HOOFDSTUK VI.
Reading edition
§ 27. Het Christendom.
Bespreken wij ter inleiding even het algemeen karakter der middeleeuwsche wijsbegeerte. Aanstippend geven wij hier de voornaamste punten aan: andere landen—nieuwe volkeren,—andere denkers, meest geestelijken die een stil leven leiden—beperkt aantal problemen—gebondenheid aan de kerk.
De groote scheidslijn tusschen antieke en middeleeuwsche wijsbegeerte wordt echter getrokken door het Christendom.
De middeleeuwsche wijsbegeerte sluit zich gedeeltelijk aan bij de Grieksche: de eerste pogingen om de christelijke geloofswaarheden te begronden gaan uit van een aantal verschillende denkers, over wie straks. Maar deze denkers, hoe verschillend ook, ontleenen veel aan de Grieksche wijsbegeerte en steunen gedeeltelijk op haar, zij ’t dan ook haar bestrijdend.
Geen behandeling der middeleeuwsche wijsbegeerte is mogelijk zonder eenige woorden aan ’t Christendom gewijd te hebben.
Speciaal wordt hier dan bedoeld het Christendom zooals het de oude wereld binnendrong. Het zou hoogst moeilijk gaan om het gemeenschappelijke aan te wijzen in het Christendom van al de millioenen die nu den Christennaam voeren. Het Christendom heeft tot verschillende tijden behoord en die tijden hebben er hun stempel op gezet evenals de omgeving waarin het uitgroeide. Maar ook in gelijke tijden en landen heeft het zich onder tal van vormen voorgedaan.
Er kan ook gevraagd worden of het Christendom der eerste eeuwen overeenkomt met de leer der Evangeliën of met die van Jezus. Bij de theologen heerschen daarover zeer verschillende beschouwingen. Hier wordt de vrijheid genomen om sommige trekken uit het Christendom toe te lichten met een bijbeltekst, want het mag toch zeker voor een feit gelden dat er menige trek van het Christendom der Evangeliën gemeen is aan dat der eerste eeuwen. We vergenoegen ons hier met enkele hoofdpunten. Bij Augustinus zullen we gelegenheid hebben nog andere punten aan te roeren.
Het Christendom is een zuiver monotheïsme. De Godheid wordt geheel anders gedacht dan bij de Grieken. Aristoteles toch schrijft aan de Godheid het zichzelf beschouwen, de volmaakte rust toe. De God der Christenen is een God van liefde en Zijn liefde doordringt de wereld.
Alles is door Hem geschapen en als zoodanig ligt het kwaad niet in de stof of haar tegenwerking tegen de volbrenging der goddelijke ideeën. Het kwaad is ontstaan door den verkeerden wil der menschen en dit ontstaan was mogelijk door ’s menschen vrijheid.
Alle menschen zijn zondaren, der eeuwige verdoemenis prijs gegeven. Maar uit ontfermende liefde is de goddelijke logos geïncarneerd: het woord is vleesch geworden en het woord was God. Christus geboren uit de maagd Maria, gekruisigd onder Pontius Pilatus, opgestaan ten derde dage en ten hemel gevaren, is God en mensch en heeft door zijn zoendood voor ons betaald. Het groote mysterie van ’t Christendom is de verlossing der zondige wereld door Christus.
„Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Joh. 3 : 16). In deze leer lag ook de groote kracht van het Christendom; wij wezen er reeds op, hoe groot de zucht was naar ontzondiging en heiliging in het stervende Romeinsche rijk en hoe de bevrediging dier behoefte op allerlei wijze gezocht werd.
Sterk leefden de eerste Christenen onder den indruk van de spoedige komst van het Godsrijk op aarde. Elken dag kon het verwacht worden. Daarvan kwam het dat de aandacht veel meer gevestigd werd op een leven aan de overzijde van dood en graf, dan op het leven aan deze zijde. Dit gaf het Christendom een karakter, scherp in tegenstelling met het Grieksche en Helleensche.
Het Christendom is allereerst sterk individueel. Ieder mensch heeft waarde, ieder heeft een onsterfelijke ziel, die te redden is.
Niet de vooruitgang der menschheid of van een staat, niet de hooge ontwikkeling eener bepaalde beschaving is allereerst het groote doel, maar de redding der menschen, der individuen.
„Dit is het ontzaglijke in ’t Christendom, dat het ieder waarde toekent. Niet hoeveel aanleg meegebracht wordt, noch hoeveel succes behaald wordt, bepaalt de waarde der handelingen, maar alleen dat in trouwe toewijding de geheele kracht, zij ze nog zoo gering, aangewend wordt. De macht van het uitwendige levenslot had Plato reeds gebroken, waar hij alle grootheid der menschen, alle waarde des levens in de kracht en de harmonie van ons binnenste zocht; maar daar bleef nog een ander noodlot, dat machtiger was: de aard en de perken van ons geestelijk vermogen; de bevrijding van dit noodlot heeft Jezus voltrokken.” (Eucken).
Daarnaast is het Christendom universeel; daar het alle menschen erkent als kinderen Gods, kunnen zij ook zijn lid eener gemeenschap die boven en buiten de grenzen van den staat gaat. „Gaat heen en predikt het evangelie allen creaturen.”
In de kerk heeft de gemeenschap een zichtbare uitdrukking gevonden.
Tegenover den staat verhoudt zich de christen aanvankelijk onverschillig. Waar hij ieder oogenblik kan opgeroepen worden tot het rijk der heerlijkheid daar zal hij zich niet bekommeren om de aarde. Zeker gehoorzaamt hij de overheid. Slechts dan laat hij het, als zij bevelen zou geven, strijdig met Gods wil. Zoo weigerde de christen de Romeinsche keizers als God te aanbidden en was ’t Christendom schier de eenige secte die door de anders op godsdienstig gebied zoo verdraagzame Romeinen vervolgd werden.
Maar de ongehoorzaamheid is passief. Dragen en dulden is het lot van den christen hier op aarde. Dit is zijn dapperheid; niet die, welke zich toont in het voeren van het zwaard. Maar dit dragen en dulden stemt hem tot blijdschap. Had niet Jezus zelf geleerd: „Zalig zijt gij, als de menschen u smaden, en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil. Verblijdt en verheugt u want uw loon is groot in de hemelen.” Zoo is deze christelijke deemoed tevens een zekere trots. De christen voelt zich als het zout der aarde: „Wat de ziel is in het lichaam, dat zijn in de wereld de christenen. De ziel vaart te beter bij karige bedeeling ten opzichte van spijs en drank; de christenen nemen toe in aantal naarmate zij dagelijks meer mishandeld worden. Op zoo hoog een rang heeft God hen gesteld en het is hun niet geoorloofd zich daaraan te onttrekken.”
Het was deze christelijke hoogheid die den Romeinen ergernis moest geven. De christen woonde in de wereld maar vermengde er zich niet mee. Van de ijdelheden dezer wereld hield hij zich verre. Streng was zijn moraal. Van geen vergelijk wilde hij weten, van geen laksheid in de toepassing. Zuiverheid van zeden in ’t bijzonder werd geëischt, eenvoud van leven. Twee eischen, sterk in contrast met het weelderige zedelooze leven in den laat-antieken tijd.
Voor den man golden dezelfde eischen van reinheid als voor de vrouw en niet zoo licht mocht de huwelijksband verbroken worden. Liefde voor de familie en het gezin ging niet boven de liefde tot God. „Indien iemand tot mij komt en niet haat zijnen vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.”
Zoo blijft altijd het koninkrijk der hemelen het hoogste.
„Hier beneden is het niet,” is een specifiek christelijke gedachte, geen Grieksche.
Naast deze tegenstellingen verdient nog een andere sterk op den voorgrond te treden. Het beginsel der barmhartigheid en naastenliefde, dat ons zoo gemeenzaam is, is door ’t christendom tot ons gekomen. Zijn vijanden te haten scheen een Griek niet alleen natuurlijk, maar zelfs plicht. Daartegenover komt nu het christelijk gebod van de liefde tot den naaste en wie die naaste is, toont de schoone parabel van den Barmhartigen Samaritaan. Rijkdom in aardsche goederen is geen eigenlijk bezit: de mensch is er slechts rentmeester van en hij moet zijn goederen goed beheeren, om er wèl mee te kunnen doen.
Het oude Romeinsche rijk kende armenzorg. Caesar had ze ingevoerd uit staatkundig oogmerk en doen ontstaan uit de groote korenuitdeelingen, die vooral met politieke oogmerken waren ondernomen. De christen bracht armenzorg uit liefde: die geeft, zegent zich zelf. „Want niet wie bezit en zijn eigendom bewaart, maar wie er van mededeelt is rijk en alleen het mededeelen maakt gelukkig.”
Het is duidelijk, hoe vreemd de oude wereld de christelijke leer moest treffen. Haar geloofswaarheden schenen een dwaasheid: een god, mensch geworden, uit een maagd geboren, aan een kruis gestorven.
De verachting van het lichaam scheen den Grieken bijna een schandaal. Het zich niet bekommeren om burgerlijke eer en macht leek een trotsche hooghartigheid. Het liefhebben van zijn vijand scheen in te druischen tegen elk natuurlijk gevoel.
Het groote verschil verminderde gaandeweg. Er kwam aanpassing. Toen de wereld bleef zooals ze was, moest de christen zich naar die wereld inrichten, zij het ook als pelgrim. Toen ook keizers christen werden, moesten zij zich wel met den staat bemoeien. Het christendom kwam tot de volkeren en werd gedeeltelijk met het zwaard gebracht. Maar de oude toestanden en de overleveringen stierven niet in eens uit.
Zoo is het Christendom der middeleeuwen niet meer dat der eerste eeuwen. Maar het is juist zijn historische ontwikkeling geweest die het geschikt maakte voor zijn leidende rol.