← Table of contents
1812

TWEEDE BOEK.

Reading edition

Illustration from 1812: Historische roman

HOOFDSTUK I.

„Nu is alles gereed, lieve moeder,” sprak Maria, met van vreugde glinsterende oogen en een tevreden lachje op het zachte gelaat in de kamer tredende en een sleutel op de tafel leggende, waaraan de moeder zich met eenig naaiwerk bezighield. „Nu mag hij elke minuut komen: hij vindt ons voorbereid.”

„Gij hebt toch ook de boeken in de kast in orde geschikt?” vroeg de moeder.

„Ik heb niet het minste vergeten,” antwoordde het meisje, „en als hij nog de oude broeder is, als zijne neigingen niet geheel veranderd zijn, zal hem de nieuwe kamer gewis bevallen. Wat heeft zich alles toch voorspoedig geschikt en hoe gelukkig, dat wij dadelijk eene woning vonden, die voor ons allen ruim genoeg en zoo geheel naar onzen smaak is! Maar nu kan ik het uur van zijne aankomst ook nauwelijks meer afwachten, zoo verlangend ben ik, den trouwen, goeden broeder weer aan het hart te drukken!—Doch gij, lieve moeder, zijt niet vroolijk genoeg. Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer.”

Met deze woorden boog zich Maria vol deelneming over de moeder heen en sloeg den arm vleiend om haren hals. Deze zag de dochter geroerd in het schoone, door de zoetste hoop verhelderde gelaat en sloot haar met teederheid aan de kloppende borst. „Geene, lieve Maria, geene, dan die het moederhart immer gevoelt. Wij hebben Lodewijk nu in twee jaren niet gezien; hij heeft de wereld doorgezworven en ze van hare glansrijkste zijde leeren kennen. Zal zijn toenmaals reeds zoo trotsch, vurig hart in onzen huiselijken kring voldoening vinden? Zal hij met tevredenheid op de levensbaan blikken, die vóór hem ligt?—Wanneer gij mij ook al niet onvermengd vroolijk ziet als gij zelve u gevoelt, schrijf het niet aan mindere, maar wel aan sterkere en daardoor meer bezorgde liefde voor hem toe. Daar uw jong onervaren hart geene andere dan de kleine huiselijke wereld kent, waarin wij ons met eenige vertrouwde vrienden bewegen, daar al uwe wenschen in den beperkten kring, die ons omgeeft, bevrediging vinden en dien nimmer overschrijden, gelooft gij daarom, dat Lodewijk zich hier even gelukkig zal gevoelen?—Het zal hem misschien met alle betrekkingen des levens even zoo gaan als met zijne kamer; omdat de vensters het uitzicht op de Elbe hebben en het slaapvertrekje in den tuin uitkomt, noemt gij ze heerlijk gelegen. Vergeet echter niet, dat hij te Heidelberg den Neckar onder zijne vensters voorbijstroomen en het tegen hem over gelegene trotsche slot zich in de golven spiegelen zag, herinner u dat hij uit Italië, uit Zwitserland terugkeert. Evenals onze landstreek hem wellicht te eentonig, de ligging onzer woning hem te bekrompen zal voorkomen, kan hij ook in onze burgerlijke, huiselijke, geheel vrouwelijke levenswijze geene bevrediging voor zijne wenschen meer vinden. En wat dan nog, wanneer een blik op zijne toekomstige loopbaan hem overtuigt, dat hij zich steeds binnen die enge grenzen zal moeten beperkt zien? Meent gij, dat hij dan gelukkig zal zijn?”

„O voorzeker, lieve moeder,” hernam Maria, „hij had immers altijd een zoo licht bevredigd, welwillend hart, zooveel gehechtheid aan de stille genoegens van onzen kleinen kring, dat hij zich ook verder onder ons volkomen gelukkig en te huis zal gevoelen. Ik ben zeker, dat het eerste gezicht zijner kamer hem geheel den ouden maakt. O, wanneer hij nu slechts dadelijk terugkwam en zag, hoe de breede prachtige Elbe tusschen de rozenstruiken voor het venster heenschemert, hoe de avondzon achter de blauwe bergen van den anderen oever wegzinkt en hare laatste stralen door de wijnranken in de kamer werpt! En dan de nieuwe kast, waarin ik al zijne boeken geplaatst heb, zooals zij altijd stonden, en vaders afbeeldsel boven de sofa en daar tegenover de lieve kleine piano met de oude, welbekende muziekboeken, waaruit wij zoo dikwijls samen gezongen hebben—o gewis, goede moeder, wanneer hij dat alles weerziet, zal hij op eens weder geheel te huis bij ons zijn!”

„Gij, lieve dweepster,” sprak de moeder met een glimlach, „daar gij, meisje, bij het zien van het sierlijke, zoo zorgvuldig door u ingerichte vertrek eene kinderlijke vreugde gevoelt, meent gij, dat het ook de wenschen des vurigen jongelings geheel moet bevredigen. Hoe weinig kent gij de mannen en de wereld, Maria!”

„Maar ik ken toch mijn broeder, ik ken Lodewijk,” hervatte zij levendig en een traan van zusterlijke liefde welde in haar blauw oog op; „ik geloof niet, dat hij zich gelukkig zal gevoelen, omdat hij zijne kamer in orde en bewoonbaar vindt, maar wijl hij dadelijk bespeuren zal, dat hem hier de oude liefde, en de oude hartelijkheid der moeder en zuster wacht!”

Een posthoorn liet zich hooren. „Hij is het!” riep Maria en snelde naar het venster. Ook de moeder richtte zich met ontroering op, doch eensklaps bezon zij zich en zeide:

„Waar denkt gij aan, Maria! Gelooft gij dan, dat hij als een voornaam heer met extra-postpaarden hier zal aankomen? Bedenk toch, dat hij slechts als student gereisd heeft. Misschien,” voegde zij er lachend bij, „komt hij wel, omdat zijne beurs uitgeput is, zeer deemoedig te voet zijne vaderstad binnenwandelen.”

Maria, die intusschen hare overijling had ingezien, wendde zich weder tot de moeder met de woorden: „ik stel mij zijne komst op elke wijze als mogelijk voor. Wanneer er bedaard en zachtjes aan de deur geklopt werd, zou ik denken, dat hij het was, die ons door zijne heimelijke komst dubbel verrassen wilde. Rijdt er eene fraaie koets voorbij, waarom zou hij daarin niet kunnen zitten en in gezelschap van een rijken vriend of reisgenoot zijn aangekomen? Verbeeld ik mij de huisdeur of een mannelijken tred te hooren, dadelijk denk ik aan Lodewijk en verwacht immer, hem de kamer te zien binnentreden.—Groote hemel, daar is hij zelf!” riep zij, daar de deur inderdaad geopend werd, en met den uitroep: „Broeder, beste broeder!” vloog zij den binnentredende te gemoet en klemde zich in warme omhelzing aan zijn hals vast. Zij kuste, snikte, lachte, weende in een adem en liet zich half onmachtig naar de moeder dragen, die zich sidderende van de sofa poogde op te richten, maar door den hevigen schok der vreugde overweldigd, weder terugzonk, tot Lodewijk hare beide handen aangreep, ze met heete vreugdetranen besproeide en diep getroffen zijn gelaat aan de moederlijke borst verborg.

Deze legde beide handen zegenend op zijn hoofd, hief het oog ten hemel en dankte in sprakelooze verrukking den Almachtige voor het wederzien van den eenigen, boven alles beminden zoon. Maria had intusschen de hand des broeders niet losgelaten; zij hield die met zachten druk in hare rechterhand vastgeklemd, terwijl zij den linkerarm om de moeder sloeg en hare gloeiende wang aan haar schouder drukte, als wilde zij zich toch een klein deel van den stroom der moederlijke liefde toeëigenen, die zich in dit oogenblik geheel over den broeder uitstortte. Het was echter slechts om hem, toen hij het hoofd eindelijk weder ophief, dadelijk opnieuw te kunnen kussen, streelen en door duizend zusterlijke liefkozingen hare vreugde te kennen te geven.

Nadat de eerste oogenblikken, die in vreugde zoowel als in smart iets verdoovends en overstelpends hebben, voorbij waren, gevoelden zich de drie nauwverbonden harten in dien onbeschrijfelijk zaligen toestand verplaatst, waarin men kalm genoeg is om zijn geluk geheel te bevatten, en toch nog de geheele frischheid van den eersten indruk geniet. Dan eerst verheugt men zich recht in het bezit en geniet de gaven, waarmede de weldadige Godheid ons plotseling in ruime mate overstelpt heeft.

Nu namen ook die vroolijke ontboezemingen van innige hartelijkheid een aanvang, dat vragen naar duizend lieve kleinigheden, dat te binnen roepen van ontelbare herinneringen, die zoete, eerste uitstorting der volle harten, dat mededeelen van de nieuwste, zachtste indrukken der ziel, door wier onderlinge uitwisseling men als het ware eerst weder recht met elkander vereend en vertrouwd wordt en de kleine vervreemdingen doet verdwijnen, die tijd en afstand ook in de nauwst verbonden gemoederen plegen te weeg te brengen.

Maria streek haren broeder de lokken van het voorhoofd en snapte, het oog vol teederheid op hem gevestigd houdende: „Gij zijt geheel onveranderd, broeder; uw voorhoofd is slechts wat bruiner en mannelijker geworden, maar nog open en edel als eertijds. Wanneer gij u achter eene heg verborgen hadt en ik niets anders van u had kunnen zien, zou ik u toch dadelijk herkend hebben.”

Lodewijk blikte in het vriendelijk oog, dat hem met zooveel liefde te gemoet straalde.

Hij beantwoordde het kinderlijke spel door haar de eene hand op het voorhoofd te leggen en met de andere het gelaat te bedekken, zoodat slechts de oogen zichtbaar bleven. „En u,” zeide hij, „zou ik in het verre Sicilië herkend hebben, wanneer gij, zooals nu door mijne beide handen, door de opening van groene jalousieën hadt uitgezien. Uw lieve blauwe oogen zouden u terstond verraden hebben. En toch komen zij mij nog helderder voor dan eertijds; ja, lieve zuster, gij zijt in alles schooner geworden.”

„Ga toch!” zeide Maria en keerde zijne handen zachtjes van haar gelaat af, dat door een licht blosje hooger gekleurd werd. „Wij willen elkaar liever vrij en ongedwongen aanzien. Ook moet gij mij duizend dingen vertellen, waarnaar ik u lang had willen vragen. Doch halt! zeg mij eerst, zijt gij met den wagen gekomen, die hier zooeven met vier postpaarden voorbijreed?”

„Met denzelfden, Maria,” antwoordde Lodewijk, „maar ik wilde u verrassen, daarom was ik reeds aan den hoek uitgestegen en sloop in huis, terwijl de wagen voorbij dreunde, zoodat gij niet eens het opengaan van de deur kondt hooren.”

„Dat was heerlijk van u bedacht; en hoe goed is het gelukt!” riep Maria. „Maar hoe kwaamt gij aan dien wagen met vier paarden?”

De moeder scheen eene dergelijke vraag op de lippen te hebben. Lodewijk antwoordde: „Zeldzaam genoeg, lieve moeder; reeds in Zwitserland had ik kennis met eenige Poolsche officieren gemaakt, die ik in Leipzig opnieuw aantrof. Nu drongen zij er bij mij op aan, dat ik met hen rijden zoude en ik maakte met vreugde van het vriendelijk aanbod gebruik. Van uwe goedheid, lieve moeder, zal ik echter de beantwoording dezer beleefdheid verzoeken moeten, want ik zal bezwaarlijk kunnen vermijden, hen uit te noodigen nu en dan ons huis te bezoeken.”

„Wanneer zij in den stillen kring van twee vrouwen behagen scheppen,” hernam de moeder, „weet gij, dat uwe vrienden mij steeds welkom zijn.”

„Maar gij hebt uwe kamer immers nog niet gezien,” riep Maria met levendigheid uit; „o, die moet ik u dadelijk toonen! En waar zijn dan uwe koffers?”

„Die kunnen wij naderhand uit het Hôtel de Pologne laten afhalen, lieve zuster. Zij waren zoo met die mijner vrienden bijeengepakt, dat ik ze niet spoedig genoeg krijgen kon; ook heeft het immers thans geen haast. Toon mij nu, waar ik wonen zal.”

„Zeker recht aardig, en mij dunkt, alles is zoo ingericht, dat gij er terstond smaak in zult vinden,” sprak Maria en huppelde, den sleutel in de hand, vroolijk vooruit.

Toen Lodewijk het stille, vriendelijke vertrek binnentrad, overviel hem een onweerstaanbaar gevoel der diepste weemoedigheid. Het ligt in den mensch, zijne smart levendiger te gevoelen, wanneer hij een schijn van geluk om zich heen bespeurt. De liefde van moeder en zuster had hem zoo hartelijk ontvangen, en de kamer, welke hij thans binnentrad en waar hij alles vereenigd vond, wat hem ooit belangstelling ingeboezemd en gelukkige uren geschonken had, leverde van die liefde een nieuw bewijs op. Vóór weinige weken nog zoude hij zich zoo gelukkig in dat bewustzijn, zoo tevreden in dezen vertrouwelijken kring gevoeld hebben, en thans werd de grievende, maar zekere overtuiging bij hem levendig, dat dit alles slechts een schijn van geluk opleverde. Wat hem tot hiertoe bevredigde, verblijdde, zijn hart geheel vervulde, had plotseling alle kracht verloren en kwam hem te akeliger voor, naarmate het hem voorheen dierbaarder geweest was.

In hare argelooze vreugde kon Maria niet vermoeden, hoe hevig zijne ziel geschokt was; zij hield den traan die in zijn oog blonk, voor een tolk der vroolijke verrassing of geloofde hem aan de zoete, oude herinneringen gewijd, die ook in haar met vernieuwde levendigheid ontwaakten en ook haar tranen van zachte verteedering in de oogen joegen. „Niet waar, Lodewijk, wij verstaan elkander?” vroeg zij, en drukte hem met een glimlach de hand.

„Neen! neen! wij verstaan elkander niet!” weergalmde het luid in zijn binnenste, doch hij opende zijne lippen niet, verwrong ze tot een smartelijk lachje en liet de zuster de hand, die zij inniger in de hare sloot.

„Wat schoone rozestruiken,” zeide hij na eenig stilzwijgen, „en vol knoppen!”

„Zij waren altijd uwe lievelingsbloemen,” hervatte Maria, verheugd dat hij den blik naar het venster wendde: „en hier staan ook viooltjes. Vormen zij niet een schoonen voorgrond van het landschap daar in de verte? Blinkt de Elbe niet als zilver tusschen de groene bladeren door, en de avondzon als goud en de hemel blauw of, als de ondergaande zon hem kleurt, als gloeiend purper?”

„Purper, zilver en goud en azuurblauw en groen der bladeren, hoe tooverachtig klinkt dat; men zou wanen in het zuiden van Italië te zijn! Maar gij hebt gelijk, lieve zuster, het is hier recht schoon,” antwoordde Lodewijk en trachtte onder eene gezochte wending zijne ware gevoelens te verbergen.

Maria opende nog twee vensters, om aan de zachte Meilucht den vrijen toegang in het vertrek te laten. Den arm om haren hals geslagen, trad de jongeling aan het venster en vestigde het oog op den breeden, glansrijken stroom. Hij zweeg, Maria eveneens; doch haar zwijgen was dat der schoonste innerlijke gemoedsrust, het zijne dat van het stomme sprakelooze zielelijden. Had zij thans het flonkerend oog opgeslagen, zij zou in zijne bleeke gelaatstrekken, in zijne sombere blikken gelezen hebben, dat eene zware strijd zijn binnenste schokte.

„Vertel mij nu iets van moeder, lieve Marie,” begon hij eindelijk; „zij ziet er bleek uit, is hare ziekte bedenkelijk? Lijdt zij nog aan de borst?”

„De geneesheer geeft bij voortduring de beste hoop en wij verwachten alles van den zomer, beste broeder,” antwoordde zij geruststellende.

„En hoe leeft gij overigens in dezen onrustigen tijd? Is moeder bezorgd, zijt gij het?”

„Nu gij hier zijt, ben ik ook weder geheel zonder vrees,” hervatte het meisje en vlijde zich zacht aan den broeder. „Tot hiertoe heeft het ruwe krijgsgewoel en zelfs de glansrijke wapenpracht, die men hier ten toon spreidt, mij beklemd en beangstigd. Morgen zegt men, komt de keizer zelf; vele vorsten zijn reeds verzameld om hem te ontvangen. Welk een geweld moet die man toch op de menschen uitoefenen! Hoe is hij wel in staat, hen tot zulke vreeselijke opofferingen te bewegen, die zij hem toch gewis niet dan met innerlijken weerzin brengen? Slechts onze koning niet, die hem met onzinnige verblinding aankleeft, die...”

„Spreek niet verder, Maria,” viel Lodewijk haar met ernst in de rede. „Veroordeel niet, waar de verstandigste huivert een vonnis te vellen. Weet gij, wat een vorst al in de weegschaal heeft te leggen? Beseft gij de onwederstaanbare kracht, welke een reuzengeest, als die des keizers in staat is uit te oefenen? Plicht en gevoel mengen zich hier dikwijls zoodanig dooreen, dat het den scherpzinnigste niet gelukt ze behoorlijk te onderscheiden.”

„Hoe,” sprak Maria met smartelijke verwondering, „zoudt gij ook een aanhanger van den man zijn, die ons vaderland in zulk eene namelooze ellende gestort heeft en het nog dagelijksch rampzaliger maakt?”

„Lieve zuster,” antwoordde Lodewijk, „gij spreekt als een meisje, maar tevens als vele mannen, die slechts op het naastbij gelegene achtgeven, niet de keten van oorzaken en gevolgen overzien, welke Duitschlands beklagenswaardigen val hebben voorbereid, die niet meer oordeelen kunnen daar zij reeds partij in den strijd gekozen hebben. Houdt gij mij voor een vijand van het vaderland? Hoe echter, wanneer een volkomen oprecht, niet een gehuicheld aansluiten aan Frankrijk alleen in staat was het vaderland te redden?—Maar laten wij dat daar; dat zijn moeilijke vragen, die ons thans niet bekommeren en ons de eerste uren des wederziens niet verbitteren moeten.” Maria zweeg en sloeg het oog onrustig neêr.

„Zie mij aan,” ging Lodewijk voort, „ik ben eerlijk en trouw als immer, ben uw broeder als voorheen; gij moogt mij nog van harte liefhebben, want ik heb niets gedaan, dat mijner onwaardig was. En of ik het welzijn van mijn vaderland wil? Maria, zoudt gij daaraan twijfelen, ook zelfs wanneer ik het langs een anderen weg wilde dan gij, dan zoo velen, die gelijk met u denken?”

„O, gij zijt voorzeker braaf en goed van ganscher harte,” riep Maria; „maar daarom zoude het mij toch even diep bedroeven, wanneer wij hierin verschillend dachten.”

„Wij zullen elkander wel leeren verstaan,” hervatte Lodewijk; „laat ons thans naar moeder terugkeeren.”

Zij gingen.

Daar Lodewijk met mannelijke kracht zijne stemming meester werd en in het verhaal zijner reizen, dat hij opzettelijk uitvoerig en stelselmatig inrichtte, eene afleiding vond, die hem verhinderde zich aan zijne sombere mijmeringen over te geven, vloog de avond onder vertrouwelijke gesprekken spoedig daarheen, veraangenaamd door de liefderijke, echt zusterlijke oplettendheden van Maria, die alles aanwendde, om het den broeder in het moederlijke huis recht genoegelijk te maken, zijne geringste wenschen te vervullen en, zoo dacht zij, na het gesprek op zijne kamer en zonder het zich zelve te willen bekennen, hem weder geheel de hare te doen worden. Want zonder het te berekenen, gevoelde zij toch, hoe vast de mensch door de kleine, fijne draden des dagelijkschen levens en der naaste betrekkingen omsponnen wordt, en hoe hij door deze gebonden, dikwijls aan eene grootere macht weerstand biedt, of wel gemakkelijker eene sterke boei verbreekt, dan hij zich van die duizend bijna onzichtbare weefsels kan loswinden.

HOOFDSTUK II.

Den volgenden avond leverde Dresden het trotsche schouwspel der samenstrooming eener ontzaglijke volksmenigte en der geordende tentoonstelling eener schrikwekkende krijgsmacht op. De intocht des keizers, dien men met eene sombere, aan bange ontzetting grenzende spanning te gemoet zag, was de reden van dit rusteloos wenden en woelen in de anders min levendige stad. Zijne verschijning zoude het teeken zijn tot eene onderneming, wier reusachtige stoutheid zelfs de koenste hoofden deed duizelen. Aan dit gevoel paarden zich de gewaarwordingen van schrik, van haat of van bewondering, welke de zeldzame man allen zijnen tijdgenooten inboezemde; gewaarwordingen, die bij sommigen wellicht elk afzonderlijk opwelden, doch bij de meesten gelijkelijk gepaard gingen.

Het was de vijftiende Mei.

Lodewijk had moeder en zuster naar het huis eener vriendin gebracht, waar zij den intocht des keizers zonder stoornis konden zien. Hij zelf verkoos onder den woeligen, onrustigen volkshoop te blijven, die in ongeduldige verwachting de straat op en neder golfde.

Eensklaps hoorde hij zijn naam noemen. Het was Rasinski, die op een prachtigen poolschen schimmel door de onafzienbare gelederen der soldaten reed en met lossen teugel op hem toerende.

„Goeden avond, mijn vriend van den Gotthard!” riep hij Lodewijk toe, „u heden reeds weer te zien had ik niet verwacht, want wij hebben een drukken dag gehad. Ik heb mij zooals gij ziet, reeds uitgerust; Boleslaw en Jaromir zoeken nog naar paarden. Binnen een uur zal de keizer hier zijn, en ik weet, dat zij gaarne den dubbelen prijs betalen, om, als hij aankomt, nog in zijn gevolg te zijn.”

Daar Lodewijk met een officier sprak, lieten de gebaarde krijgers, die dezen omringden, hem gewillig den toegang. Hij reikte Rasinski de hand. Toen hij den fraaien man in zijn schitterende uniform zoo fier en ongedwongen te paard zag en in het zwarte oog de krijgszuchtige vreugde zag flonkeren, die hem zelfs boven de diepe smart over zijn ongelukkig vaderland verhief, moest hij bijna onwillekeurig den stand benijden, die het leven zoo frisch, zoo schuimend en bruisend geniet, daar hij slechts van het naaste oogenblik verzekerd is. Het scheen hem alsof de toekomst, hoe treurig, geen zorg kon baren, alsof het noodlot zelfs alle macht over het menschelijk hart moest verliezen, waar het niet met toekomstige rampspoeden bedreigen, niet door verre verwachtingen misleiden kan, maar de schaar der Schikgodin elk oogenblik bereid is den draad af te snijden, en de mensch dus slechts op uren, niet op jaren van geluk zijne hoop en uitzichten vestigt.

„Gij beschouwt mij zoo nauwkeurig,” vroeg Rasinski, „is er iets aan mij, dat uwe aandacht wekt?”

Lodewijk wilde antwoorden, toen zich eensklaps het geroffel der trommen deed hooren en de soldaten hunne gelederen ordenden en sloten, zoodat hij zich ijlings uit den kring verwijderen moest. Een generaal kwam met een luisterrijk gevolg van het slot aanrennen; het was de koning van Napels, die in zijne met goud overladen, vreemdsoortige huzarendracht, op een snuivenden andalusischen goudvos in waarlijk koninklijke houding voorbij reed, om den keizer bij den Freiberger slagboom op te wachten. Zijn fonkelend oog vloog met bliksemsnelheid over de scharen heen; hij scheen tevreden. Rasinski had zijn paard ter zijde gewend en begroette den generaal met eerbied; deze hield stil, sprak eenige woorden met hem en drukte hem vertrouwelijk de hand. Men bespeurde, dat deze eervolle onderscheiding den ganschen stoet een zekere achting voor den poolschen generaal inboezemde, want zelfs de generaals boden hem, toen hij zich in hun midden voegde en zich bij het gevolg aansloot, een minzamen groet.

De prachtige ruiterschaar, waaronder zich maarschalken, generaals, de voornaamste staf-officieren en ook vele Duitsche vorsten bevonden, stoof spoedig voorbij, de Slotstraat door en op de Wilsdrufferpoort toe, welke de keizer moest binnenrijden. Vroolijke stoutheid, zelfs koene overmoed, was op aller gezichten te lezen. Lodewijk stond eene wijl in gepeins verzonken en liet zijne gedachten den vrijen loop, toen de naderende hoefslag van eenige paarden hem deed omzien. Het waren de beide jongere Polen, Boleslaw en Jaromir, die met losse teugels voorbij stoven om den trein nog in te halen. Ook zij bemerkten Lodewijk en wierpen hem in het voorbijsnellen een vriendelijken handgroet toe.

Gij gelukkigen, dacht hij, wat zou uw vroolijken moed kunnen doen wankelen, daar gij de toekomst met geen ander verlangen te gemoet ijlt, dan om elk oogenblik uw leven voor uwe dierbaarste wenschen op het spel te zetten! Gij wint wanneer gij zegepraalt en uw wit bereikt, gij verliest niet wanneer gij eervol sneeft, eer gij de vruchten hebt mogen plukken! Gelukkig ieder krijgsman, maar bovenal gij, die zoo van heeler harte der zaak zijt toegedaan, voor welke gij strijden zult, die, terwijl gij de stem der eer en der roem volgt, te gelijker tijd den heiligsten en zoetsten plicht vervullen kunt!—In zulke gedachten verdiept, liet hij zich door de golvende menigte voortslepen, zonder op haar zijne aandacht te vestigen of te bemerken, wat rondom hem voorviel.

Plotseling hoorde hij luide zijn naam uitroepen, en toen hij zich omkeerde, voelde hij zich door mannelijke armen omstrengeld, terwijl een warme kus van broederlijke vriendschap op zijne wang brandde, nog eer hij den tijd had gehad te ontdekken, wie zijner vertrouwde vrienden hem zoo hartelijk begroette. „Lodewijk! herkent gij mij dan niet?” vroeg de vriend, met verbazing de verrassing en onzekerheid bemerkende, welke Lodewijks gelaatstrekken onmiskenbaar uitdrukten. „Hebt gij mij dan zoo geheel vergeten of ben ik dan zoo ontzettend veranderd?”

„Bernard, mijn goede, beste Bernard!” riep deze thans; „zou ik u niet herkennen? Maar hoe kon ik u hier vermoeden?”

„Nu voor den drommel, toch even goed als ik u,” juichte Bernard, hem vroolijk onder de oogen ziende, terwijl hij de hand, die hem nog steeds vasthield, met warmte drukte.

„Mijne zuster zeide mij gisteren nog dat gij sinds twee jaren in Noorwegen en Schotland rondzwierft.”

„En ik, die ook gisteren pas ben aangekomen, wist van u niet anders dan dat gij op den Vesuvius of Etna omklauterdet. Maar zou ik u daarom niet herkennen? Al had ik u op den Hekla ontmoet,—om nu ook maar dadelijk den derden vuurbalg in Europa te noemen—meent gij dat ik u voor een ijsbeer zou hebben aangezien?”

„Maar gij paktet mij zoo onverwachts aan en smoordet mij bijna in uwe armen, ik had immers pas een seconde...”

„En ik pas eene halve, want ik zweer u, dat ik niets van u gezien had dan hoogstens een achtste profiel, toen ik juist uit de Wilsdrufferstraat kwam en gij voorbij schoot. Maar al had ik ook enkel deze lok van uw haar in den wind zien fladderen, ik zou u herkend hebben, daar ik oude vrienden in 't geheugen houd, en dat doet gij niet, gij verrader!”

„Omdat gij een schilder zijt,” sprak Lodewijk glimlachend en verheugd, den trouwen makker nog geheel den ouden te vinden; „een schilder, die van zijne vrienden slechts de omtrekken in het hoofd houdt, terwijl wij meer op het innerlijke letten en hem daarom des te meer beminnen.”

„Ook goed; maar ik doe beide en zou een bont slangenvel juist niet bijster hartelijk omhelzen; wie echter als gij eene dragelijke ziel in eene dragelijke huid rondvoert, die kan op mijn geheugen staat maken. Maar zou het niet verstandiger zijn, broertje, dat wij bij den Italiaan Longo onder dak kropen en gingen zitten en dronken en elkaar de zonden der verloopen jaren opbiechtten? Het verveelt mij reeds lang, mij hier door elken pakhuisknecht, snijdersgezel of brillenjood te laten aangapen en op de teenen trappen: men raakt al die drukte ontwend, als men zoolang op de Schotsche bergen heeft omgezworven. Kom, een glas italiaansche wijn smaakt hem, die uit Napels komt, in de herinnering, en hem, die van de Hebriden aanlandt, in het vooruitzicht even kostelijk. Kom dan, want ik heb eigenlijk een donkeren hoek noodig om mijn waarachtig reisrelaas op te dreunen, en ik zal tusschenbeiden een duchtigen slok nemen, zoodat ik 't op den wijn kan schuiven, als mij nu en dan een kleur in 't gezicht stijgt, die het janhagel schaamteblos noemt. Kom vriendje, kom!”

Bernard was van kindsbeen af de schoolmakker en boezemvriend van Lodewijk geweest; reeds van oudsher had hij zijne diepere gewaarwordingen, zooals dat menschen van een krachtigen wil meer eigen pleegt te zijn, met den sluier der scherts en van den spot trachten te bedekken; zijne vertrouwde vrienden kenden echter het edele gelaat, hetwelk zich achter dat grijnslachend masker verborgen hield. Lodewijk was derhalve overtuigd, dat Bernards ontroering en vreugde over het onverwachte wederzien niet geringer waren dan zijne eigene, en voldeed gewillig aan diens uitnoodiging, daar hij wist, hoe gaarne Bernard den vurigen gloed zijner ziel door de kracht van den wijn tot heldere vlammen placht op te jagen.

„Geef ons eene flesch Syrakuser, Signor Longo, of Lacrymaë Christi,” riep deze bij het binnentreden; „maar zorg, dat ze vurig, geurig en krachtig, kortom dat ze echt zij.—Kom hier aan 't venster, Lodewijk, waar wij het volk kunnen zien woelen en tot een barometer gebruiken, die ons aanwijst wanneer het tijd is voor den dag te springen om den keizer te zien.”

De wijn kwam, de vrienden klonken; Bernard ledigde zijn glas, Lodewijk had het zijne slechts even aan de lippen gebracht.

„Ik dien vooraf wel eene pleitrede te houden,” begon de eerste, „om niet in eene valsche verdenking bij u te komen. Gij mocht eens gelooven, dat ik een zuiper geworden was, wijl ik dat edele vocht zoo gulzig binnenzwelg als een vampyr het hartebloed. Neen, broertje! slechts op hooge feestdagen steek ik zulke vreugdevuren aan, maar dan wil ik ook dat zij ras in vlam staan. Maanden lang leef ik ingetogen als een Carthuizer of Spartaan, van tijd tot tijd echter moet men den levensdroesem, dien de beste kerel zoo goed afscheidt als het edelste metaal, in zulk vuur oplossen. In den grond is het niets anders dan het logge, aardsche lijf des filisterdoms, dat men op dien vlammenden brandstapel verteert, opdat de ziel zich reinige als asbest en ontslagen worde van hare banden en juichend opstijge als een feniks uit de asch. Ik was sedert ettelijke maanden weer sterk aan 't aanzetten, zoodat hart en ziel in de aarden korst, die zich daaromheen bakt als de schelp om de parel, bijna stikken moesten en de arme dingen zich in de verwenschte kooi de vleugels lam sloegen; want ik hield een engelsche lord gezelschap op zijne reis naar Duitschland—waarom zeg ik u naderhand wel eens—en derhalve wordt het tijd, dat ik de lont in 't kruit steke en den rommel in de lucht doe springen. Klink meê! Wat ons lief is! Dat is en blijft mijn oude heildronk.”

Illustration from 1812: Historische roman

Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening.

Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening. Hij maakte thans de ervaring, dat, wanneer onze ziel ergens mede vervuld is, zij ook door alle toevallige uiterlijke aanrakingen en ontmoetingen daarop wordt teruggebracht en dat niets zoo vreemdsoortig is, dat haar daaraan niet op eenige wijze herinnert. Het is waar, de herinnering door Bernards heildronk opgewekt, was zeer natuurlijk, maar ook elke andere omstandigheid, elk ander voorval vond in hem steeds een verbindingspunt met het voorwerp zijner liefde. In de eenzaamheid hield hij zich met haar bezig, in het woeligste gedruisch vormde zij het tegenbeeld van alles, wat hem omringde, evenals de zeeman te midden der onstuimige golven slechts het stille lichtpunt van den verren vuurtoren in het oog houdt.

Maar ook Bernard werd, nadat hij gedronken had, een oogenblik nadenkend en zag peinzend voor zich neder; de eene of andere zoete, maar weemoedige herinnering, dit bemerkte zelfs Lodewijk in weerwil zijner eigene ontroering, gleed over het koene, fiere voorhoofd heen, evenals het dichte wolkenfloers zich soms voor eenige oogenblikken vaneen scheurt en de stille maan laat aanschouwen, wier zachte gloed voor ons oog zoo lang werd verduisterd. Doch spoedig werd hij die verteedering meester, terwijl zijn oog eenige fonkelende vuurstralen door den donkeren gezichteinder liet kruizen, als ware hij beducht zijne aandoening te hebben verraden.

„Wat ons lief is,” riep hij uit, „vurige kussen of vurige wijn! Eene kuische Muse of eene lokkende Aspasia! Mijn dronk legt ten minste niemand boeien of voetangels aan. Wie er meê in het moeras wil blijven steken, het is zijne zaak; wie de vleugels uitspreidt om naar de sterren te vliegen, goede reis! wie in stilte zijne eigen gezondheid drinkt, in 's hemels naam, ik zal het hem ook niet verbieden, ja, ik drink zelfs meê.—Maar drink dan toch, Lodewijk, en zie mij aan en vertel, waar gij gezworven hebt die vier jaren, dat wij elkander niet gezien hebben.”

Lodewijk verhaalde het een en ander van zijne studiën en zijne reis, doch zweeg van Bianca.

„En ik,” dus nam Bernard het woord op, „kan even kort zijn. Nadat gij vertrokken waart, copiëerde ik een jaar lang staag drie narren- of apentronies tegen één Raphaël, zoodat het mij ongeveer als de soldaten ging, die, na drie dagen streng diëet, den vierden wat beter kost krijgen dan brood en water. Dat verdroot mij; en nu begon ik staljongens, keukenmeiden, oude heksen bij 't spinnewiel, kwakzalvers, tandmeesters, dronken boeren, ja zelfs zwijnenkotten en aangrenzende departementen naar 't leven op het doek te tooveren, en dat bracht geld aan. De menschen toch hebben het meest met die kunstwerken op, waarin zij hun eigen natuur het getrouwst weervinden.—Wat ik in de beschaafde wereld gewonnen had, besloot ik in de wildernis te verteren, in Noorwegen en Schotland namelijk, daar 't mij reeds lang op de leden lag, mijn hart aan die koude noordsche landschappen eens ter deeg te verwarmen. Zonder grootspraak, Lodewijk, ik heb ettelijke zeestormen, een half dozijn rotsen en een paar watervallen geschilderd, die misschien een handvol zilverlingen waard zijn en meer nog. Maar dit in 't voorbijgaan. Pas was ik te Londen, of daar kwam een brief van mijn oom, die mij allerlei zotternij van mijne geboorte, mijne ouders en ik weet niet wat al niet meer voorleuterde, die mij eene poos geheel van streek bracht. Spoedig echter wierp ik den ganschen rommel, die eigenlijk op niets anders neerkwam, dan dat mijn vader een schelm was, die zich zijn leven lang niet om mij bekommerd had, door alle vensters van mijn hart uit; want ik had in die dagen aan vrij wat gewichtiger dingen te denken dan aan zulke kleinigheden. Ik was blij, dat ik mijn bestaan eigenlijk aan niemand te danken had, en besloot meer dan ooit de wereld te trotseeren en te veroveren, wat ik bezitten wilde. Dat was toenmaals niet weinig, broertje, want....”—

Hier hield hij op. „Want?” herhaalde Lodewijk.

„Stil! hoort gij dat kanonschot? De keizer komt! Zie hoe het volk in beweging raakt! Daar dienen wij bij te zijn, kom, vriend, naar buiten!”

Met deze woorden sprong hij op en sleepte Lodewijk driftig met zich voort.

De menigte, die zich tot hiertoe zonder bepaald doel op en neder bewoog en zich ook hier en daar meer in de verte verspreid had, vloeide nu van alle zijden te zamen en stroomde op de Wilsdrufferpoort toe.

Intusschen was het bijna geheel donker geworden; men ontstak reeds de lantaarnen, en ook de pekkransen, die tot meerdere verlichting der straat dienen zouden, was men bezig in gereedheid te brengen.—„Wij zullen een nachtstuk te zien krijgen,” zeide Bernard, „daar ben ik een vriend van. Nu de keizer zich zoo lang heeft laten wachten, wensch ik ook maar dat hij nog wat langer uitblijve, anders branden vuurbekkens en lantaarnen niet helder genoeg, om zijn gezicht niet behoorlijk te kunnen opnemen”.

Het was inderdaad slechts een loos alarm geweest; men had een ander rijtuig voor dat des verwachten gehouden. De saamgeschoolde menigte verstrooide zich weder.—„In het somber kerkerhol werd het mij te eng,” ging Bernard voort; „laat ons hier liever de vrije lucht inademen.” Zij wandelden tusschen de woelende en wendende volkshoopen op en neder, die, half door het roodachtig schijnsel der ontvlammende pekkransen bestraald, half in het duister van den nacht gehuld, eene zonderlinge vertooning opleverden. „Zie eens, broeder,” sprak Bernard, „hoe vredig de zachte Meihemel zijn helder sterrenkleed uitspreidt over de woelige aarde, welker gedruisch tot hem niet doordringt.—Doch hoor! Het komt nader en nader het gejoel! Nu moet er toch iets ophanden zijn.” Hij sprong op den nog ledig gebleven drempel eener stoep, die voor twee plaats bood. „Daar komt hij!” riep Bernard en wees op een wagen, waarachter men vele ruiters ontdekte, wier sabels en lansvaantjes in rooden vuurgloed blonken. Het was de poolsche edelgarde, die den wagen begeleidde. De keizer zat in een hoek gedoken en scheen zich niet te willen vertoonen. Doch, dicht bij de plaats gekomen, waar de beide vrienden stonden, boog hij zich, daar eenig toeval den doorgang stremde, uit het portier voorover, en men kon zijne, door den toortsgloed hel verlichte gelaatstrekken onderkennen. „Dat is hij!” fluisterde Bernard met ingehouden adem. Alles in het rond was doodstil, als had het oog des machtigen, die de wereld met zijn roem en zijn schrik vervulde, dit eerbiedig zwijgen geboden. Bernard en Lodewijk hielden hunne blikken onbewegelijk op het hoofd des keizers gevestigd. Eerst toen het verdween en het rijtuig verder rolde, ontwaakte Lodewijk als uit eene zinsverdooving en wendde zich tot Bernard. Nog meer dan over zich zelven, verwonderde hij zich over dezen; want de zeldzame mensch, die den ernst bijna nimmer over zich meester liet worden, dien ten minste niet dan hoogst zeldzaam blijken liet, stond thans roerloos als een marmerbeeld en hield de vurige, sombere blikken strak en onwrikbaar op de plek gericht waar de keizer verdwenen was. „Bernard!” riep Lodewijk hem in het oor en vatte hem bij de hand.

Thans ontwaakte hij en staarde den vriend verschrikt aan. „Ja, zoo!” hernam hij, zich met de hand langs het voorhoofd wrijvende. „Hm! Hij zag er goed uit! Een schilder mag wel oplettend zijn op zijns gelijken. Zóó had ik hem mij niet voorgesteld. Geen enkele schoone trek in het gansche gezicht en toch zoo'n zeker iets! Op mijne eer, ik weet nog niet, met welk soort van lijnen en strepen men uitdrukt hetgeen op zijn voorhoofd stond en wat ik in zijn oog gelezen heb!—Maar ik bid u, zie nu eens al die verdraaide, alledaagsche, scheeve, laffe, nuchtere tronies hier om ons heen! Heb ik dan nog nooit een gezicht gezien? Zijn dat gezichten? Ik weet niet wat ik er van denken moet, maar mijn leven lang heb ik niet zoo veel versleten, misselijke, flauwe, verdroogde kalfskoppen bij elkander gezien. Als ik den kring rondkijk, is 't mij of ik een slok zeepwater na een beker Johannesberger moest naar binnen slaan.”

Lodewijk zocht te vergeefs naar een beeld of naar woorden, om den indruk, dien hij ondervond, weer te geven.

„Mij scheen het,” begon hij, „alsof eene machtige adelaar met uitgespreide wieken te midden eener schaar van geringe vogels voorbijtoog.”

„Juist, juist, gij hebt gelijk,” antwoordde Bernard, „louter ganzen, eenden, nachtuilen en spreeuwen. Of liever een leeuw, die door een hoop ezels voorbijdraafde. En voor den duivel, slenterden wij ook niet meê met den troep? of denkt gij, dat onze twee gezichten als zijne bijzonnen geblonken hebben aan het grauwe firmament, dat hem omgaf?”

Onder deze woorden had hij Lodewijk bij den arm gevat en voerde hem uit den stroom van het gedrang in een stille zijstraat. Ernstig en zwijgend wandelden zij nevens elkander voort. Eensklaps sprak Bernard: „Goeden nacht, broeder! Tot weerzien op morgen!” rukte zich van den vriend los en verdween in het duister. In somber gepeins verzonken ging Lodewijk naar huis; zelfs het vriendelijke: „Goeden nacht!” hetwelk Maria hem toewenschte, kon zijn gefronst voorhoofd niet ontrimpelen.

HOOFDSTUK III.

Den volgenden morgen deed Lodewijk eene wandeling op het Brühlsche terras. Eensklaps stond Bernard voor hem. „Salve!” riep deze hem toe. „Zoo even heb ik onzen Pluto of Jupiter, of hoe gij hem noemen wilt, zien voorbijrijden.”

„Den keizer?” riep Lodewijk met vuur, terwijl hij de aangeboden hand vriendschappelijk drukte; „nu, hoe ziet hij er bij dag uit?”

„Ik weet waarachtig niet, hoe ik u dat beschrijven zal,” begon Bernard; „het was een leven als de hel; klokkenspel, kanonschoten, volksgewoel, troepen, die naar de parade wilden, kortom een satansch geweld, maar ik hoorde er niets van. Wanneer ik mij als schilder den keizer voorstel, dan had hij, dacht mij, een aschgrauw gezicht, hoekig, puntig, ongeveer zóó, als een hond dat het liefst een stuk papier zou naar binnen slikken. Een paar grijsachtige zwarte oogen, een korte dikke vent—de duivel mag weten wat een leelijke kabouterman. Maar zie, dat is het juist, waarover ik mij, had ik niets beters te doen, den armen kop gek zou kunnen denken en half en half aan 't malen zou raken, daar ik maar niet begrijpen kan, wat voor een spook mij toch eigenlijk zoo behekst heeft. Dan scheen 't mij toe, als trok langs den bleek-blauwen nuchteren hemel eene zware onweerswolk die bliksems schoot, waarbij de zon er uitzag als een meisje, dat de koorts heeft; dan weer kwam 't mij voor, dat een donkerrood, fonkelend gesternte tusschen grauwe nevelwolken heentoog, zoodat alles in het rond als bloed gekleurd werd, eindelijk, en dat duurde het langst,—gij zult mij er echter om uitlachen,—was het mij, als werd de Rijnval eensklaps doodstil, alsof de plechtige stilte mij belette zijn gedruisch te hooren, wat intusschen al zeer vreemd klinkt.”

„Waarlijk niet zoo vreemd, als gij wel denkt,” riep Lodewijk; „want wat is stilte? Er bestaat eene plechtige, verheven stilte der ziel, die heerschen kan te midden van het levendigste gewoel der buitenwereld. Toen de keizer gisteren voorbijreed, kwam het mij voor, dat elk die hem zag, zich in die zwijgende, eerbiedige gemoedsstemming voor hem moest nederbuigen; en zoo zou mij ook thans het gevoel van diepe stilte doordrongen hebben, niettegenstaande het gelui der klokken, het donderen der kanonnen en het gewoel van het volk. En daar gij den Rijnval noemt, moet ik u zeggen, dat ik daar, zoowel als aan den bruisenden val van de Reuss op den St. Gotthard, nog zeer onlangs eene dergelijke bevinding gehad heb. Want de verhevenheid in den omtrek dezer natuurtooneelen verwekt in de ziel bijna dezelfde gewaarwording en werkt bovendien nog door de tegenstelling der versteende, eenzame rotskegels en der onmetelijke hoogte van den kalmen hemel, zoodat het gedruisch zelfs van het nederstortende water den indruk der stilte, die slechts in ons gevoel, niet in de werkelijkheid heerscht, verhoogen kan.”

„Gij spreekt als een boek,” antwoordde Bernard, „als Thales, ja zelfs als Solon, dien ik hooger stel, daar hij goede wetten voor weerspannige menschen wist te geven, terwijl de eerste slechts de wetten der natuur met eenig geluk bestudeerde. Intusschen hebt gij gelijk. Hetzelfde heb ik in Schotland opgemerkt, in de Fingalsgrot onder anderen, waar ik meermalen dacht: Zou men hier nu het bulderen en loeien van wind en golven wel hooren, als het niet zoo stil was als in eene Hernhuttersche broederkerk? Ook in eene enge, diepe rotskloof vóór een waterval, door welks gedruisch mij hooren en zien verging, dacht ik bij mij zelf: Hier is het stil als in 't graf, men hoort slechts dien stroom bruisen en klateren. Dat gevoel trof mij nog meer, toen ik een wilden rozenstruik op een vooruitspringend rotsblok gewaar werd, welks teedere groene takken en knoppen over den schuimenden afgrond hingen, zonder in het minst bewogen of door een windje gewiegd te worden, zoo stil en kalm was alles rondom. Deze tegenstelling van de zachtste en de vreeselijkste natuurkrachten verlevendigde mijne gewaarwordingen buitengemeen. Iets dergelijks, en tevens iets geheel verschillends, voelde ik bij een hevigen brand te Edinburg waar ik op eene bovenverdieping, die reeds in lichtelaaie stond, tusschen de woeste vlammen een verlaten kanarievogel ontdekte, die in zijne kleine kooi aan het venster was blijven hangen. Hij geleek een goudvischje in den onstuimigen wereldoceaan.—Maar, bij den hemel, dat is een schoon man, die daar aankomt! Die ziet er ook uit, of hij keizer zijn kon,” viel hij eensklaps zich zelf in de reden en stiet Lodewijk aan, die zich nauwelijks had omgewend, of hij zag den overste Rasinski toesnellen en uit de verte reeds vriendelijk wenken en groeten.

„Ziedaar, vriend!” sprak de Pool hem met een van vreugde flonkerend gelaat aan, „nu kunnen wij elkander toch eindelijk eens behoorlijk welkom heeten. Vijf of zes dagen ben ik mijn eigen meester en eenige daarvan zullen wij naar ik hoop toch gezamenlijk doorbrengen. Intusschen moogt gij mij geluk wenschen. De keizer heeft mij de oprichting van een regiment lichte troepen opgedragen, dat als vrijkorps zal te velde trekken en waarbij mij de onbeperkte keus der manschappen en officieren is gelaten. Aangenamer betrekking in het leger had ik niet kunnen wenschen. Drie dagen zullen er misschien nog verloopen eer ik de noodige besluiten, volmachten en aanwijzingen schriftelijk in handen heb, dan regel ik al mijne zaken en vertrek dadelijk naar Warschau, waar ik onder mijne Poolsche landslieden mijne kameraden denk uit te kiezen.”

Bernard hield het oog onbewegelijk op den schoonen Pool gevestigd en zag hem met blikken aan, die aanduidden dat hij hem dadelijk voor eeuwig in het geheugen wilde prenten. Rasinski scheen dit zeldzaam aanstaren bijna beleedigend te vinden, weshalve Lodewijk, eene onaangename verklaring duchtende, zich haastte hen aan elkander voor te stellen. „De beste vriend mijner jeugd, Bernard, een schilder—graaf Rasinski, dien ik in Zwitserland op den St. Gotthard heb leeren kennen.”

„Ik vertrouw, dat de vrienden eens derden ook onderling zullen bevriend worden,” sprak Bernard levendig; „reeds volgens mathematische gronden is zulks noodzakelijk.”

„Het is zoo,” hernam Rasinski glimlachend en greep Bernards ten halve aangeboden hand; „twee grootheden, die aan een derde gelijk zijn, zijn aan elkander gelijk, intusschen...”

„Heeft de stelling in mijn geval evenveel voor als tegen zich,” viel Bernard hem schielijk in de rede; „dat stem ik u al dadelijk toe; maar toch hoop ik gelijk te houden.”

„Niets zal mij meer verheugen,” hernam Rasinski.

„Wilt gij,” sprak Lodewijk, „om de waarheid uwer stelling nader te onderzoeken, heden beiden mijne gasten zijn? Ik heb mijne moeder reeds beloofd,” ging hij zich tot den graaf wendende voort, „u en onze beide jongere vrienden in ons huis in te leiden, wanneer zij namelijk mijne uitnoodiging in onzen beperkten huiselijken kring niet versmaden.”

„Welke vreemde woorden, mijn jonge vriend!” sprak Rasinski vriendelijk, terwijl hij den vinger tot eene schertsende bedreiging ophief. „Gij weet, hoe wij ons reeds in dat vooruitzicht verheugd hebben. En kan den soldaat, wiens leven een gestadig eenzaam omdolen is op de opene straat der wereldgebeurtenissen, wel iets aangenamer en genoegelijker zijn, dan een vertrouwelijke, hartelijke familiekring?”

„Ik had gedacht,” merkte Lodewijk op, „dat de krijgsman slechts de drukkende beperktheid zulker betrekkingen gevoelen kon.”

„Ach, beste vriend, gij weet niet, hoe hoog men het geluk van den huiselijken haard leert schatten, wanneer men gevoelt overal een vreemdeling te zijn. Eén enkele dag op deze menschelijke schoone wijze doorgebracht, nadat men maanden lang in de eenzaamheid omzwierf als een opgejaagd wild zonder leger, wordt een onschatbaar geluk. Wel is waar worden daardoor ook weemoedige gewaarwordingen opgewekt, want men ziet gouden vruchten, die men niet plukken mag, maar het doet toch zoo innerlijk goed, nu en dan ook door uitwendige omstandigheden en ontmoetingen er aan herinnerd te worden, dat er eens een tijd was, waarin men zelf ook zoon, broeder, wellicht echtgenoot en vader wezen mocht!”

„Hm,” sprak Bernard, „daar is iets waars aan. Half en half heb ik sinds langen tijd de rol van den wandelenden Jood gespeeld en begin daarom tusschenbeiden naar rust te verlangen; maar op den duur zou ik ze toch niet gaarne met eene andere verwisselen. Ik heb een onoverwinnelijke afkeer van de slaapmuts en de pantoffel; geen vestingmuur, geen tralievenster, geen kerkerkot, die mij zoo benauwen kan.”

„Wie er aan gewoon is,” meende Rasinski, „den hemel des levens dagelijks tusschen storm en zonneschijn te zien afwisselen, die gevoelt zich, het is waar, ook door het vermoeiende eener gestadige kalmte beëngd. Wie echter standvastig en trouw aan den gekozen levensregel vasthoudt, ontdekt in zijne eentoonige kleur duizend kleine schakeeringen, die aan het zachter gestemde gemoed hetzelfde genot schenken, hetzelfde bonte wisselspel des levens voortooveren; natuurlijk moet hij alle scherpe afscheidingen, alle reten, scheuren, kloven en afgronden, die de schoone vlakte zijner dagen konden afbreken, vermijden. Wint men er echter wel bij, wanneer men zich aan de sterkst prikkelende gewent? Worden wij niet spoedig zoo geheel verstompt, dat wij de afwisseling van ijs en gloed nauwelijks meer bemerken? Zoo doen onze afgestompte zintuigen ten laatste eene soortgelijke eentoonigheid ontstaan, met dit onderscheid slechts, dat in onze leefwijs een ruwe, woeste toon de heerschende is, terwijl dáár eene zachtere melodie de ziel vervult en verteedert.”

„De rivier is voor de ranke boot, de oceaan is voor den driedekker,” merkte Bernard vluchtig aan. „De eerste wordt door de onstuimige golven verzwolgen, de laatste blijft op de zandbanken van het ondiepe vaarwater vastzitten. Wat mij betreft, ik houd het met de volle zee, van tijd tot tijd moet ik daarop rondzwalken, en een enkele storm of schipbreuk veraangenaamt de vaart. Werp ik al somtijds aan een stil, vreedzaam eiland het anker uit, de eerste gunstige wind de beste voert mij toch weer in het ruime sop terug. Maar—om over iets anders te spreken—uwe uitnoodiging, Lodewijk, bevalt mij in het geheel niet. Hebben wij niet een schoonen Meidag met zonneschijn en blauwen hemel? Moet men zich dan tusschen vier muren inkerkeren? Mij dunkt, wij moesten gezamenlijk een tochtje naar buiten doen.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk; „en dan stel ik eene vaart op de Elbe voor.”

„Voortreffelijk!” riep Rasinski, „één dag in de vrije natuur, onder den helderen, blauwen hemel doorgebracht, verbindt de menschen sneller en inniger, dan een jaar te zamen in de gezelschapszaal gesleten.”

„Hoe laat dus?” vroeg Bernard. „Drie uur is, dunkt mij, een geschikte tijd.”

„Goed,” hernam Lodewijk. „Ik haast mij de boot af te huren. In allen gevalle verzoek ik, dat wij ons ten huize mijner moeder verzamelen; zoo eenige hindernis in den weg mocht komen, kunnen we ons nog aan ons eerste voornemen houden.”

Na deze woorden namen de vrienden afscheid van elkander. Lodewijk bleef nog een oogenblik aan het terras staan, zag den stroom over en overlegde bij zich zelven, waarheen men de voorgenomen vaart het best richten zoude. Het voorstel daartoe was hem eigenlijk door verrassing ontlokt geworden, daar Bernard met zijn onstuimigen aandrang en Rasinski door de vreugde, welke hij op het denkbeeld van een dag in de vrije natuur door te brengen, had te kennen gegeven, hem geene keus hadden overgelaten. Hij besefte echter, dat het voor zijne zuster niet zeer voegzaam was, zulk een tocht onder geleide van zoo vele vreemde officieren te ondernemen, te minder, daar zij het eenige jonge meisje onder het gezelschap zoude zijn. Bovendien was een groot deel der bevolking van Dresden hevig Duitschgezind en haatte de vreemdelingen als vijanden en onderdrukkers des vaderlands, schoon ook Saksen zich sinds lang aan hen had aangesloten en den keizer zelfs den schijn eener niet onbelangrijke verhooging en uitbreiding te danken had. Maria deelde levendig in die gezindheid; maar al ware dit ook al niet het geval geweest, zoo bevonden zich toch te veel deftige familiën onder de tegenpartij, bij welke een jong meisje, door openlijke verkeering met de over het algemeen niet in den besten reuk staande officieren der armee, in een dubbelzinnig licht gesteld werd. De gansche zaak was hem dus zeer onaangenaam en hij overlegde nog op welke wijze hij bij zijne moeder zijn voorstel het best zoude inrichten, toen hij deze met Maria en meer andere dames het terras zag opkomen.

Nog eer hij bij zich zelven tot het besluit was gekomen of hij haar te gemoet zoude gaan dan niet, huppelde Maria, die hem reeds van verre herkend had, met lichten tred uit de rij der overige vrouwen op hem toe en riep: „Daar vind ik u immers, lieve broeder! Wees hartelijk welkom. Gij zijt mij nog zoo vreemd, zoo nieuw, dat, als ik u een uur niet gesproken heb en dan wederzie, het mij voorkomt, als kwaamt gij zoo even eerst aan en als moest ik u opnieuw om den hals vliegen.”

„Gij goede zuster,” sprak Lodewijk en drukte innig haar kleine hand, „denkt gij, dat het mij anders gaat?”

Maria glimlachte zonder te antwoorden. Eindelijk vervolgde zij: „Kom nu eens spoedig meê, gij zult oude bekenden weerzien; ik ben nieuwsgierig of gij haar nog kennen zult.” Dit zeggende leidde zij Lodewijk naar de dames, die op eenigen afstand bij eene bank, vanwaar men een schoon uitzicht over de landstreek had, naar het scheen, opzettelijk waren blijven staan, om hem op te wachten.

Hij trad, door Maria geleid, met eenige verlegenheid nader. Eene bejaarde en twee jongere dames bevonden zich in gezelschap zijner moeder. De bloeiende meisjes glimlachten schalkachtig, toen zijn blik twijfelachtig op haar rustte; de oudere dame hield het met een breeden stroohoed bedekte hoofd eenigszins voorover gebogen, zoodat men haar gelaat niet zien kon. Het scheen, dat zij niet herkend wilde zijn, om hare dochters niet te verraden, in welke Lodewijk met recht twee kinderen vermoedde, die gedurende zijne afwezigheid tot volwassen jonkvrouwen waren opgegroeid. Zijne moeder zag hem met een geheimzinnigen glimlach aan. „Hij heeft een trouweloos hart,” zeide zij eindelijk; „hij vergeet zijne eeden, zooals de mannen altijd.” De eene der beide jonge meisjes bloosde bij deze woorden als eene liefelijke roos, de andere vertrok den frisschen mond tot een bevallig lachje. Thans hief de oude dame het hoofd op en zag Lodewijk aan.

„Beste tante!” riep deze vroolijk uit, „is het mogelijk! Emma en Julie?”

„Wie anders,” was het antwoord; „maar staat het fraai, zijne naaste bloedverwanten zoo geheel te vergeten?”

Lodewijk kuste zijne tante de hand; hoe hij de dochters begroeten moest, wist hij niet; want ofschoon hij zijne gansche jeugd met haar doorleefd had, ontstaat toch tusschen den tot man rijpenden jongeling en het volwassen meisje, vooral wanneer in den tijd der ontwikkeling eene langdurige scheiding heeft plaats gevonden, eene natuurlijke verwijdering, welke met de vroegere vertrouwelijke betrekking geheel strijdig is. Het bleef dus bij eene welkomstgroet met vriendelijke woorden en een, hoewel iets warmeren kus en druk der hand, dan bij de moeder.

Emma en Julie waren nauw aan Lodewijk verwant, want hare moeder, Elisabeth, was de zuster der zijne, weduwe als deze, en leefde met hare dochters op een klein landgoed eenige uren van Dresden. Als knaap had hij er dikwijls weken en maanden doorgebracht, zoodat tusschen hem en de bloeiende meisjes de kinderlijkste, gulste vertrouwelijkheid geheerscht had. Zij waren thans met hare moeder onverwachts in de stad gekomen, om den keizer te zien en de openlijke feestvieringen bij te wonen, welke met diens tegenwoordigheid verbonden waren. In alle opzichten greep hier dus de vroolijkste verrassing plaats, en het wederzien zoude gewisselijk nog hartelijker geweest zijn, wanneer men zich niet op eene plaats had bevonden, welke eenige terughouding vorderde. Derhalve drong Maria op een spoedig naar huis keeren aan, dewijl men zich in de vriendelijke woning geheel vrij en ongestoord aan de vreugde der ontmoeting zou kunnen overgeven.

Het was tegen den middag, en de lucht begon warm, zelfs drukkend te worden; aan den verren gezichteinder stegen dampen op, die zich tot onweerswolken dreigden saam te pakken. Lodewijk zag niet ongaarne, dat het weder scheen te veranderen, daar zulks hem een geschikt voorwendsel aan de hand gaf, om de in overijling vastgestelde vaart op de Elbe op te schorten. Hij was intusschen te openhartig, om zijne moeder het gebeurde te verzwijgen; hij voerde haar een oogenblik ter zijde, kwam rondborstig uit voor de onbezonnenheid, welke hij begaan had, en vroeg haar om raad aangaande de wijze, waarop men, zonder iemand te beleedigen, het plan gevoegelijk zoude kunnen verijdelen. Tegen zijn vermoeden antwoordde de moeder vriendelijk: „Het is mij juist wel niet aangenaam, mij zoo openlijk met vreemde officieren te vertoonen, maar toch, daar het Polen zijn, wier hertog onze koning is en die wij dus bijna als landslieden beschouwen kunnen, is er naar mijn gevoel niets dadelijk onvoegzaams in gelegen. Daar bovendien mijne zuster en hare dochters ons gezelschap vergroot hebben, kunt gij volkomen gerust zijn en den uitslag aan de gunstige of ongunstige beschikking van het weder overlaten.”

Zonderling genoeg kan ons eene oogenblikkelijke zorg of bekommering dikwijls meer onrust verwekken, dan eene doorgaande, diepe, reeds lang gekoesterde smart; dit was met Lodewijk het geval geweest, en daarom voelde hij zich na deze verklaring zeer opgeruimd, ja zelfs vroolijk gestemd. In het midden der beide bloeiende gezellinnen zijner jeugd, die zich, vertrouwelijk als voorheen, van zijn arm hadden meester gemaakt en met vrouwelijke nieuwsgierigheid van de wonderen wenschten te hooren, welke hij op zijne reis moest gezien hebben, kreeg hij zijne vroegere welbespraaktheid geheel terug. Zijne ziel ontsloot zich voor de tooverachtige herinneringen zijner zorgelooze kindsheid; het was hem alsof hij op den top van een door donkere, het uitzicht belemmerende wouden omringden en met moeite beklommen berg stond en den blik in het stille dal terugwierp, waar hij met lieve naburen lang genoegelijk gewoond had. Lag het ook reeds op een verren, schemerenden afstand achter hem, zijn oog kon toch de welbekende paden en geliefde schuilplaatsen nog onderkennen, welke het zijnen voet niet meer vergund was te bewandelen.—Vroegen dus Julie en Emma naar den Etna of den Vesuvius, dan gaf hij een kort, luchtig antwoord en vernam dadelijk naar de beide wijnbergen, die op het goed der tante lagen en waarop hij zoo menigen vroolijken dag had doorgebracht. Deden de luisterende nichtjes onderzoek naar het Colosseum, dan wilde hij daarentegen weten, of het tuinhuisje nog in wezen was, dat hij zelf mede had helpen opbouwen. Maria, die niet dan ongaarne de plaats aan den arm haars broeders had afgestaan, ging nu naast hem, dan vóór hem uit en zag bij elke vraag en antwoord met vergenoegde blikken om, daar zij zien moest, welken indruk die te weeg brachten, en het haar zoo goed deed, dat zij even trotsch op de bereisdheid van haren broeder zijn konde, als zij hem beminnen moest om de nauwkeurigheid, waarmede hij tot zelfs de geringste genoegens zijner jeugd in aandenken had gehouden.—Zoo bereikte men de woning. Hier maakte de moeder het plan tot het riviertochtje bekend, waarmede de onbezorgde meisjes zeer schenen ingenomen. Om te spoediger gereed te zijn, maakte Maria dadelijk toebereidselen tot den maaltijd en liet Lodewijk met de beide moeders en de meisjes alleen, onder uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat hij niets vertellen zoude, wat zij reeds van hem gehoord had. „Want,” zeide zij, „moeder hoort het gaarne tweemaal en ik mag niets verliezen.”

Nauwelijks had men zich nedergezet, of er werd aan de deur geklopt en Bernard trad de kamer binnen.

Als de vertrouwde boezemvriend van Lodewijk werd hij met groote vriendelijkheid ontvangen; ook Emma en Julie herinnerden zich zijner nog zeer wel, daar hij haar dikwijls kleine teekeningen geschonken of die op hare kinderlijke bestellingen zelfs wel opzettelijk voor haar vervaardigd had.

„Het zal u verwonderen, beste vriend!” dus begon hij, „mij zoo vroegtijdig hier te zien. Maar er zijn gewichtige dingen ophanden, die ik u noodzakelijk mededeelen moet. Het gansche hof trekt namelijk heden avond naar Pillnitz, om den Porsberg te bestijgen en vervolgens bij fakkellicht terug te keeren. Ik vermoedde dus, dat het de dames wellicht aangenaam zijn zou, dat schouwspel bij te wonen, wanneer echter, vooral als het bij het roeibootje blijft, een vroeger vertrek volstrekt noodzakelijk wordt, daar wij tegen den stroom op niet snel zullen vorderen. Buiten mij, die het zoo even van den hofmaarschalk gehoord heb, weet geen mensch in Dresden iets van de geheele zaak, waardoor wij gemakkelijk rijtuigen of gondels, als ook plaats te Pillnitz zelf kunnen krijgen.”

Bernards nieuwstijding werd, vooral door de beide landmeisjes, met blijdschap aangehoord. Lodewijk voelde wel is waar meer geneigdheid, om in eene meer afgezonderde landstreek de natuur en het heerlijke lenteweder te genieten, doch niettemin was ook hij dadelijk bereid om Bernards voorstel aan te nemen. Men besloot de afreize te bespoedigen, maar, in plaats van eene gondel, twee wagens te kiezen, met welker bezorging Bernard zich gewillig belastte, terwijl hij tevens op zich nam den graaf Rasinski en diens jongere geleiders op te zoeken en van het veranderde reisplan te verwittigen. Hij verwijderde zich dus dadelijk weder. Intusschen was Maria met hare voorbereidsels tot het eenvoudige, burgerlijke maal gereed; men zette zich aan tafel en bracht een zeer genoeglijk uur met elkander door, zoodat zelfs Lodewijk de diepe wonden vergat, welke in zijn binnenste bloedden.

Het was nauwelijks twee uur geslagen, toen een der door Bernard bestelde wagens kwam aanrollen; een kwartier uur later volgde de tweede, waarin de drie officieren en Bernard reeds plaats genomen hadden. Lodewijk snelde naar de deur om hen te ontvangen en naar boven te geleiden. Toen de kamerdeur zich thans opende en de rijzige, mannelijk schoone Rasinski met de edelste ongedwongenheid binnentrad, was eene blijde verrassing op de gelaatstrekken der vrouwen onmiskenbaar te lezen, die bij de drie meisjes weldra voor een donkeren blos plaats maakte, bij het alleszins gegronde, ofschoon slechts duistere gevoel, dat de indruk, dien de verschijning van den Pool op haar te weeg bracht, zich door hare trekken verraden had. Bovendien stak het van nature statige en ontzagwekkende voorkomen van Rasinski, door den glans zijner prachtige monteering nog opgeluisterd, op eene in het oog loopende wijze af bij de eenvoudigheid van het burgerlijk ingerichte vertrek en de huiselijke kleeding der vrouwen. Zelfs Lodewijks moeder, die overigens den juisten toon in den omgang met hoogere standen geenszins miste, was een oogenblik verrast, ja bijna verlegen; doch de welwillende vriendelijkheid en de ongekunstelde wellevendheid van den graaf lieten dien toestand ook slechts een oogenblik duren. Daar Lodewijk hem met de woorden: „De graaf Rasinski,” aan zijne moeder had voorgesteld, zeide hij op innemenden toon: „Mijne rechten op het hart van mijnheer uw zoon zijn nog te nieuw, mevrouw, om mij er over te durven beklagen, dat hij mij niet als zijn vriend voorstelt, want anders zouden de eerste woorden die ik met u wissel in eene aanklacht moeten bestaan.”

„En toch,” hervatte de moeder, „moet mijn zoon op zijne rechten als vriend al veel vertrouwen stellen, daar hij slechts op deze steunende u in een kring dorst binnenvoeren, welke u niets kan aanbieden dan gaven, die slechts bij innig bevriende betrekkingen eenige waarde bezitten.”

„Het zijn de eenige, die ik waardeer, maar die mij echter ook boven alles dierbaar zijn,” hernam Rasinski met vuur.

Lodewijk maakte nu ook de overige personen met elkander bekend, eene taak, welke hem door den aangenamen, vrijen gezelschapstoon, zijnen vriend geheel eigen, en de innemende wellevendheid van Maria, die door ongedwongenheid niets aan fijnheid verloor, aanmerkelijk verlicht werd. Slechts Julie en Emma, den steedschen omgang minder gewoon, waren in de eerste oogenblikken een weinig bedeesd en verlegen.

Daar de mannen elke aangebodene verfrissching van de hand wezen, stond niets het afrijden meer in den weg. Rasinski geleidde de gastvrouw, Lodewijk zijne tante naar beneden, waar men het over de verdeeling spoedig eens werd, en de tante, Maria, Bernard, benevens de beide jongere officieren in het eerste, de moeder, Rasinski, Julie, Emma en Lodewijk in het tweede rijtuig plaatsnamen.

HOOFDSTUK IV.

Het besluit tot een rit naar den Porsberg was zoo onverwachts bij het hof opgekomen, dat er in de stad weinig van bekend werd en men Pillnitz dus nog bijna geheel ledig vond. Lodewijk maakte hiervan gebruik, door in de herberg dadelijk eene vrije kamer in beslag te nemen, wijl naderhand de toeloop lichtelijk zoo groot kon worden, dat het aan plaats ontbrak. Nadat de dames aldaar haar toilet een weinig in orde hadden gebracht, besloot men tot eene wandeling in den tuin, waar de schaduwrijke lanen bij de nog tamelijk drukkende hitte eene aangename schuilplaats beloofden. Eerst later, bij de invallende koelte, wilde men den berg beklimmen, daar het hof eerst tegen het ondergaan der zon op den top verwacht werd.

De tijd vlood onder het wandelen hoogst genoeglijk voorbij. Reizigers, vooral soldaten, die een zwervend leven leiden, worden oneindig veel spoediger bekend in de kringen met welke zij vluchtig in aanraking komen, dan zulks met anderen het geval is. De dra op handen zijnde scheiding leert daarbij de waarde van het oogenblik hooger schatten; men beschouwt elk, dien men slechts voor korten tijd zien zal, om hem dan wellicht voor eeuwig vaarwel te zeggen, veel opmerkzamer, dan hem, wiens levensweg met den onzen langer schijnt te zullen samenloopen. Ook vindt onder zulke omstandigheden eene eigenaardige, wederkeerige toenadering en belangstelling plaats. De blijvende beschouwt den vreemdeling, die verre landstreken doorkruist heeft, en nog meer verwijderde te gemoet snelt om er wellicht de zonderlingste ontmoetingen te beleven, met verhoogde deelneming; de omdolende vreemdeling daarentegen wordt door den aanblik van het gelijkmatige, zorgelooze geluk eener stille huishoudelijkheid tot een weemoedig verlangen gestemd, dat ook hem alle voorwerpen in een bekoorlijker daglicht vertoont. Zoo kunnen ook persoonlijke hoedanigheden, die ons in den gewonen omgang misschien onverschillig zouden hebben gelaten, in zulk een geval hoogst aantrekkelijk worden en daar vooral, waar eene inderdaad zeldzame vereeniging van belangwekkende eigenschappen gevonden wordt, vormt zich niet zelden, wanneer een rechtstreeksch verschil van levens- en lotsbestemming de wederzijdsche toenadering versterkt, eene innige verbintenis der harten, die, hoe snel en vluchtig aangeknoopt, dikwijls nimmer weder kan verbroken worden zonder de smartelijkste wonden achter te laten.

Dit was bij de jeugdige gemoederen het geval, die zich thans in argelooze openhartigheid voor elkander ontsloten. Het kon wel niet anders, of twee in de stilte van het landleven opgegroeide meisjes, die een gelukkigen aanleg bezaten, maar wier opvoeding echter door de omstandigheden eenigermate gebrekkig was geweest, moesten worden medegesleept door het onderhoud van twee vurige jongelingen, wier borst in edele geestdrift voor den krijg en het vaderland ontvlamd was, en wier leven van hunne vroegste jeugd af zoo rijk aan merkwaardige ontmoetingen en eervolle daden was geweest. Jaromir bezat daarenboven die, zijn volk eigene, bijna kinderlijk eenvoudige levendigheid, welke, met eene vreemdklinkende uitspraak der duitsche taal en eene daaruit ontstaande geheel eigendommelijke wijze van uitdrukking gepaard, iets zeer innemends had; Boleslaw integendeel was ernstig in zijn voorkomen, doch de adel zijner gelaatstrekken, zijn hoog met donkere lokken overschaduwd voorhoofd, zijne vurige oogen verzekerden hem al dadelijk bij zijne eerste verschijning een warme belangstelling. Daarentegen moesten twee jonge helden, die eerst voor eenige dagen het ruwe legerkamp verlaten hadden en een vertrouwelijken omgang met edele, beschaafde vrouwelijke wezens niet dan uit de herinneringen hunner kindsheid kenden, wellicht nog sneller door de banden geboeid worden, die zich zoo spoedig tusschen de onverbasterde, jeugdige harten laten aanknoopen. Onder zulke omstandigheden pleegt wel is waar niet zoo licht een diep indringende hartstocht te ontstaan, wijl het vluchtige, voorbijgaande en kortstondige der genieting zich telkens aan de ziel voordoet; maar het oogenblik doet daarvoor zijne rechten ook des te levendiger gelden.

Deze beide paren genoten dus een schuldeloos geluk, zonder zich van de oorzaak daarvan rekenschap te geven; het vervulde en verkwikte hun de borst, gelijk een zachte lentedag, welks verrukkende tooverkracht ons ook uit verborgen bronnen in de ziel dringt en slechts een algemeen verlangen doet ontwaken, zonder den blik op bepaalde verwachtingen te doen vestigen.

Beter was Bernard, die, gelijk eene plant van het gloeiende zuiden, door den geweldigen vuurgloed zijner ziel vroeger tot een ongelijk hoogeren wasdom en eene meerdere ontwikkeling van al zijne krachten gerijpt was, zich den aard zijner gewaarwordingen bewust. In zijne borst was het zelden helder dag; hij kende slechts nacht en vlammen, en deze brandden nooit zuiver, maar wierpen, gelijk de vuurkraters der zon, gestadig reusachtige sintelmassa's uit, die zich tot zwarte vlekken vormden op de lichtende schijf. Intusschen werd ook de duistere nacht bij hem verlicht, hetzij door bliksemstralen, hetzij door eenige in de verte fonkelende sterren, op welke hij het oog met smachtend verlangen gericht hield. Deze fantastische beschouwing van zijn binnenste was bij hem opgekomen, toen hij een weinig met Lodewijk was achtergebleven en beiden, stilstaande, met het oog de wentelende golven van den stroom volgden.

„Tusschenbeiden,” begon hij, „komt het mij voor, dat het in het uiterste noorden van den nachtelijken hemel mijner ziel begint te schemeren en de maan zacht en glansrijk moet opkomen. Maar zij stijgt bloedig op, en die gansche schemering was slechts de weerschijn van een brand, die mij, de duivel weet wat vernielt.”

„En mij is het,” antwoordde Lodewijk, wien deze vergelijking bij zijne tegenwoordige gemoedsstemming diep ontroerde, „mij is het alsof die schemerende gloed slechts het ondergaan van eenig schoon gesternte aanduidde, waarna alles spoedig duistere nacht zal zijn.”

„Gij kunt gelijk hebben,” sprak Bernard ruw en kortaf, zooals hij gewoon was; „maar keeren wij tot het gezelschap terug.”

„Ik troost mij daarmede,” vervolgde Lodewijk onder het voortgaan, „dat elk ondergaand gesternte in eene andere wereld opgaat.”

„Ja, ja, recht lief,” merkte Bernard op; „het rad, dat mij lenden en ribben en mijnenthalve het hart daartusschen stuk rijdt, draait aan de as van een triomfwagen voor een ander, die misschien een ezel is; of eene gans en een aap zitten dood op hun gemak in de kales, of rijden naar de kerk in de bruiloftskoets, waarvan de wielen mij verpletteren en radbraken. Dat troost ongemeen!”

„Zoo meende ik het niet, Bernard,” sprak Lodewijk een weinig geraakt; „ook hebt gij mij met opzet misverstaan. Niet eene wereld van anderen, maar die, welke voor ons zelven eene andere, betere zal zijn, bedoelde ik.”

„Goede Lodewijk,” antwoordde Bernard, terwijl hij uit dien bitteren toon in zijne gewone spotachtige luim overging, „het is waarlijk eene zeer aangename geruststelling, die wij in Ariosto lezen, dat dingen, die hier voor ons verloren gaan, in de maan zijn weer te vinden; wat mij nochtans betreft, ik behield liever het weinige dat ik heb; men spaart zijne moeite daarbij. Is de zaak intusschen inderdaad zoo, dan kan ik u verzekeren, dat mijne meeste goederen in de maan liggen en dat ik in het daar berustende register van hypotheken, als het eenigszins goed in orde is, met aanmerkelijke vorderingen moet staan ingeschreven. Maar als wij zoo voortbabbelen en de oogen niet eens opslaan, zullen wij ons gezelschap ook spoedig onder de dingen kunnen tellen, die wij eer in de maan wedervinden dan hier; want had ik niet zoo even de beide moeders daar achter het vlierboschje zien verdwijnen, dan zou ik waarlijk niet weten, of ik de dochters rechts of links zoeken moest, vooral dewijl aan gindschen hoek zooveel wegen door elkander kruisen, dat wed ik, in geheel Duitschland geene betere plaats voor eene duivelsbezwering te vinden is.”

Terwijl beide vrienden haastig voortspoedden en juist de donkere laan wilden inslaan, waarin de overigen verdwenen waren, ontmoetten zij twee vreemde heeren, van welke de een zorgvuldig gekleed was en het roode lint van het legioen van eer in het knoopsgat droeg. De ander hield zich een weinig achter hem en had daardoor het voorkomen van kamerdienaar of misschien wel geheimschrijver te zijn. Op nog verderen afstand volgden twee livreibedienden. Met beleefdheid groetende, snelde de heer met de orde hen voorbij, de andere zag naar de knechts om en stond een oogenblik stil. Toen hij zich daarop omwendde, waren Lodewijk en Bernard hem juist genaderd. Beide schenen zijne aandacht tot zich te trekken; hij groette vluchtig, doch verzuimde niet hen onder het voorbijgaan nauwkeurig op te nemen. Toen Bernard, wien het gelaat des vreemden wellicht nog meer getroffen had dan dezen het zijne, zich omkeerde om hem na te zien, bemerkte hij, dat de ander hetzelfde deed. De bedienden waren zij intusschen achteloos voorbijgegaan.

„Dat gezicht ken ik,” zeide Bernard, „en ik ben verzekerd het meer gezien te hebben; maar liegen moest ik, als ik zeide dat het mij beviel. Verwenscht is het, dat ik als schilder de lijnen en hoeken der schurkachtigste wezenstrekken nauwkeurig onthoud, terwijl de passen, waarop zij door de wereld reizen, met alle overige toevoegsels van het signalement, mij dadelijk door het hoofd gaan; ik bedoel de namen en verdere betrekkingen. Mijn herinneringsvermogen, hoe groot ook, baat mij dus weinig meer dan eene spraak, waarvan ik alle woorden weet, zonder de zaken te kennen die zij beteekenen.”

„Hij viel mij ook in het oog,” antwoordde Lodewijk; „maar ik heb voor gezichten, die mij noch op zich zelf noch door de omstandigheden belang inboezemen, bijna volstrekt geen geheugen.”

„Wanneer hij ons ooit of immer al meer tegen 't lijf is geloopen,” vervolgde Bernard, „zult gij hem aan de noord-, ik hem aan de zuidpool gezien hebben, daar ik van Schotland kom en gij uit Napels in Dresden beland zijt. Mij kwellen dergelijke verloren gezichten, wier bijschrift ik niet vinden kan, dikwijls; maar zóó heeft er mij in lang geen geplaagd.”

„Het scheen, dat hij u of mij kende,” hernam Lodewijk; „ten minste hij zag ons scherp aan.”

„Licht mogelijk, dat hij zich ons beiden herinnert en verwonderd is, wat hij aan deze en de overzij van den aequator gezien heeft, hier in den tuin te Pillnitz op denzelfden graad noorderbreedte weer te vinden.—Verdrietig!—Ik wed, de kerel ontneemt mij voor den ganschen namiddag mijne goede luim, want ik ben zeker, dat hij mij gedurig voor oogen zal staan, juist omdat ik mijn best doe hem uit mijne gedachten te stellen.”

„Bekommer u niet langer over hem, mijn vriend,” sprak Lodewijk. „Bij slot van rekening is het een eenvoudig reiziger, met wien wij ergens in een postwagen of aan een open tafel gezeten hebben en die niet waard is, dat gij uwe goede stemming door hem verliest.”

Intusschen hadden de vrienden hun gezelschap ingehaald, en Bernard voegde zich bij Maria, aan wie Rasinski tot hiertoe de zorgvuldigste oplettendheid gewijd had.

Het was middelerwijl tijd geworden om den berg te bestijgen. Daar hiertoe bijna een uur gevorderd werd, drong Lodewijk er op aan, dat de vrouwen eerst een weinig uitrusten en eene verversching gebruiken zouden. Men begaf zich dus naar de herberg terug.

Hierop begon men de wandeling. Reeds begonnen de verschillende wegen, die naar boven voerden, een zeer levendigen aanblik te vertoonen, en vrouwen en mannen uit alle standen mengden zich in bont gewoel dooreen en beklommen moedig de hoogte. Toen men de ruïne bereikt had, verklaarde de moeder, dat de zwakke borst haar het opstijgen bezwaarlijk maakte en zij dus van het genot van het uitzicht op den top afzien en hier vertoeven wilde, alwaar zij genoeg bekenden uit Dresden ontdekte, aan welke zij zich kon aansluiten. Hare zuster gaf hetzelfde verlangen te kennen. De jongelieden vervolgden dus alleen hunne wandeling, terwijl de moeders voor eene, in het boschje bij den bouwval opgeslagen tent, waar ververschingen werden te koop geboden, plaats namen.

Lodewijk en Bernard, den weg kennende, dienden tot geleiders. Zij weken, waar het mogelijk was, van den breeden rijweg af en kozen de meer eenzame paden, die door het kreupelhout slingerden. Hier omringde hen eene groene, weldadige schemering; het met bloemen bedekte, weelderige grastapijt ademde liefelijke geuren uit; de hemel blonk blauw en helder door de reten van het dichte loofdak; kleine beken murmelden en ruischten onder de struiken ter zijde van het pad en dartelden langs zilveren kronkelpaden naar beneden; het gezang der vogels klonk schel en vroolijk uit elken boom; duizende insecten gonsden door de lucht; de lente leefde en werkte in bosch en bloem, in lucht en water, en wiegde de ziel in zoete droomen. Van tijd tot tijd opende zich het hout en verleende het uitzicht in de diepte en verte! Nu eens zag men Pillnitz zich in den breeden Elbestroom spiegelen, dan weder zweefde het oog over vruchtbare vlakten en zag in het verste verschiet de boheemsche bergen opblauwen. Zoo werd de wandeling door eene gestadige afwisseling der bevalligste tafereelen verkort en had men den top bereikt, zonder eenige vermoeidheid te bespeuren.

Hier waren en werden nog feestelijke aanstalten gemaakt, om de hooge bezoekers te ontvangen. Een groot aantal arbeiders en tuinmeisjes was onder opzicht van den hoftuinier bezig de plaats met bloemenfestoenen en kransen, die van boom tot boom geslingerd werden, te omgeven. Eene prachtige tent was op het grasveld opgeslagen en zelfs de wachttoren, van welks tinnen men een vrij uitzicht had over het naaste woud, werd met bloemen versierd, die zonderling bij den grijzen, bemosten steenklomp afstaken. Bernard overzag met een snellen blik het geheel en zeide: „Recht aardig; juist niet kunstmatig schoon, maar feestelijk; evenals enkele volksdrachten, hoe weinig schoon soms ook, toch vaak eene warme, bevallige levendigheid bezitten en daardoor voor de kunst dienstiger worden dan edele antieke kleedervormen. Maar den armen toren hadt gij met vrede moeten laten, goede lieden! Dat is, alsof gij een tachtigjarigen kaalkop een krans opzettet; bloemen passen der jeugd, kransen voegen in het donkerlokkige haar.”

Dit zeggende nam hij eene der bloemenvlechtsters een juist voltooiden krans van vroege rozen, viooltjes en reseda's uit de hand en drukte dien met eene vlugge beweging op Maria's donkerbruine lokken, zoodat deze verschrikt opzag; spoedig herstelde zij zich echter en vroeg blozende en hem toelachende: „Staat hij mij goed?”

„Eene lentegodin!” riep Bernard. „Allerliefst!” meenden Julie en Emma, haar aandachtig beschouwende. Bernards gedachte had zooveel bijval gevonden, dat Rasinski der vlechtster eenige geldstukken in de hand liet glijden en daarvoor nog twee dergelijke kransen bekwam, welke hij aan Julie en Emma overreikte, met dringende bede, dat ook zij zich daarmede tooien zouden. Wel weigerden zij dit blozende en huiverden bij de gedachte van opzien te zullen verwekken; doch Maria voegde haren aandrang bij dien der overigen en zoo gaven zij eindelijk toe. Vooral bewoog haar daartoe de omstandigheid, die thans eerst met verwondering door allen werd opgemerkt, dat zij zich geheel alleen onder de arbeiders bevonden, daar van de vele toeschouwers nog niemand tot deze hoogte was doorgedrongen. Zonder het te weten, hadden zij dit aan de officieren en wel voornamelijk aan Rasinski te danken; want er was bevel gegeven, alle personen, die niet tot het hof behoorden, slechts tot op eene zekere hoogte van den berg toe te laten, en te dien einde waren op den grooten weg verschillende posten uitgezet. Het kleine zijpad was onopgemerkt gebleven. Op den kruin bevonden zich wel is waar ook wachtposten, doch daar Rasinski de schitterende uniform droeg en door twee jonge officieren begeleid werd, meenden de soldaten, bij wie de monteering in het algemeen voor een vrijpas pleegt te gelden, daarin het onwedersprekelijke bewijs te zien, dat hij met zijn gezelschap het recht had om op den berg te blijven, te meer daar zij veronderstelden, dat men hem ook beneden reeds om dezelfde reden had doorgelaten. Bovendien had zijn geheele voorkomen iets zoo gebiedends en voornaams, dat ondergeschikte lieden hem zelden aan het algemeene verbod onderworpen geloofden, maar hem gewoonlijk met onmiskenbaren eerbied voor zijn persoon als eene volkomen geldige uitzondering op den regel beschouwden.

HOOFDSTUK V.

Thans ging men den toren bestijgen; Rasinski bood Maria den arm om haar de kleine trap op te leiden. Schoon deze het ruime uitzicht van boven thans niet voor de eerste maal genoot, was haar de verrukkelijke schoonheid daarvan toch telkenreize weder nieuw. Van de hooge torenspits over de groene bosschen, die tot hiertoe het uitzicht van alle zijden belemmerden, heenzwevend, zag het oog achter den wiegelenden voorgrond van frissche boomtoppen een onmetelijk verschiet geopend. De landstreek vertoont eene zachte afwisseling van golvende korenvelden en boschrijke heuvels, tusschen welke tallooze dorpen en steden verspreid liggen. Door zijn breeden zilverband deelt de Elbestroom het bekoorlijke landschap in twee regelmatige helften. Gaarne volgt het oog de reeks van schoone beelden, welke de rivier in haar helderen waterspiegel terugkaatst, en zweeft van de blauwe, schemerachtige torens van Dresden op de wijnbergen van Loschwitz, van deze op de steile rotskegels van den König- en Lilienstein over, die, als half ingestorte egyptische piramiden, zich reusachtig boven hunne omgevingen verheffen. In het midden van dit zachte, met duizend bonte, maar door den afstand minder glansrijke verven doorweven tapijt, rijst de groene, frissche berg, met zijne nu langzaam, dan loodrecht afdalende woudhellingen, statig omhoog en vormt als het ware het hart van het uitgestrekte panorama.

Terwijl de mannen met eene zekere onverschilligheid de schoonheden voorbijzagen, die de waarlijk schilderachtige partijen van den berg zelven hun aanboden, en met onzekere blikken de met hun rusteloos voorwaarts strevenden geest meer verwante verte doorkruisten, richtte zich het oog der vrouwen om gelijke reden, op de voorwerpen die haar van meer nabij omringden. Zij beschouwden de ruimte, die zij zoo even doorwandeld hadden, en Maria inzonderheid zag met welgevallen op het groene, feestelijk versierde grasperk neder, dat zij nauwelijks verlaten had en waarop de bezige, meerendeels in het wit gekleede bloemenvlechtsters inderdaad eene aardige vertooning maakten.

Bernards blik zweefde over de aarde heen en verloor zich in de wolkgevaarten, die zich in zonderlinge vormen aan den gezichteinder opeenstapelden en aan zijne verbeelding meer voedsel boden van den bekenden landbouw, die hem, wanneer hij ze met de stout verhevene, grootsche natuur van het noorden vergeleek, waardoor hij nog zoo onlangs omringd was, vrij eentonig en nuchteren voorkwam. Ditmaal echter werd uit den droomer, die zoo gaarne tusschen duistere nevelgestalten en vluchtige wolkenbeelden omdoolde, een zeer dagelijksch, gewoon mensch. „Wij krijgen onweer,” merkte hij zeer bedaard op; „sinds den middag heeft het gebroeid en thans hebben wij het tweede keerpunt, dat van zes uren namelijk, wanneer de balans der weegschaal juist tusschen middag en middernacht in staat en het spoedig blijken moet of zij tot de duisternis dan tot het licht overslaat, dat is, of wij een helderen hemel houden of onweer krijgen. Gij moet weten, dat ik op mijne verre zeetochten een bijster groot weerkundige ben geworden, en dus profeteer ik niets goeds, want de wind kruipt in een anderen hoek en er begint drift in de lucht te komen.”

Werkelijk kwamen donkere wolken van achter het gebergte opzetten; een dof gesuis verhief zich en men kon aan het golven en wiegen der boomstammen bespeuren, dat de luchtstroom over de boschrijke hoogten naderde. De uitbarsting van het onweder scheen door Bernards voorspelling verhaast te zijn, zoo plotseling brak het van alle zijden los. Een hevige windvlaag gierde om den toren en had door haar onverhoedschen aanval de hoeden en doeken der vrouwen bijna medegevoerd. Enkele zware vooruitdrijvende wolken bedekten thans de zon, zoodat reusachtige slagschaduwen zich over het landschap uitstrekten en de lucht meer en meer verduisterd werd.

Met angstvallige verlegenheid zagen de meisjes elkander aan; het onweder dreigde hevig te worden en was reeds zoo nabij dat men het niet meer ontvlieden kon. De toestand waarin zij verkeerden was dus inderdaad bedenkelijk, en toch werd het schouwspel zoo verheven, dat de aanblik daarvan alle bezorgdheid en vrees eenigermate op den achtergrond deed treden. In dichte massa's pakten de zware, met vuur en sulfer bezwangerde donderkruinen zich aan den oostelijken gezichteinder opeen en hulden het gebergte in een steeds dichteren sluier. Een nachtelijk duister breidde zich over het gansche landschap uit; slechts eenige ten deele met witte pleistergebouwen bekroonde hoogten, waarop de zon van tusschen de scheuren der wolken hare schuine lichtstralen nederschoot, glansden in lichte omtrekken op den donkeren grond. In het westen was het helder lichtblauw nog niet geheel door de zwarte wolken omsluierd, die, somber en dreigend voor de zonneschijf gelegerd, met vurige, getakte goudboorden door haar omzoomd werden. Herhaalde malen verhief zich de storm met woeste vlagen, schudde de kruinen der eiken en dennen en joeg het stof in dwarlende zuilen naar boven; gedurende de tusschenpoozen was de stilte daardoor des te doodscher en beklemde eene zwoele drukking de borst. Geen vogel liet zich hooren; slechts hier en daar zag men er nog een angstig fladderend zijn nest zoeken. Op eenmaal zetten roode vuurstralen den ganschen westelijken hemel in vlam en kronkelend schoot de bliksem in den breeden stroom neder. De zwangere wolken waren intusschen nog tamelijk ver verwijderd; want er verliep een halve minuut eer het doffe rollen van den donder door de lucht dreunde en ratelend van berg- tot bergkruin voortliep.

„Heerlijk!” juichte Bernard. „Een dozijn schooner dagen geef ik voor zulk een onweer! Hoe prachtig vallen die lichttinten op het landschap! Dag en nacht in scherpe toetsen naast elkaar gelegerd! Zie den Sonnestein daar boven den Pirna nog glanzen en fonkelen tegen de blauwzwarte wolken, die zich achter hem opeenstapelen; en de witte zeilen daar op de Elbe, die als meeuwen over den grijzen stroom schieten!”

De meisjes waren van de verheven schoonheid van dit tooneel zoo doordrongen, dat zij zich wel wachtten, voor de kleeding en hoeden eenige bezorgdheid te doen blijken. Echter trok het onweder met zulk eene vreeselijke majesteit boven hare hoofden samen, dat het een vrouwelijk hart wel met eenigen angst vervullen kon.

„Daar ginder begint het al sterk te regenen,” merkte Lodewijk op, terwijl hij met den vinger de richting aanwees.

„Waar?” vroeg Maria.

„Daar, rechts van den Königstein, waar die dichte, grauwe en purperkleurige strepen uit den schoot der wolk tot de aarde afdalen; men kan duidelijk zien, dat de regen meer en meer naar het westen trekt.”

„Zou het mogelijk zijn,” vervolgde Maria, „dat wij Pillnitz bereikten eer de bui geheel losbreekt?”

„Bezwaarlijk,” hernam Lodewijk; „ook durf ik niet aanraden er de proef van te nemen; daar wij hier boven in het kleine gewelf van den toren, dat men ons gewis gaarne zal openen, eene veilige schuilplaats hebben. Wellicht trekt ook het onweder nog geheel voorbij, want de storm schijnt hevig genoeg te zullen worden om het over onze hoofden weg te drijven.”

Inderdaad togen de wolkgevaarten thans zoo gebroken over de bergkruin heen en pakten zich aan de overzijde van den stroom zoo dicht samen, dat Lodewijks gissing eenige waarschijnlijkheid bekwam. Terwijl men nog overleide, welke partij te kiezen, kwam een ruiter in vollen galop den berg opstuiven en bracht den hoftuinier het bericht, dat de fakkelrit plotseling was uitgesteld, zoodat de toebereidsels ter ontvangst der hooge gasten tot morgen konden worden opgeschort. De arbeiders, die van alle zijden door het bosch omgeven, de nadering van het onweder eerst door den donderslag bemerkt hadden, haastten zich nu hunne afgelegde kleedingstukken en gereedschappen bijeen te rapen, ten einde zoo spoedig mogelijk onder dak te komen. De meisjes wierpen hare doeken over het hoofd en vluchtten ijlings langs het bergpad naar beneden. Van de mannen bleef nog een klein aantal op last van den opzichter terug, om de tent af te breken, die bezwaarlijk tegen de regenvlagen zou bestand geweest zijn.

Deze aanstalten en vooral de haastige vlucht der tuinmeisjes vermeerderden de bezorgdheid der vrouwen, die nog op de hoogte van den toren stonden en hare in den wind fladderende, lichte kleeding met moeite in bedwang hielden. Maria was van oordeel, dat men nog even goed als deze eene schuilplaats zoeken en eene woning bereiken konde, die meer beschutting tegen het weer aanbood. Lodewijk snelde dus in allerijl de trappen af om bij den hoftuinier naar het een en ander te vernemen. Deze liet juist de tent en de tot het opslaan gebezigde gereedschappen in de enge ruimte brengen, welke de toren aanbood. Op Lodewijks vraag verzekerde hij niet te twijfelen, of men zou Pillnitz nog gelukkig kunnen bereiken, daar de weg bergaf spoedig was afgelegd en de onweders hier boven op de hoogte, waar men door niets tegen den storm beschut was en den ganschen gezichteinder overzag, steeds nader en dreigender schenen dan zij inderdaad waren, zoodat er wellicht nog een uur verloopen kon eer het begon te regenen. Verkoos echter het gezelschap hier boven te blijven, zoo wilde hij gaarne den sleutel tot de kleine bergplaats in den toren geven, schoon ze met gereedschappen, stoelen en tafels reeds grootendeels opgevuld, slechts een klein getal personen bevatten kon.

Lodewijk nam dit aanbod met dankbaarheid aan en beloofde de deuren zorgvuldig te zullen sluiten en den sleutel in Pillnitz af te geven. Ofschoon de tuinier de ondervinding voor zich had, scheen hij zich toch ditmaal in de nabijheid van het onweder te bedriegen; althans Lodewijk wilde der vrouwen nog eerst de keus laten of zij den terugweg boven het hem verkieslijker schijnend schoon ook al niet zeer aangenaam oponthoud de voorkeur gaven. Hij nam dus den sleutel aan en spoedde de trappen weder op om zijne berichten over te brengen. De stemmen waren verdeeld. De mannen, vooral Bernard, stemden eenparig om te blijven, daar men klaarblijkelijk geen dak meer bereiken konde eer de onweersvlaag in volle woede losbarstte; de meisjes daarentegen, voor de ongerustheid bekommerd waarin de moeders bij langer uitblijven natuurlijk verkeeren moesten, drongen er op aan den gevaarlijken tocht te wagen en dadelijk op weg te gaan. Daar hare wenschen het meest in aanmerking kwamen en er geen eigenlijk gevaar te duchten was, besloot men dan te vertrekken. Toen Maria echter, door Rasinski geleid, den voet op de eerste trede der smalle, steile trappen zette, lichtte het zoo sterk, dat de gansche hemel in vlammen stond en men het oog, door het schijnsel verblind, onwillekeurig sluiten moest. Verschrikt en bevende deinsde Maria terug en drong zich angstig aan haren geleider; maar bij de haastige beweging gleed haar voet uit, en zij zoude, had Rasinski haar niet spoedig in zijne armen opgevangen, onvermijdelijk naar beneden zijn gestort; althans het gevaar scheen zoo dreigend, dat Emma en Julie een luiden gil gaven en sidderend toesprongen. Spoedig echter had zij zich weder opgericht en antwoordde op de, haar van alle zijden overstelpende vragen, of zij zich ook bezeerd had, met een geruststellend lachje op het verbleekte gelaat: „O neen, ik ben slechts een weinig geschrikt, 't zal niets te beteekenen hebben.”

Rasinski ondersteunde haar zorgvuldig en leidde haar behoedzaam naar beneden. Eerst toen zij den vlakken grond bereikt hadden, bemerkte hij dat het gaan haar bezwaarlijk viel. „Ik voel wat pijn aan den voet,” gaf zij op zijne vraag ten antwoord; „maar die zal wel spoedig verdwijnen.” Blijkbaar spande zij alle krachten in om de smart meester te worden en een vasten tred te houden. Zulks was haar nochtans onmogelijk, de voet zwikte en zij moest zich aan Rasinski vasthouden om niet neder te zijgen.

„Nu zal ik toch wel moeten blijven,” zeide zij, „want het snelle afstijgen is mij niet mogelijk.”

„Ook niet, als ik u aan de andere zijde ondersteun, lieve Maria?” vroeg Lodewijk en vatte haar bij den rechterarm.

Het meisje deed eenige schreden voorwaarts, maar moest zich bedwingen om de hevige pijn niet door een luiden schreeuw te verraden. „Ik geloof ook zóó niet,” zuchtte zij.

„Wij dragen haar naar beneden,” riep Bernard haastig.

„Neen, neen,” hervatte Maria met een vriendelijk lachje; „ik kan immers hier boven blijven, Lodewijk zal mij wel gezelschap houden.”

„Dan blijven wij allen,” riep Julie met vastheid, en Emma gaf hetzelfde besluit te kennen.

„Het is waarlijk ook beter,” sprak Lodewijk, „want er vallen al droppels en de al te groote spoed bij het afklimmen kon, wanneer wij door den regen verrast werden, licht nog erger gevolgen hebben. Daar de vlaag zoo hevig schijnt te worden, zal zij ook wel schielijk voorbij zijn.”

HOOFDSTUK VI.

De laatste werklieden verlieten juist de plaats,—de opzichter was reeds vroeger vertrokken, zoodat Lodewijk door niets verhinderd werd, zich in het volle bezit van den toren te stellen. Hij opende het kleine vertrek, dat, met opeengestapelde tafels, stoelen en tentstangen onordelijk opgevuld, aan zoovele personen te nauwernood den toegang, veel minder eenige gemakken aanbood. De mannen gingen intusschen moedig aan het werk en trachtten, door een zorgvuldiger bijeenpakken en op elkander schuiven der verwarde huishouding, eenige ruimte te veroveren. Dit gelukte eindelijk in zoo verre, dat men voor de acht aanwezigen acht stoelen ontledigde; de deuren moesten natuurlijk, om lucht en licht door te laten, geopend blijven; want aan het ontsluiten der verschanste vensterluiken was niet te denken. Juist te rechter tijde was men met deze voorbereidselen in gereedheid, daar de groote regendroppels steeds dichter en dichter nedervielen en de storm zich nederlegde. Een hevige donderslag, dicht over de hoofden der verzamelden heenrollende, scheen de wolken eensklaps vaneen te rijten en voor de waterstroomen des hemels de baan te openen. Zware hagelsteenen, met scherpe ijssplinters doormengd, vereenigden zich met den geweldigen stortregen, die kletterend neerplaste, en sloegen het teedere loof der boomen met eene verheerende kracht en snelheid ter neder. De schuilenden moesten zich nu inderdaad gelukkig achten de terugreis niet ondernomen te hebben; want een onweder in die hevigheid was ongetwijfeld met groot gevaar verbonden, wanneer het hen midden op den weg overvallen en hun geen tijd gegund had naar eenige schuilplaats om te zien. Eene duisternis, de laatste schemering evenarende, omgaf de bergkruinen. De donderwolken legerden zich gestadig dichter daarom heen en bliksemstraal volgde op bliksemstraal, zoodat de gansche atmospheer in laaien vuurgloed stond, terwijl het rollen des donders niet meer ophield, maar slechts enkele, verdoovend krakende slagen zijne ontzagwekkende gelijkvormigheid afwisselden.

De aanblik van dit verheven natuurtooneel liet de mannelijke, met het gevaar vertrouwde borst niet geheel onbewogen, en hoeveel te meer moest die der vrouwen daardoor dan niet met bangen angst vervuld worden! Stil en bleek zaten de drie meisjes naast elkander aan die zijde, waar zij tegen het inslaan van den regen het best beschut waren. Maria leed bovendien nog hevige pijnen aan den verzwikten voet; tusschen Julie en Emma zittende, leunde zij het hoofd tegen den schouder der eerste, terwijl de andere de hand der lijdende vriendin deelnemend in de hare sloot. De mannen zochten door eene uiterlijke gerustheid, welke Rasinski door onverschillige aanmerkingen, Bernard zelfs door scherts poogde aan den dag te leggen, den moed der vrouwen staande te houden. Intusschen verried zich het gemaakte dier kalmte te duidelijk, om niet eene tegenovergestelde uitwerking te weeg te brengen. En inderdaad werd de bezorgdheid, welke het schijnbare gevaar aan de vrouwen inboezemde, nog door de vrees overtroffen, die een beter inzicht in het werkelijke bij de mannen verwekte. Niemand hunner kon het zich toch langer ontveinzen, dat het onweder tot de hevigste behoorde, die ooit plegen voor te komen, en dat deze eenzame hoogte, om welke de bezwangerde wolken zich gestadig dichter opeenpakten, de gevaarlijkste plaats was, die men tot een toevluchtsoord had kunnen uitkiezen. Lodewijk inzonderheid was zeer bezorgd, dat de bliksem in den toren mocht neerslaan, daar de afleider hem op verre na geen toereikende zekerheid scheen te verleenen. Een geluk was het overigens, dat niemand de spits daarvan zien konde, anders zouden de lichtkrans, die om de staalpunt vlamde, en de vuurstraal die bij voortduring langs de neerhangende stang afgolfde, de vrees nog aanmerkelijk vermeerderd hebben.

Ongeveer een half uur woedde het onweder met volle hevigheid; daarna nam het af, de donder en bliksem werden minder en de regen stroomde, hoewel nog steeds rijkelijk genoeg, toch min onstuimig naar beneden.

De meisjes haalden weder ruimer adem en genoten het vroolijke gevoel, dat na een doorworsteld gevaar het hart bezielt en waardoor de schuldelooze borst slechts tot zachte, dankbare aandoeningen gestemd wordt. Maria zag haren broeder met een onbeschrijflijk liefderijken blik aan; Lodewijk verstond dien. Hij reikte haar de hand en zeide: „Goede Maria, lijdt gij nog pijn?”

„Neen,” antwoordde zij, niet geheel naar waarheid; „maar het gaan zal mij toch nog bezwaarlijk vallen.”

„Mij wordt het hier te eng in de bedompte kooi, ik moet mij verfrisschen!” riep Bernard en sprong haastig naar buiten, waar de frissche, thans slechts als zilverstof neervallende regen hem de gloeiende wangen afkoelde. Ook Lodewijk trad in de vrije lucht en volgde zijn vriend naar de andere zijde van den toren, waar men den hemel beter overzien kon. „Dat regent nog vier en twintig uren voort,” sprak Bernard. „Maar wat ik zeggen wou, gij hebt eene zuster, die, de hemel weet het, meer deugt dan gij en ik te zaam genomen. Waarachtig, zij kan gelden voor eene vrouw, en bemint u meer dan gij misschien verdient. Van jongs af zijn tranen mij een gruwel geweest, te weten in mijn eigen oogen, anders wil ik er niet voor instaan, of, toen zij u zoo vriendelijk aanzag...”

„Gij hebt een traan in het oog,” sprak Lodewijk, en zag hem met vriendelijken ernst aan, „o, schaam u daarover niet.”

„Mocht de drommel!” riep Bernard gemelijk; „een regendrop is 't, die mij op de wang spatte! Ik zeg u immers, tranen in 't mannenoog zijn mij zoo hatelijk als een matrozenvloek op meisjeslippen, zelfs vrouwen zie ik niet gaarne weenen, want het steekt aan. In de werkelijkheid namelijk; want dat ik gaarne treurende vrouwenbeelden schilder, wil ik niet loochenen en kan ik u terstond bewijzen.” Tegelijk kreeg hij het schetsenboek met perkamentbladen te voorschijn, dat hij gestadig bij zich droeg.

„In dit boekje,” zeide hij, „staat menig gezicht dat het aanzien waard is, schoon niet altijd een blauwe hemel uit de blauwe oogen lacht. Waarlijk, uwe zuster kwam er thans ook in, als die verdrietige regen mij het werken maar niet belette. De geheele groep zou ik willen afteekenen, met Mars Rasinski aan 't hoofd, die de drie duiven als een arend onder zijne vleugels neemt, schoon ik den kerel van ganscher harte naar de maan begin te wenschen.”

„Het doet mij genoegen,” antwoordde Lodewijk, „dat gij die schetsen bij u hebt, want de regen kan aanhouden en in die statige verwachting schijnen de uren zich te verdubbelen. Konden wij de vrouwen een uur misleiden, het zou mij hoogst aangenaam zijn. Kom dan meê naar binnen en laat de meisjes uw boek zien.”

„Ik heb er vrede meê,” hervatte Bernard, „schoon het eigenlijk voor de kunst, die ons in kalme, rustige uren als eene goddelijke leidsvrouw verzellen moest, wat smadelijk is, dat wij haar tot vogelverschrikker tegen een paar rondfladderende zorgen, of liever tot verguldsel op de pil gebruiken, die het lieve noodlot ons te slikken geeft.” Zij traden binnen.

„Wij hebben de lucht naar alle zijden opgenomen,” sprak Lodewijk, „en hopen dat de regen weldra zal ophouden. Intusschen wil Bernard ons met zijne schetsen den tijd verkorten, zoodat wij aan onzen tegenspoed nog een onverwacht geluk te danken hebben.”

„En is dat gewoonlijk niet het geval?” vroeg Maria glimlachend.

„Voorzeker,” antwoordde Bernard, „en ik vooral hoop mij de ramp ten nutte te maken; want als ik hier mijn teekenboek vertoonen zal, kan het onmogelijk bij elk omslaan van het blad van hand tot hand rondgaan, daar ik als uitlegger en oppermachtig bezitter de beschouwing zelf behoor te besturen. Voor eenige oogenblikken moet ik dus volstrekte gehoorzaamheid vorderen en onderwerping aan de maatregelen, welke ik nemen zal om mij eene benijdenswaardige plaats te verzekeren.”

Men was dadelijk bereid aan dezen eisch te voldoen. Bernard plaatste dus vier stoelen op een rij; aan den rechtervleugel moest Maria plaats nemen, hij zelf zette zich nevens haar en nam Emma en Julie aan zijne linkerzijde. De overige vier mannen moesten zich achter de stoelen scharen; Rasinski trad achter Maria, Lodewijk achter Bernard, de beide jonge officieren achter Julie en Emma.

„Zoo,” begon Bernard, „nu zal ik met strenge onpartijdigheid nu rechts dan links bij de dames beginnen en van alles eene stipte verklaring geven. Één ding verzoek ik echter: vraag mij bij landschappen, bij mannen, kortom bij alles, naar pas, stand en naam; maar de vrouwenbeelden blijven incognito, daar ik het geheime boek van mijn hart waarlijk niet voor ieder durf openleggen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings