← Table of contents
Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Plato.

Reading edition

§ 12. Leven.

Wie in een paar pagina’s iets van Plato zeggen wil, krijgt het gevoel, dat hèm bevangen moet, die een landstreek, vol van nijvere steden, breede schependragende rivieren, majestueuse bergen, donkere wouden en diepe dalen en vruchtbare vlakten in een schematisch schetskaartje weergeven moet, waarbij steden kringetjes, bergen bogen, rivieren lijntjes zijn geworden: een schetskaart is dan ontstaan, die de werkelijkheid van héél ver gelijkt. Zoo zal ook het volgende niet dan enkele vage lijnen geven van het beeld van den geweldigen denker, den goddelijken kunstenaar, den hoogen en krachtigen mensch, den verzienden profeet.

Van vaderszijde uit een geslacht, dat zijn stamboom opvoerde tot den laatsten Atheenschen koning, van moederszijde verwant aan den bekenden Atheenschen archon Solon, behoorde Plato tot een hoogadellijke, echter niet rijke Atheensche familie. In 427 v. C. werd hij op ’t eiland Aegina geboren, kreeg zijn naam Plato later naar zijn krachtig lichaam en breed hoofd, beoefende in zijn jeugd gymnastiek en muziek, schijnt verzen te hebben geschreven, kwam in aanraking met Socrates, waardoor zijn liefde voor de filosofie gewekt werd. Zijn verzen moet hij toen verbrand hebben. Na Socrates’ dood ging hij uit Athene: hetzij omdat het er niet volkomen veilig meer was, hetzij omdat zijn reislust sterk was en hij daaraan voldeed, nu na den dood van den geliefden meester hem niets meer aan Athene bond. Na zich eerst bij andere leerlingen van Socrates gevoegd te hebben in het gastvrije huis van Euclides te Megara, ging hij naar Egypte, waar hij kennis maakte met een overoude cultuur, en een staatswezen met vaste, schier onwrikbare instellingen, in sterke tegenstelling staande tot de zoo wufte Atheensche staatsinrichting. Van hier naar het rijke Cyrene, toen over zee naar Sicilië.

Plato kwam hier aan, maakte hier waarschijnlijk ook kennis met verschillende Pythagoreeërs en kwam, door bemiddeling van Dio, raadsman en zwager des konings, aan ’t hof. Weinig weten we van het verkeer tusschen beide mannen. Maar Dionysius, die Plato’s toenemenden invloed op Dio bemerkte, wilde zich wel van hem ontdoen. Dionysius was een practisch dadenmensch, die voor ideeën weinig voelde. Hij verzocht aan een Spartaansch gezantschap, waarmee Plato afreisde, te zorgen, dat deze hem nooit meer hinderen kon. Dit meende het best aan het verzoek te voldoen, door Plato te Aegina aan wal te zetten: immers had de volksvergadering besloten, dat elk Atheensch burger, die daar kwam, ter dood gebracht zou worden of als slaaf verkocht. Het laatste trof Plato. Gelukkig echter—zoo luidt het romantische verhaal—was juist in Aegina Anniteus aanwezig, met wien Plato te Cyrene kennis had gemaakt. Deze hoorde van zijn ongeluk, kocht hem, stelde hem buiten Aegina op vrije voeten, en weigerde de som, die Plato’s vrienden in Athene hadden bijeengebracht, als schadevergoeding aan te nemen. Met deze som zou dan Plato’s school gesticht zijn.

De Academie.

Zooals de Cynici zich in een gymnastiekschool hadden gevestigd, deed Plato het ook: hij ging onderricht geven in de academie; daarnaar heet zijn school eveneens „de Academie.” Hier had ieder vrijen toegang. Rijkere leerlingen schijnen wel eens bijdragen gegeven te hebben en ook werden wel legaten aan de stichting vermaakt. Aanvankelijk werd het onderricht zoo, als Socrates het gegeven had, verstrekt: wandelende en pratende. Later, bij grooter getal leerlingen, werden er ook wel „colleges” gegeven, meer aaneengeschakelde voordrachten, waarnaar de leerlingen luisterden.

Tot aan zijn dood bleef Plato hoofd van de academie, strenge orde handhavend. Later kwam er natuurlijk wel eens meeningsverschil met zijn leerlingen, b.v. met Aristoteles. Hoogst onwaarschijnlijk is het echter, dat dit tot de vele chicanes aanleiding zou hebben gegeven, waarvan oude verhalen gewag maken.

Van de havelooze cynici onderscheidden „de academici” zich, misschien welbewust, door zekere elegantie in voorkomen, in kleeding en manieren. Waren de cynici meer proletariërs, zij waren meer de „chique.”

De academie heeft eeuwen bestaan. Eerst in 529 n. C. werd ze bij besluit van Keizer Justinianus gesloten. Oorspronkelijk wees het schoolhoofd zijn eigen opvolger aan; later werd hij bij geheime stemming door de scholieren gekozen. Dat in al de eeuwen van haar bestaan de academie niet steeds dezelfde richting heeft voorgestaan, is duidelijk. Men kon er later allerlei leer in aantreffen.

Hier, in de academie, had Plato zijn eigenlijke levenstaak gevonden: opvoeden en onderrichten in intieme, hartelijke verhouding tot zijn leerlingen.

Plato echter bezat ook een levendige belangstelling voor politiek en maatschappij. Niet alleen het denken trok hem aan, maar ook de toepassing. Zoo zijn dan waarschijnlijk zijn tweede en derde Sicilische reis te verklaren. Dionysius I was opgevolgd door zijn zoon Dionysius II (367) en deze, een ijdel, krachteloos man, maar niet geheel zonder goeden wil, noodigde op raad van Dio Plato uit, zijn ideaalstaat te komen verwezenlijken. Het mislukte: zeer zeker was het ideaal onvervulbaar en Dionysius was er absoluut de man niet naar, om hoofd van den staat naar Plato’s model te zijn.

Dio viel in ongenade; Plato vertrok. Later is hij er nog eens geweest, trachtte de breuk met Dio te heelen, wat mislukte, werd in een soort gevangenschap gehouden en eerst door krachtige tusschenkomst van Archytus van Tarente in vrijheid gesteld.

Deze ervaringen hebben er zeker toe bijgedragen, om Plato’s meening over tyrannen, die hij later koesterde, te vormen.

Behalve de Siciliaansche reizen heeft niets zijn werkzaamheid aan de academie gestoord tot aan zijn dood in 347.

§ 13. Werken.

Wat we bij Democritus en Protagoras hebben te betreuren, is bij Plato niet het geval: het zoo goed als totale verlies hunner werken. Veilig mag men aannemen, dat zoo goed als alles, wat Plato schreef, tot ons is gekomen. We hebben hier echter een andere moeilijkheid: niet alles, wat op Plato’s naam staat is van hem. En het is een der moeilijkste dingen der Grieksche philologie, uit te maken, wat precies van hem is. Daarvoor zou het vooral van belang zijn, zijn ideeën te kennen. In zijn lange werkzaamheid als schrijver zijn zijn denkbeelden niet steeds gelijk gebleven en we moeten dus uit zijn geschriften den ontwikkelingsgang leeren kennen. Zoo gaan we in een cirkelgang rond: de leer uit de geschriften, de geschriften uit de leer.

Zeer moeilijk is het daarbij precies uit te maken, wanneer de verschillende werken geschreven zijn: sommige schijnen ook niet ineens, maar langzamerhand tot stand te zijn gekomen.

De historische critiek, die zich bijzonder veel met Plato’s werken bezig hield, heeft menig duister punt opgeklaard. Men kan de Platonische geschriften aldus verdeelen:

I. Socratische geschriften.

Hierin worden verschillende deugden behandeld, zooals dapperheid en eerzucht, en naar de wijze van Socrates wordt onderzocht, waarin ze bestaan.

„Het is het mannelijkste boek.”

In Kriton wordt geschilderd, hoe Socrates weigert te vluchten, omdat de wetten moeten gehoorzaamd worden.

II. Geschriften tegen de sophisten.

Hierin bestrijdt hij de leer der sophisten. In sommige meer spottend en schertsend, in andere, zooals de Protagoras, met meer waardigheid.

III. Geschriften uit zijn bloeitijd.

Van deze geschriften moeten vooral genoemd worden het Symposion, Phaedo, de Staat. Het Symposion (gastmaal) waarin hij ons schildert hoe bij een gastmaal verschillende reden over Eros (God der liefde) worden gehouden en Phaedo, het gesprek over de ziel, waarin hij den stervenden Socrates zijn eigen onsterfelijkheidsleer in den mond legt zijn samen misschien het schoonste van Plato’s werk.

IV. De Geschriften van zijn ouden dag.

Hierin doen zich al gevoelen de teleurstellingen over het leven en de verminderende geesteswerkzaamheid. Hiertoe rekent men de Wetten.

Behalve de Apologie, die zich er niet toe leende, zijn Plato’s geschriften dialogen, waarbij doorgaans aan Socrates Plato’s eigen meeningen in den mond worden gelegd. Soms wordt de omgeving, waarin zich de dialoog afspeelt, uitvoerig geschilderd. Meesterlijk weet Plato dit te doen. Ieder persoon laat hij spreken naar zijn eigen aard, terwijl alles toch blijft in den beleefden omgangstoon. Een ander maal staat de absolute redeneering meer op den voorgrond. Eigenaardig is het, dat Plato, waar hij geen kans zag, zijn ideeën door scherp omlijnde begrippen in daarbij passende taal te ontwikkelen, ons mythen vertelt en er bij voegt: zóó ongeveer zou het kunnen zijn.

In de literatuur wordt Plato zeer hoog gewaardeerd. Misschien zou men enkele prozaschrijvers naast hem kunnen plaatsen, boven hem pleegt niemand gesteld te worden. Gaat in de vertaling (Fransch van Cousin; Duitsch van Schleiermacher) veel van de schoonheid verloren, ook daar nog kan men de meesterlijke rangschikking der stof, de levendigheid, duidelijke teekening en uitbeelding bewonderen.

§ 14. De Ideeënleer.

Socrates, hebben we gezien, trachtte te komen tot begripsvorming. Niet wat in dìt, of dàt, of in een ander geval dapperheid was, wilde hij opsporen, maar wat in ’t algemeen dapperheid was, trachtte hij vast te stellen.

Als zoodanig was de dapperheid nergens te vinden. Slechts in een bijzonder geval was ze verwezenlijkt. In de waarneming is dus geen begrip gegeven.

Nog sterker komt dit uit in de wiskunde. We hebben b.v. een zeer precies begrip van een cirkel. Maar nergens in de waarneming nemen we een cirkel waar. Zoo nauwkeurig is hij niet geteekend, zoo precies kan een ronding niet gemaakt zijn, of het eene punt is wel een millioenste millimeter verder van ’t middelpunt dan ’t andere.

Dit moest Plato, die veel aan wiskunde deed, sterk treffen.

De begrippen zijn dus iets, dat niet in de waarneming is gegeven.

Toch hebben wij ze. We hebben een begrip van cirkel, driehoek, enz.

Hoe komen we daaraan?

„Dan moeten ze op een andere manier in ’t bewustzijn zijn gekomen,” was het antwoord.

De Grieken konden zich ’t bewustzijn moeilijk als actief, als de ervaringen verwerkend, voorstellen. Ze dachten het meer passief: het ontving, wat er aan gegeven werd, en kon dit vasthouden.

Met een modern beeld zou men kunnen zeggen: wij denken ons het bewustzijn meer als een machine, die de ingeworpen stof op allerlei manier verwerkt, zoodat er weer iets heel anders uit kan komen, dan er is ingedaan. De Griek dacht het zich als een gevoelige plaat, waarop zich afdrukt, wat er op inwerkt.

Plato moest de gedachte dus vèr liggen, dat het bewustzijn zelf met behulp der waarnemingen en krachtens zijn eigen wetten de begrippen vormde.

De begrippen moeten dus in onze ziel komen. Hoe? wordt nu de vraag.

Om deze vraag te beantwoorden, komt Plato tot een kloeke greep:

Hij neemt aan, dat de ziel voor haar komst in het lichaam die begrippen aanschouwd heeft.

Om dit mogelijk te maken, moest hij veronderstellen eene praeëxistentie der ziel vóór het lichaam. We zullen zien, hoe hij dit later in verband bracht met het voortbestaan der ziel ook nà het lichaam (postexistentie).

Verder moest hij die begrippen werkelijkheid, een reëel bestaan buiten ons bewustzijn toekennen. Hiermee schiep Plato naast de wereld die wij kennen, nog een andere wereld: een immateriëele, die der begrippen, die bestaat in den topos noêtos (letterl.: Slechts in de gedachte te kennen plaats).

Dat wij ons die begrippen bewust worden, verklaart hij aldus: De dingen der buitenwereld gelijken eenigszins op die begrippen. Nemen we ze waar, dan wordt de in ons bewustzijn sluimerende idee weer wakker geroepen. Plato grondt dit dus op ’t zielkundig feit, dat we allen kennen: de associatie der gelijkheid. Stel, dat ik lang geleden een schoolkameraad gehad heb, dien ik daarna niet meer ontmoette. Ik ben hem vergeten. Nu kom ik later met een jongen, zijn zoon, in kennis. Deze gelijkt op den vader. Ik zie den jongen, en door dat gelijke komt de herinnering aan den vader op, met wien ik als jongen naar school ging. Dat sluimerende beeld komt weer boven.

Zoo komt, door de waarneming, het vroeger aanschouwde begrip weer in mijn bewustzijn: alle kennen is dus volgens Plato herinnering (anamnêsis), een zich bezinnen op vroeger waargenomen dingen.

Deze begrippen nu noemt Plato de ideeën en het hier geschetste zijn enkele hoofdtrekken uit zijn ideeënleer. Hij tracht deze leer in verbinding te brengen met vroegere systemen en door haar gelukt het hem, twee systemen, die als uitersten tegenover elkaar staan, dat der Eleaten en van Heraclitus, te verzoenen in een hoogere eenheid. Het eenige, onveranderlijke, Eleatische, is de wereld der ideeën. Van haar hebben we herinnering, kennis. Naast deze wereld van het zijn staat die van de genesis: van de wording. Dit is de wereld der verschijnselen, waarin „alles stroomt.”

Deze ideeënleer is niet een vaststaand stelsel maar wordt in de onderscheidene dialogen op verschillende wijze behandeld, en ettelijke bezwaren tegen of gapingen in het stelsel worden met of niet met volkomen klaarheid door Plato behandeld.

Met het onderscheid tusschen de ideeën en de dingen ging een verschil in waardebepaling gepaard. De wereld der ideeën was ook in ethisch opzicht de betere, de hoogere. Toch lag het in den aard der leer, dat men ook ideeën van allerlei gewone, ja, weerzinwekkende dingen moest aannemen. Aanvankelijk heeft Plato dan ook ideeën als tafel, bed, toegelaten. Later heeft hij zich niet opzettelijk over de vraag uitgelaten, maar zich met het geven van verschillende voorbeelden tevreden gesteld. Een vasten regel is in de keuze der voorbeelden niet te ontdekken, maar die van wiskundige begrippen, eigenschappen, natuurwezens komen het meest voor.

Hoe verhouden zich de ideeën nu?

Begrippen kunnen gecoördineerd en gesubordineerd zijn en Plato deelt ze ook gaarne op die wijze in. Van het begrip hond kunnen we opstijgen tot roofdier, zoogdier, gewerveld dier, dier levend wezen. Van het begrip roos eveneens tot levend wezen.

Ondanks Plato’s liefde voor co- en subordinatie van begrippen heeft hij toch—al ontbreken vage aanduidingen niet—geen zoodanige begrippenpyramide opgebouwd. Hij heeft alleen één idee aangewezen, dat boven alles staat: de idee van het goede. Maar deze idee omvat niet alle andere op dezelfde wijze als ’t begrip dier alle dieren: er is geen logische onderordening. De idee van het goede is het doel van alles wat bestaat. Ten opzichte van haar is al ’t andere middel.

Deze idee van het goede heet ook wereldrede, noes, soms godheid. Om dat nu alles wat is, naar dit doel streeft, is deze idee als ’t ware oorzaak, doeloorzaak van het gebeuren. De idee van het goede is dus werelddoel, wereldrede, wereldoorzaak. Zij ook moet den band vormen tusschen de vaste wereld der ideeën, de veranderlijke der dingen.

Op ouder leeftijd heeft Plato dan zijn ideeënleer in overeenstemming trachten te brengen met de Pythagoreïsche getallenleer. Deze ging uit van de eenheid, zoo ook hij. De eenheid viel samen met de opperste idee. De neo-Platonici hieraan aanknoopend, hebben uit het Eene alles laten voortkomen als uitstraling, als emanatie (bladz. 153). Hoe verder van de eenheid af, hoe minder bestaan en hoe minder volkomenheid. De scherpe scheiding tusschen de volkomen, reëele wereld der ideeën en de onvolkomen, niet waarachtig zijnde, maar wordende wereld der dingen wordt opgeheven; er is meer of minder realiteit en daarmee meer of minder volkomenheid. In de middeleeuwen had deze gedachte veel invloed. (Vergelijk ’t godsbewijs van Anselmus v. Canterbury pag. 190).

§ 15. Theologische en Ethische begrippen.

Plato kent drie werkzaamheden der ziel: het begeeren, het willen, het zuivere kennen.

Later ging hij verder en sprak van de drie deelen der ziel, die hun plaats hadden in onderlijf, hart en hoofd. De onsterfelijkheid kwam dan alleen aan het vernuft, de kennende ziel, de rede toe. (Zie bl. 97).

In zijn Phaedo spreekt Plato over zijn vast geloof aan de onsterfelijkheid. Gedeeltelijk schijnt hij zijn voorstellingen op dit gebied te hebben ontleend aan de orphische mystiek, waarover reeds gesproken werd (bladz. 11).

Met de drie deelen der ziel komen drie deugden overeen: onze begeerten moeten worden beheerscht door de deugd der bezonnenheid (sophròsunê); de wilsenergie, de dapperheid gaat naast de „moedige ziel,” de wijsheid naast de rede.

Zal onze deugd echter volkomen zijn, dan moet iedere deugd haar plaats hebben, er moet een zekere harmonie bestaan. Dit is de dikaiosunê (rechtschapenheid, gerechtigheid).

Is deze vorm zijner ethiek meer theologisch, daar ze aansluit bij zijn zieleleer, meer filosofisch, zich meer aansluitend bij de ideeënleer, is zijn ethiek daar, waar hij als hoogste doel van den mensch stelt het kennen der idee. Eros drijft den mensch tot streven naar het volkomene, doet heimwee naar de idee ontwaken. Uit dit verlangen ontspringt de begeerte naar filosofie en het hoogst staan voor Plato de filosofen.

Niet in eens komt de mensch hiertoe. Eerst heeft hij vreugde aan ’t schoone van lijn, kleur en toon. Dit is een goed begin. Daarna moet hij practische kennis en vaardigheid verwerven. Hij moet zich niet vreemd gevoelen in de wereld der verschijnselen. Zijn inzicht moet hem dan gronden doen kennen, waarop hij ’t eene of ’t andere besluit.

Verder nog stijgend, streeft hij naar een harmonisch leven, maat en verhouding brengt hij in zijn leven.

Eerst dan stijgt hij tot het hoogste: het kennen der idee.

Het zedelijk ideaal laat zich aldus uitdrukken: schoonheid, kennis, theorie, waarheid.

Deze ontwikkeling van het ethische komt overeen met die der liefde geschilderd in ’t Symposion.

Het is duidelijk, dat deze beide ethica’s elkaar niet volkomen dekken. Al de werken van Plato geven dan ook, zooals we reeds opmerkten, geen samenhangend, leidend systeem.

Als de ziel niet gelouterd is, zal zij na haar aardsch bestaan weer in een lichaam terugkeeren.

Plato is een aanhanger van de leer der zielsverhuizing, welke hij aan de Pythagoreeërs (zijn bekendheid met de Pythagoreeërs hebben we reeds gezien), of aan de mysteriën ontleend mag hebben. Bij hem dan ook de leer van de schuld en de boete der ziel.

Merkwaardig is, hoe hij het heete verlangen naar vrijmaking en vrijwording van zonde in overeenstemming weet te brengen met zijn ideeënleer: het is het verlangen der ziel naar de idee.

§ 16. Plato’s Staat.

Uitvoerig heeft Plato zijn gedachten ontwikkeld over den besten Staat, en dat niet als een droombeeld, maar als een te verwerkelijken ideaal. Met de verwerkelijking staan zijn Siciliaansche reizen in verband.

Plato had, als geboren aristocraat en als Socraticus, een afkeer van de democratie. Dat de menschen zich met allerlei zaken behalve met hun eigene bemoeien, dat de eerste de beste zich bezig houdt met de hoogste belangen van den staat, waartoe zooveel kennis en inzicht wordt vereischt, moest hem wel gruwelijk schijnen. Daarbij kwam de vleierij der massa door de redenaars.

Zijn staat zou daarom een zijn, waar de besten regeerden. Maar met die besten bedoelde hij hen, die ’t hoogst staan in zedelijk opzicht.

Er zouden drie standen zijn. De laagste was die der boeren en handwerkslui. Zij mochten privaat-bezit en familieleven hebben. Hun deugd was de sophrosunê, de zelfbeheersching, het gehoorzamen aan en onderdanig zich voegen naar de hoogere standen, zooals de begeerende ziel ook ondergeschikt moest zijn aan de bezonnenheid.

Boven deze en overeenkomende met de „moedige ziel,” staat de stand der wachters. Van jongs af waren ze opgevoed tot ’t krijgsleven, vormden een aparten krijgsstand, verdedigden het vaderland en oefenden zich van der jeugd af in matigheid en harding.

Tusschen mannen en vrouwen bestaat hier geen verschil.

Huwelijken vinden onder hen niet plaats. Op gelegene tijden worden geschikte paren bij elkaar gebracht, waarbij men er op letten zal, zooveel mogelijk bij elkaar passende menschen samen te brengen, opdat er een kloek geslacht ontstaat.

Dadelijk na hun geboorte worden de kinderen aan de moeder ontnomen, ze krijgt een ander te zoogen. De regeling is zoo, dat elk kind in ieder ouder zijn vader en moeder, elk ouder in ieder kind zijn kind moet zien.

Aan de spits van den staat is de eerste stand: die der filosofen. Zij kennen de idee en regeeren den staat naar wijsheid.

Zooals in den enkelen mensch de drie deugden zich goed onderling moeten verhouden, zoo moeten in den staat de drie standen harmonisch samenwerken. Dit is dan de dikaiosunê (rechtschapenheid).

Toen later Plato’s pogingen tot uitvoering waren mislukt, schreef hij „de Wetten,” iets meer aan ’t practische leven aangepast.

In Plato’s Staat komen ook merkwaardige ideeën over opvoeding voor, die geheel ingericht moest zijn met het oog op de aanstaande taak der jongelingen. Plato, wars van alle overdreven gevoeligheid, eischte een ernstige, mannelijke gezindheid, een zich bezighouden met gymnastiek, muziek en wetenschap (sterrenkunde, meetkunde).

§ 17. Plato’s invloed.

Het is ondoenlijk, deze in weinige regels ook maar benaderend weer te geven. Op het geheele Westersche denken drukte hij den stempel zijner persoonlijkheid. Maar enkele punten mogen naar voren gebracht worden.

Allereerst heeft Plato invloed geoefend op zijn leerlingen; men heeft gezegd: zonder Plato geen Aristoteles, geen Plotinus, geen Augustinus. Wat dit beteekent, moge het vervolg van dit boekje leeren.

Wijzen we enkele belangrijke ideeën aan, die bij hem voorkomen:

Het bestaan van het immateriëele is ons zoo gewoon, dat we ’t ons nauwelijks kunnen voorstellen, dat deze idee wòrden moest. Is het niet evenzoo met zijn meerderheid van de ziel boven het lichaam? Vindt de heimwee der ziel naar de idee zich niet terug in het verlangen der christenen naar eenheid met God, naar kennisse Gods als inbegrip van alle wijsheid. Een verlangen, door ten Kate zoo innig en eenvoudig uitgedrukt:

We zoeken U in alles, Vader.

En vinden U in niets genoeg.

Overwegend is Plato’s religieus gedachtenleven geweest voor ons godsdienstig voelen en denken.

Op het gebied der metafysica heeft hij voortgezet, wat reeds Socrates had aangevangen: het opsporen van de begrippen. Uit zijn school kwam Aristoteles, die de vader werd der formeele logica. In de natuurkunde voerde hij het begrip doel-oorzaak in. De huidige natuurwetenschap neigt wel meer tot Plato’s tegenvoeter Democritus, maar de doeloorzaken heerschten tot ± 1500 en eerst in de 19de eeuw bracht ’t Darwinisme een geheele verandering, nadat de denkers der 16de, 17de en 18de eeuw een teleologische natuurverklaring bestreden hadden. (Zie Afdeeling IV).

In zijn systeem wist hij de tegenstrijdigheden van ’t Grieksche wetenschappelijk denken in hooger eenheid te vereenigen. Democritus en Plato waren de eersten, die een meer afgerond, wijsgeerig systeem gegeven hebben.

En ten slotte is er in zijn Staat—hoe vreemd die ons moge schijnen—toch veel geweest, dat de toekomst heeft vervuld, en zijn vele ideeën uitgesproken, die de toekomst misschien nog vervullen zal.

Plaatst Plato aan het hoofd van zijn Staat geschoolde, speciaal opgeleide menschen, wij kunnen ons geen staat meer denken zonder ambtenaren met een wetenschappelijke opleiding. Mogen ook afkomst, protectie en allerlei bijkomstigheden invloed hebben op de benoeming, onze staat wordt niet meer, als in de oudheid, geregeerd door Jan, Piet en Klaas, maar door wetenschappelijke personen.

Moge men terugdeinzen voor de geweldige consequentie, dat man en vrouw gelijk op te voeden zijn, onze maatschappij beweegt zich veel meer in die richting dan de Grieksche, waar de vrouw een eenzaam, afgesloten leven leidde, zich weinig ontwikkelde en door haar ouders uitgehuwelijkt werd. Onze coëducatie en openstelling van allerlei beroepen voor de vrouw wijzen in de richting van meer gelijkstelling.

Weigeren wij ook veelal te grooten invloed van den Staat op het gezinsleven, toch gaan vele stemmen op, die bij het vestigen van een gezin den staat een zeker toezicht willen geven, om zoo mogelijk het ontstaan van een ongezond nageslacht te vermijden. Huwelijksverbod in bepaalde gevallen wordt door menigeen „wenschelijk” geacht.

De zorg voor physieke opvoeding en harding is ons niet vreemd. Ook tegen moreele verwenning wordt thans met ernst gewaarschuwd. Heeft een Nederlandsch paedagoog onlangs niet de stelling verdedigd, dat onze kinderen met meer hardheid moeten worden opgevoed!

En eindelijk heeft in de Katholieke Kerk met hare heerschers een zekere verwezenlijking plaats gevonden van Plato’s Staat; een verwezenlijking, die in de Middeleeuwen, toen het wereldlijk gezag zich onder het geestelijke stelde, nog verder ging.

↑

Notes in this chapter

Note 1 · In de oudheid beteekende tyran een alleenheerscher, die zich het oppergezag had aangematigd. Een tiran in onzen zin behoefde hij nog niet teNote 2 · Duitsche „Reclam” vertaling. Hollandsche in de klassieke schrijvers bij Van Looy. ↑Note 3 · Nemen we het begrip vierhoek. Naast dit begrip staat vijfhoek, zeshoek, achthoek enz. Dit zijn gecoördineerde begrippen. Samen vallen ze ondNote 4 · Misschien is dit zoo te verklaren: De idee der leege ruimte kon Plato bij de atomisten vinden, die haar aangenomen hadden, tegenover de EleaNote 5 · Een voorbeeld uit onzen tijd dat die vergeestelijking der aardsche liefde toelicht is te vinden bij Perk:Note 6 · Vergelijk ook de werken van Wells in de Wereldbibliotheek. ↑Note 7 · In de enkele historische opmerkingen over de Grieksche geschiedenis hebben we gezien, hoe ver buiten ’t eigenlijke Griekenland Grieksche nedNote 8 · Hierbij sluit zich aan de „Verdediging van Socrates,” die meesterlijke apologie, die gelezen mòet worden2.Note 9 · Zoo kunnen meerdere rijen van begrippen samenkomen in één begrip3. We kunnen ons denken, dat een denker nu alle begrippen in zoodanige rijenNote 10 · De dingen gelijken eenigszins op de ideeën: zij worden bewogen, omdat zij streven naar hun doel: de idee. Maar, als de dingen dan nabootsingNote 11 · In het Symposion wordt de schoone voorstelling gegeven van het heimwee der ziel naar de idee. De liefde, die begint met liefde voor één schoNote 12 · Het bevreemdt ons niet, dat een dergelijke staat niet in de practijk uitvoerbaar was. Aan droomen over den besten staat heeft het echter nooNote 13 · Mathilde, ik ween van weelde bij ’t beseffen, Ik drukte in u het ideaal aan ’t hart.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings