← Table of contents
1812

VEERTIENDE BOEK.

Reading edition

Illustration from 1812: Historische roman

HOOFDSTUK I.

Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden. De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd en ongemerkt bezweken zijn.

Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen der lijdende nu toch eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker, alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht; maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.

„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen, terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel eens teruggaf?”

„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”

„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,” hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze te dieper in den grond trappe!”

Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg, want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende blikken aan hare lippen hing, met ongeduld hare mededeeling verwachtte en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het vertrek.

„O, die Françoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij zij vergeten en veracht!”

Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen, vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster; maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”

„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”

Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben lichter en beter geworden.”

De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,” hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik niet biechtte.”

„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”

„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil. Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”

Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”

„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”

„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En die furie vervolgt mij nog altijd!”

„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen; „het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en boete.”

„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”

Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan ontrooven moest.

Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit genomen en bracht het ten uitvoer.

Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die vergeving aannemen?”

„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”

„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”

„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij zich niet kan laten vergeven.”

„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou het mij dan niet vrijstaan?”

Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen, dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen gevoelde. „Ja, gij moogt hem vergeven, gij moogt het,” sprak zij vol aandoening; „gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld kendet—thans, verneem ook die.”

Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik gedwaald had?”

Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke de bezoedelde omgang des gemeenen levens den man vaak geheel onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij; „vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”

Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare oogen vloten zachte tranen, die zij over Jaromirs val en berouw vergoot, welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had afgeschilderd.

De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te troosten.

„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden, weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-, driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet terugwijzen!”

Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:

„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder, toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met het koude ijzer der trotschheid!

Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven, tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem der liefde!

Uwe Lodoiska.”

Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over. Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren gemoedsaard, maar zij eerbiedigde de heilige rechten van een minnend hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja, men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk, even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien, hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou, toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag, verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.

Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.

HOOFDSTUK II.

Inmiddels verstreek de eene week na de andere, zonder naricht van de betrekkingen bij het leger te zien aankomen; November spoedde ten einde en nog was het vurig gewenschte antwoord niet verschenen. Lodoiska verontrustte zich en begon te gelooven dat haar brief was verloren geraakt; bij andere gelegenheden kwelde zij zich met twijfelingen aangaande den aard van het antwoord. Te vergeefs stelde de gravin alles in het werk, om haar gerust te stellen en dag aan dag haar voor te rekenen, dat een tijding voor het einde van November onmogelijk kon daar zijn; te vergeefs somde zij al de toevalligheden op, die in oorlogstijd, bij het tusschen dooi en vorst weifelende winterweder en bij de gebrekkige inrichting der veldposten in den geregelden gang der briefwisseling eene stremming konden en moesten teweegbrengen; het minnende meisje werd gestadig treuriger en beangster, en zelfs dit, dat ook Rasinski, Lodewijk en Bernard geene enkele letter geschreven hadden, was niet in staat haar te troosten. Inderdaad was echter juist deze omstandigheid de bron van bekommernissen van een anderen aard voor de gravin zoowel als voor Maria. Deze laatste begon voor het leven der haren te sidderen, terwijl zich aan het dieper inzicht der eerste nog andere vermoedens en zorgen opdrongen, die de waarheid, helaas! maar al te nabij kwamen.

Het was in het begin van December, dat de drie vrouwen, die over het geheel in strenge afzondering leefden, op een avond onder vertrouwelijke gesprekken bijeenzaten. Er werd gescheld; de kamerdienaar meldde een vreemden officier aan, die berichten uit het leger bracht. Een gloeiende vreugdeblos overtoog Lodoiska's wangen bij de gedachte: zou het misschien Jaromir zelf zijn? De gravin was niet minder begeerig te weten, wie de vreemde zijn mocht, en nam, hoewel geen naam was genoemd, derhalve het bezoek aan; in elk geval hoopten allen eenig naricht van hare vrienden te erlangen, waarnaar zij zoo lang en smachtend hadden uitgezien.

De deur werd geopend—Arnheim trad binnen.

Was ook dadelijk bij zijne verschijning de hoop op tijding van Rasinski vervlogen, men koesterde toch voor den edelen, beschaafden man te veel vriendschap, om hem niet van harte welkom te heeten. Na de eerste begroetingen bracht de gravin het gesprek op de oorlogsaangelegenheden, en daar sedert eenigen tijd allerlei geruchten, niet weinig geschikt om onrust en bezorgdheid te verwekken, in omloop waren, vroeg zij dienaangaande Arnheims gevoelen.

„Wij weten niets anders, dan dat de keizer met de groote armee terugtrekt,” was het antwoord. „Evenwel gelooven wij, dat het in de omstreken van Minsk of Wilna tot een belangrijken slag moet komen, daar de russische legerkorpsen van de noordelijke en zuidelijke armee zich gedurig dichter samentrekken. Dat is de reden, waarom vorst Schwarzenberg zich thans tot dekking herwaarts gewend heeft.—Dezen namiddag liep er een gerucht, dat Minsk zelf door Tschitschagoff zou zijn ingenomen; de Fransche gezant spreekt zulks echter tegen.”

„Juist daarom zou ik bijna te eer geneigd zijn, het te gelooven,” sprak de gravin met merkbare onrust; „want sedert ettelijke weken heeft zich doorgaans datgene bevestigd, wat bij het gezantschap de meest beslissende tegenspraak vond.”

„Volgens de stelling des legers moeten de Russen Minsk bezet hebben,” hernam Arnheim; „misschien kan dat zelfs reeds veertien dagen het geval zijn.”

„Het zou mij niet verwonderen,” sprak de gravin, „want de ongelukstijdingen worden zoolang mogelijk voor ons verborgen gehouden. Doch wat is uw gevoelen aangaande de plannen en voornemens van den keizer? Tot hoever zal zijn terugtocht zich uitstrekken? Denkt hij in Litthauwen de winterkwartieren te betrekken, of hier te komen?”

„Ik vermoed, dat hij Witepsk, Wilna, Minsk, zoo het niet verloren is of hernomen wordt tot zijne kantonnementen kiezen en vandaar tegen het volgende voorjaar den oorlog met nieuwe krachten hervatten zal; ingeval hij zich namelijk niet te zeer uitgeput voelt en zich daardoor meer geneigd tot den vrede betoont.”

„Zoo zou dan toch de uitslag van dezen veldtocht niet aan de verwachting en aan de gedane opofferingen beantwoord hebben?”

„Openhartig gesproken, neen!” antwoordde Arnheim vrijmoedig. „Zoo het den keizer gelukt ware, in Moskou vrede te sluiten—dan ongetwijfeld. Nu echter zou hij ten minste even ver geweest zijn, wanneer hij na de inneming van Smolensko den veldtocht besloten en de zaken van Polen geregeld had.”

De gravin schudde mijmerend het hoofd. „Het was althans onze hoop zoo,” zuchtte zij, meer dan zij sprak.—„Doch vertel ons nu ook iets van uw eigen wedervaren, beste vriend!” vervolgde zij, blijkbaar met het doel om het gesprek eene andere wending te geven. „Wat brengt u herwaarts? Gij zijt spoediger teruggekeerd, dan wij hopen durfden.”

„Het zijn aangelegenheden van verschillenden aard en wel niet de aangenaamste,” antwoordde Arnheim, „die mij in Warschau brengen; invorderingen van gelden, kleine onderhandelingen wegens duizend nietigheden, ten deele ook eigen zaken.” Hij wierp, dit zeggende, een blik op Maria, die een weinig verward, het oog onwrikbaar op het borduurwerk vestigde, waarmede zij zich juist bezighield.

„Dan zult gij toch niet weder zulk een vluchtige gast zijn als onlangs?” hervatte de gravin met hartelijkheid. „Gij zult, hoop ik, mijn huis als de toevlucht beschouwen, waar gij u van uwe bezigheden ontspannen kunt, zoo de stilte eener vrouwelijke afzondering u namelijk bevredigen kan na het woelige leven, dat de krijg medebrengt.”

„Wat kon mij meer welkom zijn?” riep Arnheim met vuur. „De krijg maakt ons niet ongevoelig voor het geluk van een vertrouwelijken omgang; hij verleent ons integendeel de vatbaarheid daarvoor, daar elk genot door ontbering verhoogd wordt. Ik voor mij althans heb mij te midden van het oorlogsgewoel vaak in de vredige rust van uw eenzamen tuin teruggewenscht; aan die wandeling denk ik nog met wezenlijke aandoening.”

Maria stond op en verliet onder eenig voorwendsel het vertrek. Hare ontroering had Arnheim waarschijnlijk herinnerd, dat hij zich te levendig had uitgedrukt; want hij bedwong zich en sprak in algemeene bewoordingen over het genot, dat hij in de schoonheid der natuur vond, en hoe hij daarbij licht te bevredigen en onverzadelijk tevens was. Licht te bevredigen, wijl een boom, een weiland, een zonnestraal hem het rijkste genot verschafte; onverzadelijk, daar hij zich in de stille genoegens der natuur uren lang verlustigen kon.—Echter gelukte het hem niet, bedaard te blijven, vooral toen Maria, met de onmiskenbare sporen eener diepe aandoening op hare onbedriegelijke gelaatstrekken was teruggekeerd. De bezorgdheid, welke uitlegging hieraan voor zich zelf te moeten geven, verontrustte hem te zeer, dan dat zulks voor een zoo geoefend oog als dat der gravin zou hebben kunnen verborgen blijven.

Arnheim had, sedert hij Warschau verliet, steeds het voornemen gekoesterd, om Maria, voor wie hij eene warme genegenheid had opgevat, zijne hand aan te bieden. Vandaar had al zijn pogen en streven gedurende dien tijd slechts ten doel, in eene betrekking geplaatst te worden, die hem het geluk van den echt veroorloven kon. Zijn positie als soldaat was niet van dien aard en zijn tegenwoordige betrekking kwam ook geenszins met zijne neigingen overeen, zoolang Europa's staatkundige toestand alles aan den wil van Frankrijk ondergeschikt maakte. Zijn ontslag was hem, terstond na het eindigen van den veldtocht, toegezegd, en hij wilde zich dan als rechtsgeleerde aan den staat wijden, waartoe vroegere studiën, geboorte en bekwaamheid hem de bevoegdheid verleenden. Deze verwachtingen waren hare vervulling nabij en het hoofddoel van zijn oponthoud in Warschau was dus inderdaad geen ander, dan aanzoek te doen om de hand van het beminde meisje. Eene onbedriegelijke overtuiging zeide hem, dat zij meer dan enkel welwillendheid jegens hem koesterde; doch een bijna even stellig voorgevoel deed hem vreezen, dat wat hij haar inboezemde meer eene warme, vriendschappelijke neiging, of misschien wel deelneming in den landsman, dan werkelijk liefde was. Ten einde haar niet te verontrusten, wachtte hij zich zorgvuldig, deze teedere snaar opnieuw aan te roeren en bepaalde hij zich in zijn gesprek tot algemeene onderwerpen. Ook brak hij zijn bezoek vroeger af, dan hij dit anders wel zou gedaan hebben.

De gravin zou zich in eene verbintenis tusschen Maria en Arnheim innig verheugd hebben, daar zij, en waarschijnlijk niet ten onrechte, vertrouwde, dat deze het geluk van het door haar zoo innig geliefde meisje op hechte grondslagen zou vestigen. Arnheim toch was een edel hart waardig en Maria, in haar verlaten toestand, had een beschermer dringend noodig. Wat bovendien de uitwendige gaven der fortuin betrof, ook in dit opzicht liet dit huwelijk niets te wenschen over. Zij besloot uit dien hoofde alles, waartoe hare moederlijke betrekking op Maria haar recht gaf, in het werk te stellen, om het tot stand te brengen.

Tegen hare gewoonte trad zij nog in den laten avond Maria's kamer binnen en vond deze met het invullen van haar dagboek bezig.

„Ik zou toch wel gaarne eens willen weten, wat mijne jonge vriendin nog zoo laat in den nacht in dat boek opteekent,” zeide zij glimlachend, schoon daar zij Maria's geaardheid kende, die in ernstige zaken nimmer eene schertsende wending beminde, op den hartelijken toon van moederlijke deelneming.

„Zoo gij het ernstig wenscht,” hernam Maria, die de bedoeling van het bezoek wellicht gissen kon, „wil ik het niet voor u verbergen.”

„Neen, Maria,” sprak de gravin; „er zijn geheimen, welke zelfs de dochter voor de moeder mag hebben. Veel in ons moet alleen ons eigendom blijven; men miskent het innerlijke, zelfstandige recht van den mensch, wanneer men in vriendschap, liefde of in welke betrekking ook, op een onbepaald vertrouwen aandringt. En die het vorderen, verleenen het gewoonlijk het minst.”

„In deze zaak mag ik u het schenken, ja, ik zou er u wellicht morgen zelve om verzocht hebben,” hernam Maria; „want uw moederlijke raad wordt mij thans onontbeerlijk.”

„En ik kom u dien aanbieden,” viel de gravin haar haastig in de rede, daar zij eene voor haar opzet gunstige stemming waande te ontdekken. „Leg dan uw hart voor mij open, mijne lieve, en beschouw mij als uwe tweede moeder.”

Maria zag haar met hare trouwe, blauwe oogen dankbaar aan en antwoordde vol aandoening: „Als zoodanig heb ik u immers altijd beschouwd, van het eerste oogenblik af, dat gij de ledige plaats innaamt, welke de dood mijner eerste liefderijke moeder in mijn hart openliet. O, ik heb steeds met innige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid erkend, hoe moederlijk gij voor mij zorgdet, toen ik hulp- en radeloos, toen ik geheel verlaten was.—Daarom moet ik ook nu mijn hart voor u openleggen, hoewel het mij eenigen strijd kost, daar gij mij wellicht van eene berispelijke ijdelheid zult verdacht houden. Maar ik moet mij dezen schijn van schuld getroosten, om niet eene werkelijke schuld op mij te laden.”

De gravin luisterde in gespannen verwachting toe. Maria zweeg eenige oogenblikken en ging vervolgens onder liefelijk blozen met neergeslagen oogen voort: „Ik geloof—ik vrees, wilde ik zeggen—de ritmeester Arnheim koestert inzichten....”

Hier brak zij in tranen uit. De gravin, geheel verschrikt, sloot haar in de armen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Zij kon dit weenen wel is waar niet in zijne volle beteekenis verstaan, wijl Maria zich over Rasinski's aanzoek nooit een woord had laten ontvallen, doch in deze moesten de verlevendigde herinneringen gewaarwordingen doen oprijzen, waaraan hare gevoelige ziel zich weemoedig overgaf.

„Gij zoudt zijne neiging niet kunnen beantwoorden?” vroeg de gravin op een deelnemenden toon.

„Ach, dat is het juist, waarover ik mij bedroef en mij zelve verwijten doe,” snikte het meisje. „Hij is goed, ja, ik moet hem edel noemen en ik ben niet zonder schuld, want ik heb mijne gezindheid wellicht te onvoorzichtig doen blijken,—ach, er kwam nog veel bij, dat mijne vriendschap voor hem meer voedsel gaf—en nu moet ik hem zeggen: ik versmaad u!—Dat grieft en pijnigt mij onuitsprekelijk. Daarom heb ik eene moederlijke raadgeving noodig, hoe het onvermijdelijke kwaad te verzachten.”

„Goeie Maria,” antwoordde de gravin vriendelijk, „gij weet, ik behoor niet tot diegenen, die de heiligste gewaarwording van het hart, de liefde, onder de dweepachtige tellen; maar ik geloof toch, dat vereenigingen, op den vasten ankergrond van achting en vriendschap gebouwd, op den duur gelukkiger zijn dan die, welke op de woelige zee der hartstochten worden aangeknoopt. Zouden wij vrouwen, aan wie eene vrije keus niet vergund is, wel het recht hebben, dezulken af te wijzen, tegen welke het scherpste onderzoek geen ander geldig bezwaar kan inbrengen, dan dit, dat zij ons geene onwillekeurige neiging hebben ingeboezemd? Het is schoon, wanneer volmaakt gelijk gestemde harten elkaâr ontmoeten; maar hoe zelden is dat werkelijk het geval! Meenen wij ons gerechtigd, ook daar neen te zeggen, waar wij den hoogsten graad van achting en vriendschap koesteren mogen, dan benemen wij ons zelve bijna de mogelijkheid van aan onze vrouwelijke bestemming te beantwoorden. Liefde baart liefde; hoe konden anders zoovele harten zoo gelukkig verbonden wezen. Men bemint, wijl men bemind wordt....”

„Wanneer dat echter niet zoo is!” riep Maria met smartelijke hevigheid en bedekte zich het gelaat met haren zakdoek.—„Wanneer nu die schoone echo der wederliefde zich niet in het hart doet hooren,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met meerdere kalmte, „dan kan het toch wel geen plicht zijn, een band aan te knoopen, alleen wijl de uiterlijke omstandigheden gunstig schijnen? Het recht der keuze is ons ontzegd; zouden wij daarom ook het recht verliezen, om neen te zeggen, wanneer het hart tot een ja niet besluiten kan?”

De gravin zweeg. Hare wet was eene van het gebruik, van de werkelijkheid, gelijk het leven in zijne verschijning die voorschrijft, die van Maria eene hoogere, uit het vrije rijk der gedachte, die wel is waar zelden wordt nageleefd, maar uit dien hoofde nog geenszins hare geldigheid verliest.

„En waartoe hebt gij dan mijn raad noodig, mijne beste, wanneer gij zoo vast besloten zijt?” vroeg de gravin na eenig zwijgen.

„Niet uw raad alleen, uwe dadelijke hulp heb ik noodig,” antwoordde Maria. „Tot dusver is er geen beslissend woord gesproken; gij kondt het geheel voorkomen en ons beiden de smartelijkste uitlegging besparen.”

„Hoe gaarne wil ik dat, schoon het mij leed doet,” hernam de gravin. „Maar, lieve, staat uw besluit onherroepelijk vast? Zoo nu—ik moet u deze bittere mogelijkheid herinneren—zoo nu Lodewijk eens niet uit Rusland terugkeerde!”

„O, hij zal, hij zal!” riep Maria. „En zou ik een man mijne hand reiken, wanneer ik ze slechts als een hulpeloos smeekende naar hem kon uitstrekken? Dat mag niet beslissen; de nood zou mij in zijne armen drijven, wanneer de liefde zulks niet vermocht.”

„Gij oordeelt valsch, Maria!” antwoordde de gravin bedaard, maar op overtuigenden toon. „Het is het hoogste geluk der liefde, vreugde en zegen van elken aard te kunnen uitstorten. De edele redt zijn geluk het liefst uit onstuimige golven, uit eene schipbreuk des levens, ja, hij zou der geliefde alles willen ontrooven, om haar daarna opnieuw met alles te kunnen beschenken en versieren.”

„De minnende,” hernam Maria, „mag een dergelijk offer aannemen, hoewel zij het liever zelve brengen zou; maar wie niet zijn gansche hart ter vergoeding kan geven, die mag het niet—ik niet.”

Zij sprak deze woorden zeer zacht, maar met vastheid. Hierop wendde zij zich weder biddende tot de moederlijke vriendin, opdat deze de bemiddeling op zich zou nemen. „Zeg hem,” eindigde zij, „dat ik hem mijne warme vriendschap wijd. Ook op mijne dankbaarheid heeft hij aanspraak! Dubbel vriendelijk en zusterlijk wil ik jegens hem zijn, wijl het hem smarten moet—maar ik kan niet anders, waarlijk ik kan niet.”

Stil weenende rustte zij aan de borst der moeder, en deze zocht haar door teedere liefkoozingen te troosten, want beiden ontbrak het aan woorden. Eindelijk scheidden zij, om in den zachten arm des slaaps rust en kalmte voor het bewogen hart te zoeken.

HOOFDSTUK III.

Arnheim had vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn vonnis aan.

„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”

Hij ging.

De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst, hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning verwachten kon.

Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeester von Arnheim aandiende.

„Zeer welkom!” sprak zij. Arnheim trad binnen.

„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn alleen.”

„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernam Arnheim met een gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”

„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en zich met moeite aan een stoel staande hield. Arnheim wilde haar te hulp snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos, niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.

Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de ongelukkige neergebogen en legde de bevende handen op haar hoofd.

Arnheim staarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods ontkiemen zou.

Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zij Arnheim bespeurde, vloog een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich, ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.

„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden. Terwijl wij de kracht tot tegenstand in ons trachten op te wekken, erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat gij eene dochter van Polen zijt.”

„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde; „toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij mij niet verlaten zult!”

De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.

„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?” antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een verwijt lag.

„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens! Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”

„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing overweldigd, en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook zonder woorden te kennen gaf.

Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans, zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog op Arnheim en een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij, wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”

Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde zich haastig.

Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor elkander konden uitstorten, sprak de gravin:

„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer, in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden. Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”

„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”

„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”

HOOFDSTUK IV.

Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog tot Zembin voort. Hier vond hij den maarschalk Ney, wien wederom de zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede op de weerlooze offers aan te vallen.

Te Zembin gelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond, inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken, op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven, hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden, dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste. De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich heen zien.”

Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde, of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden opgewogen.

Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen, onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bij Ney aan, deels uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen in te halen.

De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog, maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven, verontrustten den aftocht.

Daar kwam de dag, tegen welken de verbitterdste vijand van het leger, de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen; thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond in zijn volle vreeselijkheid voor hen.

Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.

„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op! Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”

Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en zij bleven roerloos liggen.

„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al zijne kracht op het lijf.”

Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige, daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen, dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn, bijtend vergif doordrong.

„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”

Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel, beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”

„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna onwillekeurig deze woorden uiten.

„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang verliest men elkander spoedig uit het oog.”

Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen. Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de gedurende den nacht door hunne makkers toebereide spijzen dachten meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd, dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen te vermannen.

Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind ze aanroerde.

Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in een grafgewelf weg.

Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor, het andere na, den weg naar het westen insloeg.

Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het was de maarschalk Davoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen verleende.

Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede, Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde ruiters sloten zich bij hen aan.

De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat, reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken, door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door, deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.

Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden laten rusten, viel haar plotseling een hulpmiddel in. „Wacht, wacht, één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St. Bernard droeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze sneeuw en deze zon.”

Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu, daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren, opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen. Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken glans?”

„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.

Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op de ijszee van Chamouny zoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen, werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.

De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te richten.

De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.

Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid. Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir, die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hem hunne rossen aan; hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat geen rang meer.”

Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ook Boleslaws paard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare, maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”

Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend wandelden zij naast elkander voort.

Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in, dat gebaander scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan; Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”

Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”

Bernard huiverde en zag om.

Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.

„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed huiverend eene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil, klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.

„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”

Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten, om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te verlengen.

„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?” antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”

„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest rollende oogen.

Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van den woedende nederwerpt.

„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles, alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.

Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit. Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de nog altijd knielende Bianca van den grond op.

„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit; „neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij te doen staat!”

Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend toeschenen.

„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder oprichtte.

„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik, zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”

Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot viel, de ongelukkige stortte neder.

„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.

Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeant Ferrand... uit Laon.”

Hij leefde niet meer.

In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend. Het was dezelfde sergeant Ferrand, wiens streng plichtmatig, maar menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.

Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf! Slaap wel!”

Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven. Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.

HOOFDSTUK V.

De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden, werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalk Ney den weerbaren toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht, koos eene stelling.

„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen. Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen keizer!”

„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle landen van Europa doorkruist had.

„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”

Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door den vijand afgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend, in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.

„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir vuurde af.

„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week. „Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen gekost hebben.”

Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.

„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den winter.”

De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden, neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.

„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riep Ney, de vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien te verkoopen.”

De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven. Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit. De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen, de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen koopen.

Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging, welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige voorzien werden.

Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.

Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.

Nadine werd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid, schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende stroomen langs hare bleeke wangen.

Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen. Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op. Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster, lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft, beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.

„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”

„Genadige hemel! hij is....”

„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,” vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden, en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,” zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”

Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele lichaam verwoest.

„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.

„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.

Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die, den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat. Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te bezinnen.

„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig. „Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.

„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom heeft de dood mij niet verlost!”

„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”

„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw gebleven! O, ik rampzalige!”

„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne vreugde daarboven!”

Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem. Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog, legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.

De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken; heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.

„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard, en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,” wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtleger zien te bereiken; en daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno, werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun dit toevluchtsoord te betwisten.

Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de borst van den doode.

„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker, vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en neemt gij de plaats des verlorenen in.”

Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen. „Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,” sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.

HOOFDSTUK VI.

Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs de edelste, diepste smart.

Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de getrouwen de kracht.

Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep Rasinski hem toe.

„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd een klein plaatsje!”

„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”

„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”

„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het mogelijk!”

„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er ons in ophouden.”

„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.

Zoo traden zij de hut binnen.

„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van een klein zijvertrek.

„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen. Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren oud.

Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen en legden het aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.

„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond, als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door; mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef ik. Zij is echter thans in Wilna.”

Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo kalm en edel waren zijne trekken.

„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”

Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug, welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.

Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige dankbaarheid vervulde.

„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”

„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid niet vreezen.”

Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te wel, dat de arm des Heeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige geest ons allen beschermt.”

Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.

„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt? Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou zeggen, wij zijn gelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden in dit uur gelukkig zijn!”

„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij, wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel! Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja, soms voelt zij het eene slechts door het andere.”

Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan zich zelve ondervonden had.

„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades. Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens, er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”

Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die nog gestadig met de tang in het vuur speelde.

„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach in het rond zag.

„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”

„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel bekomen konden.”

Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem tot rust zien te krijgen.”

Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren, dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.

„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een warme soep kan ik gereed maken.”

„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”

„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen, „daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen, zijn wij verloren!”

„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”

„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.

Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalk Victor de plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel onopgemerkt was gebleven.

De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en aan het verderf ontrukken mochten.

Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit het laatste mocht zijn!

HOOFDSTUK VII.

Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.

De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel hare verschrikkingen in steeds toenemende mate op de velden nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed geboren worden.

Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is daar?”

Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het russisch: „Wie is daar?”

„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts weinigen!”

„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren, als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig verder.”

„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”

„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer, en vele officieren!”

„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”

„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”

„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek hen zoolang op te houden.”

De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne vrienden uit den slaap wakker.

„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.

„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”

Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”

„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid, die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid geven.”

Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het russisch:

„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen onze eigene redding, want de slachtoffers van dezen oorlog noodeloos te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl alle overigen in diepen slaap lagen.”

Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over. „Dit briefje stelt u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel, oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”

Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.

Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.

Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.

„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn, had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den winter versteenen konden.

Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands, die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.

Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet over mij; ik ben wèl.

Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk deze bij de koude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch Rasinski was gelukkig genoeg, den Maarschalk Ney aan te treffen, die hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens bij zich ontbood.

Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.

„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo ontroerd gezien had.

„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het tegenwoordige is het nog een geheim.”

Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.

Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne smart meester te zijn gebleven.

„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij opbeuren.”

Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen. Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings