← Table of contents
1812

ACHTSTE BOEK.

Reading edition

Illustration from 1812: Historische roman

HOOFDSTUK I.

Den 14 September bereikten de eerste ruiterscharen, waartoe ook Rasinski met zijne vrienden behoorde, den Berg des Heils, van wiens top zij het prachtige Moskou, den ouden, gewijden zetel der czaren in het diepe dal zagen uitgestrekt. Het was vroeg in den namiddag. Een glanzende zonneblik brak juist door de dunne wolken, welke de lichtblauwe ruimte des hemels doorkruisten. In duizendvoudigen vervengloed flonkerden de tallooze koepels der kerken en paleizen, die, in goud en schemerend groen stralende, zich hoog boven de stad verheffen. Uit een woud van torenspitsen steeg het Kremlin als een gekroond hoofd opwaarts: de Moskowa kronkelde als een glinsterende zilverband door de velden. Talrijke scharen van fladderende duiven wiegden zich op lichtende vleugels in de zonnestralen, verhieven zich hoog boven de daken en dartelden om de tinnen der paleizen.

Een onwillekeurige uitroep van vreugde en eerbied tevens verhief zich bij dezen verrassenden aanblik. „Moskou! Moskou!” juichten de krijgers, die zich nauwelijks begrijpen konden, dat het onmetelijk verre, in een geheimzinnig duister van wonderbare verhalen en sprookjes gehulde, onder tallooze vermoeienissen en gevaren nagejaagde doel nu werkelijk zoude bereikt zijn. Als de gouden prijs des overwinnaars, als een stralende kroon des roems, lag de hoofdstad van het oude Rusland voor de oogen der koene mannen, die gewaagd hadden, van de schoone lachende oevers der stroomen van Frankrijk en Duitschland, midden door de woestenijen voort te dringen, waarachter zich deze rijkdommen verschansen, die aan de fabelachtige sprookjes van het Oosten herinneren.

Vreugdegejuich en zegekreten vervullen de lucht. De voorsten roepen en wenken hunne nakomende kameraden toe. De onder de bezwaren van den marsch bijna bezwijkende krijgsman voelt zich plotseling door nieuwe krachten gesterkt; elke gedachte aan zijn lijden, zijne zorgen en gevaren is verdwenen. Als een stroom, die zich eensklaps eene nieuwe baan heeft geopend en nu in sneller loop voortbruist, golft de menigte in steeds wassenden spoed de hoogte op, zoodat de met onweerstaanbare kracht voortwentelende vloed over de kruin heenstroomt. Naarmate de zwarte massa's zich dichter op de hoogte samenpakken, worden de vreugdekreten luider en stijgen zij door de zuivere herfstlucht krachtiger en helderder ten hemel opwaarts.

„Ziedaar dan de beroemde, aan verhalen en wonderen rijke stad der czaren,” riep Bernard. „Zoo hebben wij haar eindelijk toch gevonden achter de onmetelijke wouden en steppen, die haar beschermend omgorden!”

„Het was tijd,” sprak Rasinski en wierp een blik op het leger; „hoog tijd!”

Lodewijk beschouwde de rijke, onmetelijk uitgestrekte stad met die eerbiedvolle, de borst verheffende en verruimende opgetogenheid, waarmede ons de aanblik van oorden of menschen vervult, wier roem sinds lang uit de verte tot ons is doorgedrongen en welke wij reeds in de dagen onzer kindsheid als wonderbeelden, die ons uit onbereikbaar verre ruimten en tijden toeschemerden, in de ziel omdroegen.

„Eene kolossale schilderij,” riep Bernard vol vuur; „dat men zoo iets niet kopiëeren kan! Zie eens die massa's van licht en gloed daarboven op de koepels; dat verwarde mengsel der daken en lage huizen, der groene strepen en vlekken van tuinen, die als aderen door het gesteente loopen; de zilvertinten, welke de stroom op het landschap werpt, en, wanneer wij omzien, het ontzaglijke leger, dat als een zwarte vloed door de velden golft. Zie, hoe de bajonetten in den zonnegloed bliksemen, de vederbossen blinken en het erts der kanonnen flikkert, die daar ginds in lange colonnes het woud voorbijtrekken. Hier en daar verliest de blik zich in het oneindige; want de uiterste torens der stad verdwijnen reeds in blauwen damp en nevel, en de lange sleep van wagens en van naloopers des legers smelt in de onafzienbare ruimte geheel weg.”

Gedurende dit gesprek was men langzaam bij de hoogte afgedaald. Een tijdlang had eene bonte verwarring geheerscht, gelijk die bij buitengewone ontmoetingen op marsch gemeenlijk pleegt plaats te grijpen; doch thans werden de manschappen weder geordend, moesten in hunne gelederen blijven en zich aan de strenge regels van den marsch op vijandelijk grondgebied onderwerpen, daar men voorzeker op een ernstigen tegenstand moest gevat zijn, eer men het kleinood des rijks, het palladium der russische kroon, dat thans als een glansrijke diamant voor de oogen der legers fonkelde, in zijne macht kreeg.

Zoo kwam men nader en nader bij de stad, elk oogenblik verwachtende, een hardnekkigen vijand te ontmoeten. Plotseling werd halt gehouden; van rot tot rot liep het gerucht, dat de koning van Napels met de aanvoerders der kozakken in vriendschappelijke onderhandeling was getreden. Reeds begon men de zoete hoop te koesteren, dat de kamp hier een einde nam, dat de vrede nabij was, dat het loon voor de doorgestane moeiten en gevaren zeker en onmetelijk groot zijn zoude. Rasinski reed vooruit en trachtte de waarheid te vernemen. Deze bestond daarin, dat de koning eenige oogenblikken met de kozakken gesproken en hun eenige kleine geschenken gegeven had. Zij hadden intusschen slechts een officier verzeld, die vrijen aftocht voor Kutusows achterhoede eischte; ingeval van weigering dreigden zij, de stad aan de vlammen ten prooi te geven. De keizer, ten spoedigste van die vordering verwittigd, had dadelijk ingewilligd, maar rukte desniettegenstaande de stad binnen.

Terwijl prins Eugenius en vorst Poniatowski zich met hunne korpsen ter rechter en linkerzijde van den hoofdweg uitbreidden en de stad omsingelden, volgde Rasinski met de zijnen den koning van Napels, die met behoedzaamheid binnentrok. Het was niet denkbaar, dat de vijand geen weerstand zoude bieden; men moest zich integendeel op bloedige straatgevechten voorbereiden.

Thans reed men door de straten der voorstad. Zij waren woest en ledig, evenals de verlaten dorpen, die men op weg naar het gewenschte doel in zoo talrijke menigte had aangetroffen.

„Zouden de arme inwoners zoo bang voor ons zijn, dat zij geen vingerbreedte van hunne kromme haviksneuzen, geen duim lengte van hunne spitse baarden durven vertoonen?” sprak Bernard tot Jaromir. „Zou dan geen enkel hupsch kind nieuwsgierig genoeg zijn, om de nieuw aangekomenen uit een dier kleine vensters ten minste eens eventjes te begluren? Het is goed en wel, dat de vijand het noodige ontzag voor ons heeft, maar de lieve meisjes moesten niet zoo ontzettend schuw en eenkennig voor ons zijn. Zijn wij dan menscheneters, of houdt men ons daarvoor?”

„Ik vermoed, dat de bewoners dezer buitenwijken naar de binnenstad gevlucht zijn,” antwoordde Lodewijk. „Zij duchten veellicht den eersten inval; wie weet ook, of het hier niet nog spoedig tot een gevecht kan komen. Dan is hij er voorwaar ongelukkig aan, die geen wapens draagt.”

„En bovenal hier,” merkte Rasinski op, „waar de houten huizen, bij de eerste granaat, die men op het dak wierp, als droog stroo in brand zouden vliegen.”

„Het ware eene verwenschte grap,” riep Jaromir, „wanneer ons de winterkwartieren eens boven het hoofd afbrandden. De rust van zes tot zeven maanden, waarop ik hier stellig reken, hebben wij, dunkt mij, hoog van noode.”

Rasinski zweeg; echter las men op zijn voorhoofd, dat hij met Jaromirs verwachting niet instemde. „Het meest wenschelijk ware voorzeker,” sprak hij na eenig stilzwijgen, „dat de vrede zoo spoedig mogelijk gesloten werd. In dat geval, vermoed ik, zouden wij den winter niet hier doorbrengen, daar de tegenwoordigheid van den keizer en van het leger in het middelpunt van Europa stellig noodwendiger is, dan hier bijna aan de grenzen van Azië.”

Boleslaw reed, ernstig en in zich zelf gekeerd, zooals gewoonlijk, naast de overigen voort, zonder zich in het gesprek te mengen.

Plotseling werd de voortgang opnieuw vertraagd. Daar Rasinski zich niet aan de spits bevond, kon hij niet zien, of dit oponthoud door eenige uitwendige hindernis veroorzaakt werd. Terwijl hij nog met zijne blikken door het gewoel trachtte heen te boren, zag hij den overste Regnard de straat afkomen. Hij droeg den arm nog omwonden en eene breede, zwarte pleister op het voorhoofd. Sinds de korte ontmoeting op het slagveld, had Rasinski hem niet weder gesproken.

„Goeden avond, overste,” riep hij hem toe, „gij komt van de spits der colonne; wat legt men ons nu weder in den weg?”

„Ha, vriend Rasinski, hoe gaat het?” antwoordde Regnard. „Het verheugt mij, u wèl te zien, schoon ik uit het rapport reeds wist, dat gij uit de schipbreuk bij Mosaisk gered waart. Wat ons ophoudt? Enkel eene afgebroken brug over de Moskowa, die spoedig weer hersteld zal zijn. Maar....” hier wenkte hij Rasinski ter zijde en sprak heimelijk tot hem. Bernard, wiens scherp oog gewoonlijk door het gelaat eens anderen tot diep in diens ziel doordrong, werd eene merkbare ontroering in Rasinski's trekken gewaar. Ook Regnards koud, scherp geteekend gezicht, hoewel over 't geheel voor weinig verandering vatbaar, wijl alle lijnen daarvan als in vasten steen gesneden waren, drukte eene angstige bevreemding en bezorgdheid uit. Het moest iets van het uiterste gewicht, misschien wel het bericht van een dreigend gevaar zijn, wat hij Rasinski mededeelde. Hun gesprek duurde echter slechts drie minuten, waarop Regnard zijn weg vervolgde. Met gefronst voorhoofd keerde Rasinski tot de zijnen terug; hij scheen juist te willen mededeelen, wat hem de overste bericht had, toen de colonne zich weder in beweging zette en, zooals steeds na eene stremming het geval is, met verdubbelden spoed narukken moest. Weldra bereikte men de Moskowa; de brug was zoo slecht hersteld, dat men verkoos door den zeer ondiepen vloed te rijden. Bernard bespeurde, dat Rasinski de straten en huizen met eene angstvallige opmerkzaamheid beschouwde, welke toenam, naarmate men de eigenlijke stad meer en meer naderde. Eindelijk kwam men aan den ringmuur, dien ze in haar ganschen omvang insluit.

„Hier worden de straten toch ruimer en de huizen aanzienlijker,” sprak Bernard; „in het verschiet ziet men reeds verscheiden gebouwen, die naar paleizen gelijken. Nu zullen wij toch wel spoedig hare bewoners leeren kennen.”

„Dat juist vrees ik,” sprak Rasinski, zich omwendend, zacht, maar op een bekommerden toon, „zullen wij niet. Naar Regnards berichten moet de gansche stad verlaten en zoo doodsch en stil als het groote kerkhof zijn, dat wij bij den inmarsch voorbijkwamen.”

Deze woorden, die slechts door zijne hem onmiddellijk omringende vrienden gehoord werden, joegen hun een killen schrik aan. „Hoe? Onmogelijk!” riep Jaromir; „dat zou dus een vernieuwden kamp, een hardnekkigen tegenstand aanduiden, zelfs nadat wij tot het hart des rijks zijn doorgedrongen?”

„Dat staat in ieder geval te vreezen. Thans worden vermoedens bevestigd, die mij reeds bij het binnentreden van oud-Rusland duister voor den geest zweefden. Niet de keizer Alexander en zijne legers zullen wij meer te vreezen hebben, niet met hen zullen wij kampen, maar een geheel, onmetelijk volk is het, dat met al de gloeiende woede tegen ons opstaat, welke dweepzuchtige geestdrijverij in de borst van den mensch kan doen ontvlammen. Diep verzonken in onzinnig bijgeloof, in slaafsche onderwerping, zoowel aan hunne priesters als aan hunne vorsten, zal het onmogelijk zijn hen voor eenige overreding toegankelijk, voor eenige verstandelijke overtuiging vatbaar te maken en hun te doen inzien, dat wij niet gekomen zijn, om hunne altaren te vernietigen, hunne kerken te plunderen, hunne steden in asch te leggen. Hier zal niet langer een krijg tusschen twee machten gevoerd worden, waar de beslissing op het slagveld of in den raad der ministers wordt uitgesproken, maar een gansch geslacht vat tegen ons de wapens op, een geslacht, dat ons vervloekt als het uitbraaksel der hel. De mensch is de vijand van den mensch; giftige haat bezielt de borst van den knaap en het hart der vrouw. Dan kent men geen edelen, grootmoedigen kamp der gedachten, der eer, des roems meer, maar alles ontaardt in een afgrijselijk moorden, slachten en worgen, waarbij zege en nederlaag even afschuwelijk en menschonteerend zijn.”

Terwijl hij sprak lichtte een donker vuur uit zijne oogen; het hooge voorhoofd was in ernstige vouwen saamgetrokken en eene diepe smart teekende zich om zijne lippen. Bernard staarde hem met onafgewende oogen aan. Door de schoonheid, den verheven adel van dat mannelijk gelaat vergat hij voor een oogenblik, waarom deze onweerswolken in zoo ernstige majesteit daarover heentogen.—Waarlijk, dacht hij bij zich zelf, de mensch is nooit zoo schoon, dan wanneer eene edele droefheid, uit den diepsten grond des harten opwellende, door de lichte hulsels van oog en gelaat schemert. Daarom vertoonden de ouden ons hunne helden zoo diep ernstig; daarom vinden wij zelfs in hunne goden dien verheven zweem eener zachte droefheid, die de trekken zoo veredelt en opluistert.

Maar de snelle afwisseling der voorwerpen en van de indrukken, die zij teweeg brachten, vergunde geen lang verwijlen der gedachten op eene en dezelfde plaats, vooral daar, waar zij te ver buiten den kring der naastbijzijnde, machtige werkelijkheid rondzweefden.

De breede straten, waardoor men thans voorttrok, wekten eene zonderlinge gewaarwording; zij waren vervuld met het woeste gevoel van den oorlog en toch tevens doodstil, wijl de huizen aan beide zijden als stomme graven oprezen, waaruit zich geen spoor, geen adem des levens liet vernemen; niet eenmaal de rook eens schoorsteens was in het rond te ontdekken. De koepels der hoofdkerken glansden van stralend goud, met groene kransen omhangen; de zuilen der paleizen rezen prachtvol omhoog. Echter scheen de tooi dezer grootsche gebouwen die van een statig opgekleed, ter laatste openlijke beschouwing ten toon gesteld lijk te zijn, zoo doodsch, zoo stom bleef alles. Deze vermenging van de weelderige pracht des levens met de stille, diepe verlatenheid des doods was zoo pijnlijk, dat zij zelfs de borst van den ruwsten soldaat, die nog geen vermoeden van de vreeselijke waarheid had, beklemde.

Reeds twee uren trok men door deze steenen woestenij voort en scheen zich gestadig dieper en dieper in de labyrintische doolgangen te verwarren. Slechts langzaam rukte men voorwaarts, daar de koning, die nog altijd aan de waarheid twijfelde, elk oogenblik een aanval verwachtte en de bezorgdheid nog niet verbannen kon, dat men hem listig tot midden in dit bedriegelijk net van elkander onregelmatig kruisende straten wilde lokken, om hem dan plotseling van alle zijden met het zwaard in de vuist aan te tasten. Daarom zond hij in elke zijstraat sterke troepen uit, die berichten moesten, of de vijand ook ergens in eene hinderlaag loerde. Men vond niemand. Eene akelige stilte heerschte in de onmetelijke stad, waar anders het gewoel der menigte het oor verdooven moest. Slechts de doffe hoefslag der paarden en het kletteren der wapenen werden door de stomme, hooge muren hol en dreigend teruggekaatst. Zoodra de voortgang een oogenblik gestremd werd, breidde zich de stilte als een lijkkleed over de scharen uit; want ook de soldaat was van het beklemmend gevoel diep doordrongen, en schoon hij de hoofdstad des vijands binnentrok, verhief zich geen kreet der overwinning, geen toon van vreugde of gejuich. Ernstig, zwijgend het verwonderd oog op de gebouwen gericht, waarin hij vruchteloos eenig spoor van leven trachtte te ontwaren, hield hij zijn intocht in de veste der oude czaren.

Thans rezen de muren en tinnen van het oude Kremlin boven de hoofden der krijgers statig omhoog. Daar vernam men voor het eerst, als ware het een verkwikkend geluid, een verward gedruisch van stemmen en krijgsgewoel. Het was een troep samengeschoold volk, dat zich in zwart gewemel om een transport wagens verdrong, waarop levensmiddelen en eenige gekwetsten lagen, die men niet tijdig genoeg uit de stad had kunnen vervoeren. Ettelijke kozakken, ter hunner bedekking achtergelaten, stoven op hunne kleine, vlugge rossen in alle richtingen uitéén en waren spoedig in de welbekende straten en stegen verdwenen, zonder door de hun nagezonden kogels beschadigd te worden. Maar in het Kremlin, welks poorten men thans genaderd was, verhief zich plotseling een afgrijselijk gebrul van huilende stemmen. Rasinski was, alleen door Bernard verzeld, bij het vallen der eerste schoten, naar de spits der colonne gesneld, om te zien wat er gebeurde; zelfs zijn mannelijke borst, aan dreigende gevaren, onder welke gedaante zij zich ook vertoonden, sinds lang gewoon, werd door dit afgrijselijk geluid met angst vervuld. Zijn oog volgde de richting, welke zijn oor hem aanwees. Daar ontwaart hij op de muren van het Kremlin een aantal dreigende gestalten, mannen en vrouwen, die den ingang van den heiligen burg der czaren willen verdedigen. Het verwarde, vliegende haar der vrouwen, de verwilderde stekelige baard der mannen, woeste, bloeddorstige gebaren, lompen, gekrijsch, plompe barbaarsche wapens, dit alles voltooit het ijzingwekkende der vertooning. „Hoe? Heeft de hel hare monsterachtigste duivels uitgebraakt, om ons te verschrikken?” roept Rasinski uit en houdt onwillekeurig de teugels in.—„Zijn dat weerwolven of menschen?” vraagt Bernard sidderend. De verwoede schaar verheft opnieuw haar grimmig gehuil, en geweerschoten vallen van de muurtransen in den dichtsten hoop. De koning van Napels wuift met een witten doek, ten teeken van vreedzame onderhandeling, en gelast Rasinski hun te zeggen, dat zij den waanzinnigen, vruchteloozen kamp moeten opgeven, dat men hun geen leed wil doen. Rasinski rijdt voor het front en roept hun in het russisch toe: „Hoort, verneemt woorden des vredes!” maar een gillend gekrijsch, waarbij de razende wijven de borsten slaan en zich de haren uit het hoofd rukken, verscheurt, in stede van antwoord, zijn oor. Eensklaps springt eene vrouw van reusachtige gestalte, wier haarlokken wild om de schouders zwieren, op de uiterste tinne des voorgevels. „Hond! vanéénrijten wil ik u met mijne tanden, als eene hongerige wolvin! Roover, gij zult verscheurd worden, als de jager, die het jong der berin uit het hol sleept. Vloek u, moordenaars onzer mannen en kinderen! Vloek u, verwoesters onzer steden! Driemaal vloek u, duivelsch gebroedsel, dat onze heilige altaren schendt en den Almachtige met vervloekte tongen lastert! Wee zal over u komen, meer dan over de verdoeming in den zwavelpoel der hel! Vloek, vloek, eeuwig vloek!”

Rasinski rilde. De dreigende gestalte was vreeselijk, maar verwekte geen afgrijzen. Wijde, zwartgrijze kleederen omhulden haar, een bloedroode doek, half naar eene muts, half naar een tulband zweemende, was om haar hoofd gewonden. Het grijze haar fladderde in den wind en zwierde om de half ontbloote schouders, haar oog bliksemde en rolde vurig in de diepe holen, den mond had zij tot eene luide vervloeking geopend, de handen hief zij bezwerend ten hemel.

Alle mannelijke kracht bijeenrapend, riep Rasinski nog eenmaal met zijne donderende stem: „Wilt gij de genade versmaden, rampzaligen?”

Een woest gebrul, met dreigende gebaren verzeld, verdoofde zijne woorden, nog eer hij geëindigd had. Door een wenk gaf hij den koning te kennen, dat alles vruchteloos was; deze gaf bevel, de poort te verbrijzelen. De reeds aangespannen artillerie gaf vuur. Drie schoten, welker gedonder door de ledige stad weergalmde, kraakten tegen de deur, die in splinters uit de hengsels sprong. Zoodra zij neerstortte, drong de woedende bende door de geopende bres te voorschijn en wierp zich in dolle razernij op de gelederen der krijgers. Men had hen willen verschoonen, daar zij te weinig in getal waren, om een overmachtigen vijand tot noodeloos bloedvergieten te nopen; maar de waanzinnige verbijstering der ongelukkigen maakte zulks onmogelijk. Als wilde dieren stormden zij op de gehate tegenstanders in en trachtten, van woede schuimbekkend, zoovelen te verdelgen, als zij vermochten. Een razende velde met een boomstam, die naar eene knods geleek, twee Franschen ter aarde en had door een sprong reeds den koning, die, gelijk altijd, een der voorsten bij het gevaar was, bereikt, toen Rasinski ijlings tusschenbeiden vloog en den dolzinnige een sabelhouw toebracht. Doch deze viel vlak, en met al de grimmigheid van een getergden bulhond pakte de half getroffene thans hem aan, sleurde hem met bovenmenschelijke kracht uit den zadel, greep hem bij de keel aan en wierp zich op hem neder. Pijlsnel, als eene toeschietende slang, liet Bernard zich van het paard glijden en trok den tijger, die Rasinski poogde te verworgen, terug. Een fransch officier sprong hem te hulp. Met moeite braken zij den Rus de gespierde armen open, waarmede hij zijne prooi hield vastgeklemd; toen hij deze niet meer roeren konde, knarste hij grimmig met de tanden en poogde den onderliggende daarmede in den strot aan te grijpen. Doch thans had ook Rasinski weder den eenen arm losgewoeld, en toen de woedende naar hem beet, stiet hij hem, daar eene andere verdediging onmogelijk was, met de gebalde vuist zoo geweldig tegen den mond, dat een zwarte stroom van dik bloed daaruit opgulpte en hem borst en aangezicht bevlekte. En toch liet de barbaar nog niet los, maar trotseerde met de ongehoorde spierkracht van zijn ijzersterk lichaam de vereenigde pogingen der drie mannen, tot eindelijk de kogel uit het pistool eens jagers, die hem koelbloedig met op de borst gedrukte tromp door het hart schoot, aan zijn leven een einde maakte.

Rasinski en Bernard waren door dezen kamp geheel verpletterd; het geleek te veel op moord, op een barbaarsch worgen en slachten, om een edel mannelijk hart niet met diep afgrijzen te vervullen. Inmiddels waren de overigen, die nog weerstand boden, deels neergesabeld, deels op de vlucht gejaagd. Het scheen onnoodig hen te vervolgen; men liet hen dus ongehinderd trekken en de koning van Napels zette den marsch verder voort.

Verdubbelde behoedzaamheid bij het doordringen in den dedalischen doolhof van straten werd thans echter noodzakelijker dan ooit. De soldaat, die al deze vorstelijke huizen en paleizen van de bewoners verlaten zag, begon zijne gedachte op den rijken buit te richten, dien hij uit de achtergebleven bezitting hoopte bijeen te schrapen. Enkelen poogden zich hier en daar uit de gelederen te verwijderen, om in de huizen op roof uit te gaan; doch eene strenge bedreiging dreef hen naar hunne plaats terug en ten bewijze, dat ze vervuld zoude worden, schoot een generaal eigenhandig een dragonder neder, die zich in eene dwarsstraat verbergen wilde. Zulks werkte; de menigte onderwierp zich striktelijk aan het bevel. Echter hielden de aanvoerders nog andere maatregelen voor noodzakelijk en zonden, zoodra zij een uitstekend gebouw, dat aan eenige openbare inrichting gewijd scheen, of eene groep aanzienlijke huizen naderden, sterke troepenafdeelingen zijwaarts af, om ze tegen elke aanranding van roofgierige plunderaars te beschermen.

Zoo werd ook aan Rasinski opgedragen, een groot, van den rijkdom des bezitters getuigend paleis, dat in eene breede, overigens slechts met kleine huizen bezette zijstraat gelegen was, te bewaken. Met zijne weinige manschappen en een bataljon jagers, dat hem toegevoegd werd, scheidde hij zich dus van het groote armeekorps af en betrok midden in de stad eene eigene legerplaats. Het paleis en de omliggende huizen nam hij plechtstatig in bezit, en er vertoonde zich geen levende ziel, die hem deze verovering betwistte. Hierop droeg hij aan Boleslaw op, met een genoegzaam aantal manschappen zoodanige voorwerpen, welke tot kleeding en voeding dienen en misschien voorhanden zijn konden, te verzamelen en ze naar billijkheid en behoefte onder de soldaten uit te deelen. Tevens verbood hij streng, zich in de huizen in te kwartieren, eer hij zelf zich van de veiligheid daarvan ten volle overtuigd had, en liet hij posten voor de deuren plaatsen, die met hun leven voor plundering of moedwillige vernieling verantwoordelijk werden gesteld.

De troepen sloegen dus voorloopig een geregeld bivak in de breede, bijna een marktplein gelijkende straat, welke tegenover het paleis lag, op. In dit gebouw nam Rasinski zijn hoofdkwartier en richtte dadelijk een bureau op, waar hij zijne dienstzaken en menigvuldige andere bezigheden behoorlijk regelen konde. Als gewoonlijk namen Lodewijk en Bernard de besturing daarvan op zich.

HOOFDSTUK II.

Het schemerde reeds, toen deze voorloopige aanstalten gemaakt waren. Men bevond zich dus nu in de hoofdstad des vijands, men had haar geheel in bezit genomen, ja meer dan men geloofde, daar alles, wat niet te vervoeren geweest was, den inrukkenden als het ware als erfenis bleef overgelaten. Het paleis, dat Rasinski met zijne beide jonge vrienden had betrokken, was van voorvaderlijken, edelen bouwtrant. De poort, hoog gewelfd, met ijzer sterk beslagen, had men met geweld moeten openbreken; men vond ze van binnen gegrendeld, een bewijs, dat de bewoners òf nog in het gebouw verscholen òf door den tuin ontvlucht moesten zijn. Het laatste hield men voor meest waarschijnlijk. Toen men de beide regelmatige wenteltrappen, die van beide zijden van het breede voorportaal naar de tweede verdieping voerden, was opgeklommen, kwam men in de wijde gangen, die eene reeks van zalen en vertrekken begrensden. Deze getuigden van groote pracht, van zelfs in Rusland niet gewonen rijkdom; echter was, gelijk meubels, spiegels, tapijten en vergulde sieraden duidelijk bewezen, de inrichtingen daarvan ten minste reeds door den vader van den tegenwoordigen bezitter geschied.

In een aan de trap grenzend vertrek richtten de vrienden het bureau op. Uit dat vertrek trad men rechts in eene ruime zaal, waarnaast Rasinski eene kleine, nette kamer tot zijn afzonderlijk gebruik had gekozen; ter linkerzijde hadden Lodewijk en Bernard in twee groote vertrekken hunne legersteden opgeslagen.

Het begon donker te worden; buiten op de straat flikkerden de heldere wachtvuren, waaraan de manschappen bivakeerden. De weerschijn der vlammen speelde tegen de zoldering der nog niet verlichte vertrekken en bracht, met de flauwe avondschemering inéénsmeltende, een zonderling schijnspel teweeg. Rasinski was naar beneden gegaan om de troepen te monsteren en voor hunne behoeften te zorgen. Lodewijk zat alleen in het ruime vertrek, dat hij tot verblijf had gekozen, in een ouden leunstoel gedoken; want Bernard had, naar zijn lievelingsgewoonte, om vreemde groote gebouwen dadelijk in alle richtingen te doorkruisen, eene ontdekkingsreis, zooals hij het noemde, naar de uitgestrekte zijvleugels van het paleis ondernomen.

In het schemerdonker van den herfstelijken avond, bij het spel van den vuurschijn voor de vensters, onder het zacht gemompel van verwijderde stemmen gaf Lodewijk zich ongestoord aan zijne mijmeringen over. De schoone beelden van het verleden zweefden als glansrijke gestalten op den donkeren grond van het tegenwoordige voorbij. Het was het eerste eenzame, rustige uur, dat het gewoel van den oorlog hem, sinds hij de tijding van den dood zijner moeder ontving, vergund had. Eene sombere zwaarmoedigheid maakte zich van zijne ziel meester; het hoofd in de hand geleund, zat hij in herinneringen verzonken en zijn oog dwaalde onbestemd in de hooge, donkere ruimte der zaal om. Zoo bemerkte hij niet, dat Bernard was binnengetreden en, in de half geopende deur staande, hem aandachtig gadesloeg. Deze echter zag door de diepe schemering in Lodewijks oog tranen blinken, waarin zich de flikkerende weerschijn der vlammen spiegelde.

„Zoo in treurige gedachten verzonken, krijgsmakker?” sprak hij hem aan.

„Ha, Bernard, zijt gij het? Ja, wel in treurige gedachten verdiept; hoe kan het ook anders op zulk eene sombere plaats en met eene borst zoo vol herinneringen en smarten als de mijne!”

„Hm, mijn hart is ook juist geen voorraadschuur van vreugde en geluk en wanneer ik mijne herinneringen voor de tooverlantaarn zet, trekt de duivel met zijne grootmoeder aan den wand voorbij. Maar wat de sombere plaats betreft, zoo moet ik u zeggen, dat ze mij ook huivering aanjaagt.”

„Hoezoo?”

„Wij wonen hier niet alléén in huis, daarop zou ik een eed willen doen.”

„Hebt gij gronden voor dat vermoeden?”

„Meer dan een. Ik ging door den langen gang naar den zijvleugel, die op den tuin uitkomt. Terwijl ik zoo aan de eene deur na de andere stoot, die alle op slot of toegegrendeld waren, kom ik eindelijk aan eene die terstond opengaat. Ik treed binnen en voel mij door eene aangename warmte verrast; zulks maakt mij opmerkzaam, ik zie rond en bemerk dat ik in eene soort van keuken sta, waar op den haard nog asch ligt. Ik treed toe, de asch is warm; zelfs vind ik, daar ik haar met de sabel omwoel, nog eene gloeiende kool.”

„De bewoners zullen dezen morgen nog hier geweest zijn.”

„Zoo dacht ik ook; daar hoor ik plotseling onder mij een doffen slag, even alsof iets zwaars op den grond viel. Dat maakt mij huiverig. Ik snel weder naar den gang, ontdek een kleine trap, die naar de onderste verdieping brengt, en vindt daar eveneens een gang, waarop een reeks van vertrekken met gesloten deuren uitkomt. Ik beproef ze te openen, in te trappen; zij zijn, naar het schijnt, stevig toegegrendeld. Ik schreeuw, roep, klop; geen antwoord. Eindelijk wordt mijne keel schor en ik maak rechtsomkeert. Daar ik de kleine trap weer opklim, hoor ik iets ruischen en tegelijk meen ik vrouwelijke voetstappen te vernemen. Als een pijl vlieg ik toe, maar ontdek niets. Overtuigd, dat mijn scherp gehoor mij niet bedrogen heeft, snuffel ik alle hoeken rond. Daar zie ik op den vloer, dicht bij de deur der keuken, waar ik vroeger reeds geweest was, iets wits blinken; ik raap het op en zie, het is dit lint, dat vroeger, daarop wil ik een eed doen, daar niet gelegen had. Ik loer en doorzoek alle kisten en kasten in het rond, om de schoone te ontdekken, die het lint moet verloren hebben, doch te vergeefs. Alles bleef stom en roerloos. Of het nu een goede of kwade geest, eene stamvrouw of misschien wel de beruchte witte burchtvrouw kan geweest zijn, die in de gangen rondspookt, dat wil ik onbeslist laten.”

„Zonderling! Zouden de ongelukkige bewoners zich misschien schuil houden, uit vrees voor mishandeling?”

„Mogelijk! Ik voor mij houd het liever met spoken, verwenschte jonkvrouwen, die op verlossing hopen, ingemuurde nonnen, wier ziel geene rust kan vinden en die in de donkere gangen omdolen. Tegen middernacht moeten wij op de vangst uitgaan; doet gij meê?”

„Als uwe vermoeidheid u niet van gedachte doet veranderen, van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk glimlachend.

„Hoe? Zit gij zoo in het donker, vrienden?” klonk plotseling Rasinski's stem. „Het zal tijd zijn, dat wij licht laten aansteken, maar ook vuur, want de herfstavonden zijn koud tusschen de salpeterachtige muren.”

Hij beval zijnen rijknecht, licht te brengen en in de kleine kamer, die hij bewoonde, vuur aan te leggen. Zij was het eenige vertrek, waarin zich eene haardstede bevond, die voor den herfstavond eene meer doelmatige verwarming beloofde, dan de reusachtige kachels in de overige zalen.

„Ik heb zoo even brieven voor mij en u ontvangen,” vervolgde hij; „laat ons samen naar binnen gaan en elkander vertellen, wat de lieve vrienden uit het vaderland ons schrijven. Het is een goed teeken, dat wij den eersten dag van onze aankomst in de hoofdstad zoo aangenaam verrast worden.”

Zij gingen.

Rasinski's bediende had eene lamp aangestoken, die aan de zoldering hing; spoedig vlamde ook het vuur op den breeden haard. Hij gaf Lodewijk twee brieven van verschillenden datum over, die echter gelijktijdig met den veldpost waren aangekomen.

Bernard floot een soldatenlied en morrelde met de tang in het vuur, terwijl de beide anderen lazen. „Men is onuitsprekelijk gelukkig, wanneer men op de wijde wereld geen enkelen correspondent heeft,” mompelde hij; „men behoeft geen port te betalen, niet te antwoorden, ja niet eens te lezen. Het laatste vooral is voor een schilder, die gaarne zijne oogen spaart, een uitstekend groot voordeel.”—Hij floot verder, daar niemand antwoordde, en staarde onafgewend in den gloed.

„Ja, ja, gij zijt gelukkiger dan wij,” riep Lodewijk uit, terwijl hij de hand met den brief zinken liet; „want zulke brieven te ontvangen, daar behoede u de hemel voor!”

„Wat is het? Wat deert haar?” vroeg Bernard, van zijn stoel opspringend.

„Ik kan het vermoeden, na wat mijne zuster mij schrijft,” sprak Rasinski; „het is een helsch schurkenstuk, maar het zal niet gelukken.”

„Zwart als de nacht en giftig als eene adder,” riep Lodewijk buiten zich zelf. „En om mijnentwille moest de hulpelooze dat lijden!”

„Wat dan, wat? In 's duivels naam, spreek toch, wat?” riep Bernard met rollende oogen, daar hij iets van de waarheid vermoedde.

„Lees, lees,” sprak Lodewijk en reikte hem den brief over.

Bernard greep driftig toe en wilde de letters haastig verslinden; doch even ras wierp hij het papier weder op de tafel en riep: „Er staan mij te veel regels op het blad; zij wriemelen door elkander als een gansche hoop vergiftige kruisspinnen. Vertel het mij met twee woorden, ik kan er het venijn niet zoo langzaam uitzuigen.”

„Het is verfoeilijk voor elk, die ooit een mannelijk hart in de borst sloeg,” sprak Rasinski en ging driftig en met groote schreden de kamer op en neder; „de schurken, die u vervolgen, hebben zijne ongelukkige zuster opgespoord; toeval of hunne helsche kunstgrepen brachten het geheim aan den dag....”

„Zij is in de gevangenis?” riep Bernard met donker vlammenden blik.

„Neen dat gelukkig niet; maar schandelijke aanbiedingen heeft de ellendeling haar gedaan en voor het hoofd des broeders...”

„Spreek niet verder, Rasinski!” riep Bernard half bevelend, half smeekend. „Moet de broeder dat tweemaal hooren?” Tegelijk vloog hij op Lodewijk toe en klemde hem met krampachtige onstuimigheid aan zijne hijgende borst. „O, die schuldelooze engel! Lodewijk, wij willen God danken, dat zij gered is; want ik zie het aan uw oog, zij moet het zijn, anders kondt gij hier niet zoo stil staan. Maar nog vaart mij eene rilling door de leden. Goddank, Lodewijk, dat zij gered is!”

Zij hielden elkander opnieuw omsloten. Rasinski legde de hand op hunne schouders en sprak met diepe ontroering: „Ja, wel hebben wij God vurig te danken!”

„Laat mij nu zien, wat de gemartelde heilige u schrijft,” sprak Bernard met eene bevende stem en wond zich uit de armen van den vriend los. Hij nam den brief en zette zich daarmede bij het vuur.

„Hm!” sprak hij kalmer, maar nog met gesmoorde woede in toon en blik, toen hij den brief gelezen had; „dat éene gevaar is gelukkig afgekeerd, maar nog hangt het zwaard boven haar hoofd. Ook boven het onze... maar dat is het minst. Ik moest den ellendeling hier hebben... hij zou een ander liedje hooren!” Na deze woorden ging hij onrustig op en neder.

„Ik heb den tweeden brief nog niet geopend,” sprak Lodewijk; „de eerste had mij te hevig geschokt. Wellicht bevat hij nader bericht. Laat hooren!”

„Dresden den 19 Augustus.

„Beste Broeder!

„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle in één punt samen. Wij verlieten Teplitz dadelijk den anderen morgen na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde. (Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad. Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg; ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn! En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het mij toelaat. Onze ware naam is niet Rosen, maar vader heette Sternheim en was grondbezitter in Frankenland. De getrouwste vriendschap was zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden zijner jeugd, Waldheim genaamd, die officier geweest, maar door de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield, werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman, Rumigny beleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.” Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal. Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigen Waldheim in de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel, hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediende Willhofen vergezelt hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met den trouwen Willhofen naar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te zekerder ten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met de guillotine bedreigd. Willhofen echter, die in al zijne rampspoeden deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden te Havre aan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan, maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten, hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog moeder, den naam Rosen aan te nemen en zich met ons naar Dresden te begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten. Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten. Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen, die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken? Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!

Uwe Maria.”

Verbazing en aandoening hadden Lodewijk bijna verhinderd, den brief ten einde toe door te lezen. Thans eerst bracht hij zich eenige ontmoetingen uit zijne kinderjaren levendig en duidelijk weder voor den geest—want hij telde vijf jaren ten tijde van het rampspoedig voorval—thans eerst, nu zij verklaard werden, rezen de verschillende toespelingen, wenken en woorden, welke hij van de moeder omtrent het lot des vaders gehoord had, als heldere sterren aan den donkeren nachthemel van het verledene voor hem op. Maar hoeveel bleef nog met zwarte wolken en nevelen omsluierd!

Rasinski was vooral door de laatste woorden van den brief getroffen, die eene wonde van zijn hart aanraakten, welke, daar hij zijne smart steeds met mannelijke vastheid in het diepste zijner borst verborgen hield, zelfs door Lodewijk niet vermoed werd. Met gekruiste armen stond hij tegen den marmeren schoorsteen geleund en staarde peinzend voor zich neder.

Op Bernard scheen deze brief den minsten indruk te maken, daar hij zich nog geheel met het in den eersten gemelde voorval bezig hield. Hij zat aan de andere zijde bij het vuur en speelde met zijn ring, dien hij aan den vinger ronddraaide. „In het eerste oogenblik, mijn goede Lodewijk,” begon hij na een lange stilte, „brengt een dergelijk bericht ons in eene hevige ontroering, op den duur echter verflauwt die indruk. Ik geloof aan wonderen in de borst, in het hart en wáárin men wil, maar in het leven zijn zij zeldzaam. Iemand, die sinds twintig jaren verdwenen is, moet onder de dooden geteld worden; om een vader dien wij lang ontbeerden, kan ook de droefheid niet groot zijn. Maar Maria in haren toestand, in den smaad, dien zij dulden, in den angst, dien zij doorstaan moet, is een arm bloedend offerlam!”

„Gij zijt zoo goed, zoo trouw, Bernard,” hervatte Lodewijk; „gij kent het hart uws vriends zoo tot den diepsten grond, en zoudt gij niet begrijpen, dat het hem tot in zijn binnenste schokken moet, te vernemen, dat hij wellicht nog een vader bezit, die zoo onbeschrijfelijk veel geleden heeft en misschien nog lijdt? Waart gij in mijn geval.....”

„En ben ik het dan niet?” stoof Bernard bijna woest op. „Ten minste in een soortgelijk, en daarom weet ik, wat ik er van denken moet. Ik kon misschien nog eene gansche maagschap, vader, moeder, broeders, zusters en al wat er meer toe behoort, opschommelen, maar ik betuig u, dat ik thans zelfs geen enkelen voet zou verzetten voor hen, die mij twintig jaren alleen lieten loopen. Het is wel is waar met u een ander geval, want gij weet, dat uw vader u niet verstooten heeft; gij hebt hem vroeg verloren, en alles, wat gij van hem vernomen hebt, bewijst, dat hij een edel man was! Nu, gij weet, ik ben ook niet van ijzer of steen—maar Maria ligt mij thans nader aan het hart.”

„Gij hebt mij nooit gezegd, dat uwe ouders nog in leven waren,” sprak Lodewijk met de uiterste verbazing.

„Ik vernam het zelf eerst voor twee jaren in Londen, toen mijn pleegvader gestorven was; maar toenmaals had ik geheel andere dingen in hoofd en hart—gij weet het immers—en naderhand heeft de tijd mij tamelijk onverschillig gemaakt. Daar, door dien ring,” hij wierp dien over de tafel aan Lodewijk toe, „kan ik misschien mijne ware ouders terugvinden, en toch had ik hem voor drie maanden zonder de minste zwarigheid voor een zeker iets, dat mij liever was, weggegeven, wanneer ik niet de domste ezel geweest ware, die ooit door de lieve zon beschenen is.”

Daar Rasinski en Lodewijk hem bevreemd en vragend aankeken, vervolgde hij, terwijl de laatste den ring beschouwde: „Mijn pleegvader, dien ik voor mijn werkelijken hield, was een arm dorpspredikant bij Würzburg. Toen ik in mijn tiende jaar redelijk goed begon te teekenen, zond hij mij naar Dresden bij zijn broeder, dien gij gekend hebt. Dat het mij slecht beviel bij dien ouden, strengen ijzegrim, behoef ik u niet te herhalen. Ik rukte mij eindelijk van alle ketenen los en ging op reis. Omstreeks dezen tijd stierf mijn pleegvader, en zijn broeder werd erfgenaam, dat is te zeggen, kon de nagelaten preeken en papieren naar huis halen. Onder deze was er een, dat hij mij dadelijk overzond en waarop de overledene met eigen hand ongeveer het volgende geschreven had: „Op een avond, dat ik reeds te bed was, werd er herhaalde malen driftig aan de huisdeur gescheld. De meid opende; eene vijfjarige knaap, die zelf den knop der schel niet had kunnen bereiken,—dat was mijn persoon—stond op de stoep en hield een aan mij gerichten brief in de hand. Ik brak dien open en vond eene aanwijzing van twee duizend gulden op een frankforter bankier, die men te mijner beschikking stelde, onder voorwaarde, dat ik het kind, dat ze overbracht, zoude opvoeden. Men kende mij als een eerlijk mensch, die van het in mij gestelde vertrouwen geen misbruik zou maken, en wilde, na verloop van tijd, verder voor den knaap zorgen. Ik heb mijn plicht naar mijn beste weten vervuld, schoon de spoedig daaropvolgende oorlog mij de som, die ik met het kind ontvangen had, voor altijd deed verliezen. Zijn aanleg tot teekenen deed mij besluiten, hem naar mijn broeder te Dresden te zenden. Het linnen was met eene B gemerkt, weshalve ik hem Bernard noemde. Dit en een gouden trouwring, dien wij later toevallig in zijn kleedje ingenaaid vonden, en waarin de letters B. W. staan, zijn de eenige teekens, door welke hij zijne ware ouders misschien nog eens kan opsporen.” Dit geschrift en den ring deed mijn oom, of hoe ik hem noemen moet, mij in Londen toekomen, met aanmaning om nu zelf dáár of in Duitschland naar mijne ouders onderzoek te doen. Verder bleef mij ook niets over, want, gelijk gij weet, stierf de goede man voor twee jaren zoo onverwachts, dat mijn antwoord hem niet eens meer in leven vond.—Dus zijn wij in hetzelfde geval; maar ik betuig u, Lodewijk, dat ik geen vinger heb uitgestoken om eene ontdekking te doen. Wat doe ik met ouders, die zich mijn leven lang niet om mij bekommerd hebben? Rijk of arm, voornaam of gering, 't is mij alles om 't even; liefde hebben zij toch nooit voor mij gevoeld. Met u is dat anders, maar ook op verre na onwaarschijnlijker—want welk verstandige rekent ooit op het groote lot in de loterij? In uw geval zou ik slechts den schurk Romanay, of hoe heet de schoft, op het spoor zien te komen, om hem bij gelegenheid den nek om te draaien. Maar uw vader—twintig jaren spoorloos verdwenen, is dood.....”

„Neen Bernard!” riep Lodewijk, „dat laat mijn gevoel zich niet opdringen. Ik hoop, ik wil, moet hopen, dat ik mijn vader weervinden en hem wellicht nog vreugde en levensgeluk bereiden zal. O, die liefde is sterker dan de zucht, om mij aan een ellendige te wreken, dien de hand der vergelding mogelijk nu reeds achterhaald heeft. Neen, ik hoop nog!”

„Dat zal acht dagen duren; de eerstvolgende maanden komt het nu en dan nog eens bij u op, maar wanneer eindelijk jaren verloopen zijn en alles blijft gelijk het is, dan zult gij zien, dat zulk eene zwakke hoop vanzelve uitgaat, als eene vlam zonder brandstof.”

„Het is waar, ik ben naar het schijnt bestemd, om mijne dierbaarste verwachtingen aan bijna onzichtbare draden te zien vastgeknoopt, en men kon het mij vergeven, wanneer ik wanhoopte, door hen den uitweg uit den donkeren doolhof van mijn lot te vinden.”

Rasinski had intusschen den ring opgenomen en aandachtig beschouwd. „Hm!—Welke letters zeidet gij, dat in den ring stonden?” wendde hij zich vragend tot Bernard.

„B. W.” antwoordde deze.

„Ja,” sprak Rasinski, niet zonder eenigen berispenden nadruk, „wanneer men zulke fijne draden slechts onoplettend beschouwt, dan is het zeker onmogelijk, die te vervolgen en, zooals Lodewijk zeide, door hen geleid, den uitweg uit den doolhof te vinden. Ik lees niet B. W., maar zeer duidelijk L. W. in dezen ring.”

„Onmogelijk!” riep Bernard, greep haastig naar den ring en hield hem tegen het licht. „Dat is een goochelspel der hel!” stamelde hij doodsbleek uit. „In mijn ring stond B. W., of ik wil eeuwig verdoemd zijn. Drijft gij den spot met mij?” stoof hij woest tegen Rasinski op.

„Hoe komt gij bij die gedachte!” sprak deze en stond verwonderd van zijn stoel op; ook Lodewijk staarde den vriend met angstige bevreemding aan. In zijne trekken was eene ontroering te lezen, zooals hij nooit bij hem bespeurd had; hij scheen zijne bezinning verloren te hebben en staroogde met verwilderde blikken op den ring.

Plotseling barstte hij in een lach uit, die de vrienden deed rillen. „Het is niets, zeg ik, niets. Een der potsierlijkste meesterstukken van het toeval, dat echter iemand in het dolhuis kon brengen! Ik geloof, het noodlot wil zich aan mij wreken. Ik geloofde niet aan zijne wonderen in dit nuchtere leven, nu toont het, wat het kan, en steekt honend den draak met mij—maar toch bijna te gruwzaam! O,” hij drukte zich de vuist voor het voorhoofd, „dat iemand mij slechts deze enkele maal zeggen kon, of de grijnzende spoken van een droom mij kwellen, dan of de werkelijkheid mij dat honend masker voorhoudt. Pakt mij toch aan, in 's duivels naam, en schudt mij wakker, als de nachtmerrie mij het hart wil indrukken!”

„Bernard, beste Bernard,” sprak Lodewijk hem toe en greep zijne hand, „wat deert u? Bedaar, kom tot u zelf, zeg ons, wat u zoo vreeselijk geschokt heeft.”

Als iemand, die uit de bewustelooze vlagen eener zenuwkoorts in het leven terugkeert en nu, doodelijk afgemat, nauw de oogleden kan openhouden, zeeg Bernard thans aan de borst des vriends neder en ware gevallen, wanneer Rasinski hem niet ondersteund had. „Laat mij alleen, vrienden!” stamelde hij. „Gij hebt mij lief, het moet u even zoo treffen. Waarom zou ik meer dan ééne borst verscheuren?—En wanneer alles een louter spel was! Een niets, een minder dan niets, dat mijn hart zoo vreeselijk pijnigt!—Thans weet ik, dat er ook buiten de werkelijkheid dingen zijn, waartegen de mannelijke borst niet bestand is, dat men aan folterende droomen sterven kan.”

HOOFDSTUK III.

Jaromir en Boleslaw waren op dezen eersten avond in Moskou van hunne vrienden gescheiden, daar hunne tegenwoordigheid bij de troepen volstrekt noodzakelijk was. Toen echter de bivaksvuren vlamden en de soldaat behoorlijk verzorgd en van spijs en drank genoegzaam voorzien was, konden de wachthebbende officieren zich wel beurtelings voor eenigen tijd van hunne posten verwijderen en zich door hunne kameraden daarop laten vervangen. Dit deed ook Jaromir. Bij zijne frissche, levendige geaardheid, bij zijne jeugdige, nog voor alle indrukken des levens vatbare gevoeligheid, was, hoeveel hij ook reeds beleefd, gezien en ondervonden mocht hebben, de intrede in eene nieuwe, beroemde hoofdstad eene gebeurtenis voor hem, die zijne belangstelling en nieuwsgierigheid in eene hooge mate gaande maakte. Met verbazing had hij de paleizen, de lange onafzienbare straten en ruime pleinen aangestaard; het Kremlin met de hooge koepels, torens en tinnen had op zijne ziel den indruk van een tooverslot uit de wonderwereld der feeën gemaakt. Hij had lust om door de straten te dwalen, de bivakken der kameraden te bezoeken, met hen te keuvelen en te schertsen, in één woord, om na de langdurige inspanning eens vrij en frank de vreugde van den ongestoorden lediggang te genieten. Boleslaw bespeurde dit en met zijne gewone welwillendheid bood hij hem, zonder eerst een verzoek af te wachten, aan, den dienst van hem over te nemen. Met twee officieren van het bataljon infanterie, dat Rasinski voor het oogenblik was toegevoegd, drentelde hij, toen het reeds begon te schemeren, arm in arm de straat op, om eene wandeling door de stad te doen.

„Hier op deze beide torens met hunne gouden koepels moeten wij het oog houden,” zeide hij tot zijne geleiders, „zij kunnen ons, al wordt het ook donker, weer terecht wijzen, want in den getakten knop spiegelen onze vuren zich helder genoeg af, om hem zelfs in den nacht uit de verte te zien blinken.”

Lebrun en Lacoste, zoo heetten zijne makkers, waren even als hij zelf in de lustigste stemming. „Marlborough s'en va en guerre,” neurde Lebrun, zich luchtig den knevel opstrijkende, en de beide anderen bleven niet in gebreke, hem met hunne stemmen in koor te ondersteunen.

Na eenige straten, waarin hun eene batterij zware artillerie te gemoet kwam, te hebben doorgeslenterd, kwamen zij aan het Kremlin. Hier waren groote bivakken opgeslagen. Der jonge garde was het plein ter legerplaats aangewezen.

Lange rijen van geweerrotten flonkerden prachtig in den weerschijn der vuren, die men ter zijde van de straat had aangelegd. Daar de soldaat steeds gewoon is, zijne legerplaats zooveel mogelijk te versieren, had men ook hier voor elk bataljon eene piramide van trommels en adelaren opgericht. Aan de uitgangen der verschillende kruisstraten stonden de kanonnen opgesteld; zij waren afgespannen, de brandende lonten stonden in den grond geplant. Om de lieden te vervroolijken, hoorde men van verschillende zijden een krijgszuchtige veldmuziek; doch slechts weinigen hadden kracht genoeg of waren in eene luim, om aan een luchtigen dans naar de geliefkoosde française of gavotte de rust op de met stroo bedekte straatsteenen op te offeren. Over het geheel leverde het leger wel eene levendige, maar niet die vroolijke vertooning op, welke zulk een krijgszuchtige nomadenstad anders, vooral na dagen van zege en overwinning, den toeschouwer pleegt aan te bieden. De kleeding der meeste soldaten was gescheurd, met bloed en kruit bevlekt; zelfs de garde maakte daarop geene uitzondering, ofschoon zij bij Borodino geen deel aan het gevecht genomen had. Later toch, toen Kutusow nogmaals eene verschanste stelling bij Krymskoïe, drie uren vóór Moskou, aannam, had ook zij zich eervol van haar plicht gekweten.—Hier en daar hoorde men een lustig liedje aanheffen, doch meerendeels lagen de baardige krijgers in hunne mantels gewikkeld aan de vuren en sliepen of staarden geeuwend in de vlammen, waarop hunne dampende kookketels stonden.

„Laat ons daar de kaai eens opwandelen, waar al die prachtige huizen staan,” sprak Jaromir.

Ook hier lagen soldaten; het was de oude garde. Bij deze anders aan zoo strenge tucht gewone troepen heerschte thans weinig orde. Men had de deuren der huizen opengebroken en zich van de ruime voorportalen meester gemaakt; de officieren lagen op de bovenverdiepingen uit de vensters. De soldaten sleepten hout en stroo aan; anderen droegen beddenspreien, kussens en tapijten naar beneden, om zich een gemakkelijk leger te spreiden, want de soldaat was de vroolijke erfgenaam der gevluchte bezitters.—Het bivak kreeg door deze stoffeering een bont, bijna oostersch aanzien, te meer, daar juist eenige lijfmammelukken des keizers zich met lange pijpen in den mond op een prachtig geborduurd tapijt en hemelsblauwe, in een naburig paleis gevonden kussens hadden neergevlijd.

„Hm! gij zijt hier wel op uw gemak,” sprak Lacoste; „nu, geen wonder! de garde moet altoos een streepje vóór hebben. Het is vrij onzeker, of gij het bivak in huis, dan de huizen in het bivak gedragen hebt. Waarom gaat gij niet liever binnen op de ledikanten liggen?”

„Er is order om te bivakeeren, heer kapitein,” antwoordde een grenadier met blinkend zwarten knevel; „maar dat zal, naar alle verwachting, niet lang duren. Als de nacht zoo schoon is, als nu, kan men het zich nog licht getroosten.”

„Zoo schoon? Mij dunkt de wind zal koel genoeg blazen,” merkte Jaromir op.

„Als hij de vuren maar niet uitblaast,” riep de knevel glimlachend, „laat hem dan vrij zijn gang gaan.”

„Zeg liever, als hij ze maar niet aanblaast,” hernam Lebrun. „Uw bivak, vriend, is niet het geregeldste van die ik tusschen den Ebro en hier gezien heb. 's Nachts, als alles slaapt en de vuurwachten knikkebollen, kan het stroo onder uw lijf in brand vliegen bij zulk een verduiveld verwarde huishouding.”

„Waarachtig!” riep Jaromir, „het zou wat fraais zijn, als gij de winterkwartieren boven uw hoofd in brand staakt; maar het schijnt er volkomen op toegelegd. Zie eens, hooi en stroo zijn van het vuur tot aan de huisdeuren gestrooid, alsof gij met een kruitslang een artilleriepark woudt in de lucht doen springen.”

„Pah! stroo is geen kruit. Wat licht brandt, is licht gedoofd!” antwoordde de grenadier.

„Niet altijd,” hernam Lacoste; „uw bivak wil ik met eene sigaar in brand steken, maar het zou u moeielijk vallen, in gansch Moskou water genoeg bijeen te halen om het uit te blusschen.”

„Wij zullen het wat voorzichtiger aanleggen, heer kapitein,” sprak de grenadier, zich buigend, terwijl de officieren hun weg voortzetten.

„Het verwondert mij toch, dat zoo iets wordt toegelaten,” meende Jaromir, „het is inderdaad gevaarlijk.”

„Zeker is het,” antwoordde Lacoste, de schouders ophalend; „maar bij zijne geliefde garde ziet de keizer veel door de vingers. Hij steunt er op, dat het enkel veteranen zijn, die met krijg en krijgstucht bekend en van de noodzakelijkheid der laatste zoo overtuigd zijn, dat zij vanzelf doen wat goed is. Dat is ook wezenlijk het geval op marsch, in het leger en in den slag; maar, gij weet het, is de tijd om uit te rusten eens voor den soldaat gekomen, dan is het onmogelijk hem tot werken te bewegen. Zoolang hij aan den gang is, gaat het, men kan hem opladen, wat zijne schouders kunnen dragen; strekt hij zich echter eens moe en mat op het bivak neer, vooral zooals nu in eene veroverde hoofdstad, dan mag gebeuren, wat wil, hij stoort zich aan niets. Nu, men moet ook iets aan het geluk en aan den goeden hemel overlaten, wanneer alles, wat hier op de wereld gevaarlijk is, op zijn ergst uitviel, dan mocht de henker soldaat zijn. Onze grootste troost zijn immers de kogels die niet treffen.”

Al pratende was men verder gewandeld; geen schrede, die niet een beeld voor de hand eens bekwamen schilders aanbood. Hier een oud krijgsman, die sliep, als zou hij nooit weer ontwaken, en niet bespeurde, dat zijne zolen reeds aan het vuur verzengden, zoodat Jaromir hem meêlijdend ter zijde schoof, om den armen duivel den volgenden dag niet geheel blootsvoets te laten loopen. Dáár eene marketentster, die door een zwerm lustige soldaten omgeven en vrouwelijke geslepenheid met trots op de nauwgezette eerlijkheid van haar handel parende, allen gelijkelijk wist tevreden te stellen. Verderop spelen, plagerijen, liederen, dansen. Een weinig ter zijde eene groep genoegelijk keuvelende en snappende ouden, die meer litteekens dan haren op de kale schedels omdroegen. Eene zieke, die mistroostig, met omwonden hoofd, in de kapot gewikkeld in het stroo dook. Een pijper, die zich in eene schilderachtige houding als sansculotte op zijn ransel had gezet, terwijl hij als zijn eigen kleermaker zijn eenige broek opflikte. Zelfs eene moeder met een tweejarigen knaap zag men, aan het vuur zittende, met het kind stoeien en dartelen. Dat was het eenige zoete loon voor eene trouw en eene liefde, welke haar den moed hadden gegeven, deze onmetelijke, met bloed besmette wildernissen te doorwandelen.

Terwijl Jaromir zich door een dichten hoop soldaten den weg trachtte te banen, die elkander om een met rijst beladen wagen, waarvan zij hun rantsoen zouden ontvangen, verdrongen, voelde hij iemand aan zijne jasslip trekken. Hij zag op; het was een sierlijk gekleed jockey, een knaap, naar het scheen, van ruim vijftien jaren, wiens aanwezigheid in het leger opzien moest wekken. Een engelsche hoed met breed omslaande randen en zwarten vederbos, versierde het hoofd en bedekte ten halve de gelaatstrekken.

„Wat wilt gij, mijn jongen?” vroeg Jaromir verwonderd.

De kleine boog zich een weinig, als beschaamd, en fluisterde: „Ik moet u verzoeken, mij te volgen!”

Jaromirs verbazing nam toe, toen hij den schoonen knaap opmerkzamer aanzag, de schemering, het roodachtig schijnsel der wachtvuren en de diepe slagschaduw van den hoed verleenden het gezicht eene eigenaardige, romantische bekoorlijkheid.—De trekken deden levendige herinneringen bij hem oprijzen, welke hij echter op geen bepaald voorwerp wist te huis te brengen; evenwel hield hij zich overtuigd, dat hij den knaap reeds vroeger ergens moest gezien hebben.

„Volgen?” vroeg hij; „gaarne; maar waarheen?”

„Slechts mij na,” sprak de kleine, zich ras omwendende, terwijl hij uit het gedrang zocht te ontkomen. Jaromir, hoogst verrast en gespannen, ijlde hem na, bevreesd hem in al het gewoel uit het oog te zullen verliezen.

IJlings voortgaande sloeg de vlugge geleider eene donkere, smalle zijstraat in, door welke zij spoedig op een open plein uitkwamen. Daar stond plotseling het Kremlin met zijn in de diepe schemering zwart en reusachtig opwaarts stijgende torens en muren vóór hen; door het laatste avondlicht beschenen, blonk het gulden kruis des heiligen Iwans op de spits der hoofdkerk en scheen zich in het blauw des hemels te verliezen. Ofschoon Jaromir door de zeldzame ontmoeting zeer gespannen en met gedachten en vermoedens vervuld was, die hem van wat hem omgaf onwillekeurig aftrokken, zoo maakte toch dit onverwachte, grootsche schouwspel een machtigen indruk op zijne jeugdige ziel. Als aan den grond gekluisterd bleef hij roerloos staan en staarde naar de hoogte. Zijn gids echter, die hem steeds eenige schreden was vooruitgebleven, zag steeds aandrijvend naar hem om en wenkte met de hand, dat hij niet zou dralen. Zij kwamen aan den voorhof van een prachtig paleis; de knaap snelde de breede marmertrappen op, trad in het portaal en wachtte, of Jaromir hem volgde. Nu greep hij diens hand en zeide: „Hier moet ik u omzichtiger leiden, want in de donkere zuilengangen zoudt gij verdwalen.”

Inderdaad was de wijde voorhal des huizes door eene kleine lamp, die bij een boogvenster op eene marmeren tafel stond, zoo goed als niet verlicht. Ternauwernood kon men de breede trap, die naar de bovenverdiepingen voerde, onderscheiden. Jaromir aarzelde; zou hij verder volgen, in de vreemde stad, in het ledige huis?—Hij was niet vreesachtig en toch wankelde hij in zijn besluit, om zich geheel aan zijn onbekenden geleider toe te vertrouwen.

„Halt, mijn jongen,” sprak hij, „niet verder eer gij mij zegt waarheen.”

„Een Pool, een soldaat, en vrees?” fluisterde de knaap bijna spotachtig.

Dit antwoord verdroot den moedigen jongeling. „Vrees?” riep hij; „beeldt gij zelf u misschien ook in, mij bevreesd te maken, kleine? Vooruit dan, in 's hemels naam, maar gij blijft mij borg voor al, wat mij bejegent.”

De knaap antwoordde niet, maar Jaromir reikte zijne hand toe, die haar zoo krachtig vastklemde, dat de kleine geleider hem niet ontkomen kon; hierop trok hij zijne sabel en riep: „Voorwaarts nu, waarheen gij wilt.”

De zwijgende gids leidde hem de trap op, opende, op een bovengang gekomen, eene kleine deur en voerde hem vervolgens door eene lange reeks van, naar het scheen, ledig staande vertrekken, waarin eene zwarte duisternis alle voorwerpen omsluierd hield.

Nog eenmaal traden zij door eene deur; de knaap wierp die achter zich in het slot, wrong door eene onverhoedsche wending zijne kleine hand uit die van Jaromir los, verdween in het duister en riep hem nog slechts met eene welluidende zilverstem de woorden toe: „Wacht hier een oogenblik!”

Jaromir wilde naar den vluchteling grijpen en tastte met uitgestrekte armen om zich heen, maar het toeslaan eener tweede deur bewees hem, dat zulks te laat en de vlugge page ontkomen was.

Alléén in den stikdonkeren nacht, klopte Jaromirs hart met hoorbare slagen; hij trachtte de deur, waardoor hij was ingetreden, te openen; maar zij moest een springslot hebben, althans zijne pogingen waren vruchteloos.

„Zou de vijand mij hier in eene hinderlaag gelokt hebben?” dacht hij bij zich zelf. „Doch wat reden kon hij hebben, om juist u onder zoovele duizenden tot prooi uit te kiezen? En hoe toevallig stiet men op u! Er waren wel belangrijker levens in het leger te vinden, wanneer de vijand het daarop toelegde. Maar wat ter wereld kan men met mij voorhebben? Waartoe die geheimzinnigheid?”

Door dergelijke gedachten verontrust, trad hij aan het venster, dat met dichte, zijden voorhangsels gesloten, zich door eene smalle lichtstreep kenbaar maakte. Hij schoof de gordijnen open; het vertrek zag uit op een tuin; achter dien tuin werd men door het schemerdonker de, door de vlammen der bivaksvuren bestraalde, beide torenspitsen gewaar, welke Jaromir tot leidsterren op zijne wandeling hadden moeten dienen. Bedroog hij zich niet ten eenenmale, dan moest hij door den tuin op den naasten weg naar de zijnen uitkomen. Hij herinnerde zich tevens, in de straat, waarin zijn regiment gelegerd was, een tamelijk langen tuinmuur en daarin een kleine achterpoort te hebben gezien. Met de gevatheid van een soldaat, wist hij deze omstandigheden der plaatselijke gesteldheid dadelijk met elkander in verband te brengen en hield zich nu volkomen verzekerd, dat hij, eerst in den tuin zijnde, ook den muur bereiken en vandaar de hulp zijner kameraden inroepen kon. In zijne gedachten ontwierp hij reeds het plan tot een terugtocht, ingeval het tot het uiterste komen en zijn leven bedreigd worden mocht. Hoe in den tuin te geraken, was slechts de zwarigheid, want het venster was hoog en een sprong uiterst gewaagd. Daar kwam hem het toeval te hulp; hij hoorde plotseling in zijne nabijheid eene deur in hare hengsels kraken. Op het geluid afgaande, ontdekte hij eene kleine deur in het behangsel, die, slecht toegemaakt door den wind heen en weder bewogen werd; hij opende die en stond in een gang, welks venster op den tuin uitkwam. Daar het door geen gordijn gesloten was, liet het genoegzaam licht door, om de plaatselijke gesteldheid verder te onderzoeken, en reeds na eenige oogenblikken vond de jongeling een kleine trap, die, tot zijne vreugde en geruststelling, naar den tuin afdaalde en beneden niet gesloten was. Hij stond nu aan den uitgang en was heer zijner vrijheid, doch een gevoel van schaamte en eerzucht dreef hem weder naar boven; tevreden, dat hij zich van een vrijen aftocht kon verzekerd houden, besloot hij, het avontuur stoutmoedig te bestaan.—Juist had hij het duistere vertrek weder bereikt, toen de deur, waardoor zijn geleider verdwenen was, geopend werd en een zacht lichtschijnsel hem in de oogen blonk. Eene vrouwelijke, in witte kleeding en sluiers gewikkelde gedaante zweefde hem te gemoet; zij hield eene, door een mat geslepen glas bedekte lamp van antieken vorm in de hand. Jaromir, die zich op een vijand, althans op eene ernstige, zoo niet gevaarlijke ontmoeting had voorbereid, was uiterst verbaasd. Met zichtbare verwarring boog hij zich; doch de vreemde zette de lamp op de marmeren tafel, trad op hem toe en vroeg, zonder echter den sluier op te lichten, met eene liefelijke, hem hoogst bekend voorkomende stem: „Raadt gij niet, wie voor u staat?”

„Bij den hemel, neen!” riep de jongeling; „maar kennen moet ik u!”

„Gij hebt geen trouw geheugen,” hervatte de onbekende, „en ik herkende u toch te midden van het gewoel, en mijn hart sloeg ruimer, wijl ik een vriend en beschermer hoopte te vinden. Maar ik moet u toch smeeken, dat voor mij te zijn!” Met deze woorden sloeg zij de sluier op en zag beschaamd voor zich neder. De schemering, die in het vertrek heerschte, bedekte hare van het licht afgekeerde gelaatstrekken. Jaromir tot het uiterste gespannen, greep driftig hare hand en trok haar nader bij de lamp. Zij bood slechts flauwen wederstand, maar neigde met vrouwelijke schaamte het hoofd op den vollen boezem.

„Alisette! Gij?” riep hij buiten zich zelf van verbazing. „Hoe is het mogelijk, dat gij hier komt!”

Zij sloeg haar schoon blauw oog, dat in vochtigen glans schemerde, biddend tot hem op en sprak met eene bevende stem: „Ach, voorzeker is het mij zelve onbegrijpelijk; maar er zijn tijden en omstandigheden, welke ook ons vrouwen in de zonderlingste en ongewoonste betrekking plaatsen. O, ik gevoel diep”, ging zij met neergeslagen oogen voort, „hoe vijandig de schijn is, die op mij vallen moet, nu gij mij hier aantreft! Doch wist gij....”

„Ik zweer u,” riep Jaromir vurig uit, „dat mijn hart niet in staat is, eenigen onwaardigen argwaan te voeden!”

„O gij edele vriend,” snikte Alisette, greep zijne hand en drukte ze met warmte. Hierop zonk zij vermoeid en uitgeput op de sofa neder en verborg haar lokkig hoofd in het zijden kussen. Zij scheen in stilte te weenen. Jaromir stond voor haar en beschouwde het schoone meisje met een kloppend hart. Het hoofd rustte op den vollen, licht verhulden arm, de haren wierpen hunne schaduw op wangen en nek; de rechterhand hing achteloos neder. Zacht zette hij zich naast haar, nam hare hand en sprak met waarlijk medelijdende aandoening: „Bedaar, arm meisje! Gij zult een vriend in mij vinden.”

Zij richtte zich langzaam op. „Ach,” zuchtte zij, „wanneer het tafereel van mijn leven zoo met recht levendige kleuren voor mijn geest staat, dan begeven mij de krachten. Schenk gij mij slechts vergiffenis!—Maar hooren moet gij, welke lotswisselingen mij herwaarts voeren. Beantwoord mij echter eerst deze ééne vraag: Herkendet gij mij niet vroeger?”

„U? Wanneer?” vroeg Jaromir verwonderd.

„Gij zoudt mij niet in de mannelijke kleeding herkend hebben!”

„Onmogelijk! Gij zelve waart de sierlijke, schelmsche bode? Nu begrijp ik de duistere wenken der herinnering.....”

„De schelmsche bode!” viel Alisette hem met een bitteren nadruk in de rede. „O wanneer gij wist, wat het mij gekost heeft, die rol vol te houden. Maar ik heb op het tooneel gestaan, waar ik vaak met een verscheurd, bloedend hart een lachend gelaat moest vertoonen!—Doch, wilt gij mij aanhooren? Zal mijn verhaal u niet vermoeien? Zult gij mij uw raad en bijstand niet ontzeggen?”

„Een ellendeling zou ik zijn, indien ik niet bereid ware, alles voor u te doen!” riep Jaromir, drukte hare zachte hand, die nog immer in de zijne rustte, aan zijne lippen en bedekte ze met gloeiende kussen. Alisette belette dit niet en drukte haar doek voor de schoone, weenende oogen.

„Nu, verhaal dan, verhaal mij alles,” bad Jaromir; „droog die bittere tranen, want gij hebt een vriend, een broeder gevonden.”

„En ik wil mij aan u vertrouwen, als aan een broeder,” hervatte het meisje en drukte liefderijk zijne hand. „Gij weet wellicht niet, dat ik een afschuw van mijn stand heb? Waarom—behoeft eene vrouw, een meisje u niet te verklaren. Maar de dringende nood, de zorg voor het eenig overgebleven kind eener boven alles geliefde zuster, die ik in Engeland verloor, drongen mij, in deze rampzalige betrekking te blijven. Mijn talent, dat ik slechts tot eene vrijwillige veraangenaming des levens voor mij en anderen bestemd waande, moest onder den drukkenden slaafschen plicht, om voor het dagelijksche onderhoud te zorgen, buigen. De treurige omstandigheden, die mij het eerst deze akelige baan deden inslaan, behoef ik u niet op te geven. In Warschau vondt gij mij daarop; de uren, in het huis der gravin gesleten, de vluchtige dagen, dat ik u daar aantrof, waren de schoonste mijns levens. Gaarne ware ik daar gebleven, maar de verfoeielijke aanbiedingen eens mans in wiens hand daar mijn gansche lot berustte, dwongen mij, spoedig na u, eenige dagen nadat de gravin was afgereisd, de stad te verlaten, waar ik zooveel goeds had genoten, waar echter eensklaps al diegenen, welke mij vriendschap hadden betoond, als door een ruwen storm naar alle wereldstreken waren uiteengestoven. Zonder raad of hulp, bleef mij niets over, dan den naasten tak aan te grijpen, dien ik in mijne schipbreuk ontdekte. Een tooneeldirecteur, die op de macht en het geluk des keizers het onbepaaldste vertrouwen stelde, beijverde zich, leden voor eene fransche opera aan te werven, door welke hij het winterverblijf in Rusland voor het leger dacht te veraangenamen. In den beginne heette het, de keizer zou te Witepsk blijven; derwaarts volgde hem de nieuwe beschikker van mijn lot. Ik waagde mij te midden van het gewoel des oorlogs; zonder vrees, durf ik zeggen, want ik ben aan de stormen des levens gewoon en uitwendig gevaar verschrikt mij niet meer. Maar nauwelijks waren wij te Witepsk aangekomen, of de keizer brak van daar op en de stad werd zoo ledig en eenzaam als vroeger. Ten einde de groote onkosten, welke hij reeds had gemaakt, niet geheel te verliezen, besloot de ondernemer het leger te volgen. Hij hield zich stellig overtuigd, dat de keizer weldra te Moskou zijn zoude, en zocht ons daardoor te overreden, hem verder te volgen. Echter zou ik zeker naar Duitschland of Polen zijn teruggekeerd, maar.....” Zij scheen een oogenblik huiverig om voort te gaan. „Doch waarom zoude ik mij de bekentenis schamen,” vervolgde zij blozend, „het ontbrak mij daartoe aan geld.”

„O, waarom zocht gij mij, waarom den graaf Rasinski niet op! Wij stonden immers dicht bij de stad en ik zelf kwam er dagelijks.”

„Ach, had ik u gezien, ik zou misschien den moed gehad hebben, tot u zulk eene bede te richten; maar tegenover anderen hield eene onoverwinnelijke schaamte mij borst en lippen toegeklemd. Ook zag ik den graaf slechts eens op zijn prachtigen schimmel voorbijrijden; ik stond aan het venster, doch hij bemerkte mij niet.”

„De onmogelijkheid van het terugkeeren,” vervolgde het schoone meisje na eenig stilzwijgen, „dreef mij verder en verder in de akelige wildernis voort. Slechts voor de dagelijksche, dringende behoeften zorgde de ondernemer; voor het overige beloofde hij ons gouden bergen van Moskou, wellicht alleen, om elken anderen uitweg voor ons af te sluiten. De nabijheid der armee, de vaak voor mijn gevoel stuitende nachtverblijven, het gestadige, niet te vermijden verkeer met mannen deden mij besluiten, de mannelijke kleeding aan te nemen. Voor een groot voorrecht mag ik het houden, dat het mij gelukte, eene plaats op den bagagewagen van een generaal te krijgen, want ik ging nu voor een zijner bedienden door en de reis werd mij oneindig minder bezwaarlijk. Wij kwamen eenige dagen na den slag door het nog smeulende Smolensko. Hier wierp ik voor het eerst een blik op de gruwelen van den oorlog. Door afgrijzen versteend, bevend en half bewusteloos reed ik over den bloedigen weg voort, dien men door puin en lijken had gebaand, en zag aan beide zijden half verbrande lijken en zwarte menschenbeenderen opeengestapeld. Ik moest eindelijk het oog sluiten voor deze hartverscheurende beelden. Maar zij vernieuwden zich dagelijks. Misschien zag ik afgrijselijker tooneelen dan gij zelf; want gij snelt op de baan des roems rusteloos voort en werpt geen blik terug op de vreeselijke sporen van dood en verwoesting, die het langzaam wijkende monster des krijgs achterlaat. Maar ik heb ze gezien, die jammergestalten, aan den weg, die holoogige bleeke spooksels, die ons hunne doffe klachten tegenkreunden. Ik heb hen gezien en moest, schoon mij het hart brak, voorbijgaan, zonder hen te kunnen helpen. En in deze woestenijen van gruwel en ellende dreef mijne bestemming mij voort! Met elken tred onzer vermoeide paarden werd de terugkeer onherroepelijker gesloten. De stroom drong langzaam voorwaarts; ik zag, dat hij op mijn reddeloos verderf uitliep. Maar was ik in staat, alleen om te keeren en langs den weg terug te dwalen, waar ik bij elken voetstap op een lijk, op een stervende stooten moest? Hoe had daar, waar duizenden in den krijg geharde mannen versmachtten, wijl hunne krachten bezweken, een zwak, hulpeloos meisje den terugweg gevonden! Bijna waanzinnig door de onophoudelijke verschrikking, die mijne ziel verscheurde, liet ik mij door mijn lot meedrijven en dacht in doffe bedwelming aan geen tegenstand meer. Zoo hoorde ik het gedonder van den vreeselijken slag, zoo reed ik met gesloten oogen over het lijkenveld, waaruit reeds vergiftige pestdampen opstegen, en zoo eindelijk, dierbare vriend, bereikte ik deze stad. Daar elk hier met de in overvloed opengelaten ruimte naar willekeur handelt, geraakte ook ik in dit paleis, welks voorste vleugels eenige vrouwen bewonen, die hetzelfde lot met mij deelen, maar zich met lichtvaardigen moed, ik zou kunnen zeggen met schandelijke zorgeloosheid, daarin weten te voegen. Zij hebben bovendien zoo spoedig innige betrekkingen aangeknoopt, dat de mijne met haar zoo goed als verbroken is. Zoo was ik dan al dadelijk in de eerste minuten het verlatendste wezen in deze reusachtige stad, in dit onmetelijk rijk. Vóór ongeveer een uur waagde ik, mijn stillen schuilhoek te verlaten; de angst dreef mij aan een anker in dezen nood op te zoeken. Eensklaps deed een gunstig gesternte mij u ontdekken en.... het overige behoef ik u immers niet meer te verhalen,” voegde zij er fluisterend bij en sloeg het schoone oog verlegen ter aarde.

Het wonderbare en verrassende der ontmoeting, de eenzame, vertrouwelijke plaats, de bevalligheid, welke Françoise Alisette zelfs aan de geringste bewegingen en uitdrukkingen wist te verleenen, het roerende en treffende van haar verhaal en hare levendige schildering, de gedachte aan hare vrouwelijke hulpeloosheid in het onstuimig woelen en stormen van den oorlog, bovenal echter de onweerstaanbare tooverkracht der tranen van haar schoon, blauw oog—dit alles oefende op het jeugdig hart des jongelings zulk een onuitsprekelijk vermogen uit, dat hij, eer hij het vermoedde, in het purperen net gevangen was, waarmede het bekoorlijke meisje hem omstrikte. Uit het vertrouwen, dat zij hem schonk, putte hij eene hem zelf anders onverklaarbare koenheid; het was hem, alsof zij nu haar gansche lot in zijne hand gelegd, alsof zij hem tot heer en meester van haar doen en willen gemaakt had. Met ras ontvlammenden gloed klemde hij zijne lippen op hare hand en trok de schuw weerstrevende nader tot zich. Zijne gloeiende wang raakte de hare; hij sidderde in zoete bedwelming; ook zij beefde in de armen, die hij koen om haar slanke gestalte sloeg.

„Zoet, engelachtig wezen,” sprak hij teeder vleiende, „wees mijne zuster, ik wil uw broeder zijn. Droog uwe tranen, wees niet meer angstig bekommerd over uw lot, nu zal alles, alles geleden zijn.”

„O hemel, hoe overstelpt gij mij met ongehoopt geluk,” riep Alisette en neigde zich, als overweldigd door haar gevoel, tegen den vriend en verborg haar schoon gelaat aan zijne borst.

„Gij hebt mijne bruid later gezien dan ik,” sprak hij na eenige minuten. „O, vertel mij van haar! Was zij zoo treurig, zoo bedrukt, als hare brieven?”

Bij het woord bruid scheen Alisette krampachtig te rillen; een gebroken, beklemd „ach!” rees uit hare borst op. „De schoone gravin Lodoiska heb ik weinig meer gezien,” sprak zij met moeielijk herwonnen kalmte; „den dag na den afmarsch was zij op het bal in het Saksische Paleis, waar ik verschijnen moest, om op het concert te zingen.”

„Op het bal?” vroeg Jaromir op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat dit bericht hem even onverwacht als onaangenaam voorkwam.

„De vorst Lichnowski geleidde haar.”

„Danste zij met hem?”

„Met hem alleen, ook slechts een paar maal. Den meesten tijd zaten zij samen in de vensternis en spraken. Zij reden ook vroeg naar huis, want de vorst bleef dien avond nog bij de gravin eten.”

Jaromir zweeg; een donkere gloed van toorn vloog over zijne wangen; echter onderdrukte hij de jaloersche neiging, die in hem opwelde. Neen, dacht hij eenige minuten later, zij bemint u teeder en hare droefheid was zoo oprecht en ongehuicheld, als hare brieven die afschilderden. Zou zij echter daarom het geleide van een vertrouwden vriend des huizes niet meer aannemen? Zou zij zich aan een openlijk feest, dat nog wel eene vaderlandsche strekking had, onttrekken? Gij doet haar onrecht!

In zijne open trekken had Françoise gelezen, wat in zijne ziel omging. „Gij zijt eensklaps zoo verstrooid, lieve vriend,” sprak zij met bezorgde deelneming, „de herinnering aan eene zoo schoone bruid moet inderdaad zeer roerend zijn. Schrijft zij u dikwijls?”

„Ik heb sinds den dag voor den slag geen bericht gehad. De laatste brief was uit Teplitz.—Maar zij schrijft dikwijls en met de aandoenlijkste liefde.” De laatste woorden sprak hij met eene ontroering, die scheen aan te duiden, dat hij over zijn argwaan berouw had. Doch opeens schoot hem te binnen: Waarom heeft zij u niet geschreven, dat zij op het bal geweest is? Zij heeft anders alles, wat haar wedervaren is, nauwkeurig bericht, dag voor dag hare levenswijze opgegeven—waarom....?

Alisette stoorde hem in deze gedachten. „Hoe gaarne had ik van de gravin en uwe bruid afscheid genomen! Maar het was mij onmogelijk. Driemalen liet ik mij aanmelden en vond telkens niemand te huis. De portier zeide mij, dat zij naar buiten gereden waren. Zij kwamen eerst laat weder in de stad en den morgen daarop wekte mij de wegrollende wagen.”

„Naar buiten?” vroeg Jaromir vol verbazing, want ook daarvan had men hem geheel onkundig gelaten. „Waarheen? Kent gij de plaats?”

„Neen,” antwoordde het meisje kennelijk verlegen, „die poolsche namen kan ik zoo moeielijk onthouden.”

„Misschien Wikzolky; het goed van haar oom? Of Pulawy, waar vorstin Czartoryski woont?”

Alisette ontkende zulks door eene lichte beweging met het hoofd.

„Maar naar wien dan? De naam des bezitters zult gij toch kennen?”

„De portier wist het niet,” hernam Alisette aarzelend.

„Dat is onmogelijk, lieve! Als hij de plaats kent, weet hij ook wie er woont.—Ik bezweer u, meisje, spreek de waarheid!” riep hij eensklaps met opbruisende heftigheid. Alisette beefde verschrikt terug.

„Mijn God!”

„De waarheid! Was het Czarnowicki?”

„Ik geloof ja!”

„Daar woont Lichnowski!” riep Jaromir en sprong woedend op. „Zij is trouweloos, is zoo valsch als eene vrouw! Zij verzweeg mij dat bezoek; dat had zij nooit gedaan, was zij onschuldig geweest! Een dagboek zond zij mij; van elk uur, elke minuut gaf zij rekenschap. Eene heilige kon niet stiller, ingetogener leven. O de huichelaarster!” Tranen welden in de oogen des jongelings op; hij wischte ze verdrietig af en stampte met den voet op den grond. „Het is waarachtig ook nog de moeite waard, dat een man als een kind om haar schreien zou!” Doch zijne tranen vloten slechts des te sterker.

Alisette was sidderend, zonder een woord te durven spreken, blijven zitten; zij geleek een kind, dat onverhoeds een groot ongeluk heeft aangericht en, van schrik verbleekt, zonder eene poging tot afwending te wagen, het wassende verderf bevend aanziet. „O, wees toch bedaard,” bad zij eindelijk vleiend: „zet u weder naast mij. Zeker, gij doet der arme schreeuwend onrecht.”

„Neen!” riep hij heftig, „ik doe haar geen onrecht! Onwillens hebt gij, lieve, meer verraden, dan gij vermoeden kunt! Zeg mij thans de volle waarheid. Wat weet gij verder?”

„Werkelijk niets,” hervatte zij, door den smeekenden toon de vraag ontwijkende.

„Alisette?” bad Jaromir onstuimig en zette zich weer. „Alisette! Gij hebt hulp en bescherming van mij afgesmeekt! Thans heb ik u meer noodig, dan gij mij, best meisje! O gij zijt goed, zeg mij alles, ik bid u, alles wat gij weet en denkt.”

„Waarlijk, ik weet niets, en wat ik denk—dat mag ik niet denken. O, dat ik mij een zoo ongelukkig woord moest laten ontvallen!”

„Slechts één ding zeg mij,” sprak hij met verkropte woede en smart,—„is vorst Lichnowski de gravin naar Teplitz gevolgd?”

„Hij reisde denzelfden dag af,” antwoordde Alisette nauw hoorbaar.

„O, gij zijt goed—gij hadt mij niet zoo verraden,” riep hij met diepe ontroering, trok de zacht weerstrevende aan zijn hart en neigde het zware voorhoofd tot haar neder. „Maar ik wil haar vergeten! Zij zal de voldoening niet hebben, dat een man om haar weent. Ik dacht slechts aan haar in den slag. Slechts haar beeld stond voor mijne ziel; ik zag geen dood, geen gevaar. Het scheen mij zoet te sterven, wanneer men zoo betreurd werd—nog zoeter scheen het mij te leven! O, hoe waanzinnig was die wensch! Waarom lig ik niet liever bij de vrienden op de vlakte; daar zou ik rust vinden!”

„En ons brak het hart!” riep Alisette smartelijk uit en scheen van schrik en schaamte te rillen, toen het woord aan hare lippen ontvloden was. De uitroep, dien de macht van het te vergeefs bestreden gevoel haar ontwrongen had, wierp een helderen lichtstraal in de verborgenste diepte harer ziel.

Zij bemint u, dacht Jaromir en dat denkbeeld begon hem met gloeiend leven te doordringen; zij bemint u waarachtig en heeft dat gevoel bestreden en bedwongen in hare maagdelijk schuwe borst. Hoe kon uw oog dat bekoorlijk wezen onachtzaam en miskennend voorbijzien! O, het is eene wonderbare beschikking des hemels, die u in dit oogenblik der diepste smart dezen engel van troost toezendt.

Na de onwillekeurige bekentenis had Alisette te vergeefs getracht, zich uit Jaromirs driftige omarming los te winden, om hem te ontvlieden; hij hield haar met klimmende liefde omstrikt; doch zij verborg hare van schaamte gloeiende wangen schuw aan zijne borst.

„Neen, richt u op, zie mij aan, aanminnig wezen. Gij bemint mij? Mag ik het hopen, het uitspreken? O thans eerst, in dit oogenblik eerst weet ik, wat liefde is. Hoe koud was Lodoiska's omarming!”

Hij drukte zijne heete kussen op de lippen der hem flauw afwerende; haar tegenstand was krachteloos tegen zijne onstuimigheid.

De donkere gestalte van zijn boozen demon trad ongezien achter hem, hief de dreigende hand op en hield ze boven zijn hoofd uitgestrekt.—„Nog ééne schrede en de koude, vreeselijke aanraking treft uwen schedel en de vergiftigde adem dringt doodelijk in uwe borst. Is geen goede genius u nabij? Treedt de reine gestalte der geliefde niet tusschen u en het drogbeeld, dat u omstrengelt? Geen beschermengel waakt over u—gij zinkt in het net der verdervende machten!”

„Wilt gij de mijne zijn? Eeuwig de mijne?” smeekte Jaromir met teederen aandrang. „Kunt gij hem vergeven, die u miskende, die den zuiveren diamant van uw hart blind voorbijging? Alisette, ik heb zwaar onrecht jegens u goed te maken! Maar vergeef mij—vergeef den onzinnige!”

„O onuitsprekelijk geluk!” stamelde Alisette uit en omstrikte hem met hare blanke armen. Haar boezem vloog, hare lippen gloeiden aan de zijne, haar adem stierf weg in zijne kussen. Jaromir sidderde in huiverende verrukking. De bruisende kracht der jeugd stormde door al zijne zinnen. Tot hiertoe had hij slechts de reine offervlam der liefde gekend, van verre staande hare bezielende warmte ondervonden, haar heiligen glans vereerd. Roekeloos trad hij het heiligdom te na. Als gloeiend metaal rolde thans het vuur door zijne aderen, de vlam greep den zoom van zijn kleed aan, sloeg in verterende woede over zijn hoofd te zamen en—het heldere maanlicht der gelouterde liefde verbleekte voor den onstuimig losbrekenden vulkaan zijner hartstochtelijke driften.

Met angstige gejaagdheid ontwaakte Alisette uit hare bedwelming en wilde zich uit de omhelzing des geliefden losrukken; doch hij liet haar niet los. „De mijne zijt gij voor altijd,” riep hij, „die gelofte zal ik houden. Gij, de trouwe, de minnende, neem dezen ring. Dit gouden teeken zij de getuige van ons verbond. Het is heilig gesloten, het is onverbrekelijk.” Hij trok Lodoiska's ring van zijn vinger en stak hem aan dien van Alisette. Zij hing sprakeloos aan zijne borst. „O, ik ben eene misdadige,” riep zij eindelijk uit, „eene zwaar misdadige! Maar gij, gij zijt er de oorzaak van, voor u heb ik die zonde op mijne ziel geladen. Gij moogt mij niet verstooten.” En met nieuwe kussen en tranen hing zij aan zijne lippen. „Laat mij het u slechts bekennen! Schoon uiterlijke omstandigheden mij ook met harden nooddwang herwaarts dreven, een machtiger aandrang des harten had mij toch het eerst op deze gevaarlijke baan gevoerd. Een geheime stem in mijn binnenste voorspelde mij, dat ik door de ster van mijn geluk geleid werd. Mijn oog hing met tranen aan haar vertroostend schijnsel, maar mijn zwak gelooven en hopen waande haar ongenaakbaar hoog. En nu, daar de vervulling mij met geluk overstelpt..... nu.....”

Weenend verborg zij het gelaat in haar kleed, maar hield met den arm den geliefden jongeling teeder omvat.

„Gij eenig geliefde! Is het dan waar, dat gij mij bemint?” sprak zij vleiende en liefkoozende, daar hij stom en sprakeloos voor haar stond.

De blakende gloed was uitgedoofd; Jaromir zag thans, welke verwoestingen de verterende vlam om hem had aangericht. Eene koude, akelige rilling van berouw drong hem door de borst. „Of ik u bemin?” vroeg hij met somberen weemoed. „Buiten u heeft thans de aarde niets meer voor mij! Gij zijt het eenige gesternte, dat voor mij flonkert—mocht gij!—neen, neen!—gij zult voor mij eeuwig glanzen. Gij zoete geliefde! Uwe zachte hand heelde immers de gloeiende wonde, door welke eene giftige verraderes mijn boezem zoo gruwzaam verscheurde! O, gij waart mijn goede engel in een vreeselijk uur!”

Hij leunde zijn voorhoofd tegen het hare; zijne tranen vloeiden onophoudelijk. Hoe hij het zich ook trachtte op te dringen, thans eerst gevoelde hij het,—hij was toch niet gelukkig! Een wervelwind had hem hoog op het toppunt des levens gedragen, maar onder zijne voeten voelde hij geen grond; de storm trok de vleugels in en met dezen zonk hij dieper en dieper neder. Slechts naar de lichtende starren boven hem hief hij de oogen angstig op.

De doffe slag eener torenklok, die negen malen door den stillen nacht drong, deed beide minnenden uit hunne verdooving ontwaken.

„Gij moet weg,” riep Alisette,—verschrikt opspringende; „als men u hier vond, was ik verloren!”

„Verloren? Wie kan na den band, dien wij gesloten.....”

„Om aller heiligen wil, ik hoor gerucht,” viel zij hem haastig in de rede; „de deur wordt geopend, de klank dringt door de holle gangen tot hier door. Wij hier in het donker—wanneer men ons vond!—Geliefde, als u mijn leven, mijne eer dierbaar is, dan verlaat mij nu! Gij weet niet, wat een vrouwenhart gevoelt! Mij zou de schaamte vernietigen, wanneer de vrouwen—o, ik bid u, ik smeek u, ontvlucht! Nog is het tijd! Hier door deze deur naar den tuin!”

Zelve gaf zij hem de sabel, die hij afgelegd had, in de hand en drong hem met angstvallige liefkoozingen te gaan.

„Gij schuwe ree!” sprak hij weemoedig glimlachend. „Hoe bekoorlijk is deze schaamte! Wees gerust, gij moogt het oog opslaan tegen velen, die zich vlekkeloos achten, want zuiver is uwe ziel; uw hart blijft een ongeschonden heiligdom!”

„O, pijnig dat hart dan niet langer!” smeekte zij. „Wanneer gij mij lief hebt, ga dan! Het zij het eerste bewijs, dat gij mij van uwe teederheid geeft.”

Hij omarmde haar nog eenmaal, kuste met vuur hare bevende lippen en verliet hierop stil en haastig het vertrek.

„Leef wel! Morgen! Morgen!” fluisterde Alisette hem teeder na en verdween. Ongemerkt bereikte Jaromir den tuin. Hij wilde thans onderzoeken, of deze werkelijk aan de straat grensde, waar zijn bivak lag, en doorsneed derhalve in die richting de duistere heesterperken. Na eenige minuten stiet hij op een muur en vond na kort zoeken eene deur, die slechts van binnen gegrendeld was. Met forsche kracht schoof hij de ingeroeste grendels af en stond inderdaad, gelijk hij vermoed had, nauwelijks honderd schreden van de wachtvuren zijner manschappen. Deze heimelijke weg, die hem der geliefde als in de armen voerde, was hem een nieuw onderpand van zijn geluk, een nieuwe wenk van het lot. En schoon zijn hart nu nog bloedde aan de plaats, waar hij de zachte banden, die hem tot hiertoe ketenden, gewelddadig had losgescheurd, zoo voelde hij toch ook den verzachtenden balsem, dien de hand van het noodlot hem reikte.

HOOFDSTUK IV.

Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk, bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon, dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo romantisch.”

Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten, dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid, die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet opgezocht, gaat dan, ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant, hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf, geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch vermoed.

„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe, want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche graaf, die men te Dux ziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars, want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en, geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders. Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”

Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met de lippen.

„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette, dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster; zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken. Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap en ga naar bed. Goeden nacht!”

Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen, hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht, broeder.”

Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig voor den geest. „Het is zonderling,” sprak hij tot den ouden vriend, „ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar veel gewonnen en tegelijk verloren had.”

„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart tusschen de oevers voortrollen.”

„Het is mogelijk des te dieper!”

„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand. Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit, al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te vernielen.”

Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.

„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want, onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op, die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”

Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis, welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu alles, wat Bernard wilde gezien hebben.

„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren. Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden, dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden, die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet; verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivak te liggen.—Goeden nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig zijn.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings