de sterkte der beproeving de kracht aanwies en die, verre van door den ijzeren voet van het lot gestadig dieper in het stof der verworpenheid vertreden te worden, in elken nieuwen druk slechts de aansporing tot verdubbelden tegenstand vonden.
Bernard en Lodewijk gingen te voet dicht nevens den wagen, waarop Bianca gezeten was; het verleende haar en hun troost, zich in elkanders nabijheid te weten en, nu het gevaar van het oogenblik elke mondelinge mededeeling verbood, althans de schemerende omtrekken der gedaanten in het oog te houden.
Naarmate men Studianka meer en meer naderde, werden ook de legervuren op de hoogten gestadig talrijker. Rasinski merkte zulks met bekommering op, daar men uit die menigte kon opmaken, dat de tegenoever door een aanzienlijk legerkorps bezet werd, en alles was reddeloos verloren, wanneer het niet gelukte, den vijand te misleiden.
Omstreeks vier uren, in den nanacht, kwam Rasinski op de verzamelplaats bij Studianka aan. Reeds van den vorigen avond af waren de ingenieurs hier met het slaan van twee bruggen bezig, wier voltooiing men voor het aanbreken van den dag te gemoet zag, ten einde nog onder bescherming der duisternis zoovele troepen over te brengen, als noodig waren, om aan genen oever de eerste baan te breken. Doch deze verwachting werd op het gruwzaamst teleurgesteld en leed wederom schipbreuk op de der, naar het scheen, met den vijand saamgezworen elementen. Door het dooiweder van den vorigen dag opgezwollen, was de vloed ettelijke voeten gewassen, zoodat de plaats, welke de infanterie in geval van nood had moeten doorwaden, zelfs voor de ruiterij te diep werd. De sedert gisteren ingevallen koude was juist voldoende, om sterke ijsschotsen te vormen, die met den stroom afdreven en alles met zich voortsleepten, doch zij was niet hevig genoeg, om een hecht ijsdek te vormen. Zoo behield de ruwe kracht der natuur op de uiterste inspanningen van menschelijk pogen de overhand. Te vergeefs hadden de pontonniers, dikwijls tot aan de borst in water en moeras weggezonken, den ganschen nacht door gezwoegd en gearbeid, te vergeefs met de vinnige koude, de snijdende ijsschollen, den machtigen stroom gekampt en geworsteld! De morgen was nabij, en nog geen enkele steunbalk stond behoorlijk bevestigd, want tweemalen had de opgeruide vloed de ingeheide palen en kromhouten weggevaagd en wat met ongehoorde inspanning van krachten was tot stand gebracht, als ijdel speelwerk vernietigd.
Het gevaar was ten top gestegen; brak de dag aan en was de brug niet voltooid, dan had men te duchten, dat de vijandelijke batterijen aan gindschen oever door eene volle laag den gebrekkigen arbeid vernielden, en dan verdween de mogelijkheid, om zelfs een enkelen man voor het vaderland te redden, dan was alles, alles verloren!
Rasinski was met zijne manschappen op een heuvel nabij Studianka gelegerd. Hij zelf begaf zich met Regnard naar den oever, waar de generaals te vergeefs naar een middel ter redding uitzagen.
Mortier, Davoust, Ney en Eugenius vormden een kleine groep en vestigden hunne donkere blikken op den anderen oever, waar de russische wachtvuren als zoovele brandtoortsen des verderfs helder opvlamden. Zelfs de onverschrokken Ney liet zich in zwaarmoedige gramschap op de verraderlijke krijgskans de woorden ontvallen: „Vindt de keizer hier nog een uitweg, dan houdt hij de geluksgodin met ketenen aan zich vastgeboeid en dient zij hem als slavin.”
Daar verscheen deze zelf in den kring der maarschalken en legerhoofden. Met zijne garden van Borisow opgerukt, had hij in stilte eene legerplaats in de nabuurschap betrokken. Hier waren hem van minuut tot minuut de ontmoedigendste berichten aangaande de mogelijkheid, om de brug tot stand te brengen, overgebracht; hij beschouwde zich dus als door het geluk verlaten en verscheen nu op de plaats des gevaars, om zelf te zien, te beoordeelen, te meten en, zoo hij al niet bij machte was, het te overwinnen, er ten minste roemrijk mede te kampen.
Hij groette kort, ernstig, maar vriendelijk. Hierop vorschte hij met onverzettelijke bedaardheid naar alle omstandigheden, tegenspoeden, teleurstellingen. De berichten luidden zoo, dat zelfs hij de onmogelijkheid der redding bijna moest toegeven. Op een gewelddadig doorslaan midden door 's vijands legermacht was hij in het gunstige geval voorbereid geweest.
Rasinski hing met onafgewende oogen aan de ernstige, maar volkomen kalme wezenstrekken van den reusachtigen man, die den trotschen nek nog niet voor de slagen van het noodlot gekromd had, maar op nieuwe wapens zon, om er mede te worstelen. Een somber zwijgen heerschte om hen heen. Daar rijst eensklaps in Rasinski het denkbeeld op: Wordt hij slechts gered, zoo is niets verloren, dan een groot leger; gansch Frankrijk, half Europa kan zich opnieuw voor hem wapenen! Deze massa's zijn dood, verplet, verstoven, als vergruisde steen, zoo zijne kracht ze niet samenbindt; zij zijn onverwinnelijk, zoo hij ze met de vlam van zijn geest bezielt. Honderd duizenden zijn in de sneeuwgroeven begraven; wat komt er het op eenigen meer of minder aan? Hij moet gered worden, dan is alles gered.
Met dit denkbeeld bezwangerd, ijlt hij op den maarschalk Ney toe en ontsluiert dezen de ingeving van zijn hart. De koene soldaat juicht dit denkbeeld met geestdrift toe; hij zelf zou wel is waar in een dergelijken voorslag zijner onderhoorigen nimmer hebben ingewilligd, doch thans voelt hij slechts als soldaat, niet als veldheer. „Is de redding mogelijk, dan moet zij beproefd worden,” roept hij uit.
„Met mijn hoofd sta ik voor het welgelukken borg,” betuigt Rasinski met edel vuur. „Van hier af ken ik elk pad, mijne Polen ook. Elk hunner geeft tienmaal zijn leven voor dat des keizers. Verder opwaarts naar Weselowa is de rivier niet breed; met onze paarden zwemmen wij over, nog voor het daglicht zijn wij aan genen oever. In vijf dagen breng ik den keizer naar Wilna; van daar staat Europa voor hem open. Beweeg den keizer, maarschalk! Zijne redding is immers ook de onze; weet Rusland, dat hij van Parijs nieuwe legers zendt, zoo zijn wij hoogstens krijgsgevangenen; deelt de keizer in ons lot, dan zijn wij met hem staatsgevangenen en gij kent den onmetelijken kerker, welken Rusland voor dezen bezit.”
Rasinski's vuur had den maarschalk volkomen overtuigd. „Hij moet willen,” riep hij driftig uit; „en er mag geen oogenblik verloren gaan.”
De keizer had zich juist in eene hut aan den oever begeven. Ney ijlt derwaarts; hij vindt den koning van Napels en den onderkoning van Italië, aan hen deelt hij Rasinski's voorslag mede; zij juichen dien toe, besluiten gezamenlijk tot den keizer te gaan en treden de hut binnen.
In angstige spanning ziet Rasinski den uitslag te gemoet. Een vierde uur verloopt; niemand laat zich zien. Het wordt reeds laat—reeds wil Rasinski het wagen, zelf tot den keizer door te dringen,—daar komt Ney terug, gaat hem langzaam te gemoet en zegt:
„Graaf Rasinski: De keizer is niet te bewegen, het leger te verlaten. Wij wachten hier gezamenlijk den dag, den vijand, den ondergang af!”
De ruwe toon waarop de maarschalk dit zeide, bewees, hoe hevig hij ontroerd was, en hoeveel moeite hij zich aandeed, om het niet te schijnen. Rasinski stond als versteend; een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel doorpriemde zijne borst en benam hem den adem. „Hebt gij den keizer gezegd....” begon hij eindelijk weder, doch werd dadelijk door den maarschalk in de rede gevallen:
„Alles! alles, waartoe liefde en overreding in staat zijn; de koning van Napels, de onderkoning van Italië, Davoust, Mortier, Rapp, graaf Daru, Berthier zelfs—bijna hadden wij ons aan zijne voeten geworpen. Doch hij bleef onwrikbaar als een rots. „De soldaat heeft zijn vertrouwen op mij gesteld, ik wil het niet teleurstellen,” was het eenige antwoord.”
„En Parijs, Frankrijk, Europa, wogen die gewichten in de schaal nog te licht?”
„„Hier is het dringendste gevaar,” herhaalde hij slechts; „ik ga niet, eer het voorbij is.””
„Dan is het te laat,” riep Rasinski buiten zich zelf; „vergun mij, dat ik nog eens....”
„Neen, graaf,” antwoordde de maarschalk; „de keizer laat zich door gebeden niet van zijne besluiten afbrengen. Ook ik zeide hem: Dan is het te laat.—„„Maar thans is het nog te vroeg,”” was zijn antwoord, „„en,”” voegde hij er na eenig zwijgen bij, „„wilt gij dan met geweld zien, dat ik bij het ongeluk ook nog schande op mijn hoofd lade! Ik zal gaan, ik zal niet tot Parijs aan de spits des legers marcheeren, maar eerst dan, als uwe tegenwoordigheid hier voldoende is. Dat oogenblik is nog niet gekomen.”””
Rasinski zweeg. Zoo diep het denkbeeld hem griefde, dat de groote man hier in het aangezicht der redding een onherroepelijken ondergang vinden zou, zoo diep doordrong hem toch ook het gevoel van opbeurende bewondering, welke het vaste besluit des keizers inboezemde. Eenige minuten duurde de kamp in zijn binnenste; vervolgens riep hij: „Waarlijk, hij mocht niet anders, hij heeft ons ook ditmaal overtroffen en beschaamd. Zoo is het beter! Wij willen hem het, aan elke menschelijke borst dierbare bewustzijn ontrooven van edel, waardig, groot te handelen. Wèl hem, wèl ons, dat hij het niet duldde. Ook het ware voordeel is aan dezen kant! De wereldgeschiedenis wint weinig, wanneer hij nog eenige jaren over Europa heerscht, veel, wanneer hij zijner waardig valt! Voor den glans des roems heeft hij tienvoudig genoeg gedaan, thans handelt hij voor het echte goud van dien roem.—Maarschalk, ik ben meer dan getroost, ik ben bemoedigd en gesterkt.”
„En gij hebt gelijk, en onze diepe droefheid is daarvan het onbedriegelijke bewijs.” Zij reikten elkander de hand en scheidden. Rasinski reed naar de zijnen terug en verhaalde wat gebeurd was. De gloeiende geestdrift voor den veldheer vlamde in aller borst weder helder op en allen zagen het verderf, dat hen weldra zoude naderen, met kalmte en trotschen moed tegen.
HOOFDSTUK III.
De dag begon aan te breken. Thans boorden aller blikken door de verdunde nevels van den nacht, om de vijanden te tellen, die zich voor de poorten der redding gelegerd hadden.—Rasinski had met Boleslaw eene kleine, met struiken omzoomde hoogte bestegen, vanwaar hij den loop des strooms en de kromming van diens oever tot in de verte kon overzien. Nog glinsterden de vlammen der russische wachtvuren door de morgennevels en het blauwachtig schemerende licht des daags. Echter was alles stil op de besneeuwde heuvelkruinen.
„Mij dunkt, men moest toch reeds beweging onder de lieden bespeuren,” sprak Rasinski; „of zouden zij zich achter den rand der hoogten verschanst hebben?”
„Voor zoover ik zien kan, zijn de vuren verlaten,” antwoordde Boleslaw; „althans de voorste. Daar achter den woudzoom zijn zij misschien nog bezet.”
„Zij zullen zich buiten het vuur onzer artillerie hebben begeven; echter verwondert het mij, dat ik nergens kanonnen in batterij zie.”
Zij reden nog ettelijke honderden schreden verder voorwaarts; intusschen verstrooide de wind de vochtige morgendampen en het werd allengs helderder.
„Bij den hemel!” riep Rasinski, die met stijgende verbazing in het rond zag; „de gindsche oevers zijn verlaten! Daarachter moet eenig opzet schuilen. Men wil ons misschien den overgang laten beginnen, om dan een des te vreeselijker bloedbad onder ons aan te richten.”
„Wellicht blijft ons ten minste tijd genoeg om de brug te slaan,” meende Boleslaw en wees naar den stroom, waar men thans de arbeiders in volle bezigheid ontdekken kon.
„Op de heuvels daar rechts zie ik ruiters; zij schijnen ook op verkenning uitgezonden. Laat ons derwaarts rijden; men moet van die hoogte de bochten van de rivier beter kunnen volgen.”
Zij reden naar het gezegde punt en vonden er den maarschalk Ney, Regnard en eenige andere officieren. Deze waren niet minder dan Rasinski verbaasd, den gevreesden oever van troepen ontbloot te vinden. Eensklaps riep Regnard: „Daar in de verte, naar Borisow, zie ik volk op marsch; het is eene sterke colonne. Rasinski, gij hebt een valkenoog, wat dunkt u, is het geen russische cavalerie?”
Rasinski hield de hand boven het oog, daar de zoo even opgaande zon reeds begon te verblinden, zag scherp voor zich uit en riep: „Het is artillerie en voetvolk; zij marcheeren naar Borisow.”
„Zou de vijand wellicht aftrekken!” riep maarschalk Ney op den toon van twijfel. „Het is onmogelijk!”
„En toch is er niet meer aan te twijfelen,” viel Rasinski hem in de rede.
„Dan straalt de ster des keizers nog immer helder en gunstig!” riep Ney met vlammenden blik; „dadelijk moet hij daarvan onderricht worden.”
Allen renden, wat de paarden vermochten, op de brug toe, waar de keizer bemoedigend en aansporend onder de arbeiders stond en op berichten wachtte.
De op verkenning uitgezonden officieren kwamen thans van alle zijden terug. Niemand had een spoor van den vijand ontdekt, meer dan een de aftrekkende troepen bemerkt.
„Zoo is het ons dan toch gelukt, Tschitschagoff te bedriegen!” riep de keizer. „Men moet een gevangene zien te krijgen, die ons zekerheid verschaft.”
Rasinski bood zich hiertoe aan. Hij reed dadelijk met Boleslaw den stroom opwaarts, nam eenige jagers mede en zwom met hen door de rivier. Toen zij de hoogten aan de overzijde bereikten, ontdekten zij alle sporen van een belangrijk korps, hetwelk hier gedurende den nacht moest gelegerd hebben. De vuren brandden nog meerendeels; men zag dat zij eerst sedert eenige uren heimelijk verlaten waren en dat hunne vlam den keizer had moeten misleiden. De sporen van den weg, dien het russische leger had genomen, waren op de sneeuw gemakkelijk te ontdekken; zij trokken zuidwaarts op Borisow aan, Rasinski volgde ze ras, maar met behoedzaamheid; door een klein kreupelbosch gereden zijnde, kreeg hij eenige verstrooide kozakken in het oog; geheel onverhoeds overviel hij ze; zij vluchtten, doch één struikelde met zijn paard, kon zich op de gladde sneeuw niet spoedig genoeg weder oprichten en viel zoo in de handen van Rasinski, die met dezen buit onverwijld terugkeerde.
Onderweg vroeg hij zijnen gevangene over alle omstandigheden uit en vernam, dat de generaal Tschaplitz met tien duizend man en dertig kanonnen de hoogten tegenover Studianka gedurende dezen nacht had bezet gehouden, maar op Tschitschagoffs bevel tegen den morgen over Borisow naar Beresino was opgebroken. Zijn hart klopte van vreugde, nu hij zijne vermoedens aldus hoorde bevestigen; want thans was de redding mogelijk, ingeval de overgang slechts in den loop van den dag beginnen kon. „Verheug u, Boleslaw,” riep hij dezen toe, „nog glanst onze zon. Heden heeft de godin des geluks getoond, dat zij den keizer nog niet wil verlaten. Dit zijn de onbezette bergpassen van Cilicië; de ster van den Macedoniër straalde niet luisterrijker, dan die van onzen Corsikaan.”—Ongeduldig dit bericht aan den keizer mede te deelen, gaf Rasinski zijn paard de sporen, stak den stroom over en meldde, wat hij gezien en gehoord had.
De keizer ontving deze tijding met merkbare tevredenheid, maar toch even kalm, even bedaard, als hij gisteren het bericht der dreigendste gevaren aanhoorde. Hij gaf dadelijk bevel, het bouwen van de brug met man en macht door te zetten. Met deze was men eindelijk zoover gekomen, dat twee bokken ingeheid en met balken verbonden waren; nu moest het werk rasser voortgaan, en de generaal Eblé beloofde, het tegen den middag te voleindigen.
Inmiddels begonnen de troepenmassa's van alle zijden op te dagen. Studianka zelf was met kanonnen, kruitwagens, transporttrein, de bagage des keizers, der maarschalken en der andere officieren opgevuld; evenzoo de wegen, die op het plaatsje aanliepen, en de hoogten, die het van rondom omgaven. Rasinski zag met een beklemd hart deze ongeregelde ophooping der massa's aan, welke slechts met den toestand van volslagen oplossing, waarin het leger zich bevond, kon verontschuldigd worden. Thans nog eene ordening, eene regeling te bewerken, scheen onmogelijk, te meer daar menschen en paarden, tot het uiterste afgemat, zich dit korte uitstel, zooveel de omstandigheden zulks toelieten, moesten ten nutte maken. Men zag de uitgeputte trekdieren zich op de sneeuw nederleggen en slecht haksel, verrot stroo of wat slechts naar voeder geleek, met woedenden honger verslinden. De geleiders hadden deels eene schuilplaats in de ellendige hutten gezocht, deels zich om vuren gelegerd. Wanneer deze verwarde klomp zich begon te ontbinden en in beweging te stellen, wanneer wagens braken, paarden neerstortten, de enge wegen versperd werden, haast en begeerte om zich te redden de bezinning roofden en, gelijk op dezen terugtocht reeds zoo dikwijls gebeurd was, elk aan zijn eigen oogenblikkelijk voordeel het voortdurend welzijn van het geheel opofferde—dan kon, hoe gelukkig de omstandigheden zich ook hadden geschikt de ellende hier haar toppunt bereiken en zich aan de oevers van den stroom nog een laatst, vreeselijk gedenkteeken oprichten. Deze bange vermoedens van Rasinski werden, helaas! maar al te ontzettend bewaarheid.
Toen hij zich weder naar de hoogte, waar zijn volk gelegerd was, wilde terugbegeven, hoorde hij in de verte, naar de zijde van Borisow, het doffe gekraak van een kanonschot. Eenige oogenblikken bleef het stil, daarna herhaalde het zich en werd door een regelmatig vuren gevolgd.
„Hoort gij, Boleslaw,” sprak hij tot dezen, „daar beneden gaat het er op los; wij willen hopen, dat het onweder ten minste heden nog niet los breekt.”
Boleslaw luisterde aandachtig toe en antwoordde: „Het is mogelijk, dat de wind mij bedriegt, maar ook daar opwaarts verbeeld ik mij kanonschoten te hooren. Luister, opnieuw! Hoort gij wel? In de richting van Niamanitza.”
Rasinski's voorhoofd fronste zich. „Zou het toch besloten zijn? Drie russische legers zijn op het punt van zich te vereenigen!—Slechts twee dagen uitstel!”
Het vuur werd intusschen levendiger; er moest hevig gevochten worden. Wanneer het den Russen gelukte, het korps van maarschalk Victor te slaan, dan zouden de massa's met geweld doordringen en de overblijfsels van het fransche leger waren vernietigd. Dit zag Rasinski onvermijdelijk voor zich en met deze nieuwe bezorgdheid keerde hij naar de zijnen terug.
Hier heerschte nog eene algemeene vreugde over den aftocht der legermassa's op den anderen oever; wel is waar was de verwijderde donder van het geschut niet onopgemerkt gebleven, doch men geloofde het gevaar niet zoo nabij.
Inderdaad werd het vuren gestadig flauwer en tegen den middag was alles stil. Te een uur kwam eindelijk het bericht, dat eene der bruggen, de voor het voetvolk bestemde, voltooid was en dat de brigade Legrand reeds met hare artillerie overtrok. Ook de andere zoude spoedig gereed zijn.
Reeds ontstond er een onrustig golven en dringen onder de saamgepakte menigte, wijl ieder den reddenden oever het eerst wenschte te bereiken; evenwel, nog was de keizer te Studianka, nog waren te veel geregelde troepen tegenwoordig en ook de zwermen wapenlooze, ongeordende vluchtelingen nog niet in die mate aangewassen, dat de stroom alle banden verbroken en alles met zich voortgesleept zoude hebben. Tegen den namiddag hoorde men opnieuw het donderen der kanonnen en wel nader en sterker dan vroeger. Het gevecht rukte ontwijfelbaar nader; het scheen mogelijk, dat de colonnes tegen het aanbreken der duisternis tot Studianka konden zijn teruggeworpen. Intusschen zag men de artillerie en hare troswagens, benevens eenige andere troepenkorpsen de Beresina in twee zwarte rijen overtrekken. Alles scheen met zooveel orde toe te gaan, dat men verwachten mocht, het grootste gedeelte der bagage, der gekwetsten en der wagens, voor welke de eene brug uitsluitend bestemd was, nog vóór middernacht aan genen oever te zien.
Rasinski gaf Bernard den raad, zich thans met Bianca's wagen bij den trein aan te sluiten, opdat deze niet door den stroom der verwarring zou worden medegesleept, wanneer misschien nieuw opdagende colonnes of wel de aanrukkende vijand grooter haast en ontsteltenis verwekken mochten. Met een beklemd hart scheidden Lodewijk en Bernard van den vaderlijken vriend; doch zij zagen in, dat hij met de zijnen wellicht een der laatsten zijn zou, ja, misschien hier nog in een gevecht kon gewikkeld worden. Daarenboven had hij toch over de andere brug moeten trekken, daar de bovenste bij uitsluiting voor de wagens was aangewezen. Zij zeiden hem dus een weemoedig vaarwel en verzelden den weder door Willhofen bestuurden wagen naar Studianka.—De schemering begon te vallen. De tros der voertuigen bewoog zich langzaam voorwaarts; den oever naderende scheen hij een ontzettende wagenbrug, waarbij aan inachtneming van rang en orde niet meer te denken was. Al naarmate men zich het best uit den saamgepakten klomp ontwarren en de brug bereiken kon, trok men over.
Bianca wierp angstige blikken op dit gewemel van paarden, menschen, wagens en sleden; een dof gedruisch van roepende en schreeuwende stemmen, dat van minuut tot minuut met de duisternis toenam, verhoogde den huiveringwekkenden indruk, dien deze onbeschrijfelijke verwarring maken moest.
„O, waart gij thans niet in mijne nabijheid,” fluisterde zij haren broeder en Lodewijk toe en drukte beider handen, „ik verloor mij zelve in dit afgrijselijke gewoel! Doch zoo is mijn hart zonder zorg en vrees.”
Lodewijk besefte wel, dat zij door deze schijnbare gerustheid slechts zijne en haars broeders bezorgdheid wilde verminderen, daar het harer schoone ziel eigen was, altijd eerst de vreemde smart, de vreemde zorg te gevoelen en te verzachten. Hij antwoordde dus ook voor haar troostend en opbeurend, en schertste, om haar te verstrooien, met het kind, dat, geen gevaar vermoedend, met roerende onschuld snapte en keuvelde. Bernard zag inmiddels opmerkzaam in het rond, om elk voordeel, dat zich aanbood, ras waar te nemen. Een onrustig gemompel aan zijne linkerzijde deed hem het oog derwaarts wenden. Eene menigte soldaten wees op de sneeuwheuvels afwaarts den vloed, en het gefluister, dat door de rijen liep, bewees, dat eenig voorval van aanbelang hunne opmerkzaamheid bezig hield. Aanvankelijk kon Bernard niet gissen, wat het zijn mocht, doch plotseling bespeurde hij een roodachtig schijnsel op de sneeuw, dat in omvang en helderheid scheen toe te nemen.
„Borisow staat in vlammen!” riep eene stem naast hem; het was Willhofen.
„Meent gij?” vroeg Bernard.
„Het kan geene andere plaats zijn; ik weet, dat het juist die streek uit ligt.”
De vlammen sloegen hooger op; allengs werden allen, die aan den oever verzameld waren, de verschijning gewaar en terwijl elk zijne opmerkzaamheid daarop richtte, werd het verdoovende gedruisch der stemmen eenige oogenblikken afgebroken. Inmiddels vernam men duidelijk het dreunen van geschut. Dus werd om Borisow, nauwelijks twee uren van Studianka, gevochten!
Nog dezen nacht kan ons de vijand overvallen.—Deze gedachte scheen in aller borst gelijktijdig post te vatten en plotseling eene razende aandrift en begeerte, om den anderen oever te bereiken, op te wekken. Van drie zijden tegelijk werden de wagens op den engen toegang der brug aangedreven; zij hortten tegen elkander aan, dat raderen en dissels te pletter stoven, sloegen om en versperden zoo de baan. Dit veroorzaakte een grimmig vloeken en verwenschen, dat gestadig toenam. Met woede wierpen de nakomenden zich op hen, die verongelukt waren en hun zoo den weg ter redding versperden. Meêdoogenloos sleurden zij de ongelukkigen, die zich nog op de neergestorte wagens hielden vastgeklemd, naar beneden en verbrijzelden de voertuigen in duizend stukken, om baan te maken. Doch nog eer hun dat volkomen gelukte, drongen reeds weder andere wagens na. De voorsten joegen dus in onzinnigen ijl over de verpletterde wielen en spaken op de brug toe, botsten eveneens tegen elkander aan, braken de assen, kantelden om en vernieuwden zoo zelven het schouwspel, hetwelk hunne onbesuisde drift had teweeggebracht. Paarden en menschen tuimelden over elkander heen; een huiveringwekkend geschreeuw en gekerm deed zich van alle zijden hooren.
De cavalerie mengde zich in het gedrang en zocht de orde te herstellen, door met sabelhouwen diegenen terug te drijven, welke zich van buiten in de rijen wilden indringen; maar nauwelijks was haar dit aan de eene zijde gelukt, of aan de andere had de verwarring ook reeds weder driewerf grooter onheil aangericht. Gekwetsten raakten onder de wagenwielen en hieven een hartverscheurend jammergeschrei aan, doch het werd overschreeuwd door het tieren, razen en vloeken, waarmede zij, die, het doel nabij, slechts nog een laatste inspanning behoefden, om behouden te zijn, hunne dieren aanzetten.
„Heilige God, wat moet daaruit worden!” riep Bianca verbleekend en vestigde, terwijl zij het angstig geworden kind bijna bewusteloos aan haren boezem drukte, angstige blikken op dit tafereel van ontzetting.
„Wees bedaard, mijn lieve,” zei Lodewijk geruststellend; „het is slechts de ontsteltenis van het eerste oogenblik; buiten twijfel komt alles spoedig weer tot rust, want elk kan immers zien dat hij op deze wijze slechts zijn eigen verderf bespoedigt.”
„O, laat ons liever naar Rasinski terug gaan,” bad zij smeekend; „deze afschuwelijke redding over de verbrijzelde borst van hulpelooze gewonden verlang ik niet. Liever wacht ik den dood van de vijandelijke kogels, dan dat ik dezen bloedigen weg betreden zou.”
„Terugkeeren is onmogelijk, Bianca,” antwoordde Lodewijk, een blik om zich heen werpende. „Zie, met welke massa's van wagens en menschen deze hellingen en alle afdalende wegen bedekt zijn; men kan zich eer een weg door eene rots graven, dan door dit gewoel dringen.”
Bernard, die met Lodewijk naast den wagen gestaan had, klom op de as van het achterwiel, teneinde een ruimer uitzicht te hebben. Een onafzienbaar zwart gewemel, dat zich, zoover men de oevers met het oog volgen kon, langs hunne krommingen naar de besneeuwde heuvelklingen uitstrekte, vertoonde zich aan zijn zwervenden blik. Door de toenemende schemering scheen het nog onzekerder en reusachtiger.
„Hm!” mompelde hij, „de Zwarte Zee midden in den Noordpool-oceaan; en de golven beginnen te spoken, wij krijgen storm.”
Aan den uitersten rand van den horizon, waar duisternis en afstand inéénsmolten, gloeide de donkerroode weerschijn van het brandende Borisow. Een nachtelijke storm begon zijne vleugels uit te spreiden en gierde ijskoud over de wijde vlakte.
Zelfs den onverzettelijken Bernard bekroop eene kille huivering, en een drukkend voorgevoel zeide hem, dat alle verschrikkingen, welke deze veldtocht reeds had opgeleverd, zich hier zouden opéénhoopen en de vroegere ellende als in het niet doen verzinken. Voor zich zelf alleen voelde hij kracht, om alles te trotseeren, maar als hij een blik op zijne zuster wierp, als hij hare jeugd, hare schoonheid beschouwde, zich de offers herinnerde, die hare reine liefde hem gebracht had, en dan het oog vestte op deze grondeloos diepe zee van verderf en verschrikking, die om hem heen hare zwarte golven verhief—dan moest hij het harnas van den ijzeren wil om zijne borst smeden, opdat zij onder het drukkend gewicht der zorgen niet breken zou.
Uit maagdelijken schroom neigde Bianca zich met haar vertrouwen nog altijd meer tot den broeder, dan den geliefde; ook hield zij hem wegens zijne rassche wijze van handelen voor stoutmoediger en omzichtiger in gevaren, dan den even vasten, maar meer zachtaardigen Lodewijk. Daarom vestigde zij ook thans hare angstig vragende blikken, die raad en troost schenen te verlangen, op Bernard. Ze drongen tot diep in zijne borst door; opzettelijk echter zweeg hij, want hij was te hevig ontroerd, om dit niet door zijn spreken te verraden, en zijn gewoon ruw masker, zijn stekelig pantser van dolle scherts wilde hij tegen de teedere zuster niet aanleggen, wijl hij wist, dat zij zich daaraan bezeeren zou.
Gelukkig bevond de wagen, waarop zij gezeten was, zich op eene plaats, die buiten het bereik der golven van het stroomende gedrang gelegen was en van waar men dus, schoon de terugweg versperd bleef, ten minste niet met geweld in de alles verslindende dwarling kon worden voortgedreven. Dit verstrekte Bianca wel is waar tot eigen behoud, doch daar hare medelijdende ziel haar gedurig in den toestand van anderen verplaatste, leed zij des te onuitsprekelijker bij den aanblik van den jammer, dien zij voor oogen had, zonder te kunnen redden of verzachten. Stom en zwijgend, als een offerlam, dat onder de opgeheven bijl siddert, zat zij daar en hield het oog onbewegelijk op het weenende kind op haren schoot geslagen; zelve bevende, troetelde en kuste zij het en zocht het gerust te stellen. Jeannette die naast haar zat, was bleek als een lijk en gaf geen geluid, maar koude tranen van den angst biggelden onophoudelijk langs hare wangen. Tegenover de beide vrouwen zaten twee zwaar gekwetste officieren, die echter door eene ijlende koorts, het gevolg van zware hoofdwonden, van de verschrikkingen, die zich om hen opeenhoopen, geen besef hadden. Onder den druk van angst en kwellende zorg kropen de minuten met tragen, slependen gang voorbij.
HOOFDSTUK IV.
Plotseling vernam men een dof, donderend gekraak, en dadelijk gierde een gillende angstkreet door de lucht. Aller oogen wendde zich naar de rivier, vanwaar het snijdend angstgegil zich hooren liet, en een ijskoud afgrijzen versteende borst en lippen, toen men de brug onder haren last en door den aandrang van vreeselijke ijsschollen bezweken en verschillende bogen vernield zag. Slechts van de omliggende hooge punten des oevers kon men dit bemerken. De tallooze menigte echter, die zich op de brug zelve en op den lager gelegen rivierzoom bevond, vermoedde niets van het ongeval, maar drong in rampzalige verblinding voorwaarts en dreef hen, die aan den rand des afgronds stonden, met geweld in het gapende graf. Te vergeefs klemden de ongelukkigen zich aan de balken der brug vast, te vergeefs riepen zij met hartdoorvlijmend gekerm het mededoogen hunner broeders in—er bestond geene keuze meer, met geweld werden zelfs zij, die gaarne zouden hebben willen redden en helpen, tot den gruwzamen moord hunner lotgezellen genoodzaakt, om het volgend oogenblik op dezelfde wijze in den zwarten muil van den verslindenden stroom te worden neergestort. De doodsangst baarde vertwijfeling en razernij. Zij, die zich verloren achtten, werden in bloedgierige tijgers herschapen, want met getrokken sabels en degens stormden zij op de saamgedrongen scharen hunner broeders in, om baan naar den oever te breken. Zoo ontstond een onmenschelijke kamp, een waanzinnig moorden, worgen en slachten onder bevriende kameraden; de achterwaarts golvende vloed des gedrangs worstelde met den voorwaarts stroomenden, en daaruit volgde een vreeselijk samenpersen naar het middenpunt. De schuwe paarden steigerden of zochten zijwaarts een uitweg en plompten dan met wagen en al in den schuimenden vloed neder. Angstkreten, weegeschrei, gebeden, vervloekingen, wapengekletter, gedruisch en verwarring aan alle zijden!
Slechts weinige oogenblikken duurden deze schriktooneelen, die door eene vreeselijke onwetendheid, eene rampzalige dwaling waren teweeggebracht; doch elke minuut kostte aan honderden het leven, die reeds den voet op den dorpel der redding gezet hadden. En in de borst van vele duizenden sloeg het akelig spooksel der ontzetting zijne ijskoude klauwen en een beklemmend voorgevoel zeide hun, welk lot de dreigende schrikgodinnen ook voor hen weefden.
Terwijl de brug weder hersteld werd, heerschte eene doodsche akelige stilte. Het reeds voorgevallen onheil had, meende men, de overigen bedachtzamer gemaakt; ook werd al wat mogelijk was in het werk gesteld, om eenige orde bij den overtocht voor te bereiden. Doch thans maakte de diepe duisternis elke leiding der onafzienbare menigte nog oneindig bezwaarlijker, en slechts het kleinste deel kon weten of vermoeden, wat er gebeurd was. Elk werd als geblinddoekt zijner bestemming te gemoet gevoerd, en eerst wanneer hij zich midden op den wentelenden stroom des verderfs, waar geen vluchten, geen terugkeeren meer mogelijk was, verplaatst zag, werd hem de blinddoek van voor de oogen weggerukt en hij stond rillend aan den rand des afgronds.
Het aantal dergenen, die tot offers bestemd waren, wies daarenboven van minuut tot minuut aan, daar nog gestadig eene menigte naloopers, gekwetsten en zieken van alle zijden kwamen opdagen. Eensklaps werd het dof, akelig gemompel, dat men aan de oevers van den verderfelijken stroom hoorde, weder door luide, ratelende kanonschoten afgebroken. De vlammen van Borisow wakkerden helderder op; van dien kant scheen de gloeiende lavastroom van den kamp langzaam te komen aanwentelen. Terwijl men angstig naar den rollenden donder van dit nieuwe onweder luisterde, opende de krater zich nog aan eene andere zijde en kondigde zijn uitbarsting door een verdoovend kraken en dreunen der vuurmonden aan.
Dit tweede gevecht had zich naar alle waarschijnlijkheid voor Studianka, misschien wel op de heuvels, waar Rasinski legerde, ontsponnen, zoo nabij hoorde men het gedruisch van den slag. Dit vermoeden werd versterkt, daar men van verschillende zijden renboden op den keizer zag toesnellen, die nog immer aan den oever vertoefde en bij de brug voor het voetvolk den overgang bestuurde. Andere boden werden ijlings teruggezonden, aan allen bespeurde men, dat er iets gewichtigs moest zijn voorgevallen.
Aan de herstelling der brug werd reeds met de grootste inspanning gearbeid; echter zond de keizer den eenen officier na den anderen af, om de voleindiging te verhaasten. Intusschen duurde het donderen van het geschut nog immer met kleine tusschenpoozen voort, zonder echter naderbij te komen. De donkere nacht maakte een slag onmogelijk; het wederzijdsche vuren scheen derhalve alleen ten doel te hebben, elkander bij voortduring te verontrusten.
Middernacht was voorbij. De overspannen krachten van lichaam en ziel zouden de meeste aan den oever verzamelde ongelukkigen weldra hebben doen insluimeren, hadden niet honger en koude en vooral een snijdende noordoostenwind, die zich gestadig heviger verhief en alles, wat hij met zijn adem aanblies, versteende, hen aangedreven een ander toevluchtsoord op te zoeken. Zij verscholen zich onder de wagens, kropen tusschen de paarden, om hunne bevriezende ledematen aan de dierlijke warmte te ontdooien, en pakten zich in dichte klompen opeen. Eensklaps verlichtte een helder flikkerende fakkel het donkere nachtstuk en een bloedige weerschijn blonk op den stroom en de besneeuwde heuvelkruinen. Toen men zich omwendde, stond het dorp Studianka in vlammen. De ongelukkigen van de oeverhoogten, die zich nog zoover hadden kunnen voortsleepen, waren daar eene schuilplaats gaan zoeken; doch de hutten waren bezet en de koude van den ruwen nacht nam met den storm toe. Hout was in de nabijheid niet te vinden, dus trokken de wanhopigen de ellendige huizen omver, joegen de daarin gevluchten naar buiten, en staken balken, delen en daksparren in brand, om zich aan den gloed te verwarmen.
De keizer was hevig vertoornd over dit voorval, dat den vijand het overgangspunt verraden en het verderf van allen na zich sleepen kon. Intusschen was het onheil gebeurd en daarenboven de drang der omstandigheden zoo groot, dat zelfs zijn machtige wil niets daartegen vermocht.
Den ganschen nacht door hield het defileeren der geregelde troepen over de onbeschadigde brug aan, doch deze werd thans ook voor de artillerie gebruikt, tot zoolang de tweede gereed zoude zijn. Na hare herstelling had men hoop gekoesterd, den overgang met meer regelmatigheid bewerkstelligd te zien, daar èn de menigte aan den oever aanmerkelijk verminderd was èn de bittere ervaring, welke men reeds gehad had, ter waarschuwing kon verstrekken. Maar een nieuw onheil doet zich voor. Onverhoeds komt eene menigte wagens met zwaar gewonden, door vrouwen en lichter gekwetste soldaten te voet geleid, bij het leger aan. Het zijn schrikgestalten, door honger, koude en smarten half ontzield. Men is verbaasd, vraagt van waar zij komen? Van Borisow, waar de vijand de brigade van den generaal Parthouneau dezen nacht voor het grootste gedeelte heeft gevangen genomen. Slechts een deel is het gelukt, zich te redden; het trekt voor de vervolgende Russen terug en wordt voorafgegaan door dezen hoop gekwetsten, verminkten en wapenlooze, uitgehongerde naloopers, die hier hun behoud zoeken. Nauw zijn deze eerste berichten ingewonnen, of men ontdekt reeds dichte, zwarte scharen, die de hoogten en oeverranden bedekken.
Bij het vale schijnsel der smeulende hutten van Studianka, bij het flauwe schemerlicht van sneeuw en sterren ontwaart men, dat het vele duizenden zijn, die in teugellooze verwarring naderen. Nauwelijks ontdekken zij gewapende kameraden, van welke zij zich bescherming beloven, of in wilde jacht, als zat hun de vijand reeds op de hielen, snellen zij toe en pakken in zwermen opeen. Bleek, met holle wangen, de razernij des knagenden hongers in het oog, van angst en koude klappertandend, naderen deze rampzaligen met dof gejammer, en smeeken met opgeheven handen om hulp en voedsel. Met medelijden bezield, wil men hen aanvankelijk niet terugwijzen, doch hunne massa's dringen zoo geweldig op, dat zij de geordende gelederen der soldaten doorbreken; en daar zij eindelijk de brug ontdekken, stormen zij in blinde drift op dezen reddingsweg toe en dreigen zoo de ramp van gisteren te hernieuwen. In dezen oogenblik gelast de keizer, die nadere berichten van het aanrukken der Russen bekomen had en wien men te gelijker tijd meldt, dat de brug voor de wagens weder hersteld is, den overtocht der garden op beide bruggen. Hij zelf werpt zich te paard, om aan hare spits de overzijde te bereiken en haar bij Brilowa met de reeds overgebrachte troepen in slagorde te stellen, wijl men, helaas! ook aan den oever de vijanden te duchten had. Dit bevel tot opbreken brengt alles in beweging. Ieder waant het gunstig oogenblik der redding thans ook voor zich gekomen, en zoo stormen en dringen allen gezamenlijk op de nauwe toegangen der brug in. Aan zulk een massa is geen wederstand te bieden; de gelederen der oude garden stuiven uiteen, vreemde voertuigen mengen zich onder den geschuttrein, alle orde is verbroken, alles aan de vreeselijkste verwarring ten prooi gegeven. Zelfs het gezag des keizers is ongenoegzaam om baan te maken. Trosknechten, gekwetsten, pakwagens, vrouwen en kinderen versperren den toegang tot de eerste brug en de golvende zwermen dringen zoo onophoudelijk voorwaarts, dat zonder geweld aan geen doorbreken meer te denken is. De ijzeren noodzakelijkheid dwingt tot het verschrikkelijkste besluit. Ruiterbenden moeten in den dichten warklomp indringen en dien met scherpe wapenen verbreken en verstrooien: met huivering volbrengen zij het bevel, dat hen dwingt, het bloed van hulpelooze lotgenooten te vergieten en de krimpende lichamen der gevallenen onder de hoeven hunner paarden te verbrijzelen. Een luid gehuil, dat zelfs den gierenden Noord overschreeuwt, verscheurt de lucht, en om den schrik ten top te drijven, doet het donderen van het vijandelijk geschut zich ook thans wederom opnieuw hooren. Het bewijst althans, dat de onmenschelijkste last niet dan door den dringendsten nooddwang is afgeperst geworden. De baan is nu geopend; eene afdeeling ruiterij rukt vooruit; hierop volgt de keizer, van zijne officieren omgeven, de garden sluiten zich achter hem aan; doch gestadig opnieuw, naarmate het geschut nader en luider achter hun rug aandreunt, stormen de vluchtende scharen op de troepen in. Slechts der vereende, geregelde strijdkracht gelukt het, ze af te houden, en slachtoffers bij honderdtallen laten in deze onnatuurlijken kamp het leven.
Toen de laatste colonnes de brug betraden, begon het te schemeren, en allengs werden de zwarte sluiers voor het tafereel weggeschoven en kon men zien, wat zij achter hun somber hulsel verborgen hielden. O, de nacht was weldadig geweest, toen hij deze schriktooneelen met zijne donkere vlerken bedekte! De meedoogenlooze dag onthulde de volle, afgrijselijke waarheid! Vertrapte lijken, verbrijzelde wagens en geschut, gevallen paarden, die zich in hunne laatste stuiptrekkingen over nog bloedende menschelijke lichamen heenwentelden, bedekten de steile boorden, die nabij de brug naar de rivierbedding afdaalden. Tusschen de tegen de oeverranden opgekruide ijsschotsen ontwaarde men half gezonken ongelukkigen, die dood en koude in hetzelfde oogenblik versteend hadden, dat zij de armen nog smeekend naar hemel en menschen uitstrekten, doch vruchteloos, wijl beide doof waren voor de kreten van den angst en der vertwijfeling. Wendde het oog zich met afgrijzen van de grijnzende schrikbeelden af, dan deinsde het nog schuwer terug, wanneer het zich op de levenden aan den oever vestte; want het ontwaarde slechts eene tallooze schaar bleeke spooksels, uit welker holle, verglaasde oogen de wanhoop staarde, die sidderend, krijtend, huilend of vloekend door elkander kropen en door eigen lijden verstompt, dat hunner lotgenooten niet meer gevoelden. Slechts een woest, onzinnig streven naar redding uit deze ellende bestuurde, als eene donkere, dierlijke aandrift, al hunne bewegingen en schreden. Velen echter konden daartoe zelfs geen klacht of wensch meer uiten, maar zaten roerloos als lijken op de met ijs omschorste aarde en staarden onwrikbaar op de plaats, die hun graf moest worden. Slechts het weeklagen der vertrapten, der verpletterden, van dezulken, die in den stroom nederstortten en door de ijsschotsen werden voortgesleept, slechts de vloeken en de godslasteringen der onmenschen, die zich over de lijken hunner broeders een pad baanden mengden in dit reusachtige beeld des doods de laatste krampachtige stuiptrekkingen des levens. Doch het treurtooneel zou een nog schrikwekkender voorkomen aannemen. De menschelijke maat van jammer en ellende scheen wel is waar geledigd, maar de machtige wraakgodinnen wisten het onheil uit opnieuw gevulde vaten in nog vreeselijker golven uit te gieten. Plotseling toch rolde en klaterde het, als de donder van het jongste gericht, boven de hoofden dezer verworpenen. Uit hunne doffe bedwelming wakker geschud, beurden zelfs zij, die alle hoop hadden opgegeven en in koude wezenloosheid hun einde naderden, het hoofd op, en zagen de heuvels in de nabijheid in zwarte rookwolken gehuld: de slag woedde boven hunne hoofden. Alsof een demon der blinde verschrikking zich plotseling in het midden der scharen wierp en ze in radelooze vlucht opjoeg, wentelden zij zich thans, geene mogelijkheid en waarschijnlijkheid der redding meer berekenende, in dichte, zwarte golven op de rivier en de brug toe. En als brak hij uit duizende geopende kolken te voorschijn, wies de vloed aan en zwol op door de stroomen van vluchtelingen, die, door het gevecht voortgestuwd, van de heuvels om Studianka en Borisow neerdruischten. Het oogenblik was daar, dat het ijzeren rad der vernietiging van de besneeuwde hoogten nederrolde, om al wat daar ademde te verpletteren.
Bianca, door angst en ontzetting uitgeput, wendde langzaam het hoofd naar de vlammende en rookende hoogten. „Denkt gij, mijn broeder,” vroeg zij Bernard op fluisterenden toon, alsof zij bevreesd was, het antwoord te vernemen, „denkt gij, dat de edele Rasinski daarboven mede in het gevecht is?”
„Het kan wel niet anders, lieve,” was het antwoord.
„Dan neemt mijn hart afscheid van hem,” sprak zij op een vasten, maar diep roerenden toon.
„Waarom?” vroeg Lodewijk getroffen.
„Ach, mijn beste,” hernam Bianca, „waarlijk, ik vertrouw geloovig op God; doch reeds onze redding uit dezen alles vernielenden maalstroom te hopen, schijnt mij vermetelheid toe, hoeveel te meer dan de zijne, uit dien moorddadigen slag. Ik heb de aarde vaarwel gezegd, die ik vereerde, die ik beminde—nu, wij zien elkander immers daarboven weder.”
„Wees bedaard, Bianca,” zei Bernard en vermande zich, om het zelf te schijnen; „gij hebt nog nooit gedobbeld, waar het één tegen één stond; ik heb nog zooveel hoop op winnen als vrees voor verliezen. En ons spel staat goed, want wij hebben hier ten minste een anker in de sneeuw geworpen, dat ons steun geeft tegen de bergstroomen, die daar ginds van de hoogte afrollen. Eens moesten zij toch verloopen, en dan krijgen wij ruimte.”
„Voorzeker,” voegde Lodewijk er met mannelijke vastheid bij; „en ik bid u, bedenk toch, Bianca, welke wonderen de hemel reeds voor ons gedaan heeft; zij staan mij borg voor de toekomst, zijn mij een vast steunsel, waarop ik gerust mijn vertrouwen stel.”
„Dat herinnerde de goede Gregoor mij ook,” antwoordde Bianca; „maar wie doorgrondt de raadsbesluiten des hemels?”
„Dan zou onze ondergang toch al heilrijk voor ons zijn,” hervatte Lodewijk met diepen ernst. „Dat zij uw troost!”
„Het is die ook, geliefde,” sprak zij kalmer en hief het oog ten hemel; „maar ook daarom juist neem ik afscheid van de aarde.”
„Ik niet,” sprak Bernard, „en gij moet het ook niet doen, mijne zuster; uit aardsche nooden en gevaren heeft het lot ons ook voor aardsch geluk gered. Lodewijk heeft gelijk, wij hebben een onderpand; de hemel is niet zoo kwistig met genade en wonderen....”
„O, spot niet,” viel Bianca hem verschrikt in de rede, daar hij weder in zijn ouden, ruwen toon verviel en de bekommernissen stoutmoedig afschudde als een leeuw, wien een muggenzwerm om het hoofd gonst; „spot hier niet, waar de Almachtige zijn vreeselijk gericht houdt.”
„Neen, neen, zuster,” antwoordde Bernard; „gij verstaat mij niet; Lodewijk weet wel hoe ik 't meen; hij kent mij langer.”
Deze drukte hem geroerd de hand. „En de Alwetende kent hem het best,” fluisterde hij Bianca toe, „en heeft nooit een trouwer, edeler hart in eene menschelijke borst gezien.”
„Dat is nog zoo zeker niet,” mompelde Bernard; „maar laat ons door beuzelpraat den tijd niet verzuimen.—Willhofen! hebt gij nog eenig voeder voor de paarden? Zij konden ons anders in het oogenblik van nood in den steek laten.”
„Vóór het licht werd heb ik ze in stilte afgevoerd,” was het heimelijk antwoord; „men mag hier niet te veel vertoonen; voor éénmaal is nog voorraad.—Maar zie eens daar achter ons! Dat komt mij voor, alsof het ons gelden moet.”
Hij had nauwelijks gesproken, of het eerste kanon schoot zijn bliksem uit en na weinige seconden kaatsten de omliggende heuvels den doffen knal daverend terug. In hetzelfde oogenblik sloeg een kogel met verpletterend geweld in den dichtsten hoop voor de brug neder, zoodat deze naar alle zijden uiteen stoof. Men had den tijd niet, zich te bezinnen en den omvang van dit nieuwe gevaar te beseffen, want dadelijk daarop volgde een tweede schot en toen een volle laag, die vreeselijke openingen in deze opeengepakte menschenmassa's boorde.
In de eerste seconden hielden schrik en ontzetting de ongelukkigen aan den grond geketend, en zelfs de spraak verliet hen. Daardoor ontstond er eene doodsche stilte, die het dreunen der batterij nog te schrikwekkender deed voorkomen. Spoedig echter gaf zich de angst in huilend weeklagen lucht, en de een wierp zich in blinde, dolzinnige drift op den ander, onverschillig waarheen, zoo men slechts uit dezen vuurspuwenden krater ontkwam. Ruiters wierpen zich in den stroom en zochten dien niettegenstaande het drijfijs over te zwemmen; de meesten werden op korten afstand van den oever door de bruisende golven medegesleept. Anderen sneden de strengen der voor vreemde wagens gespannen paarden door, wierpen zich op den rug der vermoeide dieren en wilden zich insgelijks door zwemmen redden, zonder zich om de ongelukkigen te bekreunen, die nu hulpeloos moesten achterblijven. De straf volgde deze daad op den voet. De massa's wentelden zoo geweldig naar de boorden des strooms voort, dat zij thans niet enkel op de brug, maar ook regelrecht op de rivierbedding aandrongen. Te vergeefs verzetten de voorsten zich tegen het drukkende overwicht; gelijk gisteren honderden van de bezwijkende brug nederstortten, werden heden duizenden in den vrijen stroom gedrongen. Moeders met hare zuigelingen op den arm zag men tusschen de drijvende ijsschollen, en vruchteloos riep haar jammergeschrei om den man en beschermer, van wiens zijde zij eerst zoo even waren weggerukt, doch dien misschien de vloed reeds verslonden had, zoo hij niet onder de voeten der aandringenden vertrapt werd. Het water zwol haar tot aan den gordel, tot aan de borst; nog altijd hielden zij hare kinderen boven: eindelijk bereikte het den hals, het hoofd, zij werden voortgesleurd, zonken, maar onder het zinken hielden de verkleumde handen het dierbaarste leven nog boven den zwarten afgrond der golven omhoog geheven, tot de stroom alles verslond en begroef.
HOOFDSTUK V.
Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig; geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen. Jeannette was doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.
Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.
„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben. Willhofen sprong toe om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich, hem bij te staan. Doch reeds had Jeannette zich met loshangende haren van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.
„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid, en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich omwendde, stond Regnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar. „O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te verwonderen.
Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”
„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren van Troje, doch dra zal alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”
„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg Bernard driftig.
„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernam Regnard. „Maar het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”
„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.
„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar. Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak vol bonbons geven!”
Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer genieten zou.
Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca gaf de kleine, die Regnard met zijn éénen arm niet houden kon, aan Jeannette over: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”
„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken; „dat komt wijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang, gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”
„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”
„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen des doods blijft.”
Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd, eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel, waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar opmerkzaam.
„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard; „rustig meent gij? Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de rampzalige!”
„Het is de weduwe van den overste Lavagnac,” sprak Regnard; „haar man viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft, is haar dochtertje.”
Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd. Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw, kind en paard ter aarde.
Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen spoor meer van haar ontdekken.
„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te hulp, ziet of zij te redden is!”
De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen. Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen. Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw kon zien liggen.
Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij wellicht vertrapt geworden. Lodewijk en Regnard wilden beproeven, over het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in krampachtigen doodsangst, heft het woest, verwilderd, brekend oog ten hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op haar kind neder.
Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen. Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”
Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waar Jeannette met het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween immers ook en ik ben toch een man.”
Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den grond.
Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der redding trachtten te ontsluiten.
De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare vrienden neder, zoodat Willhofen moeite had, de paarden in toom te houden. Regnard liefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en hooger opzwellen.
Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond, deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder, bukt u!” riep Regnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon ontdekken. „Lodewijk!” riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem. Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.
„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige God, ook dat nog!” Zijn oog viel op Willhofen, die vreeselijk verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die het toedrukte. Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend? Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen; hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog brak.
„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij, getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!” Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en granaten in het gedrang om hen heen.
„Laat ons opeensluiten,” riep Regnard; „anders zijn wij voor eeuwig gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!” riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij doodelijk getroffen?”
Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem neder.
„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”
Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij. Regnard lachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder... niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de keizer!”
Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet meer.
„Er is een maaier, die heet de Dood,”
neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied; maar de tonen bestierven hem op de lippen.
„Van God hij kracht ontving zeer groot!”
ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”
Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven, want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven der vluchtelingen kwam nader.
„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”
Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radelooze Jeannette met zich voort. Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over deze zijne redding zocht.
„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede het verderf daar ginds moordt en worgt.”
Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet in staat de stukken te houden. Zoo bleef er geene keus meer; de weg liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.
Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.
Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden. De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop, die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil deed nedertuimelen.
HOOFDSTUK VI.
In dichte scharen stroomden de soldaten, die in den laatsten slag gevochten hadden, van de heuvels af. Daar zij de brug en den geheelen oever zoo dicht met vluchtelingen bezaaid zagen, dat het onmogelijk was, zich hier een doortocht te banen, namen zij hun loop verder stroomopwaarts, teneinde met zwemmen of over eene doorwaadbare ondiepte de overzijde te bereiken. Deze stortvloed bedreigde ook de schuilplaats, die Bernard had opgespoord. Lodewijk bemerkte dit het eerst en ried aan, voor de anderen dieper landwaarts in te vluchten. Zulks geschiedde met driftigen tred en zoo snel de uitgeputte krachten der vrouwen het toelieten. Maar ook nu was de natuur vijandig gezind, want de storm loeide hen tegen, en joeg hun de opeengehoopte sneeuw vlak in het aangezicht. Velen, die aan de redding over de brug wanhoopten, volgden hen na en zoo pakte zich ook hier eene dichte, golvende zwerm opeen. De uit het gevecht terugkeerende ruiters, soldaten, wagens en veldstukken stormden in teugellooze verwarring van de hoogte naar beneden. Weldra smolten de beide stroomen inéén en thans werden al de verschrikkingen van het vreeselijk gedrang vernieuwd. „Volgt mij,” schreeuwde Bernard zijnen verbijsterden lotgenooten toe; „altijd naar boven, nog hooger op moeten wij doorworstelen; waar niemand zich redden wil, zullen wij ons behoud zoeken.”
Zij moesten dus den stroom van vluchtelingen doorsnijden en zulks kostte hun eene geweldige inspanning; hijgend, ademloos, op het punt van te bezwijken, zagen zij zich echter toch eindelijk aan de grenzen van het gewoel verplaatst. IJlings spoedden zij over eene gladde heuvelhelling voort, doch ook hier loerde het verderf op hun ondergang. Twee kanonnen komen van de hoogte af, geraken op de met ijs bedekte helling, de paarden struikelen, dreigen te vallen. Niets kan meer redden dan een blind doorhollen. Door zweepslagen en wild getier voortgejaagd, komen de paarden in vollen loop aanrennen en stormen regelrecht op Bernard toe. Deze, Jeannette om den middel grijpende, wil op zijde springen; doch het is te laat. Het voorste span heeft hem bereikt, doet hem met het meisje ter aarde tuimelen, en kletterend rollen de ijzeren raderen over hen heen.
Met een luiden kreet valt Bianca op de knieën, heft de armen smeekend omhoog en roept: „Ook over mij, onmenschen, verplettert ook mij!” In hare zinsverbijstering wil zij zich voor de paarden nederwerpen, doch Lodewijk omvat haar en slingert haar terug. Bedwelmd zinkt zij met hem ter aarde; het gespan klettert voorbij, het bewustzijn begeeft haar, zij ligt in doodelijke onmacht.
Eindelijk dringt eene welbekende stem tot haar door. „Zuster, lieve zuster, ontwaak!” Zij slaat het oog op, Bernard knielt ongekwetst voor haar neder en strekt zijne armen naar haar uit. „O God, ik dank U!” snikte zij en hield den broeder in teedere omhelzing vastgeklemd.
„Dus heeft het geen offer gekost?” vraagt zij nog eenmaal, en wil des broeders lippen met zoete kussen verzegelen.
„Eén heeft toch moeten bloeden,” is het sombere antwoord, „schoon de hemel het verderf van mij heeft afgewend, Jeannette vond den dood; de trouw uwer vriendin zal als die van onzen Willhofen eerst daar boven haar loon vinden.”
„Jeannette dood!” riep Bianca met bevende stem. „O,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met onderdrukte aandoening, „wanneer hier alles vernietigd wordt, mogen wij het dan een geluk noemen, alleen te ontkomen?—Maar waar is zij?”
„Ach, verlang haar niet te zien,” smeekte Bernard en wilde Bianca beletten, zich om te keeren, want het lijk lag achter haar; „haar dood was te afgrijselijk.”
Doch die bede kwam te laat. Bianca, de bloedsporen met de oogen volgende, had het lijk reeds bespeurd en gaf een luiden gil bij den vreeselijken aanblik. Het rad was over voorhoofd en borst gegaan en had het frissche, bloeiende gelaat akelig gekwetst en opgereten. Nog borrelde het bloed in donkere stroomen uit de gapende wonden op en kleurde de blonde lokken, die loshangend en verward van het hoofd der ontzielde afgolfden en over de witte sneeuw lagen uitgespreid.
„Ach, ik moet haar toch nog zien,” smeekte Bianca; „ik moet afscheid van haar nemen, al is zij ook nog zoo vreeselijk misvormd. Zoo weekelijk is mijn hart niet, dat ik dit gevoel door den plicht der liefde niet zou kunnen overwinnen. Zij heeft haar jeugdig leven immers voor mij opgeofferd! O, breng mij bij haar!”
Bernard en Lodewijk namen haar in den arm en geleidden haar naar de doode. Lodewijk droeg ook het kind, dat tot nu toe, als door engelen beschermd, in alle gevaren was bewaard gebleven.
De stroom der menigte in den omtrek was voorbijgevloeid, doch beneden in de diepte en verder terug bruischte en raasde hij nog; slechts uit de verte deed zich een verward geruisch van stemmen hooren. Zelfs de kogels konden deze plaats niet meer bereiken, schoon de donder van het geschut nog altijd den grond deed dreunen. Zij waren hier dus met hunne droefheid en hun zielsangst geheel alleen en toch, in weerwil van alle ellende, kinderlijk dankbaar, dat het losgelaten verderf ten minste de heiligste banden der liefde verschoond had. Sprakeloos stond Bianca, op de schouders van broeder en vriend geleund, voor de nu zalige en gaf aan hare tranen den vrijen loop.
„O, zoo gij haar het hoofd wildet omkeeren, Bernard,” snikte zij, „wellicht kon ik dan nog eens hare vriendelijke trekken zien.” Bernard deed het; tegelijk verborg hij de bloedende, gewonde plaatsen onder het gewaad en bedekte het voorhoofd met een gedeelte der lokken, die nog niet met bloed besmet waren. Bianca had gelijk gehad; alleen de linkerzijde van het hoofd was zoo afzichtelijk verminkt, de rechter wel eenigszins krampachtig saamgetrokken, maar toch nog ongekwetst genoeg, om aan het beeld der levende te herinneren.
Met aandoening boog Bianca zich over de doode neder. „Hoe zacht en roerend is haar voorkomen,” sprak zij; „zoo vriendelijk, welwillend en teeder was ook haar hart.”
„En dat goede kind moest zulk een wreeden dood vinden!” voegde Lodewijk er bij en drukte Bianca met diepe ontroering de hand.
„Ja,” merkte Bernard aan, „een zacht bed moet men hier niet zoeken; wie den dood hier gezien heeft, zal hem niet met de ouden als een genius met omgekeerden fakkel afbeelden. Zelfs onze beenderman is nog te vriendelijk; hij is een ijzeren cycloop, die onder zijne voeten en met zijne knods alles vergruist en vermorzelt.—Doch schoon de plichten van liefde heilig zijn, wij mogen en moeten ons hier niet langer ophouden. Ziet, daarboven vertoonen zich reeds weder nieuwe massa's, Russen of Franschen onverschillig, hier is alles vijand, want de menigte vernielt zich onderling. Haasten wij ons, om gindsche oeverbocht te bereiken; misschien vinden wij verder op nog een dorp of eene hut, waar wij kunnen schuilen.”
Hij wilde de zuster voorttrekken, doch deze smeekte: „Laat mij nog slechts ééne lok van haar hoofd medenemen, Bernard!”
„Gaarne,” antwoordde hij, en reikte haar uit zijne brieventasch eene kleine schaar, benevens een blad papier, om het haar daarin te wikkelen; „doch haast u, Bianca.”
Zij knielde op de sneeuw neder, sneed eene golvende lok uit het rijke, blonde haar, rolde ze op en verborg ze zorgvuldig in haren boezem. Vervolgens drukte zij een smartelijken kus op de bleeke wangen van het meisje, bevochtigde die nog eenmaal met hare tranen en fluisterde haar een teeder: „Slaap zacht!” toe.
Met verdubbelde snelheid zetten zij thans hunne vlucht voort. Eene aanmerkelijke kromming van den rivieroever bracht hen geheel buiten het gezicht der brug, en zij hoorden niets meer, dan het doffe gekraak der vijandelijke vuurmonden; overigens omgaf hen een bar, noorsch winterlandschap. Ter linkerzijde van hun pad kruide de Beresina hare dikke ijsschollen opeen, rechts werd het door de hoogten begrensd, van welke de storm de sneeuwvlokken dwarlend opjoeg. Deze blies koud tegen hen in, zoodat gezicht en handen verkleumden, en gierde met hevige rukken door de lucht. En toch was deze ruwe, akelige wildernis een vriendelijk toevluchtsoord, vergeleken bij het tooneel van moord en verwoesting, dat zij ontvloden.
Evenwel moest zich spoedig eene schuilplaats vertoonen, want Bianca was doodelijk afgemat en op het punt van machteloos neerzinken. Bernard zocht haar daarmede moed in te spreken, dat Weselowa niet ver meer kon verwijderd zijn. Wanneer zij daar ook slechts Russen vonden, was hunne redding toch verzekerd, daar Bianca zich naar Bernards aanwijzing voor eene, voor de Franschen gevluchte Russin en hem en Lodewijk voor hare uitlandsche huisbedienden zoude uitgeven. Vonden zij Franschen, dan was het de taak der mannen, voor hulp en redding te zorgen.
Verder dan een uur hadden zij thans hunne schreden voortgezet en nog liet Weselowa zich niet ontdekken. Eensklaps maakte Lodewijk zijn vriend op eenige ruiters opmerkzaam, die zich rechts van hun pad op de steile hoogte bevonden. Bernard, wiens scherp oog verder reikte, riep dadelijk: „Dat zijn kozakken, ik zie het aan de pieken; zoo de gierige roofvogels ons hier overvallen, is uitplundering het minste, dat wij te wachten hebben. Vriend of vijand, den kozak is alles buit. Wij willen ons zoo dicht mogelijk aan den oever houden”.—Dit geschiedde, doch te vergeefs, want reeds hadden de ruiters hen in het oog gekregen en schenen voornemens, jacht op hen te maken. Andermaal nam de rivier eene bocht, die hen gelukkig den vervolgers uit het gezicht bracht; tegelijk zagen zij de besneeuwde daken van Weselowa in de verte voor zich en hadden zij dus de veilige haven in het gezicht.
Maar Bianca's krachten waren door de geweldige inspanning dezer laatste minuten geheel bezweken; hare knieën knikten, zij zeeg op den grond neder en riep: „Ik kan niet meer! O, vlucht gij, redt u en laat mij het kind; de barbaren zullen met mij medelijden hebben.”
„Wij dragen u,” riep Bernard; „tot aan gindsche hut kunnen wij het nog uithouden.”
Reeds hadden hij en Lodewijk haar opgeheven, doch zij beproefden het onmogelijke. Na weinige schreden moesten zij het opgeven, daar zij zelven zich met moeite staande hielden.
„Vlucht, ik smeek het u! Broeder, geliefde, vlucht, dat is de eenige redding voor u en mij; zóó storten wij ons gezamenlijk in het verderf.”
„Bianca,” sprak Lodewijk vriendelijk, ofschoon eenigszins gekrenkt: „kunt gij dat werkelijk van ons verwachten? Neen, uw hart weet niet, wat uwe lippen vorderen!”
„Waarom luistert gij er dan naar, Lodewijk,” vroeg Bernard met een weemoedig glimlachje. „Maar wij kunnen hier verder niets doen en willen ons op de sneeuw nederzetten en er ons lot met bedaardheid afwachten. Wij scheppen inmiddels toch weder adem.”
Bianca besefte, dat haar smeeken niets zoude baten. Zwijgend zette zij zich dus op den kouden grond neder en nam het kind op den schoot. Bernard en Lodewijk plaatsten zich nevens haar, sloegen elk den arm om het schoone edele wezen en zagen zoo in eene liefelijke omhelzing hun gemeenschappelijk lot te gemoet.
Thans hoorden zij het getrappel van paarden achter de spits des sneeuwheuvels, om welken de rivier heen kromde; nog eene minuut, en hun lot was beslist. Zij zagen niet op, maar hielden elkander slechts te inniger omsloten en verwachtten als met gebukten hoofde den slag van het doodszwaard, dat hen dreigde.
De ruiters kwamen nader, hielden voor hen stil, en eene stem vroeg in het russisch: „Zeg, is dat daar ginds Weselowa?” Bianca hief het hoofd langzaam op, maar juichte, het gelaat van den vrager herkennende, op een onbeschrijfelijken toon: „Almachtige God, Rasinski!”
Met onstuimige vreugde sprongen Lodewijk en Bernard bij deze woorden op en tegelijk wierp Rasinski zich van het paard en in hunne armen. Ook Boleslaw en Jaromir die zich onder de achterste ruiters bevonden, vlogen toe en aan de borst der vrienden. „Gij leeft, gij leeft! en hier moeten wij elkander vinden!” klonk het uit aller mond; het hart was niet in staat het overstelpende geluk te bevatten, en tranen der vreugde bevochtigden zelfs Rasinski's wangen.
Bianca hing aan zijn hals als eene dochter aan de borst haars vaders. De geweldige stroom der omstandigheden had de nietige grenzen en beperkingen, binnen welke de mensch zich in gewone tijden kleingeestig vastnestelt, geheel omvergerukt. Tusschen edele zielen bestonden geen palen van armzalige gewoonte en stijve vormelijkheid meer, welke de argwaan om zich afbakent en die uit de verdorven kiemen van het hart opwassen. Het verheven geluk of ongeluk verbant al wat bedriegelijk en valsch is uit de menschelijke borst; slechts het gelouterde hart blijft over, en het edele slaat voor het edele.
De onstuimige, half bedwelmende minuut van zaligheid was voorbij, en werd gevolgd door eene liefelijke rust, gelijk de stroom zich na een woelig bruisenden waterval rustig voortstuwt en de gansche diepte van den aether in zich afspiegelt.
Ook aan diep smartelijke inmengsels ontbrak het niet; Willhofens, Regnards, Jeannette's lot werd verhaald. Rasinski vernam het met innige ontroering, wendde zich om, wees op de weinigen, die hem volgden, en sprak met eene bevende stem: „Ziedaar allen, die ik van mijne getrouwen uit de slachting heb overgehouden! Wij zijn tot hier verjaagd!”
Eene ernstige stilte heerschte in den kleinen kring; elk gaf zich aan zijne sombere mijmeringen over en bepeinsde, welke offers gedurende deze korte scheiding gevallen waren. Ten laatste brak Rasinski het zwijgen af. „Om niet nog anderen van onze weinige vrienden te verliezen, willen wij opbreken; ginds ligt Weselowa, daar hoop ik over de rivier te komen. Aan gene zijde zijn wij, vertrouw ik, in veiligheid.”
Hij hief de uitgeputte Bianca met het kind op zijn eigen paard en voerde het bij den teugel. Boleslaw en Jaromir boden Lodewijk en Bernard hunne rossen aan, doch dezen, zich nog sterk genoeg voelende om te voet te gaan, wezen dit aanbod van de hand.
Zoo brak men op. Na verloop van een uur had men het plaatsje bereikt; een litthauwsche boer wees een punt aan, waar de stroombedding niet meer dan eene manshoogte diep was; niettegenstaande het drijfijs, begaf men zich moedig te water. Ditmaal zou hen geen nieuwe ramp treffen: zij bereikten gelukkig den anderen oever, en aller oog en hart verhief zich met een vurig dankgebed ten hemel.