← Table of contents
1812

TIENDE BOEK. (continued 2)

Reading edition

Rasinski liet de handen van den doode niet los; zijn met tranen gevuld oog hechtte zich aan het verbleekte gelaat, dat zelfs in den strijd des lijdens en des doods den krijgsmansadel bewaard had. „Ziet dit schoone voorhoofd vol litteekens, versierd met zilveren haren!—O, dat was een trouw soldatenhart!—En zoo verschrikkelijk te sterven!”

„Neen, hij had een schoone dood,” zeide Lodewijk, wiens ziel zich geloovig tot den Algoede verhief, die den gemartelde in zijn doodsuur zijne dierbaarste vrienden als door een wonderwerk in deze schrikkelijke eenzaamheid toezond; „hij stierf een schoonen dood! Zie slechts, hoe zijne trekken zich verheerlijkt hebben!”

Jaromir sprong plotseling te paard en snelde ras op den weg, dien zij gekomen waren, terug; men wist niet wat hij voor had. „Wacht hier twee minuten,” riep hij, „ik ben dadelijk terug.”

Zwijgend stonden de vrienden rondom den gestorvene.—„Geef mij eene schaar,” vroeg Rasinski. „Ik wil tot aandenken een lok van zijn hoofdhaar medenemen.”

Bernard reikte hem uit zijne portefeuille het verlangde toe. „Gunt gij mij tien minuten,” zeide hij, „zoo teeken ik den kop hier in mijn studieboekje. Deze trekken tref ik gewis.”

„Het blad zal mij heilig zijn,” hernam Rasinski en dankte zijn vriend door een handdruk.

Terwijl Bernard teekende, keerde Jaromir terug. Hij had twee spaden dwars voor zich over den zadel liggen. „Wij moeten onzen kameraad begraven!” riep hij reeds van verre, „dat is de wil van God, die ons in zijn doodsuur tot hem heeft gezonden.”

„Van waar hebt gij die spaden?” vroeg Rasinski verwonderd; „ik had gewis dadelijk aan eene begrafenis gedacht, wanneer ik de mogelijkheid had ingezien van haar te bewerkstelligen. Gij brengt den schoonsten troost aan mijne ziel!”

„Door een toeval ontdekte ik ze. Daar straks, toen wij van de redoute afkwamen, zag ik in een gat twee gebroken russische affuiten liggen, waarbij ik nog de houweelen en spaden ontdekte. Dat viel mij thans in, en daar ik de plaats onthouden had, snelde ik heen om ze te halen.”

„Geef hier,” zeide Rasinski en nam de eene spade. „Hier onder dezen jongen den, dien misschien eens een grijsaard onder de boomen wordt, gelijk de doode er een was onder de helden, hier willen wij hem begraven.” Tegelijk stak hij zelf de eerste kluit uit den grond; Jaromir werkte ijverig mede. Eene aardkloof, die slechts eenigszins verwijd behoefde te worden, moest het laatste leger van den ouden krijgsman worden.—Boleslaw en Lodewijk hielden het hoofd van den doode even omhoog, opdat Bernard zou kunnen teekenen. Een kwartier werd aan dezen liefdedienst gewijd. Regnard bleef een zwijgende, innig ontroerd getuige; hij hield het voor eene zaak van eer, zich niet aan de plechtigheid der begrafenis van een zoo grijzen kameraad te onttrekken.

„Ik ben gereed,” zeide Bernard en reikte Rasinski de met vaste, stoute trekken geschetste beeltenis van den doode over.

„Wij zijn het ook!” zeide deze en nam het blad aan. „Voortreffelijk!” riep hij, terwijl hij het beschouwde. „Het is geheel en al de oude, trouwe kameraad; het is zijn eerwaardig voorhoofd, zijne zachte glimlach in den dood.—Bernard, ik dank u voor dit kleinood.” Hij drukte hem bewogen de hand. „Thans neemt hem uit zijn ontzettingwekkend bed en legt hem in zijne laatste, koele, stille woonplaats. Gij zult eenzaam rusten, oude vriend! maar de wolf zal toch uw graf niet opwroeten, de raaf uw trouw oog niet tot spijs voor zijne jongen in zijn nest dragen.”

Het lijk werd nedergelaten; de aarde bedekte het spoedig.

„Rust zacht!” sprak Rasinski, en strekte zijn arm zegenend over het graf uit. „De wil des Almachtigen zond u eene maat van ellende toe, welke de menschelijke borst niet kan bevatten, voor welke zelfs de ijzeren zenuwen van den held terugbeven. Doch Zijne genade is rijker dan Zijne gestrengheid; u zal vergolden worden. Gij rust hier eenzaam, want geen uwer broederen slaapt nevens u, en verre is het vaderland der uwen. Maar op den dag der opstanding zullen dertig duizend helden om u heen ontwaken en gij zult met hen in zegepraal de poorten der eeuwigheid binnentrekken.—Uw graf kunnen wij niet versieren, de volgende lente moet het doen! Vervloekt zij de bijl, die dezen jongen boom treft, die nog in de latere jaren ons deze plaats kan aantoonen; doch gezegend zij hij, die aan dit graf een teeken van liefde wijdt.” Hier zweeg hij.

Bernard riep: „Laten wij dien steen daar op zijn graf wentelen!” Weinige schreden verder lag een granietblok, dat bijna de gedaante van een teerling had. De krachtige mannen pakten het zware blok aan en wentelden het gelukkig tot op het graf. Toen braken zij groene takken van den denneboom af, staken deze in de versch opgeworpen aarde, en Bernard krabde met zijn mes een P in den steen.

„Thans de laatste krijgsmaneer,” zeide Boleslaw en trok zijne pistolen uit de holsters; de anderen deden hetzelfde. Rasinski trad voor om te commandeeren. Hij trok de sabel en commandeerde: „Legt aan! vuur!” De schoten vielen, de rookzuil steeg recht naar boven en schitterde in een vluchtigen blik, dien de zon door de wolken wierp. Doch door den slag opgejaagd, vlogen rondom troepen van raven op en vluchtten met ruischend klapwieken.

Driemaal werd den begravene den krijgsmanseer gebracht, waaraan ook Regnard zich niet onttrok.

Daarna zaten zij op en reden snel en zwijgend naar de hunnen terug.

HOOFDSTUK V.

Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den maarschalk Davoust, op te wachten.

Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen; velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.

Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen; dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde, van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren, zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen, dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite, herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen voorbeeld ijverig bij hem aan.

In Wiasma was het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal; doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen, dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.

Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging. De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden, had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel. Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.

Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen: „Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne rommelzoô het eerst ontnomen had?”

„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk, berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid in onze gedachten?”

„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die naast Jaromir reed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”

„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan, „want hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”

„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”

„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen, wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten. Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van Croesus.”

„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”

„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in de ziel van het gansche leger gedacht.”

„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”

Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen, lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.

Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben, reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.

Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn verlangen was.

„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski; „kent gij de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”

„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,” antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots, dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.

„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”

„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”

„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.

„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig, „ik heb mij verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben! Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm! Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”

„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.

„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik denk, wij zullen wat te doen vinden.”

„Wenscht gij het?”

„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste, hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”

„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski vriendelijk.

„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden, als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte zijn paard vriendelijk op den hals.

Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens aanspraak aan zijn paard in de rede.

„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”

„En is de weg goed?”

„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”

„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”

„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo zeker als de pruimen in den herfst.”

„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”

„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in het gelid.

Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden, zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag men wagens het veld inrijden.

„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne vrienden.

„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder; plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde menschen schitterend teruggekaatst.

„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.

Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den grooten weg.

Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen vloed begraven.

Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn overmoed.

Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen, welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?

Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven, totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huis te verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans dreigend bedekt.

Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen, dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij dezen dag behoefden te zien.

HOOFDSTUK VI.

Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden. Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen, kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij, op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch, om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste wilskracht de vermoeide natuur.

Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een Pool wanhoopt nooit!”

Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn blik alleen reeds deed den gezonken moed der manschappen herleven; spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.

„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk; „de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”

„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde Lodewijk.

„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de verzengde luchtstreek gelegen.”

„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.

„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal van Chamouny den besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar zijn uwe oogen u dat ook niet?”

„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke hij met innigheid drukte.

„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er sneeuw in de lucht steekt.”

Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.

Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille, akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen aan. Al lager en lager daalde zij neder.

„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot Rasinski.

„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel, daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter kende.

De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend, in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad, zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.

Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort. Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze, ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden, die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabrië tot aan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor eeuwig te verstijven.

Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam, maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van iedere kracht overtrof.

Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,” zeide hij, „dat in Scythië zich de lucht dikwijls door neervallende vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”

Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging, om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam. „Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.

„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had het ook eens zien sneeuwen.”

„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.

„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude ons Capua zijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van den Ticinus tot aan Cannae.”

„Nu, Capua hebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”

De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet tevreden met die hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.

„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”

De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order, dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”

„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja verbazing.

„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”

Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden het doen,” zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem in het lot hunner kameraden te mogen deelen.

„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgen moet gij doen, wat gij heden wilt; daarom hebt gij gelijk.”

Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen, wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.

Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de assen in de sneeuw, die in eene taaie massa veranderd was, daar zij zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte. Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de vermoeide dieren nog te hulp komen.

Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween, naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden. Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken hen verblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen, ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde, ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan, waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.

Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef, verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit. Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroet mocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in de akelige omarming des doods verstijven!

Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.

HOOFDSTUK VII.

Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren, om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot orde en onversaagde werkzaamheid.

De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs aan den moedelooste weder.

Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander verwarmen.”

Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard snelden niet met de overigen naar de hut.

„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.

„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.

„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe nabijheid, het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”

Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan, zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne manschappen vooruit wil of mag hebben.”

Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende. Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende verstijving over.

Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen, had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken, en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch, wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij, eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.

Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet? Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de aardsche borst neder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden! Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?

Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende verkwikking.

Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze. Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach, thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden, waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan bereik ik het schoone land aan mijne voeten.

Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden omlaag te voeren.

Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde hoogte; hier daal ik naar Aosta af. O gij lieve, aanminnige, waarom vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet? Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij! Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!

Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hem toe, hij trok haar tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne handen hielden ze in elkaar geklemd.

De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezicht werkelijk trof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen. De herinneringen aan dien eersten nacht op den Simplon stegen in wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang, mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in het dal, waar wij zoo even vertoefden.

O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts, hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.

Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol. Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoone signora weder, die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel ineen. O, hoe schoon is het hier!

Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats. Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en heuvels, die in het avondpurper gloeiden.

Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde; bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden. Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.

Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij de roffelende trommels en trompetten, het sein om op te breken. De wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde, plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden. Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.

Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.

Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe, onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.

HOOFDSTUK VIII.

Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene toevlucht vinden tegen de winterstormen; daar zal de razende honger, die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte, uitgeputte geestkracht versterking vinden.

Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide lichamen terug.

Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd, toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden, dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed, wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden. Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte. Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens roofdiers er op aan en verslonden ze met eene zoo razende drift, dat de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde, scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden, toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot hun marsch vrijhielden.

Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters gewonde handen en wangen. Onder weeklagend gekerm stortten zij naar beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar bleven bedwelmd aan den weg liggen.

Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden, bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd, dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd, door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude gedood.

De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde. Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden, elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp de maarschalk Bessières zich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in den weg, te vergeefs trachtten de officieren hen met geweld terug te houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.

„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.

Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen, doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting binnen.

Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat slot wel?”

„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”

„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijne vreemde torens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,” hernam Lodewijk.

„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht, dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede maal te Smolensko kwam.”

„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder een menschelijk aanschijn te verschaffen.”

Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij elkander met bezorgdheid aan.

„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk, „Smolensko ziet er voorwaar niet naar uit, alsof het Capua zou worden.”

„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote weg, dien wij gekomen zijn.”

„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,” fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds oogst gehouden te hebben.”

„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen steen op den ander.”

„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het kwartier boven ons hoofd in.”

Illustration from 1812: Historische roman

Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.

„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl hij met zijn vinger in een nauw zijstraatje wees, „beloven ook niet veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal mogen wij dus ook niet rekenen.”

„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn. Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten verduren.”

Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden, waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein, waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja, op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon brengen, om het daarin uit te houden.

In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst, eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.

Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen, om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden, en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen, het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoop gegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende lijken bezaaid.

Door zulk een ijzingwekkend gewoel moest Boleslaw zich baan maken; hij deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.

Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen. Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van Rasinski te komen.

Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.

Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”

„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd. Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet meer bewaren.”

„Maar het verderf ligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken. Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te spoediger verloren.”

„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”

„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden, zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich zelf raken op dat gezicht.”

Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen, waar alle paarden goed verzorgd waren.

„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder behoorlijk voeder versta ik half stroo, half haver en nauwelijks het derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er zich aan te goed doen!”

„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.

„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir, „ik heb zelf overal mijn oog laten gaan.”

„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken. Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”

Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen, wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”

Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering beving.

HOOFDSTUK IX.

Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij dien ditmaal bevredigen.

Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.

Terwijl hij afwezig was, kwam Regnard en verhaalde, dat een te Parijs in hechtenis genomen generaal Mallet beproefd had oproer te stichten en de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk op den keizer gemaakt, die tegen graaf Daru gezegd zou hebben: „Hoe nu, wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”

„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.

„Reeds bij Dogorobuye ontving de keizer de depêches,” vervolgde Regnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren hebben. Prins Beauharnais heeft aan de rivier Wop, die buitengewoon hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij alleen door honger en koude verloren hebben! Die na ons komen, vinden nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”

Jaromir had zich stil verwijderd, terwijl Regnard vertelde; bij de groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot van Alisette niet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen. Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.

In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden; hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde, dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit, om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!

Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig, om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem met huivering. Hij zag Regnard weder gaan; zijne lange, schrale, beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in, die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien, en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde hem niet tegen te komen.

Spoedig na Regnard kwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te verkleeden en behoorlijk te reinigen.

„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier helaas niemand, waarop men verlieven kan.”

„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”

„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden, waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde aderlating.”

„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!” zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”

„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen, beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien dienst gaarne doen.”

Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren, ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen, maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij tot het personeel der administratie behoorden.

„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet. Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”

„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets bekomen kunnen.”

„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt het? Welaan dan, vooruit!”

Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te lezen.

„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort, Beaucaire en in diens ouderen metgezel St. Luces herkende.

„Gendarmes!” riep Beaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht hebben!”

Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had, want hij had Beaucaire in Dresden slechts eenige oogenblikken op straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortige der kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van hem meester.

„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem, sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt, dien kloof ik den kop!”

Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.

In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”

Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen, dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte, dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het ongeluk des keizers en de armee verheugden. St. Luces, afgericht om van elke gelegenheid partij te trekken, riep daarom insgelijks: „Ce sont des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!”

Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne tanden.

„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich tot St. Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”

De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel van St. Luces werden zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht zich bevond, doch Beaucaire riep: „Neen! deze misdadigers hebben het leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden. Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”

„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen. Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat is.”

Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand als Beaucaire niet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen. Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan deze Beaucaire voor het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie, die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.

„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad geen verzoek afslaan.”

„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.

„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak. Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem die te melden.”

„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”

„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand drukken.

Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”

„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw goeden wil.”

De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.

Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.

„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!” Tastend ging hij rond. „Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat, hier dood vriezen.”

„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept, alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”

„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten, terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind, Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat gij in 1812 op den Simplon uw plicht hebt gedaan jegens eene schoone smeekende ongelukkige.”

Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.

„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort. „Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken, zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren, en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken, en had ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste gericht zal reiken.”

„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ik weet niet, maar ik gevoel, wat en wie u hier heeft gebracht.”

„Ik gevoel het niet, maar ik weet, dat ik u hier heen gesleept heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt, dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons stil gemaakt hebben.”

„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans een middel tot ons verderf.”

„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons heden niet bang maken.”

„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie weet....”

„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.” Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.

HOOFDSTUK X.

Een uur, nog een tweede uur verliep; zij wachtten te vergeefs, dat men hen tot het verhoor zoude afhalen. De koude in het dompige gewelf scheen ieder uur toe te nemen. De muren waren rondom met fijne ijskristallen bezet en de grond lag zelfs hier en daar vol sneeuw, zooals de wind ze door het venster had ingewaaid. Juist verhief hij zich weder en huilde vreeselijk door het gewelf. De vermoeidheid dwong de gevangenen, zich op den ijskouden, steenen vloer neer te leggen, doch de koude joeg hen spoedig weder op. Slechts in de afwisseling tusschen gaan en liggen vonden zij de mogelijkheid, zich tegen verstijven te behoeden. Handen en voeten waren hun reeds verkleumd. Het begon donker te worden; de zon moest ondergaan. Lodewijk werd van oogenblik tot oogenblik ongeruster; Bernard floot zich de ergernis en den kommer weg.

„Ik vrees,” begon eindelijk Lodewijk, „Rasinski weet niet, wat van ons geworden is. Anders moesten wij reeds tijding van hem hebben.”

„De tijd valt iemand lang in zulk eene kooi.—Wij zijn eerst een paar uren hier. Wie weet, welke langwijlige procedures noodig zijn, eer hij tot ons komen kan.—Ach, zoo 'k een vogel waar!”

Lodewijk zweeg.

„Daar valt mij iets in”, riep Bernard op eens. „Toen de door het Directoire tot deportatie veroordeelde Terroristen naar Amerika gebracht werden—ik geloof Collet d'Herbois ook, die slechte acteur, die echter de rol van tyran dragelijk gespeeld heeft—gaf men hun, om hen aan de magere keuken der verpeste woestijnen van Guyana te wennen, slechts magere scheepskost. Daar begonnen de kerels te brullen, en zij schreeuwden, tot hunne kelen droog werden: „Honger, honger!” Eindelijk begon dat den kapitein te vervelen en hij beval: „Geeft den honden te vreten, opdat zij met huilen uitscheiden.”—Zoo kunnen wij hier ook doen en op de deur donderen, tot zich iemand om ons bekommert.”

Daarbij deed hij een woesten trap tegen de gesloten deur, zoodat de klank in het geheele gewelf dof naklonk. Doch hij viel tuimelend achteruit, zoodat Lodewijk moest toespringen, om te maken, dat hij niet nederstortte.

„Vervloekt!” riep hij, terwijl hij zijne tanden samenkneep, „ik dacht niet aan die duivelsche pijn in de verkleumde voeten. Dat was een gevoel, alsof ik tusschen den hamer en het aanbeeld was geraakt.—Doch het gaat mij naar verdienste.—Geduld, geduld! beveelt de leer der liefde, en ik wilde kwaadaardig op mijn lot razen. Gij moet mij een beetje ondersteunen, want de pijn is mij tot in den rug doorgetrokken!” Hij steunde op Lodewijks schouder en trok den pijnlijken voet krampachtig naar zich toe.

Daar rammelden de grendels der buitenpoort en men kwam de trappen af.

„Nu, het heeft tenminste geholpen!” zeide Bernard. „Nu doet het mij geen pijn meer.”

Vol verwachting hielden beiden de blikken op de deur gericht, welke, zoo zij hoopten, zich tot hunne bevrijding zou openen. De sergeant trad met zijne manschappen binnen.

„Ik heb bevel u in het verhoor te brengen,” zeide hij ernstig; „volgt mij.”

Door de soldaten vergezeld verlieten zij de gevangenis. Zij werden over het plein gevoerd. „Hebt gij aan mijn verzoek voldaan?” vroeg Lodewijk den sergeant half overluid.

Doch deze wees hem met één stom gebaar, dat hij zwijgen moest.

Thans begon Lodewijk te vreezen, dat zijne rechtvaardige zaak toch wel een slecht einde kon nemen. Rasinski kon niet onderricht zijn, anders zou hij pogingen gedaan hebben, om hem te bevrijden. De keizer was in de stad; zonder twijfel zoude hij zich tot dezen zelf gewend hebben. Met deze gedachte vervuld, volgde Lodewijk werktuigelijk zijn vooruitgaanden leidsman de trap in het voorhuis op, waar men hem en Bernard in een groot verwulfd vertrek bracht. Op eene tafel aan het eind brandde licht. In het eerste oogenblik verloren de binnentredenden bijna hun bewustzijn, want de kamer was heet gestookt, en daar zij bijna bevroren waren, werkte de plotselinge warmte zoo hevig op hen. De sergeant merkte het; hij beval hun zich op eene bank neder te zetten, die in den muur was aangebracht, en daar te blijven tot hij terugkeerde. Hij liet de drie man bij hen tot wacht en ging in eene andere kamer.

„Hebt gij niet een stuk brood, kameraden?” vroeg Bernard; „wij vallen bijna flauw van den honger. Ik wil het u goed betalen!”

Na eenig dralen kreeg een der manschappen een stuk zwart brood uit zijn zak, brak het door en reikte Bernard de helft toe.

„Neem! Maar meer kan ik u niet geven. Dat is al wat ik bezit, en wie weet, of wij morgen weer iets krijgen.”

Bernard wilde hem een goudstuk geven.

„Ik ben onder de wapens,” hernam de soldaat, „ik mag geen geld aannemen. Behoud het.”

In dit oogenblik trad de sergeant weder binnen. Hij zag Bernard, die juist het brood met Lodewijk deelde, aan en vroeg: „Van wien hebt gij dat brood?”

„Van mij,” zeide de soldaat bedaard, en trad met geschouderd geweer vooruit.

„Gij zijt braaf, Cottin! maar gij hebt niet goed gedaan. Ik wil het maar niet gezien hebben.—Gij blijft als schildwacht buiten voor de deur staan; gij overigen treedt af en gaat beneden in de wachtkamer.”

De soldaten verlieten het vertrek.

„Ik heb aan uw verzoek niet kunnen voldoen,” sprak de sergeant thans Lodewijk aan; „want de graaf Rasinski had order bekomen, met zijn poolsche lanciers dadelijk naar het corps van den maarschalk Ney op te rukken. Hij was reeds twee uur weg, toen ik hem opzocht.”

Deze tijding trof beiden als een verpletterende slag. Lodewijk verbleekte en zag Bernard aan; zelfs deze had zijn bedaardheid verloren. Intusschen werd er in de andere kamer gescheld.

„Ik moet u binnen brengen,” zeide de sergeant tot Lodewijk; „gij zult het eerst verhoord worden.”

„Bernard!” zoo richtte deze zich tot zijn vriend; „gij kunt u zelf redden; beloof mij, dat gij het doen zult. Word ik hier het offer van de wraak eens ellendelings, zoo bedenk, dat gij de broeder mijner Maria moet zijn. Ik sterf gerust, wanneer ik weet dat gij gered zijt.”

„Het hoofd niet laten hangen, mijn vriend!” hernam Bernard, zonder Lodewijks rechterhand, welke deze toereikte, aan te nemen. „Wie wil u veroordeelen? Geef hun geen enkel woord toe.”

„Ik zal de waarheid, de volle waarheid spreken,” riep Lodewijk met vastheid, „tegen deze ellendigen, ben ik te trotsch, om ook maar de kleinste leugen te gebruiken. Maar beloof mij.....”

„Antwoord dan in het geheel niet; vorder het bewijs hunner rechterlijke macht.”

„Beloof mij....” viel Lodewijk hem dringend in de rede.

„Voort, voort,” riep de sergeant, „wij mogen niet toeven.”

„O Bernard!” riep Lodewijk smartelijk uit, want hij verstond hem maar al te wel. „O, Bernard!—Nu, welaan dan! Mijn lijden heeft het hoogste toppunt bereikt; ik kan niets meer verliezen, dan eer en moed, en die zal geen noodlot mij ontrooven.”

Met deze woorden trad hij, zich ras en moedig losrukkende, met herstelde mannenkracht door de zaal.

Bernard bleef alleen. Hij hield het nog ongenoten brood in de hand.—„Kwaadheid bederft den honger,” bromde hij voor zich heen. „Men kan echter door nog erger zuren gebeten worden; er zijn dingen, welke den geeuwhonger verjagen; maar die moeten bitterder zijn dan gal! Thans heb ik geen honger meer, maar ik wil u toch opeten, gij hard brood des medelijdens! De maag mocht bij slot van rekening baas over ons worden, en nu moeten hoofd en hart het zijn. Ik ben niet slaperig; maar ik wil ook slapen op deze bank, opdat doodelijke vermoeidheid mij mijne leden niet verlamme, waar zij vast moeten zijn als staal.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings