← Table of contents
Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Augustinus en zijn voorloopers.

Reading edition

§ 28. De Patristiek.

In Augustinus treffen we den grootsten denker aan van ’t begin der Middeleeuwen: hij heeft de Christelijke leer tot een machtig systeem ontwikkeld. Vóór we hem behandelen, moeten we even kennis maken met een richting, die van ongeveer de tweede tot de vijfde eeuw loopt en dus naar tijdsorde behoort tot de antieke filosofie, die ook in zekeren zin een pendant vormt tot het neo-Platonisme: de patristiek, zoo geheeten naar de kerkvaders (patres—vaders).

Het is niet te verwonderen, zagen wij in het vorige hoofdstuk, dat de Grieken het Christendom een dwaasheid vonden. Het streven der patristiek nu is, om het Evangelie tot een filosofisch systeem te maken, en aan te toonen, dat het Christendom eigenlijk de eenige ware filosofie is. Deze taak viel vooral ten deel aan mannen die bekend waren met de Grieksche wijsbegeerte. Drie richtingen pleegt men in de patristiek te onderscheiden.

APOLOGETEN.

Eerst komen de apologeten, die de Christelijke leer verdedigen tegen de aanvallen der Grieken. Zij leeren, dat de goddelijke rede, de logos, eerst ten volle geopenbaard is in Christus, terwijl de groote Grieksche wijzen als Socrates en Plato iets van de waarheid hebben. Dit danken zij of aan onmiddellijke ingeving of aan hun kennis van de geschriften van Mozes, die bij hen ondersteld wordt. De bekendste der apologeten is Flavius Justinus (de martelaar), die omstreeks 160 te Rome als slachtoffer van zijn geloof gevallen is. Andere namen zijn: Athenagoras (2de eeuw), Lactantius (4de eeuw). Tegen alle aantijgingen en bezwaren verdedigen de apologeten hun leer. Zoo zegt Municius Felix bijv., dat het niet hebben van tempels en altaren en beelden bij de Christenen niet voortkomt uit gebrek aan eerbied, maar juist uit eerbied: „Welken tempel zouden onze zwakke handen Hem ter eer kunnen oprichten, wanneer het heelal, het werk zijner handen, Hem nauwelijks omvat.”

GNOSTICI.

De tweede richting vormen de gnostici. Daar het Christelijk geloof met tal van vreemde religies in aanraking kwam, dreigde er gevaar voor verflauwing der grenzen. Er ontstond nu een streven om het Christelijk geloof onder formules te brengen en het niet alleen als geloof, maar ook als kennis (gnosis, vandaar gnostici) voor te dragen.

De gnostici waren meest mannen met groote kennis van de andere godsdiensten en namen daar zooveel elementen uit op en bouwden hun leer zoo zelfstandig, dat zij ten slotte als ketters beschouwd werden en uit de gemeente gestooten. Van het leven der meeste gnostici is zeer weinig bekend, van hun geschriften is niet veel over. Hun optreden valt zoo ongeveer tusschen 150 en 250 na Christus; bekende namen zijn: Saturninus, Basilides, Karpokrates, iets later Valentinus † pl. m. 160, Bardesanes.

Wat de gnostici een hoogst belangrijke plaats geeft in de geschiedenis der wetenschappen, is, dat zij het begrip der geschiedenisphilosophie opgesteld hebben. Zij zagen niet langer in de geschiedenis een bloote aaneenrijging en op elkaarvolging van gebeurtenissen; niet in het leven der menschheid een deel van het eeuwige wereldproces, van worden, bestaan en vergaan, zooals sommige Grieksche denkers zich dat gedacht hadden. Zij beschouwden de geschiedenis der menschheid als een naar een bepaald plan afloopende ontwikkeling. De geschiedenis had een doel: er verwezenlijkte zich een gedachte in.

Voor de gnostici is de wereldgeschiedenis één groot drama: de afval van den mensch, de komst van Christus, de komst van het koninkrijk der hemelen. Alles loopt ten slotte uit op dat eene groote doel: de komst van het godsrijk. De verschijning van Christus is het keerpunt, en—waarin ook alle Christelijke denkers mogen verschild hebben, dit stond voor hen allen vast: Jezus’ komst bracht de groote verandering in den loop der geschiedenis: het was de overwinning van het booze door het goede.

Tot op onzen tijd heeft deze leer haar aanhangers gevonden; onze groote dichter Da Costa (1798–1860) heeft haar steeds weer uitgesproken in zijn verzen en zij ligt ten grondslag aan zijn geschiedenisbeschouwing. Als hij b. v. de 25 jaren van 1815–1840 zal bezingen, zegt hij:

Om aan de eindpaal der tijden een toekomst te ontmoeten,

Die alleen van die tijden den loop leert verstaan.

Die toekomst is het godsrijk op aarde.

Op allerlei wijzen hebben de gnostici dit beginsel nu toegepast en verder ontwikkeld. In ’t bijzonder deed zich een tegenstelling voor over de vraag naar de beteekenis van de Joden. Voor sommigen is de overwinning van het jodendom door het christendom een overwinning van den joodschen lageren God door den hoogeren, den door Christus geopenbaarden God. Voor anderen daarentegen is de God van het Oude en Nieuwe Testament dezelfde. Volgens hen heeft God zich geopenbaard in Christus.

In de Joodsche profeten en in de Grieksche filosofen werpt de openbaring echter reeds haar licht vooruit en zoo is er dus een zekere opeenvolging in de Goddelijke openbaring en is het Jodendom te beschouwen als een soort voorbereiding, die de menschheid uit paedagogisch oogpunt doormaken moest. Aan deze laatste leer heeft de kerk vastgehouden.

DE KATECHETENSCHOOL TE ALEXANDRIË.

Toen de gnostici tot allerlei afwijkingen van de Christelijke leer kwamen, viel hun taak, de wetenschappelijke formuleering der leer, aan anderen ten deel. Clemens van Alexandrië († pl. m. 127) en Origines (185–254) zijn de voornaamste denkers dezer richting. Clemens was hoofd der katechetenschool te Alexandrië. Origines was een tijdlang leeraar en woonde later, na menige vervolging verduurd te hebben, in Caesarea en Tyrus. Origines grondvest de Christelijke theologie. God, van eeuwigheid bestaande en scheppende, heeft eerst zijn Zoon geschapen, den Logos, die als zelfstandig persoon gedacht wordt en ook zelf God is. Daarna zijn er een groot aantal geesten geschapen, die nog zijn en waarvan sommigen door hoogmoed van God afgevallen zijn. Tot hun loutering wordt de stof geschapen en de geesten worden menschen.

Uit de stof heffen zich de gevallen geesten weder omhoog tot hun goddelijken oorsprong met behulp van de genade die hun deelachtig is geworden door Christus. Deze is Gods Zoon, die door zijn leven de menschen verlost heeft.

Origines houdt zich ver van de afwijkende speculaties der gnostici. In den bijbel, zooals die door de kerk geaccepteerd is, ziet hij de bron van ware kennis. De bijbelboeken moeten verklaard worden. Hoogst opmerkelijk is hier de opvatting van Origines. Voor de massa zijn de geschiedkundige feiten; het zinnelijke (somatische). In deze verhalen moet men de zedelijke beteekenis zoeken en vindt dan den geestelijken (psychischen) zin. Maar de diepste beteekenis van het evangelie is de pneumatische, die slechts aan enkelen geopenbaard wordt. Voor de kerk beteekent dat geen gevaar. Immers àlle beoogen één doel: het heil der gemeente. Sommigen hebben den somatischen zin nog noodig, anderen zijn reeds verder.

Het levendige geestelijke verkeer te Alexandrië oefende ook invloed uit op Clemens en Origines. Door hen (Origines zou ook nog een leerling van den zakkendrager Ammonius geweest zijn even als Plotinus) zijn er veel elementen uit de Joodsch-Oostersch en Hebreeuwsche wijsbegeerte in het christendom gekomen. Hoog stelt Clemens de Grieksche denkers: de wijsbegeerte heeft de Grieken voor het christendom opgevoed: „Slechts één weg leidt tot de waarheid, maar op dien weg loopen van elders andere paden uit, gelijk beken in een altijd stroomende rivier.” In dit beeld is misschien meer waarheid dan Clemens zelf gedacht heeft. Zooals een rivier het water opneemt van de beken en zich daarmee vermengt tot een geheel, zoo kwamen de Grieksche elementen in het christendom. Ten slotte kwamen alle wateren samen in een geweldigen stroom en langs dien stroom ging langen tijd het geestelijk verkeer der middeleeuwen: Augustinus.

§ 29. Augustinus.

Leven.

Persoonlijkheid.

„Men kan probeeren de leer van Augustinus te construeeren uit het samenvloeien van de verschillende stroomingen vóór hem; men kan trachten zijn stelsel te verstaan uit zijn merkwaardigen ontwikkelingsgang, maar nooit kan men den denker dan geheel begrijpen.

Dit is zijn geheim en zijn grootheid: hij kende zijn eigen hart als het slechtste en den levenden God als het hoogste goed. Hij leefde in de liefde tot God en hij bezat een meesleepende vaardigheid innerlijke waarnemingen uit te spreken.” (Harnack).

Augustinus is de wijsgeer der innerlijke ervaringen. Dit is voor de filosofie zijn enorme grootte en dit bepaalt ook de grenzen van zijn beteekenis en arbeid.

Werken.

Augustinus heeft tal van werken geschreven. Het meest beroemd zijn zijn Confessiones, die nog heden druk gelezen worden. Het kost menigen modernen lezer zeer veel moeite zich eenigermate in den geestestoestand in te denken van den man, die zichzelf zoo zwaar beladen weet met zonde en schuld. Kan men dit niet, dan schijnen de Confessiones, zooals iemand gezegd heeft, „vol ijdele uitroepen en herhalingen, nietszeggende frasen.” Naast de Belijdenissen staan dan nog de werken van den vrijen wil, de Drieëenheid, de onsterfelijkheid der ziel, enz.

Augustinus’ leer.

Augustinus’ denken keerde zich naar zijn eigen ziel. Zooals Marcus Aurelius tot zichzelf ingekeerd was, zooals ook bij de Neo-Platonici den blik op het innerlijke gericht geweest was, zoo was ook, bij Augustinus de aandacht gevestigd op het eigen zieleleven: „keer tot u zelve in, in den mensch woont de waarheid” is zijn aanmaning. Maar Augustinus is geen „Grübler,” die wel tot zichzelf inkeert maar „er niet uitkomt.” Zijn zelfbeschouwing brengt hem ’t rijkst gewin.

Hij is, zagen wij, aanhanger geweest van verschillende wijsgeerige stelsels en het scepticisme heeft een diepen invloed op hem uitgeoefend. Maar het is voor hem de doorgang geworden tot kennis.

Als ik twijfel, zegt hij, kan ik aan alles twijfelen, maar niet aan dit eene, dat ik twijfel en dus ben (dubito ergo sum.) Maar in den twijfel zijn reeds allerlei andere elementen: herinnering aan de feiten, die mij tot twijfel hebben gebracht, redeneering over de verschillende graden van mijn twijfel, begeeren, want ik zou niet twijfelen als ik niet de waarheid zocht. Augustinus heeft veel meer dan de Grieksche denkers inzicht in de EENHEID van ons zieleleven.

Alle kennis ontstaat naar de in ons aanwezige normen, die de Goddelijke ideeën zijn: al onze kennis is dus eigenlijk Godskennis. Ten slotte zullen wij op aarde God niet leeren kennen, maar door kennis van ons eigen bewustzijn, stijgen we op tot kennisse Gods.

In ons zieleleven nu vinden we het bestaan van een groot aantal voorstellingen, deze verbinden we in ’t oordeel en onze wil drijft ons tot dit oordeelen. Ons zieleleven openbaart zich dus als voorstelling, oordeel en wil (memoria, intellectus, voluntas.) Met deze drie zijden van het menschelijk bewustzijnsleven stemmen min of meer de personen der Drieëenheid overeen, en in de goddelijke almacht, alwetendheid en algoedheid is de heele wereld. Augustinus is in zijn psychologie in besliste tegenstelling met de Grieken: voluntarist. We zagen hoe bij dezen de voorstelling, het intellect, steeds het eerste was, hoe ze zich ons bewustzijn steeds min of meer passief opnemend dachten. Voor Augustinus nu ligt het kernpunt van ons geestelijk zijn in het willen, een standpunt, dat door de meeste moderne psychologen aangenomen wordt. Uiterst scherpzinnig toont hij aan, hoe in ons bewustzijnsleven de wil meewerkt: bij onze waarnemingen richten wij onze aandacht op iets, het hangt van onzen wil af, of wij onze eigen bewustzijnsverschijnselen tot voorwerp van denken zullen maken, bij herinnering komt meestentijds de gewilde bezinning, bij denken beoogen wij een doel, door den wil gesteld.

Redding is alleen mogelijk in Christus: wie door God van te voren uitverkoren zijn om in hem te gelooven worden zalig (praedestinatieleer), wie niet uitverkoren zijn, blijven in het bederf. Deze eeuwige verdoemenis denkt Augustinus zich meer geestelijk dan stoffelijk.

De uitverkiezingsleer behoeft volgens Augustinus niet te lijden tot een verslapping der zedelijke inspanning: de christen zal zich beijveren zoo rein en heilig mogelijk te zijn. Op aarde moet hij kampen, worstelen tegen het rijk der duisternis.

De geschiedenis ziet Augustinus onder het gezichtspunt, dat er is een rijk der genade, waartoe de uitverkorenen behooren en een rijk der duisternis, waarin satan regeert. Meer en meer scheiden die rijken zich, tot ten slotte de eeuwige sabbath komt voor het volk Gods.

Het kwaad is dus wel ontstaan, heeft een begin, het heeft geen eind.

Tegenover den staat verhoudt hij zich dus afwerend; de onderdanen uit het rijk der duisternis vechten met elkaar om eer en macht en schijngoederen en de staten zijn eigenlijk scheppingen van satan.

Zoolang dus de christen op aarde is, strijdt hij, is zijn wil werkzaam. Is hij eenmaal in de gelukzaligheid, dan zwijgt zijn wil: het aanschouwen Gods is zijn gelukzaligheid: voor de aarde wil en handeling en strijd, voor de eeuwigheid vrede en aanschouwing.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings