← Table of contents
Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

De Engelsche Aufklärung.

Reading edition

§ 46. Joh. Locke.

Leven.

In 1632, zes jaren na Bacon’s dood in hetzelfde jaar als Spinoza werd Locke geboren. Zijn vader gaf hem een goede opvoeding (in vele dingen later een voorbeeld voor zijn opvoedkundige beschouwingen). Eerst ging hij naar de Westminsterschool, waar hij te veel met spraakleer werd geplaagd. Daarna kwam hij op de universiteit te Oxford en studeerde daar geneeskunde en godgeleerdheid. Het onderricht, nog in scholastieken geest gegeven, bevredigde hem niet. Het lezen der werken van Descartes boezemde hem voor de wijsbegeerte groote belangstelling in en werkte als een openbaring. Nadat hij gezantschapssecretaris was geweest te Cleef (1664) kwam hij als arts, opvoeder, secretaris, weldra als vertrouwd vriend in het huis van den lateren graaf Shaftesbury, die, eerst minister onder Karel II, later valt en in het parlement hoofd der oppositiepartij werd (Nov. 1673). Met diens val verloor ook Locke een ambt. Van 1675 tot 1679 reist deze voor zijn gezondheid in Frankrijk, leert daar zeer vele geleerden kennen, maar schijnt er, merkwaardig maar niet onbegrijpelijk, niet in aanraking te zijn gekomen met de bekende Fransche Cartesianen en „de heeren van Port Royal.” De armoede der Fransche plattelandsbewoners maakte een diepen indruk op den reiziger. Na zijn terugkeer bleef hij niet lang in Engeland. Zijn meester moest, wegens deelneming aan een complot tegen den Koning, vluchten (1681). Locke, die waarschijnlijk niet in de samenzwering betrokken is geweest, gevoelde zich niet veilig en ontweek in 1683 naar ons land. Hij leefde te Amsterdam, Utrecht en Rotterdam, vond hier een gastvrij onthaal en telde hier vele vrienden, onder wie vooral te noemen is Limborch, professor aan het Remonstrantsch Atheneum. In 1689 stak Locke weer naar Engeland over met hetzelfde schip, dat ook Maria, Willems gemalin, naar het vaderland bracht. Bij de nieuwe regeering stond hij ook in staathuishoudkundige zaken (muntkwestie, kolonisatie, armenzorg, handel) en als bedreven geneesheer in groot aanzien en hoewel ze hem een ambt toevertrouwde, dat 1000 pond per jaar gaf, had Locke tot hooger waardigheden kunnen klimmen, als zijn zwakke gezondheid hem de Londensche lucht niet ondragelijk had gemaakt, en hij meer geldgierig en eerzuchtig geweest was. De laatste levensjaren bracht Locke, die nimmer getrouwd was, te Oates bij Londen door in het huis van een zekeren Mr. Masham die gehuwd was met een dochter van den filosoof Cudworth. Hier vond hij een zeer vriendelijk thuis. In 1704 overleed hij.

Locke, een man van zwakke gezondheid, (hij leed aan asthma) wordt ons geschilderd als een eenigszins bange, vreesachtige persoonlijkheid van groote liefde voor waarheid en vrijheid, degelijke kennis. Een scherp en een nuchter denker, met een levendige belangstelling in godsdienstige vraagstukken. Overtuigd van de beperktheid van het menschelijk weten en kunnen, raadpleegde hij gaarne vrienden en verbeterde zijn werk of vulde aan, als hij dit noodig vond. In den omgang was hij vriendelijk, een man die veel gezien had. Aan zijn vrienden hing hij met innige gehechtheid. Van kinderen hield hij veel. Soms tot toorn geneigd, was hij niet haatdragend, maar vergevensgezind.

Werken.

Van Locke’s vrij talrijke werken noemen wij:

a. Onderzoek over het menschelijk verstand, gewoonlijk het Essay genoemd (Engelsche titel: An Essay concerning human understanding), Locke’s hoofdwerk, dat in de opeenvolgende drukken nog al uitgebreid werd en door zekere wijdloopigheid en sommige herhalingen zijn ontstaanswijze verraadt. Een voor een lateren druk bestemd toevoegsel kwam na den dood van den auteur uit als afzonderlijk werk: „Over de leiding van het verstand” en bevat vele practische aanwijzingen over studie-methode.

b. Theologische werken, waaronder De redelijkheid van ’t Christendom.

c. Staatkundige werken, waaronder een paar verhandelingen over de regeering om de revolutie van 1688 te verdedigen en brieven over de verdraagzaamheid.

d. Opvoedkundige werken. Het bekendst zijn: Gedachten over opvoeding (1693).

Kennisleer.

Locke’s leer heeft twee leidende gedachten, een negatieve: er zijn geen aangeboren begrippen, een positieve: al onze voorstellingen stammen uit de ervaring.

Geen aangeboren begrippen.

In onze ziel zijn geen aangeboren begrippen. Dit geldt allereerst voor de theoretische axioma’s, voor de grondwetten van ons denken. Immers waren ze aangeboren dan zouden ze een ieder bekend moeten zijn en ’t eerst verworven geestesbezit. Evenmin zijn ons de grondbeginselen der moraal ingeboren. Vanwaar anders het enorme onderscheid in zedelijk oordeel tusschen verschillende menschen, tijden, volkeren en religie’s? En met sommige speciale voorstellingen, bijv. identiteit, God, substantie is het ook niet ’t geval. De weerlegging, dat deze ingeboren voorstellingen wel ons oorspronkelijk bezit zijn, maar verdonkerd, geldt voor Locke niet; voor hem is het een ongerijmdheid van onbewuste voorstellingen te spreken, wat wij ons niet bewust zijn, bezitten wij niet.

Leibniz’ bestrijding.

We zagen, dat Leibniz een bestrijding leverde van Locke’s theorie. Voor den eersten zijn eigenlijk alle voorstellingen ingeboren. De monade heeft geen vensters. Al haar kennis ontstaat door uitgroeiing van wat in kiem in haar aanwezig is (bladz. 282).

Maar in ’t bijzonder richt Leibniz zich tegen Locke’s ontkenning van wat wij nu noemen de onbewuste voorstellingen. Het is de groote verdienste van den eerste voor de zielkunde, dat hij dit begrip heeft ingevoerd. Hij onderscheidt perceptie en apperceptie. De laatste is het zich bewust worden, de eerste het waarnemen zonder dit. (Dit woord apperceptie soms in ’t Hollandsch toeëigening genaamd, heeft een veelbewogen leven gehad en er is menige strijd gevoerd over het begrip apperceptie zoowel op ziel- als opvoedkundig gebied. We zullen het later weer bij Herbart aantreffen). Er zijn nu mogelijk „petites perceptions,” kleine waarnemingen. We hooren niet het geluid van een enkel golfje wel het geruisch van de zee. (Vergel. bladz. 32).

Tweeërlei ervaring.

Er is dus voor Locke geen twijfel aan, of al onze aanstellingen stammen uit de ervaring. Deze is tweeërlei: uitwendig (sensatie) en inwendig (reflectie). Door de reflectie leeren we bijv. onzen wil, ons geheugen, en andere psychische verschijnselen kennen. Al onze bewustzijnsinhouden nu zijn of door rechtstreeksche waarneming ontstaan of ze zijn daaruit opgebouwd, zooals de taal uit woorden en letters. Locke durft het dan ook aan, te verklaren, dat de voorstelling, die wij ons, zoo goed wij kunnen van het Opperste Wezen vormen, ook uit de ervaring komt: „Want het is de idee van oneindigheid, dewelke gevoegd bij onze ideeën van bestaan, macht, wetenschap enz., die samengestelde idee vormt, waardoor wij ons zelven zoo goed wij kunnen, het Opperwezen voorstellen.”

Overzicht onzer ideeën.

Alle voorwerpen van ons denken, noemt Locke ideeën. Hij verdeelt ze naar het volgende schema:

Ideeën:

Illustration from Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Enkelvoudige. Samengestelde.

Illustration from Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Illustration from Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Door Sensatie. Door Reflectie. Door Sensatie en Reflectie beide. Modi. Substanties. Relaties.

Illustration from Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2
Illustration from Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Door één zin. Door meer zinnen. Lich. Geestel.

Illustration from Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2

Enkelv. Gemengd.

Onze enkelvoudige ideeën kunnen ons door één zin gegeven worden: kleur, smaak, tonen, reuk. Andere, waaronder Locke het ruimtebegrip rekent, stammen uit de waarneming met meer zinnen. De ruimte bijv. nemen we waar met ons gezicht en onzen tastzin. Door reflectie alleen krijgen we de ideeën van onze geestelijke vermogens, b.v. waarnemingsvermogen, geheugen, wil. Door samenwerking van reflectie en sensatie ontstaan bijv. onze ideeën van kracht, lust, onlust, eenheid, opeenvolging.

Secundaire en primaire eigenschappen.

Door de zinnen nemen wij dus de eigenschappen van de dingen waar. Maar die eigenschappen zijn tweeërlei: primair en secundair. Grootte, dichtheid of ondoordringbaarheid (soliditeit), rust of beweging, vorm, aantal, zijn primaire eigenschappen. Zij komen de dingen werkelijk toe. Kleur, geur, smaak, tonen b.v. komen de dingen niet toe. Het zijn slechts de wijzen waarop wij de indrukken, die de beweging der kleinste deeltjes van een lichaam op onze zintuigen maken, opvatten.

Aan ons idee van rood beantwoordt dus niet in de buitenwereld iets, dat rood is, maar een beweging, maar aan ons idee van soliditeit beantwoordt wel een dicht, ondoordringbaar iets in de buitenwereld.

Deze onderscheiding, die Democritus voor den opbouw van zijn atomistisch systeem van Protagoras overnam (vgl. bladz. 45) en door Gassendi en Galileï in de nieuwere wijsbegeerte weer werd ingevoerd, werd door Locke met volle scherpte en klaarheid gegeven. Voor de physiologie en de psychologie had deze onderscheiding groote waarde.

Zij wees op dit belangrijk probleem. Hoe moeten onze zintuigen gebouwd zijn om de specifieke gewaarwordingen die wij krijgen, mogelijk te maken, en welke werkelijkheid, buiten het bewustzijn, komt nu overeen met onze gewaarwordingen van kleur, smart, geur, tonen, hitte, koude, gladheid enz.? Voor den physioloog en den psycholoog is de beantwoording der eerste, voor den natuurkundige die der tweede vraag.

Voor de kennisleer werd deze onderscheiding van minder beteekenis sedert Kant (vergel. deel II).

Het wezen der lichamen ziet Locke niet, zooals Descartes, in de uitgebreidheid, maar in de soliditeit. Men kan zich zeer goed ruimte, dus uitgebreidheid denken, zonder een lichaam, niet omgekeerd.

De complexe ideeën.

Bij het opnemen der enkelvoudige ideeën verhoudt de ziel zich passief, zij worden haar opgedrongen, zooals beelden aan een spiegel. De ziel heeft echter ook een actief element; zij kan algemeene voorstellingen en begrippen vormen, waardoor het mogelijk wordt onder één woord een groot aantal dingen onder te brengen. Zij kan de elementen afscheiden en verbinden, en zoo nieuwe voorstellingen vormen.

De samengestelde of complexe ideeën zijn modi, wanneer ze niet op zichzelf bestaan, maar aan andere dingen worden waargenomen, zooals bijv. driehoek, dankbaarheid, moord. Zijn ze veranderingen of combinaties van hetzelfde enkelvoudige idee, dan zijn ze „simple modes”, enkelvoudige modi, zooals dozijn, gros, die niets anders zijn dan te zamen gevoegde ideeën, van verschillende, afzonderlijke eenheden. Wanneer ideeën van verschillende soort te zamen worden gevoegd, dan ontstaan gemengde modi. Schoonheid bijv. is de samenvoeging van kleur en vorm, in den toeschouwer zeker genot opwekkend.

De tweede groep der samengestelde ideeën zijn de substanties. Bij Locke wordt het substantie-begrip tot het substantie-probleem. Wat de ervaring ons geeft, is niets dan een bundel kenmerken, een aantal secundaire en primaire eigenschappen. Maar deze eigenschappen schrijven wij toe aan iets, aan een drager, aan een er aan ten gronde liggend substraat. Dat onbekende, die X. is de substantie. We weten dus niet wat het is. Er zit dus iets in het substantiebegrip, waarvan wij niet weten wat het is, en daardoor wordt het een probleem. Naast de lichamelijke substanties zijn er geestelijke (onze ziel, hoogere geestelijke substanties, God). Evenals Locke met Descartes verschilt ten opzichte van het wezenskenmerk der lichamen, doet hij dit ook met betrekking tot dat der ziel. Denken geldt hem niet als zoodanig, de ziel zou dan steeds moeten denken, wat zij niet doet (slaap). Hoewel hij er persoonlijk toe neigt, dit aan te nemen, mag men niet met zekerheid zeggen, dat de ziel onstoffelijk is. Het zou kunnen zijn, dat de Schepper een denkende stof had willen scheppen.

Bij de relaties vragen we niet of zij met de dingen overeenstemmen, maar of deze dit met hen doen. Bij de relatie oorzaak b.v. vragen wij, of twee dingen, zich zoo voordoen, dat we ze oorzaak en gevolg kunnen noemen, of zij dus overeenkomen met een bepaalden verhoudingsvorm.

Kennis.

Na een overzicht gegeven te hebben van onze verschillende bewustzijnsinhouden, gaat Locke na, welke waarde voor onze kennis toekomt aan de ideeën en de oordeelen.

Voor de ideeën geldt de volgende indeeling:

Reëel of Ingebeeld.

Adaequaat of Niet-Adaequaat.

Waar of onwaar.

Reëel zijn onze ideeën, als ze met iets in de werkelijkheid overeenkomen (al onze enkelvoudige dus). Ingebeeld (fantastical) als ze of uit elkaar uitsluitende elementen bestaat (vierzijdige driehoek), of een zoodanige combinatie biedt van elementen, als in de werkelijkheid niet voorkomt (centaur). Van adaequate ideeën spreken wij, als deze geheel overeenkomen met de dingen, vanwaar de geest ze als afkomstig veronderstelt. Niet adaequaat, maar wel reëel zijn bijv. de ideeën, die een leek heeft van rechtsgeleerde begrippen.

Van waar en onwaar kan men eerst spreken, als de voorstellingen betrokken worden op een bepaald voorwerp. In zichzelf is een idee dus nimmer waar of niet waar. Zoo spoedig we het met deze termen benoemen, hebben we eigenlijk geoordeeld, we hebben ontkend of bevestigd.

Onze wetenschap heeft voor Locke geen betrekking op de verhouding tusschen ding en idee, maar op die der ideeën onderling.

Locke gaat nu uitvoerig na, hoe de verschillende ideeën zijn of kunnen zijn. De enkelvoudige ideeën verkeeren in ’t gunstigste geval: ze zijn reëel en adaequaat.

Soorten van weten.

Kennis van de dingen zelf hebben we echter niet. Locke bedoelt met het reëel en adaequaat zijn der enkelvoudige ideeën dus niet, dat deze overeen komen met de dingen zelf, maar dat zij als regelmatige gevolgen zijn te beschouwen van de inwerking der dingen op ons. En daarom mogen we aannemen dat aan die gewaarwordingen een buitenwereld beantwoordt. Het groote verschil tusschen een waarneming en een herinneringsvoorstelling, de wederzijdsche steun, die de zinnen elkaar verleenen, de leed- en lustgevoelens, die met sommige waarnemingen gepaard gaan, geven ons wel recht om dat te doen. Het zinnelijk (sensitieve) weten is wel niet absoluut zeker, maar ’t brengt toch tot een zeer groote waarschijnlijkheid, die voldoende is voor onze practische behoeften.

Zekerder kennis geeft ons het demonstratieve, het bewijzende weten. We kunnen, van onmiddellijk ingeziene waarheden, voortschrijden tot andere door tusschen gelegen oordeelen. Het opsporen dezer schakels is soms zeer moeilijk, van hoog belang echter voor de wetenschap. We hebben deze kennis van de wiskunde en van de moraal. (Aan de uitnoodiging van een zijner vrienden, om een dusdanig demonstratief stelsel van zedeleer te geven, heeft Locke niet voldaan). Ook onze kennis van God is demonstratief. Toch is deze voorstelling eenigszins anders dan die der wiskunde of moraal. Aan God komt bestaan buiten ons toe, aan de wiskunde en de zedelijke grondbeginselen niet. Als zoodanig bestaan zij nergens anders. De hoogste trap van kennis is de aanschouwelijke, de intuïtieve. Wij zien bijv. onmiddellijk in, dat een ding niet tegelijkertijd a en niet a kan zijn.

Vermoeden.

Naast het weten staat het meenen, schemering tusschen nacht van niet—dag van wel weten. Er is meer of minder waarschijnlijkheid, om iets aan te nemen. Met een zoo mogelijk gegronde waarschijnlijkheid moesten we ons in tal van zaken, waar absolute zekerheid niet mogelijk is, tevreden stellen. Begeerden we deze voor ons handelen, we zouden dikwijls geen vinger kunnen verroeren.

Omvang van het weten.

Het meenen vult dus het weten aan. De omvang van dit laatste is zeer beperkt. Het gaat niet uit boven onze ervaring, die wegens de zwakheid en het gering aantal der zinnen lang niet op al het bestaande betrekking heeft. Van de te weten dingen hebben wij ook nog maar voor een gering deel voorstellingen. Bovendien zijn deze niet zelden onklaar en verward. Om ons weten te vermeerderen, moeten wij dus onze ervaring trachten te vergrooten en onze voorstellingen verhelderen.

Locke’s essay is een belangrijk werk, een ernstige, zij ’t niet volkomen geslaagde poging, om den oorsprong, den omvang en de zekerheid der menschelijke kennis te onderzoeken en de methode, met behulp waarvan hij dat doel tracht te bereiken is zuiver wetenschappelijk: „ontleding der in ’t feitelijke denken gegeven voorstellingen in hare eenvoudigste bestanddeelen, onderzoek naar de wijze waarop deze eenvoudigste voorstellingen zijn verkregen en de samengestelde daaruit opgebouwd.” (Heymans).

Godsdienst.

Locke is een aanhanger van den christelijken godsdienst. Hij acht deze niet tegen, maar boven de rede. In godsdienstige opvattingen echter mag men zich ook laten leiden door zijn rede. Omdat God ons de openbaring gegeven heeft, behoeven wij het natuurlijke licht niet uit te dooven. Hij is er een vijand van, de menschen te plagen met onbegrepen of angstaanjagende dogmata. Godsvertrouwen, geloof in Jezus als Zaligmaker, een streven naar een christelijken levenswandel zijn voor hem de hoofdkenmerken der Christelijke leer. Hij gevoelde zich aangetrokken tot de breedkerkelijke (latitudinarische) richtingen. Een groot voorstander is hij van verdraagzaamheid. Noch de staat, noch de kerk heeft het recht, om iemand een geloofsovertuiging op te dringen. Trouwens men kan een ander wel dwingen, woorden en formules na te praten, maar het geloof kan men hem niet geven. Slechts waar de veiligheid van den Staat of het handhaven der goede zeden dit eischen, mag men bepaalde overtuigingen bestrijden. Daarom eischt Locke geen verdraagzaamheid voor atheïsten die geen eed kunnen doen en voor … Roomsch-Katholieken, die aan een Buitenlandsch gezag zijn onderworpen.

Staatsleer.

Locke verwerpt de absolute monarchie. Wanneer men, om zich te beschermen tegen elkaar, alle macht in handen geeft van een onbeperkt heerscher, gelijkt men op hen, die om zich tegen vossen en marters te beschermen, zich door den leeuw laten verslinden.

Drieërlei staatsmacht is er:

De legislatieve, de wetgevende; de executieve, de uitvoerende; de federatieve, de macht om verbonden te sluiten, en de verhoudingen met het buitenland te regelen. De eerste behoort aan de vertegenwoordigers van het volk. De twee laatsten zijn gewoonlijk in één hand, die van den vorst. Doch van alle regeering moet het doel zijn het gemeene best. Zoo een vorst dus niet regeert overeenkomstig het doel van den Staat, vervalt zijn macht aan het volk. Dat dit tot revolutie zal leiden, is niet te zeer te duchten. Geen vorst zal gaarne zijn kroon in de waagschaal stellen, geen volk wordt gaarne uit zijn rust opgeschrikt door een omwenteling met al haar nadeelen en gevaren.

Opvoedkunde.

Locke’s opvoedkundige gedachten zijn van wijdstrekkenden invloed geweest. Bij Rousseau komen we er op terug, want diens Emile is in hoofdzaak gebaseerd op Locke’s meeningen.

Locke’s opvoedkunde geeft reeds in zekeren zin het paedagogisch ideaal der aufklärungsperiode: de vorming der kinderen tot beschaafde, zedelijke, wereldwijze menschen.

Er is een zekere nuchterheid in Locke’s opvoedkunde, als in al zijn werken.

Rousseau, heeft ook Locke hem gewezen, waar hij graven moet, graaft dieper.

Door zijn zakelijkheid, zijn helderheid doet echter Locke’s werk ongemeen aangenaam aan tegenover velerlei fraseologische opvoedkunde.

Locke heeft zonen van edellieden op het oog. Hij verwerpt de scholen en wil voor elken leerling een opvoeder, opdat de individualiteit tot haar recht kome. De opvoeder moet een algemeen ontwikkeld, beschaafd, bescheiden mensch met wereldkennis zijn, in één woord: een voorbeeld voor een leerling.

Naast de individueele opvoeding legt Locke nadruk op de hygiënische, waardoor hij groote verdienste heeft voor de lichamelijke opvoeding. Locke wil een milde tucht, wil het kind de redelijkheid van gebod en verbod zooveel mogelijk doen inzien, als het ouder wordt. De opwekking van het eergevoel is van veel belang.

Ten opzichte van het onderricht in de wetenschap merkt Locke op, dat dit de steun is voor de deugd en noodzakelijk voor ’t leven. Meer waarde komt er niet aan toe. Geen intellectueel onderricht allereerst om zijn zelfs wil. Het onderricht moet practisch zijn. Het Engelsch, de moedertaal moet vóór het Fransch en Latijn geleerd worden en de vreemde talen moeten meer door spreken, dan door grammatica geleerd worden. Veel meer nadruk dan tot nu toe geschiedde, wordt gelegd op onderwijs in aardrijkskunde, wiskunde, handelsrekenen, boekhouden, teekenen, dansen, rijden. Als voorlooper van de voorstanders van handenarbeid wordt Locke beschouwd, omdat hij eischt, dat de leerling zich ook een handwerk eigen make.

§ 47. De Deïsten.

God is.

Er bestaat een Godheid. Dit wordt aangetoond met het physiko-teleologisch bewijs. Reeds Newton, de groote wis- en sterrenkundige, had uit de doelmatigheid van de wereld, besloten tot het bestaan van eene Godheid. Bij de deïsten nu gold in hoofdzaak dezelfde redeneering. Elk orgaan van het menschelijk lichaam is wonderfijn gebouwd. De organen sluiten weer aan om het lichaam van den mensch te maken. ’t Klimaat onzer aarde maakt ’t mogelijk, dat er menschen op haar oppervlakte wonen. De planeten bewegen zich in vaste banen en naar, zooals Kepler had gevonden en Newton nader verklaard, eenvoudige wetten. Het heelal zoowel als de onderdeelen wees op een hooge intelligentie, die dit alles had geschapen. Komend op een onbewoond eiland en daar een kundig geconstrueerde machine vindend, zou men oogenblikkelijk aan een menschelijk vernuft denken. Zoo moet de beschouwing van de groote, doelmatige natuur ons ook wel aan de Godheid doen denken.

Algemeene moraal.

Er is in iederen mensch een natuurlijke zedewet aanwezig. Van nature weet iedereen, dat naastenliefde plicht is. Het christelijk gebod der liefde is niet door Christus ’t eerst verkondigd: het bestond van de schepping der wereld af aan: Christendom is even oud als de schepping.

God en de zedewet bestaan. Ziedaar de kern van alle godsdiensten. Dit is ook van oorsprong de natuurlijke godsdienst der menschen geweest. De geopenbaarde religies zijn niets anders dan vervalschingen van den eenen, waren godsdienst. In elken godsdienstvorm kan men die kern terugvinden. Priesterheerschzucht en priesterbedrog hebben maar al te veel kwaad gedaan.

God heeft de wereld geschapen met haar eigen wetten. Volgens deze wetten ontwikkelt ze zich. Het natuur-gebeuren is dus causaal te verklaren en God grijpt in den loop der natuur niet in. De godsdienst moet redelijk zijn, het Christendom is niet geheimzinnig. In verschillende toonaarden komen deze gedachten telkens tot uiting.

De invloed van het deïsme is groot geweest. Bij Rousseau en Lessing zullen we de nawerking zien. Ook in ons land oefende het zijn invloed uit. Tot in de 19de eeuw vond men warme voorstanders van den „redelijken godsdienst.”

Vrijmetselaars.

Met de opkomst van het deïsme schijnt samen te hangen die der eerwaarde vrijmetselaarsloges. Sedert langen tijd bestonden in Engeland vereenigingen van werkelijke metselaars. Toen deze in verval kwamen, geraakten sommige menschen op het denkbeeld deze „bouwhutten” om te zetten in vereenigingen, die verlichting, verbreiding van broederschap en naastenliefde beoogden. Den 24sten Juni 1717 werden onder leiding van Anthony Sayer als Groot-Meester de vier overgebleven bouwhutten, tot zedelijke genootschappen hervormd, vereenigd tot de Groot-Loge van Engeland.

De stichting van meer loges volgde, ook in ons land (Rotterdam, b.v. De Drie Kolommen, 21 Aug. 1767). Ook over de andere landen breidde de beweging zich uit, ondanks vervolging. Nog eischen sommige loges, dat hunne leden zullen verklaren in God als schepper en in de onsterfelijkheid der ziel te gelooven. De dogmatische geloofsverschillen treden echter, overeenkomstig het uitgangspunt, op den achtergrond.

§ 48. Moraalfilosofie in de 18de Eeuw.

Levendig werden de vraagstukken der moraal behandeld in de eerste helft der achttiende eeuw, en reeds in het laatste vierde deel der 17de. Men sluit meestal bestrijdend, bij Hobbes aan. Deze had om de zedeleer los te maken van de kerk, haar geheel onder den staat gesteld. Hij had den staat laten opkomen uit het inzicht, dat de oorlog van allen tegen allen, de natuurlijke begintoestand, dwaas en onvoordeelig, ook voor ’t individu was. De grondslag der moraal was voor hem de zelfliefde geweest. Hiertegen nu kwamen verschillende richtingen in verzet, die allen de zedeleer niet uitsluitend willen bouwen op egoïstische motieven. De eene richting, als de idealistische te kwalificeeren, en die in Cudworth († 1688) haar woordvoerder vond, achtte, dat er van nature een idee van goed en kwaad in den mensch aanwezig was. De grondslagen der moraal zijn eenvoudig, algemeen, onveranderlijk; niet uit de ervaring, die slechts het bijzondere en ’t veranderlijke geeft, kunnen zij stammen. God vond in zijn verstand de idee van het goede en deze idee plant hij de menschen in.

De tweede strooming zou de logische kunnen genoemd worden en wordt door Wollaston († 1724) verdedigd. Voor hem valt het goede samen met het ware.

De bestemming van den mensch is, de waarheid te kennen en die in zijn daden toe te passen. Goed is een handeling, als zij als een bevestiging eener waarheid is te beschouwen, slecht, wanneer zij een waarheid ontkent. Waarom handelt de moordenaar, die een ander het leven ontneemt, slecht? Omdat hij handelt, alsof hij den gedoode het leven kan terugschenken. Wie dieren martelt, doet, alsof het gevoellooze wezens zijn.

Wollaston en de met hem gelijk denkenden probeeren dus, een objectief beginsel te vinden dat als grondslag der moraal kan dienen: de waarheid. Veel invloed hadden zij niet. Meer aandacht trok de derde richting in de Engelsche moraalfilosofie, die wij de aesthetische kunnen noemen en die wij verbinden aan den naam van den graaf van Shaftesbury en zeker het schitterendst stelsel van dezen tijd is.

Shaftesbury.

Shaftesbury was de kleinzoon van Locke’s beschermer. Hij leefde van 1671–1713. Hij was naar Locke’s beginselen opgevoed en sprak, al verzette hij zich op sommige punten tegen diens leer, steeds met eerbied van zijn grooten meester. Naar de beginselen van Locke had hij zijn vreemde talen sprekende geleerd en zoo was hij uitnemend thuis in de klassieken.

Er is in zijn moraalsysteem dan ook menige klassieke trek en de grondgedachte, dat het goede gelijk is aan het schoone is zuiver Grieksch (vergelijk bijv. bladz. 69).

Het schoone is de harmonie, de eenheid in de verscheidenheid. En zoo bestaat het goede ook in een harmonie van neigingen: de op eigen behoud gerichte en de sociale.

We kunnen een mensch goed noemen, als zijn sociale neigingen krachtig, de egoïstische niet te sterk zijn. Wij hebben het vermogen, om over onze neigingen na te denken. Het gevoel van goed en kwaad, voor schoon en leelijk is ons aangeboren, door nadenken en oefening ontwikkelt zich de smaak op ethisch gebied. Zoo beheerscht ten slotte de rede de hartstochten, de mensch wordt een „deugdkunstenaar”. Zooals het schoone vreugde bereidt, omdat het schoon is, zoo schenkt het goede voldoening in zichzelf, niet ’t loon mag aanlokken, niet de straf afschrikken.

De gewenschte harmonie nu van neigingen, is niet voor ieder dezelfde. Bij sommige menschen is de zelfliefde te zwak; dit is verkeerd, want wanneer men niet voor zichzelf zorgt, is dit slecht voor de gemeenschap. De mate van geboden zelfliefde hangt ook af van onze kracht. Bij de meeste menschen echter zijn de sociale neigingen te zwak. Hoe hooger de menschen stijgen, hoe meer er harmonie komt tusschen de naasten- en de zelfliefde. Terwijl zij op lager trap van ontwikkeling zoo hopeloos met elkaar in strijd kunnen zijn, stemmen zij overeen bij den deugdkunstenaar. Zooals het heelal een schoon, welgeordend geheel is, waarin het verkeerde wegens zijn kleinheid verdwijnt, zoo wordt ook de hooge mensch een schoone, welgeordende, goede ziel. En daarmee en daarin is hij gelukkig. Niet alleen, dat de deugd ons liefde, achting en hulp van anderen verschaft, zij geeft ons het gevoel van gerustheid: ons eigen geweten keurt onze gedragingen goed.

In de leer van Shaftesbury spreekt zich een fijne geest uit. Maar zij is zeer optimistisch gekleurd. Terwijl deze groote richtingen op het gebied der zedeleer bestrijdend bij Hobbes aansluiten, vinden de leerstellingen van Shaftesbury en anderen weer hunne bestrijding en komt er een zeker pessimisme op tegenover hun optimisme. Gedeeltelijk verwijst dit pessimisme den mensch naar de religie, gedeeltelijk komt het min of meer terug tot Hobbes’ opvattingen van den oorlog van allen tegen allen.

MANDEVILLE.

Het duidelijkst kwam dit uit in de werken van Mandeville († 1733), wiens „Zoemende bijenkorf of rechtvaardiging der ondeugd” oorspronkelijk in de Londensche koffiehuizen te koop werd aangeboden als een straatliedje, maar die later in zijn „De bijenfabel” een meer ernstige behandeling der leer gaf. Mandeville’s hoofdgedachte is deze, dat door de menschelijke neigingen als hebzucht, gierigheid, een staat kan bestaan, omdat zij de grondslagen zijn van de zucht naar bezit.

Een bijenmaatschappij verkeert in een toestand van hoogste bloei en macht. Alle dieren arbeiden voor de bevrediging der gemeenschappelijke behoeften. Ongedurigheid, ijdelheid, wellust, bedrog heerschen—maar bevorderen het algemeene welzijn. Het geheel is een paradijs, juist door de boosheid der enkelingen. De armen zelfs leven zeer vergenoegd.

Toen kwamen er eenigen, die riepen: „Weg met de ondeugd!” De grootste bedriegers stemden ’t hardst met deze beweging in. De goden vervulden dezen wensch. De huichelarij verdween. De weelde eindigde. Veroveringsoorlogen kwamen niet meer voor. De gemeenschap zorgde voor de armen. Men stelde zich tevreden met inlandsche voortbrengselen en had geen behoefte meer aan kostbare ingevoerde waren. Daardoor eindigde de handel. De bevolking nam af. Ten laatste trok de geheele zwerm zich in een hollen boom terug. Tevredenheid was er, maar macht, aanzien en heerlijkheid waren verdwenen.

§ 49. Berkeley.

LEVEN.

George Berkeley, den 12den Maart 1685 te Dysert in Ierland geboren, was vroeg ontwikkeld, een alzijdige natuur zijn stijl is veel schooner dan die van Locke en Hume, zijn dialogen zijn levendig, zijn belangstelling betrof een groot aantal zaken (medicijnen, aardkunde, zending, wijsbegeerte); een man met een nobel gemoed en een strenge plichtsopvatting. Hij wilde op de Bermuda-eilanden (bij Amerika) een zendelingenschool stichten. Hij probeerde ’t ook, maar vond onvoldoende ondersteuning en keerde na drie jaren naar Engeland terug (1731). In 1739 werd hij bisschop van Cloyne in Ierland, waar hij op uitnemende wijze werkte, gelijkelijk voor Protestanten en Katholieken, voor ’t geestelijk en ’t lichamelijk heil zijner diocese zorgend. Dit treft te meer omdat toen nog de Ieren zeer door de Engelschen veracht werden. Hij stierf in 1753 te Oxford, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht.

Berkeley’s werken zijn gedeeltelijk van literairen aard en hij oogstte tijdens zijn leven ook veel letterkundigen roem.

Van zijn wijsgeerige werken zijn te noemen: Een nieuwe theorie over het zien (1709), Beginselen van kennis, zijn hoofdwerk (1710), de Dialogen tusschen Hylas en Philonous (1713) een populaire uiteenzetting zijner leer.

LEER.

Berkeley jaagt theologische doeleinden na. Hij wil trachten een eind te maken aan de twisten over den godsdienst, om het vele misverstand en de christelijke religie te verdedigen tegenover de in de voorgaande paragraaf genoemde stroomingen.

Berkeley sluit bij Locke aan. De hoofdbeteekenis van zijn leer ligt in de wijziging van diens opvattingen op de volgende punten;

Het ontkennen van het bestaan van abstracte voorstellingen. Het verwerpen van het onderscheid tusschen primaire en secundaire eigenschappen. Het ontkennen van een substraat, dat als drager der eigenschappen van de dingen fungeert. En ten slotte het ontkennen van het bestaan eener stoffelijke buitenwereld.

Locke had van algemeene voorstellingen en begrippen gesproken, gevormd door het abstraheerend verstand en onder één naam ondergebracht.

Berkeley gaat tot het uiterste nominalisme over: er zijn geen begrippen. Werkelijk zijn alleen de particuliere dingen. Kunnen wij dan in ons bewustzijn een driehoek hebben, die niet tegelijkertijd scherp-, recht- of stomphoekig is, terwijl dat niet tot het begrip driehoek behoort? Er bestaat alleen de naam driehoek. Zoo een bewijs, gegeven voor één driehoek, kracht bezit voor alle, (bijv. dat de som der hoeken 180° is) dan komt het, omdat wij geen gebruik maken van de specifieke eigenschappen der driehoeken (recht- of stomp- of scherphoekig). Dusdanig bewijs geldt voor de driehoeken. Elke begripsnaam geldt voor alle afzonderlijke dingen, maar een begrip is er niet.

De scheiding van primaire en secundaire kwaliteiten dient verworpen. Grootte van een lichaam nemen wij bijv. verschillend waar, al naarmate van den afstand. De soliditeit waarin Locke het wezen der lichamen ziet, is een gewaarwording van den tastzin, het gevoel van tegenstand. Even goed dus een opvattingswijze als een kleur of toon.

Van een ding zijn ons niets gegeven dan een bundel gewaarwordingen. Om deze op een iets, wat weten we niet, buiten ons te betrekken, heeft geen zin. De door Locke veronderstelde drager der kwaliteiten bestaat niet.

Wat zullen wij trouwens een buitenwereld aannemen. Ons zijn niets gegeven dan onze gewaarwordingen. Deze bestaan. Zijn is waargenomen worden. (Esse est percipi).

Berkeley komt dus tot de ontkenning van het bestaan eener stoffelijke wereld, het empirisch systeem van Locke wordt veranderd tot een absoluut idealisme en de empiricus Berkeley en de rationalist Leibniz komen tot eenzelfde resultaat ongeveer. Voor Berkeley bestonden alleen de zielen met hun voorstellingen, de geestelijke substanties; voor Leibniz de monaden, geestelijke krachten, met in kiem in zich de kennis der geheele buitenwereld.

Berkeley moet intusschen erkennen, dat sommige onzer voorstellingen, die, welke wij gewoon zijn toe te schrijven aan een buitenwereld, ons als ’t ware opgedrongen worden en een eenigszins ander karakter vertoonen dan onze herinneringsvoorstellingen. Vanwaar komen zij? De Godheid roept elke idee in ons te voorschijn. Berkeley vertoont hier veel overeenkomst met het occasionalisme (bl. 255) en speciaal met Malebranche—die leerde dat wij de dingen in God zagen. Het onderscheid is dat occasionalisten wel een stoffelijke wereld aannemen en dus dualisten waren. Berkeley stelt één existentie „geesten.”

Zeer opmerkelijk is het, dat Berkeley meende dat zijn leer, die zoozeer tegen alle gewone inzichten indruischte, volmaakt in overeenstemming was te brengen met het gezonde menschenverstand. Dat zijn leer werkelijk niet behoeft te leiden tot dwaasheden, werd reeds aangetoond bij de behandeling der Grieksche wijsbegeerte (bladz. 37, 38).

Vele historici houden Berkeley voor een fijn en groot denker. Onze landgenoot Bellaar Spruyt betwijfelt dat. „Hij wordt, dikwijls niet alleen als een uitstekend mensch, maar ook als een groot wijsgeer geprezen. Ten onrechte m. i. want die leer stond aan Berkeley zoo nevelachtig voor den geest, dat men haar nooit in zijn werken gevonden heeft, voordat Fichte, Hegel en Schelling haar duidelijker hadden uitgesproken.”

§ 50. David Hume.

LEVEN EN WERKEN.

De laatste en de grootste denker uit de rij Bacon—Hume werd den 26sten April 1711 bij Edinburgh geboren. In zijn jeugd toonde hij geen bijzonderen aanleg. Handel en rechtsstudie liet hij varen. In 1734 ging hij zich in Frankrijk aan zijn geliefkoosde studie wijden. Resultaat was zijn in 1739–40 verschenen hoofdwerk: „Verhandeling over de menschelijke natuur” (Treatise on human nature). Het handelde in drie deelen over de kennis, de aandoeningen en de moraal. Opgang maakte het absoluut niet. Dit schrikte Hume niet af. Hij schreef een geschiedenis van Engeland (1754–’68), waarin hij ook acht sloeg op kunst, wetenschap en sociale verhoudingen. Verder zond hij een groot aantal „Essays” in ’t licht. In sommige grootere behandelde hij de onderwerpen van zijn hoofdwerk op een wijze, die ze nader tot het publiek bracht. In ’t bijzonder is te noemen zijn: „Onderzoek omtrent het menschelijk verstand” (Inquiry concerning human understanding). „De „Treatise” en de „Inquiry” hebben beiden hun geheel eigenaardige verdiensten; eerst gezamenlijk kunnen zij een denkbeeld geven van de grootheid van dezen man, voor wiens blik geen feit te onbeduidend, maar ook geen hypothese te stout of te veelomvattend is geweest.” (Heymans).

Zijn Essays verwierven Hume een grooten roem, en toen hij in 1763 als gezantschapssecretaris Parijs bezocht, viel hem een warme ontvangst ten deel, ondanks, of misschien juist door zijn eenvoudig, eenigszins verlegen optreden. In Frankrijk maakte hij met Rousseau kennis, wien hij in Engeland een toevluchtsoord aanbood. De tot waanzin stijgende achterdocht van Jean-Jacques maakte aan de verhouding een einde.

Nadat Hume een korten tijd lid van het ministerie geweest was, leefde hij ambteloos, als geacht en welgesteld burger in Edinburgh. Hij stierf 1766.

Hume was een ietwat nuchtere natuur, die, trots de fijn- en scherpheid van zijn denken, trots den moed, om gedachten tot de laatste consequenties te vervolgen, nooit de practijk geheel uit ’t oog verloor. Ongetrouwd, als vele wijsgeeren, zocht hij in studie en omgang met eenige vertrouwde vrienden zijn genot. Een dier vrienden, Adam Smith, zegt dat Hume, voorzoover dat voor menschen mogelijk is, voor hem vrij wel het ideaal van den wijze naderde. Staat hij „als mensch” hoog, als denker wordt hij tot de allergrootsten gerekend. Velen hebben hem bestreden, bijna niemand is zonder zijn invloed gebleven.

Zijn grootste verdienste ligt in de ontdekking van het causaliteitsprobleem.

Kennisleer.

Hume sluit in zijn kennisleer aan bij Locke en Berkeley, maar trekt conclusies, die de eersten hadden kúnnen of móeten trekken als gevolg hunner stellingen en hij ziet een probleem, waar zìj dat niet zagen.

Onze geheele bewustzijnsinhoud bestaat uit impressies en ideeën. Onder de eerste begrijpt Hume de meer levendige, de heldere voorstellingen, onder de laatste verstaat hij de flauwere, de minder levendige. Alle ideeën zijn afkomstig van impressies, flauwe nabeelden daarvan en verwerkingen. Het verschil tusschen waarnemings- en herinneringsvoorstellingen ligt voor Hume dus alleen in den verschillenden graad van levendigheid. Met Berkeley verwerpt hij het bestaan van algemeene voorstellingen en begrippen en het stoffelijk substantiebegrip. Loochent Hume eveneens het bestaan eener buitenwereld? Hij erkent, dat, waar ons eigenlijk niets gegeven zijn dan onze impressies en de daaruit ontstane ideeën, we geen recht hebben tot het bestaan eener buitenwereld te besluiten op logische gronden. Maar … voor onze gedragingen, voor de levenspractijk is dit noodig en de filosoof, die als zoodanig twijfelt, is de eerste om zich zelven uit te lachen, als hij tot het practische leven keert uit zijn theoretische beschouwingen.

Evengoed als het lichamelijke verwerpt Hume het geestelijke substantiebegrip en gaat daarmee dus een schrede verder dan Berkeley. Als wij ons zelven beschouwen—of juister, als Hume zich zelven beschouwt (want hij wil van te voren niet ontkennen dat zich bij een ander andere toestanden kunnen voordoen) merkt hij niets dan een of andere geestestoestand, een impressie, een idee, een emotie. Telkens is die toestand weer anders. Maar van zichzelven kan hij niets anders vatten. In den slaap zijn ze er niet, die verschillende bewustzijnsinhouden, maar dan is er ook in ’t geheel geen bewustzijn, bestaat hij niet voor zich. Maar achter al die verschijnselen, achter dien stroom van impressies en ideeën, bemerkt hij geen substraat, geen geestelijken drager dier functies geen ik. Onze geest is niet anders dan een bundel impressies en ideeën.

Toch erkennen we in het dagelijksche leven het bestaan eener geestelijke persoonlijkheid, de identiteit. We nemen aan en moéten dit voor de practijk (rechtsspraak, handel, afspraak) dat A van voor een maand een jaar, ook nú nog A is, zij ’t met anderen bewustzijnsinhoud.

Eenerzijds geeft de ervaring Hume dus niets anders dan afwisselende, komende en gaande impressies en ideeën.

Anderzijds wijst de practijk van het leven op identiteit, op een ikheid.

Hume verklaart zich niet bij machte, om de tegenstrijdigheid, die hier bestaat, door een bevredigende verklaring op te lossen.

Causaliteitsleer.

Hume voelt dus het groote en moeielijke probleem, dat in de individualiteit ligt, maar ziet geen kans voor een oplossing. Anders is het met het causaliteitsprobleem. Hij ontdekt het en geeft een oplossing, die een menigte feiten kan verklaren en op een uiterst nauwkeurig, wetenschappelijk onderzoek is gebouwd. Over dit onderzoek oordeelt Heymans:

„De theorie van Hume is niet slechts wat vele philosophische theorieën zijn, het werk van een genie, maar ook, wat slechts van weinigen kan gezegd worden, het werk van een vorscher. Wij hebben hier niet te doen met een van die zeepbellen van het vernuft, die schoon zijn om aan te zien, maar uiteenspatten, zoodra zij in aanraking komen met de harde werkelijkheid: niet met een gelukkigen inval, op den weefstoel der deductie uitgewerkt tot een schitterende fantasie:—wij hebben hier te doen met een onderzoek in den besten zin des woords, met een bewust, geordend, wetenschappelijk onderzoek, steunende op een breeden grondslag van feiten, en telkens bereid, zijne resultaten aan nieuwe feiten te toetsen.”

De allervoornaamste punten uit Hume’s causaliteitsleer volgen hier.

Wanneer spreken wij van twee verschijnselen, A en B als oorzaak en werking? Ten eerste moeten ze elkaar aanraken in den tijd en in de ruimte: er moet contiguïteit zijn. Nu schijnt het wel, dat er soms een afstand is, ’t zij naar tijd of plaats. Maar dan nemen we een middenstof aan, die de werking van A op B overbrengt of een reeks gebeurtenissen. Als door A B optreedt, dan ligt er, als ze gescheiden zijn, een keten tusschenbeide, die ze verbindt, zoodat ze toch contigu zijn.

Verder moet A aan B voorafgaan. (De bewering, dat oorzaak en gevolg gelijktijdig kunnen bestaan weerlegt Hume. Overigens acht hij dit voor zijn onderzoek van geen beteekenis).

Naast de contiguïteit komt dus de prioriteit.

Vervolgens is noodig een regelmatig samengaan. Als A er is, moet B er ook stééds op volgen. Wanneer A optreedt en B soms niet, verhouden ze zich niet als oorzaak en werking.

De ervaring leert ons dus dit:

We zeggen, dat A en B oorzaak en gevolg zijn, wanneer:

ze contigu zijn,

A aan B voorafgaat,

ze regelmatig samengaan.

Maar—in de causale betrekking zit nog IETS, dat niet in de ervaring is gegeven. Wanneer we zeggen, dat A oorzaak is van B, beteekent dit niet, dat B telkens optreedt, als A is opgetreden, maar dat dit geschieden MOET. Dit element van noodwendigheid, dat niet in de ervaring is gegeven, en toch in ons bewustzijn bestaat, moet verklaard worden. Dit is het causaliteitsprobleem.

Hume’s oplossing van het probleem (oplossing, die na Kant de meeste auteurs niet meer bevredigt) sluit aan bij zijn psychologie, die het verschil tusschen waarnemings-, herinnerings- en fantasie-voorstellingen in een levendigheidsverschil ziet.

Het is iets heel anders, een voorstelling te hebben dan overtuigd te zijn, dat iets bestaat, waarvan die voorstelling de vertegenwoordiger is. Een overtuiging is iets anders dan een voorstelling. De inhoud is niet verschillend. In ’t begrip centaur zijn niet meer kenmerken, als ik overtuigd was dát ’t bestond, dan er nu in zijn. Wat is dan het onderscheid? Alleen de levendigheid. Een bijzonder levendige voorstelling is een overtuiging. Vandaar, dat onze waarnemingsvoorstellingen (die ’t helderst zijn) ons overtuiging geven. Aan ’t bestaan van wat gezien en getast wordt, twijfelt niemand. Minder levendig zijn onze herinneringsvoorstellingen. We zijn van de existentie van de op hen betrekking hebbende dingen, minder overtuigd en, als onze herinnering zeer flauw is, kunnen we niet meer onderscheiden of ’t herinnering dan wel fantasie is. Het minst levendig zijn onze fantasievoorstellingen en hier blijft de overtuiging uit. Worden echter, door bijzondere omstandigheden, de fantasievoorstellingen zeer levendig, dan kunnen ze ’t overtuigingsgevoel doen ontstaan: sommige leugenaars gelooven ten slotte zelf, wat ze zeggen.

Levendigheid van voorstelling bewerkt dus de overtuiging van het bestaan van iets, waarvan die voorstelling de vertegenwoordiger is.

Dit nu brengt Hume in verband met zijn associatietheorie. Wanneer twee voorstellingen geassocieerd zijn, dan zal, als de eene waargenomen wordt, de andere weer zeer levendig in ’t bewustzijn treden. Wij zullen bijv. aan een vroegeren vriend levendig herinnerd worden, wanneer wij met zijn zoon praten. A en B hebben wij gedurig samen waargenomen. Zoo spoedig A nu optreedt, wordt de voorstelling van B zéér levendig, en deze levendigheid is het, die ons de overtuiging geeft, dat B optreden zal.

Dat wij dus in onzen geest A en B, oorzaak en gevolg, als noodwendig met elkaar verbinden, ligt in de verwachting dat B zal optreden, tengevolge van de associatie tusschen beiden, die ontstaat uit de gewoonte, om beiden te zamen te zien.

Met behulp dezer Causaliteitstheorie weet Hume ook een verrassend licht te werpen op de gevallen, waarin wij een waarschijnlijkheidsoordeel uitspreken.

Stellen wij ons een kubusje, een dobbelsteen, voor. Op vier zijden plaatsen wij een kruisje, op twee een stipje. Wij gooien de kubus op.

Wij weten nu niet wat zal bovenkomen: kruis of stip. Maar de waarschijnlijkheid, dat kruis boven zal komen, is tweemaal zoo groot als die, dat stip boven komt.

Hoe is dat te verklaren?

Er is geen vaste associatie tusschen het vallen van den dobbelsteen en het bovenkomen van een bepaalde zijde.

De levendigheid, waarmee we ons dus het bovenkomen van één zijde voorstellen, is gering. Maar de vier kruiszijden versterken elkaar evenals de twee stipzijden dat doen.

De voorstelling, dat er kruis of stip boven zal komen, is dus levendiger, dan die van één bepaalde zijde. En dat een kruis ’t zal zijn, is weer een voorstelling met grooter kracht dan een stip.

Op deze wijze weet Hume ook een aantal niet logische, maar bijna algemeen voorkomende redeneeringen te verklaren.

Wij hechten, bij het vormen van een oordeel, meer waarde aan wat wij zelf beleefd hebben, dan aan wat ons—zij ’t ook door nog zoo een betrouwbaar persoon—is medegedeeld, omdat een impressie altijd veel levendiger is dan een idee.

Door de opvoeding kunnen bepaalde denkbeelden zoo vast in de ziel worden gehamerd, dat wij van hun waarheid overtuigd zijn, zonder er ons ooit op te bezinnen. De telkens terugkeerende herhaling geeft een groote mate van levendigheid aan deze voorstellingen en doet dus de overtuiging ontstaan, dat ze een werkelijkheid afbeelden.

Practische filosofie.

Als grondslag der moraal erkent Hume het gevoel. Het medegevoel voor anderen drijft tot handelingen, die niet rechtstreeksch ons welzijn beoogen, maar den lust van een ander bevorderen.

Ten opzichte van den godsdienst ontkent Hume dat deze door de rede te vinden zou zijn, daarmee een der geliefde stellingen van ’t deïsme afbrekend. Belangrijk is, dat hij tracht te geven een geschiedenis van de ontwikkeling der godsdiensten uit psychologisch oogpunt. Hij ontkent, dat de afzonderlijke religies ontaardingen zijn van den eenen natuurgodsdienst, waarover de deïsten zooveel spraken. Hij ziet in ’t polytheïsme veeleer een begin, meent dat een god, van een bepaalden stam bijv., zich omhoog gewerkt heeft, en dat zoo ’t monotheïsme is ontstaan.

Wel hebben de menschen dat strenge monotheïsme later niet kunnen volhouden en ’t op sommige punten weer verzwakt. Niet het inzicht in den doelmatigen bouw en den samenhang der schepping behoeft de oorsprong te zijn van het godsbegrip, maar ook de vrees kan gewerkt hebben.

Hume bestrijdt dus eigenlijk de grondslagen der theorie, opgesteld door de deïsten. Wat zijn eigen standpunt betreft, hierover is men niet in ’t zekere.

De groote verdienste van Hume is geweest, dat hij het empirisme van Locke tot consequentie gebracht heeft en met zeer groote scherp- en klaarheid problemen opgesteld. Maar in zijn leer lag ook een kiem voor de toekomst; zijn critische richting was noodig, om bij de rationalistische te komen, teneinde Kant zijn systeem te doen opbouwen.

In Schotland zelf kwam echter na de groote inspanning van Hume een verslapping. Men beriep zich op het gezond verstand (common sense), dat ons toch duidelijk leerde, dat ons ik bestond, dat er een buitenwereld was, enz. Hoofdvertegenwoordiger van deze groep is Reid (1710–1796). Hij stelde een aantal axioma’s op, waaraan niet te twijfelen was. Maar in die axioma’s zaten juist de moeilijkste problemen verscholen (bijv. de dingen zijn zoo als wij ze waarnemen).

Geheel zonder beteekenis is de periode na Hume niet. In haar vallen de eerste pogingen om een schoonheidsleer op zielkundigen grondslag te vestigen. Burke (1728–1797) heeft zich hiervoor vooral verdienstelijk gemaakt. Energieke pogingen in die richting zullen wij later bij Gustaaf Theodoor Fechner ontmoeten (Tweede deel). Afzonderlijk vermelden wij Adam Smith, den grondlegger der staathuishoudkundige wetenschap.

§ 51. Adam Smith.

Adam Smith, de groote vriend van Hume, werd 1723 te Kirkoldy in Schotland geboren, studeerde te Glasgow, Oxford, (hier verbood men hem in Hume’s „Verhandeling” te lezen!) was hoogleeraar te Glasgow, reisde in de zestiger jaren in Frankrijk, waar hij Turgot en Necker, de groote Fransche financiers leerde kennen, was op ’t laatst van zijn leven in betrekking bij de belastingen te Edinburgh en stierf in 1790.

Smith heeft ’n zeer belangrijk werk geschreven over de zedeleer, wier grondslag voor hem de sympathie is. Zijn grooten naam dankt hij echter aan zijn in 1776 verschenen werk, een onderzoek over den aard en de oorzaken van den rijkdom der volkeren (Inquiry into Nature and Causes of the Wealth of Nations).

Door dit werk wordt Smith de vader van de moderne staathuishoudkunde, de stichter van een geheel nieuwen tak van wetenschap.

Tot dusver had men het leven beschouwd uit zedelijk of godsdienstig oogpunt, of ook wel uit staatkundig. Smith is de eerste, die op het geheele leven blikt van het standpunt af van goederenvoortbrenging en verdeeling. Hij is een echt kind van de aufklärung: de bevrijding en volle ontwikkeling van het individu; het losmaken van oude knellende banden eischt hij ook op het gebied der staathuishoudkunde.

De mensch begint met den arbeid te verdeelen. Dit komt niet zoozeer voort uit het juiste inzicht der menschen als wel uit hun zucht naar ruilen. Is de arbeidsverdeeling eenmaal begonnen, dan gaat zij steeds door en wordt hoe langer hoe fijner doorgezet. Dientengevolge leert iedereen zijn werk goed verrichten, doet het vlugger en produceert meer. Zoo wordt de totale productie grooter en het is de arbeidsverdeeling in de eerste plaats, die van den natuurtoestand tot dien der beschaving voert.

Deze verdeeling nu bindt de menschen nauwer aan elkaar; om te bestaan heeft de een den ander noodig, en ieder enkeling kan omgekeerd slechts blijven bestaan, als hij iets weet te verrichten dat waarde heeft voor anderen. Dit is voor hem een prikkel, al zijn krachten in te spannen, op de meest doelmatige wijze. Wat is voor een bepaald persoon doelmatig? Dat kan hij, wiens belangen op het spel staan, wiens bestaan er dikwijls mee gemoeid is, het best zelf beoordeelen, beter dan een ander.

Vrijheid dus. Ieder mag zijn eigen belang op zijn eigen wijze zoeken (pursue his own interest his own way).

Terwijl nu het individu voor zichzelf waakt en voor zijn eigen belangen werkzaam is, dient hij dikwijls (door dit woord weg te laten, heeft men Smith soms onrecht aangedaan) het algemeen welzijn beter, dan wanneer hij dit opzettelijk had nagejaagd. Smith is er ten innigste van overtuigd, dat het voordeel, dat de een behaalt, ten slotte ook wel weer een ander ten goede komt. De vooruitgang der industrie in Engeland heeft ook het lot der arbeidende klasse aanmerkelijk verbeterd.

Maar er moet niet alleen vrijheid in één staat bestaan: ook tusschen de staten onderling moet deze gevonden worden. Bij volledige handelsvrijheid is het voordeel aan beide zijden: kooper en verkooper trekken beide hun profijt, bijv. bij de verruiling van grondstoffen en fabrikaten: ieder zet af, wat hij kwijt wil zijn, verkrijgt, waaraan hij behoefte heeft. Daardoor wordt ook de welvaart van den buurman ons voordeel, niet ons nadeel. Tusschen de staten onderling komt een zelfde gunstige verstandhouding als tusschen de groepen in een staat.

Dit beginsel draagt Smith ook over op het gebied der geestelijke productie. Ook op dit terrein is de concurrentie noodig. Godsdienst, wetenschap en onderwijs behoeven dien prikkel. In hun aanvangsstadia zijn de godsdiensten gewoonlijk het best. Particuliere scholen spannen zich beter in dan openbare. Ook in het geestelijk leven zijn de levensbelangen der individuen de drijfkrachten van den vooruitgang.

Smith’s geheel systeem valt en staat met zijn grondslag dat ieder individu weet, wat zijn eigen belang is, en daardoor handelt of ook de macht heeft, om dat te doen.

De leer van de staatsonthouding is in het laatst der 19de eeuw theoretisch bestreden en practisch in de meeste beschaafde landen verlaten.

Dit neemt niet weg, dat er in Smith’s werk groote gedachten zijn en bij de beoordeeling moet men zijn tijd niet vergeten: de burgerij verkeerde onder grooten druk.

Smith is de woordvoerder der spaarzame, nijvere burgerij tegen verkwistende, hebzuchtige en kortzichtige regeeringen.

Al waren in zijn tijd de eerste stappen gezet op het gebied der moderne fabrikatie, (1769 de stoommachine door Watt uitgevonden) Smith voorzag nog niet de moderne groot-industrie. Zoo zag hij geenerlei gevaar in den invoer van buitenlandsch koren en het zou wegens de hooge transportkosten een uitzondering blijven!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings