De Fransche Aufklärung.
Reading edition
§ 52. Voltaire en Montesquieu.
Het algemeen karakter der Fransche „aufklärung” schetsten wij reeds in § 45, (bladz. 291). Het zijn Voltaire en Montesquieu geweest, die hun landslieden met de Engelsche filosofie bekend hebben gemaakt en zoo den stoot hebben gegeven aan de merkwaardige ontwikkeling, die de Engelsche gedachten in Frankrijk hebben doorgemaakt.
VOLTAIRE 1694–1778.
Voltaire, een notariszoon uit Parijs, had zijn naam Arouet l(e) j(eune) (Arouet junior) omgezet tot Voltaire. Zijn opvoeding ontving hij in het Jezuïtencollege te Clermont, waarover hij later zeer slecht te spreken was. Gedeeltelijk moge dit aan Voltaire’s haat tegen de kerk gelegen hebben, gedeeltelijk ook aan de verslechtering die het onderwijs der Jezuïeten sedert Descartes’ dagen ondergaan had.
Reeds spoedig bekend als een scherpzinnig, hekelend schrijver, geraakte hij in 1717 voor een jaar in de gevangenis, de Bastille.
Na zijn ontslag schreef hij eenige letterkundige werken, maar weldra kwam hij er weer in. Hij werd nu niet losgelaten dan onder de verplichting naar ’t buitenland te gaan. Zoo bezocht hij Engeland, leerde daar de staatsinstellingen zoowel als de godsdienstige en wijsgeerige denkbeelden kennen, en na zijn terugkomst in 1729 maakte hij Frankrijk in zijn Engelsche brieven bekend met den constitutioneelen, parlementairen regeeringsvorm, met de natuurkunde van Newton, de wijsbegeerte van Locke. Hij moest weldra ondervinden, dat de heerschende machten het werk als gevaarlijk beschouwden: het werd verbrand. Tot 1749 leefde hij dan in Cirey, beschermd door de markiezin De Châtelet. Gedurende dezen tijd schreef hij een groot aantal werken van den meest verschillenden aard.
In 1750 ging hij naar Berlijn, naar ’t hof van Frederik den Groote, die gaarne Fransche geleerden en kunstenaars ontving. Hij bleef hier drie jaar, maar vond zich in den man, dien hij eens den Salomon van ’t Noorden genoemd had, bitter teleurgesteld. Hij schreef aan zijn nicht, dat in het woordenboek der koningen mijn vriend mijn slaaf beteekent.
Hij vertrok en vestigde zich in een kasteel bij de Jura te Ferney, waar hij, daartoe in staat gesteld door een zeer groot vermogen, gedeeltelijk door gelukkige speculaties verworven, als een groot heer leefde. „De patriarch van Ferney” oefende een grooten invloed uit, schreef veel, stond in correspondentie met tal van aanzienlijke personen. In de practijk toonde hij zich soms van een ernstigen, zedelijken wil en hij heeft veel moeite gedaan om sommige onschuldig veroordeelden in hun eer hersteld te krijgen, voor welk optreden hij een roem inoogstte, gelijk aan dien voor Zola’s optreden in de Dreyfuszaak.
In 1778 ging hij nog eens naar Parijs, waar hij met warmte en geestdrift gehuldigd werd. Zijn hooge leeftijd was niet meer bestand tegen de vermoeienissen en de aandoeningen van dit verblijf. Hij stierf in 1778.
Voltaire is een zeer alzijdig mensch geweest, die, noch als oorspronkelijk denker, noch als diepvoelend dichter, noch als groote persoonlijkheid een der grootsten zijnd, door de veelzijdigheid van zijn gaven, de helderheid van zijn stijl, de scherpte van zijn betoog een overweldigenden invloed heeft gehad. Hij heeft meegewerkt aan de verlichting, aan de verbreiding van tal van denkbeelden, die nu gemeengoed voor ons zijn. Maar hij heeft ook al de fouten van zijn tijd en zijn richting. In zijn zucht om alleen het begrijpelijke, het redelijke te zien, ziet hij dikwijls alleen het voor de hand liggende en heeft geen oog voor den dieperen samenhang van vele schijnbaar gescheiden verschijnselen.
In godsdienstig opzicht bestrijdt Voltaire de dogma’s der kerk. Den strijd tegen deze gold hem als het hoogste doel, en hij zag den tijd reeds naderen, dat alleen rede en verlichting zouden regeeren. Om de leerstellige godsdienstige waarheden te gelooven, moest men ’n schurk of een domkop zijn. Op de symbolische beteekenis van deze, voor het feit, dat zij soms de kristallisatie zijn van diepe levenservaringen, geeft hij geen acht. Dat de schijnbaar willekeurig verspreide eilanden der godsdienstige overtuiging hunnen onderzeeschen samenhang kunnen hebben en gevolg kunnen zijn eener vulkanische werking, komt in Voltaire niet op. De kerk is voor hem de eerlooze, de schandelijke (l’infâme), die verpletterd moet worden.
Voltaire gelooft aan God. Dit gelooft acht hij een eisch van ’t zedelijk bewustzijn en eveneens bewijsbaar uit de doelmatigheid der natuur. „Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden.”
De onsterfelijkheid der ziel neemt hij eveneens aan: men moet met ’t oog op de deugd aan haar gelooven.
Eerst een optimistische wereldbeschouwing toegedaan, verandert hij na de geweldige aardbeving van 1755, die geheel Lissabon verwoestte, van meening. Treffend spreekt hij dit uit in een vers van 1757:
„Van heel de schepping zuchten al de leden,
Geboren voor de ellend, sneeft d’eene na den ander.”
Met bijtenden spot wijst hij de vele onvolkomenheden aan in de schepping en geeselt hij hen, die roepen dat het geheel goed is.
Op staatkundig en maatschappelijk gebied kan Voltaire den afstand niet vergeten tusschen de fatsoenlijke lui (honnêtes gens) en het „gepeupel” (canaille). De verlichting is voor de eerste. Het komt er niet op aan, schrijft hij in een brief aan d’Alembert, om onze lakeien in het bezoeken van mis of predikatie te verhinderen.
Op kennistheoretisch en zielkundig gebied verklaart hij zich eens met het sensualisme van Condillac, door hem den grooten filosoof genoemd.
MONTESQUIEU. 1689–1755.
Op beperkter terrein dan Voltaire bewoog zich Montesquieu. Hij was president geweest van het parlement te Bordeaux, maar legde zijn betrekking neder, om vreemde landen te kunnen bezoeken. Hij bezocht Engeland ook en keerde van daar terug in hetzelfde jaar als Voltaire. Onder zijn werken zijn te noemen de Perzische Brieven (1721) waarin de Fransche Maatschappij van dien tijd door een man der aufklärung bezien wordt, die zijn beschouwingen een paar in Frankrijk reizende Perzen in den mond geeft. Zijn hoofdwerk is het in 1748 verschenen boek: „Over den geest der wetten.” Montesquieu toont hierin aan, hoe er, tusschen de wetten van een volk en zijn zeden, klimaat en ligging verband bestaat. Het zou dan ook een toeval zijn, wanneer de wetten voor twee geheel verschillende volkeren gelijk konden zijn.
In ’t bijzonder heeft dat gedeelte van zijn werk, waarin hij zijn landgenooten bekend maakt met de Engelsche staatsinstellingen, veel invloed gehad. Hij ontleent echter zijn beschrijvingen meer aan Locke dan aan den werkelijken toestand. Sterk legt hij den nadruk op de onafhankelijkheid der rechterlijke macht, zeker wel noodig in het Frankrijk der 18de eeuw, waar men op een bevelschrift der regeering (lettre de cachet) in de gevangenis kon worden geworpen.
Terwijl Montesquieu vroeger meer gevoeld had voor een republiek, als Zwitserland en ons land waren, is hij na zijn terugkeer uit Engeland voorstander van de monarchie, waarin de koning zijn macht deelt met een volksvertegenwoordiging. Hij meent dat dit een echt-Germaansch systeem is, overblijfsel en nawerking van de vroegere volksvergadering der Germanen. Dit schoone stelsel werd in de wouden uitgevonden.
Hoewel Montesquieu meer zin voor geschiedenis toont dan de andere dragers der Fransche aufklärung, vervolgt hij toch de regeeringsvormen niet voldoende in hun historische ontwikkeling, maar beschrijft hen als vaststaand. „Alles ligt in hetzelfde vlak: de eenheid van tijd, plaats en handeling is van den schouwburg overgegaan op de wetgeving.” (Sorel).
§ 53. Sensualisme. Materialisme.
Condillac, 1715–1780.
Locke’s leer, dat al onze kennis uit de ervaring stamt, werd door Condillac voortgezet en tot een volslagen sensualisme gebracht. Condillac, die geestelijke was en later van de inkomsten van een hem toegewezen abdij leefde, was een vreedzaam denker, uit wiens werken meer strijdmateriaal werd gehaald, dan hij zelf bedoeld had.
Door den eenvoud zijner voorstellingswijze, de helderheid van zijn stijl, maakte zijn filosofie grooten indruk, verdrong die van Descartes en werd, tot aan het keizerrijk de heerschende aan de Fransche Scholen.
Condillac gaat uit van het beginsel, dat ons niets gegeven zijn dan onze zinnelijke gewaarwordingen, die wij passief opvangen. Alle andere geestelijke verrichtingen zijn wijzigingen der gewaarwordingen. Wanneer een gewaarwording alléén ons bewustzijn in beslag neemt, is er opmerkzaamheid en door deze kunnen wij een geheele reeks van gegevens ontleden, en op één punt onze aandacht richtend, de elementen onzer kennis duidelijk opvatten. Zijn er twee gewaarwordingen in ’t bewustzijn, dan vergelijken wij. Zijn er nawerkingen van gewaarwordingen, dan spreken wij van herinnering. Een bijzondere gewaarwording is die van lust en onlust en door deze krijgen wij weer driften en neigingen. Het eerste is dus de zinnelijke gewaarwording. Condillac echter erkent, dat gewaarwording iets anders is dan beweging, en al ziet hij met Locke geen kans, om den aard der ziel te beschrijven, hij neemt haar bestaan als geestelijke zelfstandigheid aan. Dit element werd echter door hen, die uit zijn werken strijdmiddelen haalden, gewoonlijk over ’t hoofd gezien.
Helvetius, 1715–1771.
Wat Condillac deed op ’t gebied der zielkunde, verrichtte Helvetius op dat der zedeleer: hij verklaarde alle deugd afkomstig van één beginsel, de eigenliefde.
Helvetius was als algemeen pachter der belastingen zeer rijk geworden en, edele, milde, menschlievende persoonlijkheid, besteedde hij zijn geld aan bevordering van kunsten en wetenschappen en aan weldadige doeleinden. Na zijn dood schreef Frederik de Groote: „Zijn karakter kwam mij bewonderenswaard voor. Misschien zou men kunnen wenschen, dat hij liever zijn hart dan zijn verstand geraadpleegd had.”
Voor Helvetius zijn van nature alle menschen gelijk. Zij hebben van den schepper (Helvetius is deïst) één gave meegekregen: het kunnen waarnemen van lust en onlust. Dat de menschen zoo ongelijk zijn, ligt aan hun opvoeding, waaronder het geheel der invloeden te verstaan is, die op den mensch inwerken. Maar allen worden bewogen door het streven naar lust, welk beginsel Helvetius nieuw meent ontdekt te hebben. De hoogste lust nu moet zijn de zorg voor ’t algemeen welzijn. Geeft men het volk geen aandeel aan de regeering, dan heeft het geen hooge motieven, waarop het zich kan richten. Diep bezorgd is Helvetius dan ook over den treurigen toestand van het vaderland. Hij betreurt het, dat de moralisten en de theologen wel uitvaren tegen de individueele ondeugden, maar niet de algemeene aantasten, de laatsten immers oefenen zoo een slechten invloed uit. Dit is, naast de oorspronkelijke gelijkheid en de almacht der opvoeding, een der hoofdgedachten uit Helvetius’ werken: de regeeringsvorm en de politiek en maatschappelijke toestanden zijn van overwegenden invloed op de zedelijkheid.
MATERIALISME. La Mettrie.
Jullien Offray de la Mettrie werd in 1709 te St. Malo geboren, studeerde voor arts, praktiseerde een poos en ging in 1733 naar Leiden, om Boerhave te hooren. Zooals Locke’s vriend Sydenhamm in Engeland de geneeskunde op redelijker grondslag gevestigd had, deed Boerhave dat in ons land. De beteekenis van Nederland voor de geestesontwikkeling schatte men niet gering. Asyl voor tal van vervolgden of rust-zoekenden, hadden Descartes en Locke er geleefd. Te Amsterdam verschenen tal van werken die in geen ander land geduld werden; de Fransche achttiende eeuw kon in ’t licht der Hollandsche vrijheid hare ideeën aan de wereld toonen. Velen der schatrijke kooplieden waren beschermers der wetenschap, legden groote bibliotheken en verzamelingen aan. Zweden’s groote plantkundige Linnaeus (1707–1778) vond o.a. in Haarlem gastvrijheid en schreef daar belangrijke werken.
In Leiden werkte Boerhave en zijn roep lokte la Mettrie. „Om Boerhave was toen, ofschoon hij geen college meer gaf, een schaar van jonge, ijverige artsen verzameld. De Leidsche universiteit vormde een middelpunt van geneeskundige studiën, zooals misschien nooit meer bestaan heeft. Door zijn grooten naam had Boerhave, om wie zich zijn jongeren met onbegrensde vereering schaarden, aanzienlijke rijkdommen verworven, te midden waarvan hij zoo eenvoudig leefde, dat alleen zijn weldadigheid er van deed blijken. Men roemde zijn onderwijstalent, in ’t bijzonder zijn karakter.” (Lange).
La Mettrie vertaalde een aantal werken van Boerhave in ’t Fransch. In 1742 werd hij militair arts, welke betrekking hij opgeven moest, toen hij de „Natuurlijke historie der ziel” had laten verschijnen.
Naar Holland gevlucht, moest hij ook vandaar wijken na zijn bekendst werk: „De mensch een machine” (1748). Frederik de Groote riep hem tot zich en hij werd diens voorlezer. Voltaire, tegelijk met hem aan ’t Pruisisch hof, noemt den opgewekten, van ’t leven genietenden, ietwat lichtzinnigen man een aangenaam gezelschap voor een kwartier, maar vervelend op den duur. In 1751 stierf hij; hij had, luidde ’t gerucht, zich aan een pastei vereten, en overleed na heftige koortsen.
Een tijdlang is Mettrie geschilderd als een uiterst lichtzinnig wellusteling, wiens heele theorie slechts diende, om zijn eigen uitspattingen goed te praten.
Hoewel zeer zeker niet een der beste menschen, is La Mettrie niet de slechtaard, dien men van hem gemaakt heeft. Hij toonde een warme belangstelling voor de wetenschap en heeft een groote hoeveelheid feitenmateriaal bijeenverzameld, om zijn theorie te stutten: het materialisme.
We hebben deze leer herhaaldelijk al ontmoet, (Democritus, Hobbes).
Maar bij La Mettrie treffen wij haar zeer scherp geformuleerd aan, en gesteund door vele feiten. Het scherpst heeft hij zijn denkbeelden geuit in: „De mensch een machine.” De hoofdgedachten zijn de volgende:
Het onderscheid, dat men aangenomen heeft tusschen mensch en dier, is een graadverschil, geen wezensverschil. Is het dier een machine, dan de mensch ook. Wanneer we de anatomie van menschen en dieren nagaan, zien we groote mate van overeenkomst.
We hebben het recht niet, om den dieren alle bewustzijnsverschijnselen, die wij hebben, te ontzeggen. Onmiddellijk kennen we alleen onze eigen, en tot de aanwezigheid van deze bij anderen moeten wij besluiten op grond van uiterlijke teekenen. Maar bij dieren ontbreken die niet. Een hond vertoont evengoed neerslachtigheid en teekenen van berouw, zoo hij zijn meester heeft gebeten, als een mensch. Recht, om het zedelijk gevoel den mensch alleen ingeboren te verklaren, heeft men dus niet.
Ja, de scheidslijn tusschen dier en plant kan ook wegvallen: al het levende kan gewaarworden. Uit het lagere komt het hoogere op. Hoe meer behoeften, hoe meer verstand.
Hij had dit het eerst opgemerkt toen hij, koorts hebbende, den invloed daarvan op zijn gedachten bemerkte.
Ziekten kunnen invloed hebben op ons denken en onze stemming. Menschen, die den dood heldhaftig tegentraden, waren misschien kleinmoedig geweest, als hun maar een kleinigheid aan milt of lever gemankeerd had. Opium, wijn, koffie oefenen invloed uit op „de ziel.” Een leger, dat sterken drank gehad heeft, stort zich moedig op den vijand; had ’t water gedronken, dan zou ’t misschien lafhartig op de vlucht zijn geslagen. Bij geestesziekten vindt men dikwijls hersenziekten, en, treft men deze niet aan, dan kunnen er wel heel kleine veranderingen zijn, die ons ontsnappen.
De dieren hebben dus geestelijke verrichtingen, de stoffelijke toestand van het lichaam bepaalt dien van onzen geest. Ook om het leven als zoodanig te verklaren, behoeft men zijn toevlucht niet te nemen tot de ziel, want de beweging zit in de aparte deelen van het lichaam. Hij geeft hiervoor vele voorbeelden. Na den dood bewegen zich spieren en ingewanden nog; een haan, wien de kop was afgeslagen, liep nog een poosje door, enz.
La Mettrie ontkent niet de mogelijkheid, dat God de materie heeft geschapen, noch loochent hij de onsterfelijkheid, maar men kan hier niet achter komen, en heeft er voor wetenschap en practijk niets aan, die vragen te behandelen. Een staat van atheïsten is daarom niet alleen mogelijk, zooals Bayle verondersteld had, neen, hij zou de gelukkigste zijn, omdat de onzalige godsdiensttwisten er niet zouden voorkomen.
La Mettrie’s moraal-filosofie, die menigeen ook door zijn smakelooze behandeling van de kunst om te genieten, afschrikt en tegen de borst stuit, wegens zijn te groote en noodelooze uitvoerigheid over ’t sexueele leven, bevat een zeer rijke toekomstgedachte.
Hij wil tal van misdadigers niet straffen, maar als zieken behandelen: niet den scherprechter, maar den arts moet men de menschen overgeven, die door ziekelijke hersenen en neigingen misdaden begaan. Het laatst der 19de eeuw zou deze kwestie weer opnemen en er levendig over discussieeren. (Vergel. deel II, Het positivisme, de crimineele anthropologie).
Diderot, 1713–1784.
Een der merkwaardigste verschijningen van de achttiende eeuw is de groote encyclopedie, een werk, dat kennis en verlichting in wijden kring verbreidde en waaraan tal van mannen, de encyclopedisten genoemd, meewerkten. Hoofd was Denis Diderot, dien men een Franschen Leibniz zou kunnen noemen, met ’t oog op zijn zeer veelzijdige belangstelling, zijn veelomvattende arbeidzaamheid en kennis, die vooral de encyclopedie ten goede kwamen. Als meer Fransche denkers uit dezen tijd is hij dichter en wijsgeer, en gevoelvolle ontboezemingen wisselen af met de ontvouwing van geniale gedachten. Eerst in de 19de eeuw zijn z’n eigenlijk wijsgeerige werken uitgekomen; voor den tijdgenoot was Diderot vooral letterkundige, al oefende hij, door zijn woord en omgang en brieven ook veel invloed uit op de filosofische ontwikkeling.
Op metafysisch gebied is het standpunt van Diderot niet steeds hetzelfde, maar nadert hij het materialisme, (dat hij niet in Frankrijk gebracht heeft, maar dat hem veeleer gewonnen heeft) na eerst een stadium van een sceptisch gezind deïsme doorgemaakt te hebben.
Het bewustzijn is voor Diderot niet gebonden aan een bepaalde organisatie van atomen, maar hij neemt aan, dat aan elk deeltje het vermogen, om waar te nemen, toekomt. Daar dit aan Leibniz’ monaden herinnert, heeft men ook een sterken invloed van Leibniz op Diderot aangenomen. Hoe nu uit de samenvoeging van verschillende, tot gewaarwording in staat zijnde deeltjes, een bewustzijn kan ontstaan, dat éénheid heeft, verklaart Diderot niet uitvoerig, al roert hij deze kwestie aan.
Op ethisch gebied begon hij met een aanhanger van Shaftesbury’s moraal te zijn, maar langzamerhand laat hij de stelling, dat wij een oorspronkelijken zedelijken zin bezitten, vallen. Ons zedelijk oordeel, onze daden ondergaan den invloed van een groot aantal kleinere en meer belangrijke ervaringen, die op een gegeven oogenblik tot vorming van ’t oordeel, tot het ontstaan van de daad kunnen meewerken, ook al worden ze niet bewust. Voor Diderot is er dus groei van zedelijk inzicht, hij beseft, zij ’t vaag, dat het zijn historische ontwikkeling heeft.
Maar die natuurlijke ontwikkeling heeft het sociale gevoel voor hem niet; dat maatschappelijke verhoudingen kunnen ontstaan zijn en vergroeien tot iets heel anders, ziet hij niet. Echt kind der aufklärung, ziet hij in de politieke, burgerlijke en godsdienstige instellingen slechts het product van sluwheid en heerscherswillekeur. Het verleden biedt niets dan schurkenstreken voor den man, die alles van de toekomst hoopt.
Op religieus gebied is Diderot van deïst atheïst geworden. Het geloof aan God is dwaas; hoe, met het vele kwaad in de wereld de goedheid Gods te gelooven? De godsdienst voert verder tot ceremoniën en dogmen, die in de plaats komen van de natuurlijke moraal; het geloof aan God is schadelijk.
Om Diderot, die de leidende geest der achttiende eeuw is, in zijn invloed te begrijpen, moet men niet alleen letten op wat hij geschreven heeft, maar vooral ook op zijn persoonlijken invloed. „Hij was slechts geheel zich zelven, wanneer hij zich, zooals Socrates, opgeheven had tot de idee van het ware, het goede en het schoone.
In deze extase (die ook aan zijn uiterlijk opgemerkt kon worden, en die hij, naar zijn eigen beschrijving, het eerst voelde aan het bewegen zijner haren op het midden van ’t voorhoofd, en aan een huivering, die al zijn leden doorliep), was hij de echte Diderot, wiens geestdronkene welsprekendheid, evenals die van Socrates, alle toehoorders met zich meesleepte.” (Rosenkranz).
Holbach, 1723–1789.
Zijn afsluiting vond het wijsgeerig materialistisch denken der 18de eeuw in een werk, dat ontstaan is in den kring van baron Holbach, een Duitsch edelman, die van zijn jeugd af in Parijs woonde en een aantal radicale schrijvers om zich heen had verzameld. Het verscheen in 1770 onder een pseudoniem te Londen, onder den titel: „Systeem der Natuur.” Waarschijnlijk is de indeeling, het stelselmatige, van Holbach, en hebben Diderot en Lagrange hulp verleend. Van de werken van La Mettrie en Diderot onderscheidt het zich meer door zijn vastheid van overtuiging, stelselmatigheid en strakheid, dan door zijn inhoud. Het mist de levendige pittigheid der Fransche auteurs en heeft iets van het langdraderige der Duitschers te pakken. Het maakte zooveel opgang, dat men ’t wel den bijbel van ’t materialisme genoemd heeft. Het is, na de meer uitvoerige behandeling van La Mettrie minder noodig, uitvoerig over het werk te spreken. In hoofdzaak worden de volgende stellingen verkondigd.
Niets anders dan stof en beweging bestaat.
De beweging is aantrekking of afstooting.
Uit deze beide soorten beweging laten zich alle andere bewegingen verklaren, en door de verschillende bewegingen zijn weer de dingen ontstaan naar eeuwige, onveranderlijke wetten. Als er niets is dan stof en beweging, zoo is de mensch ook uitsluitend stoffelijk, en het is een dwaling en ongeluk geweest, lichaam en ziel te scheiden. Wie dit doen, scheiden eenvoudig de hersenen af van het overige lichaam. Evenals de tweeheid van den mensch: ziel en lichaam een hersenschim is, zoo is ook die andere tweeheid een waanbeeld: God en wereld. De oorzaken, die den mensch tot het vormen der Godsvoorstelling gebracht hebben, zijn lijden, vrees, onwetendheid. Wij sidderen, omdat onze voorouders gesidderd hebben. Voor dit atheïsme is moed en verstand noodig. Ongewenscht is het, zelf de religie te verwerpen, maar die voor minder ontwikkelden noodig te houden, opdat het volk in banden blijve. Vrijheid en onsterfelijkheid bestaan niet: de mensch is een schakel in den keten van den oorzakelijken samenhang der dingen, andere onsterfelijkheid dan die in de gedachten der menschen, die na ons komen, is er niet. Voor de practijk zal deze leer groote vruchten dragen: de godsdiensttwisten zullen eindigen, de onrust, die de godsdienst bij menigen mensch veroorzaakt, zal wijken voor zielsrust. Grondslag der zedelijkheid is de zelfliefde, en hij, die zijn eigen belangen zoodanig bevordert, dat anderen daartoe bijdragen om huns zelfs wil, is een goed mensch.
Het systeem der Natuur is het systeem der Fransche aufklärung, die tot het materialisme gekomen was door vele stadiën. Maar voor dat het opgesteld was, had reeds in Frankrijk de stem geklonken, die zich tegen deze richting zou verheffen, en een man, die zelf in allerlei zedelijke diepten zonk, zou „Frankrijks geweten” worden: Jean-Jacques Rousseau.
§ 54. Rousseau.
Leven.
Welk een deerniswekkend man! In Genève in 1712 geboren, verliest hij vroeg zijn moeder, wordt door een vader, „man van plezier,” onbekwaam opgevoed. Na een gelukkigen tijd te platten lande in een predikantsgezin, in Genève in de levenspractijk: graveursleerling. Uit Genève gevlucht, door geen vader tegengehouden. In aanraking met een weduwe, in dienst der katholieke propaganda, Mad. de Warens; door haar naar Turijn gezonden; hier tot het katholicisme overgegaan; als lakei in dienst bij een adellijke familie. Door heimwee naar de bergen terug naar mad. de Warens, bij haar lange jaren, met verschillende onderbrekingen, studeerende in allerlei werken. Zij oefent grooten invloed op hem uit; hij is als haar zoon—en haar minnaar tegelijk. Bij haar eindelijk voor goed vandaan, in Parijs (1741–1756). Hier in 1750 plotseling beroemd door de ontkennende beantwoording eener prijsvraag, of het herstel van kunsten en wetenschappen had bijgedragen tot loutering en verbetering der zeden. In aanraking met de encyclopedisten, maar van deze later gescheiden: uitwendige omstandigheden werkten mee, maar meer het diepe verschil. Zijn negatie van de beteekenis van cultuur en ontwikkeling, was Rousseau geen spel, geen schitterende paradox, om de aandacht op zich te vestigen, zij was hem ernst; en ernst en een overstroomend gevoel scheidde hem van de geestige schrijvers, die zich dikwerf in de salons meer aangename causeurs en gewikste debaters toonden, dan peinzende en piekerende of geestdriftvolle denkers, als hoedanig we Rousseau beurtelings zien. Een verbinding met een zeer goedhartig, maar op het onnoozele af dom meisje, Thérèse Levasseur, die zich door haar familie liet uitbuiten, wordt later ontgoocheling en drukkende last, die argwaan voedt en geestelijke gemeenschap buitensluit. In 1761 geeft hij een roman, „de nieuwe Heloïse”, een dier sentimenteele, waaraan de 18de eeuw rijk is, waaraan in Duitschland Goethe nog geofferd heeft, waaraan in ons land de naam van Feith geknoopt blijft. Dan komen in 1762 zijn hoofdwerken: „de Emile,” waarin hij Lockes gedachten over opvoeding voortzet, verdiept en populariseert, het „Maatschappelijk verdrag,” waarin hij, de aloude staatsleer nieuw leven door zijn helderen stijl gevend, op staatkundig gebied het ideaal verkondigt, dat Emile op opvoedkundig terrein uitspreekt. En toen begon de vervolging. Rust is er niet. Noch in Zwitserland, noch in Engeland bij Hume, vanwaar zijn tot waanzin geworden wantrouwen hem dreef. Om zich te verdedigen tegen werkelijke of ingebeelde vervolgers, schrijft hij zijn: „Confessies,” eerlijk bedoeld, maar niet absoluut vertrouwbaar, gekleurd als ze zijn door de het verleden vervormende verbeelding, geschreven als ze werden in tijden van achterdocht en wantrouwen. Dan komt, nog onverwacht, de dood, en het gebeente van den armen zwerver vindt nog niet eens rust: het maakt de wisseling der revoluties in verheerlijking of versmading mee.
Niet te verwonderen, dat wij van dezen man met geringe voorstudie, met weinig aanleg voor gezetten arbeid, met een overmatig groot gevoel, in ongunstige levensomstandigheden geplaatst, geen scherp omlijnde leer kunnen verwachten; dat bij hem meer allerlei treffende gedachten, prikkelende opmerkingen, fijne overwegingen, innig gevoelde ontboezemingen zijn te vinden. Half literator, half filosoof, bekleedt Rousseau toch in de geschiedenis van het denken niet een onbelangrijke plaats en in wijde kringen heeft zijn invloed gewerkt. Op den dag, dat Kant zijn „Emile” las, liet de Koningsberger denker, tot groote verwondering zijner buren, zijn dagelijksche wandeling na! En dat zegt veel! (Zie deel II).
Het cultuurprobleem.
Wij hebben reeds eerder kennis gemaakt met het cultuurprobleem. Bij de Grieken waren het de cynici, (blz. 79) die het stelden en in den tijd van Mandeville werd het ernstig besproken (311). Rousseau maakte ook ernst met het cultuurprobleem: is de beschaving, zooals wij die kennen, een goed of een kwaad, heeft zij meegewerkt aan menschelijk geluk en heeft zij de zedelijkheid bevorderd, of heeft zij ongeluk en boosheid met zich gebracht?
Als we ons Rousseau’s denken in hoofdlijnen voorstellen, vinden wij een betrekkelijk eenvoudigen gedachtengang, die veel belangwekkends bevat.
Oorspronkelijk heeft de mensch in een natuurtoestand verkeerd, waarin hij, door zijn instinct geleid, zijn behoeften wenschte te bevredigen. Daar die echter weinige waren, omdat hij niet nadacht, en zijn verbeelding hem niet allerlei voorspiegelde, vond hij licht de middelen, om zijn begeerten te bevredigen. De natuurmensch wordt geleid door zelfliefde.
Maar het bewustzijnsleven groeit uit.
Nadenken en fantasie scheiden zich van het instinct. De verbeelding spiegelt den mensch allerlei goederen voor, die hij niet heeft. Deze zoekt hij te verwerven. Zij zijn veel moeilijker te verkrijgen, dan de eenvoudige dingen, die hij eerst noodig had. Hij geraakt nu in strijd met zijn medemenschen, die hij verdringt.
De zelfliefde is zelfzucht geworden.
Kennis, beschaving doen zien, wat er is, en te genieten zou zijn. Men bezit ’t echter niet. Nu treedt zwaarmoedigheid op; het leven verliest zijn waarde, zelfmoord komt voor.
De voortschrijdende beschaving heeft de behoeften vergroot en een wanverhouding geschapen tusschen wat men heeft en wat men begeert. Zoo brengt de cultuur ongeluk, levenszatheid. De kracht wordt verlamd.
Hoe gelukkig was de menschheid op ’t oogenblik dat zij, niet geheel meer door de blinde instincten geleid, toch nog niet zooveel nadacht. Dit was haar jeugd, die zij nooit had moeten verlaten. Maar nu het eenmaal is geschied, is terugkeer tot een vroegeren natuurtoestand onmogelijk. Het is dus nu de vraag, hoe een nieuwe maatschappij te vestigen, waarin meer overeenkomstig de natuur geleefd wordt. Op drie punten begeert Rousseau deze vernieuwing: op het gebied van godsdienst, op dat van den staat en op dat der opvoeding.
Opvoeding.
Zijn opvoedkundige ideeën, die voor een groot gedeelte aansluiten bij die van Locke, heeft Rousseau ontwikkeld in zijn Emile. Hij pleit er voor, dat de moeders zelf hunne kinderen zullen zoogen, en eischt een zorgvuldige hygiënische opvoeding. Het onderwijs moet niet te vroeg beginnen, er moet bij den leerling belangstelling opgewekt worden, zoodat hij de behoefte gevoelt, van te weten. Het is zoo aanschouwelijk mogelijk; niet de boeken, maar natuur en menschenleven zijn allereerst de groote kennisbronnen. Op zedelijk gebied heersche geen autoriteit of wrekende straf. Emile moet de gevolgen zijner handelwijze ondervinden (b.v. kou vatten door een in zijn kamer gebroken raam) en aldus hun draagwijdte leeren beseffen. Dit is het systeem der z.g. natuurlijke straffen.
Een gouverneur leidt de opvoeding, die dus als bij Locke, niet in de klasse geschiedt. Hij is een oudere vriend, een wijze raadsman voor Emile, die zijn opvoeder ook geheel moet vertrouwen.
Bijzondere beteekenis hecht Rousseau aan het intreden der geslachtsrijpheid. Veel meer, dan tot dusver nog geschiedt, wenscht hij met den puberteitsleeftijd in de opvoeding rekening te houden, daarmee in overeenstemming met een thans veelvuldig gestelden eisch.
Emile huwt ten slotte met Sophie, aan wier opvoeding de schrijver slechts een kort gedeelte wijdt van zijn werk. Voor de verstandelijke ontwikkeling van meisjes gevoelde hij niet veel.
Godsdienst.
Zijn godsdienstige overtuigingen heeft Rousseau het schoonst uitgesproken in de geloofsbelijdenis van den Savooischen vicarius, ingevlochten in „de Emile.” Theoretisch staat Rousseau op het standpunt van het deïsme. Toch onderscheidt hij zich van de deïsten door een zeer merkwaardig verschil. Zijn geloof aan God is een gevolg van zijn gemoedsbehoeften, uit hen ontspringt zijn geloof aan een persoonlijke, scheppende, wereldvormende wil. Hij moet aan God gelooven. En nu hij eenmaal aan Hem gelooft, ziet hij de bewijzen van diens bestaan in de harmonie, de doelmatigheid der schepping. Maar deze is dus niet de grond van zijn geloof. Het probleem van het kwade in de wereld lost hij op, door aan te nemen, dat de stof zekere tegenwerking bood aan de volvoering van Gods wil. Hij wil liever iets van Gods Almacht opofferen, dan Zijne goedheid betwijfelen.
Deze godsdienst kan—al is hij een natuurlijke en geen geopenbaarde—het Christendom omvatten en Rousseau noemt zich zelven met overtuiging een christen.
Staatsleer.
Op het gebied der Staatsleer brengt Rousseau de leer van het maatschappelijk verdrag tot een uiterste en populariseert hij die. Alle macht hoort bij het volk. Hij verdedigt beslist de volkssouvereiniteit. Opdat het volk zijn souvereiniteit kan uitoefenen, moet het van tijd tot tijd verzameld worden, teneinde over de voorgestelde wetten te stemmen.
Een staat mag dus niet te groot zijn.
Het uitvoerend bewind kan verschillend zijn. Een gekozen aristocratische regeeringsvorm schijnt Rousseau het best. Rousseau is er echter ver vandaan, om te meenen, dat men overal maar dezelfde wet kan toepassen. Hij heeft meermalen te kennen gegeven, dat de historie en de natuurlijke gesteldheid van een land zijn wetten bepaalden.
Hoewel dus in Rousseau’s werken het beginsel der volkssoevereiniteit scherp uitgesproken wordt, zijn ze toch niet de tot bloedige revoluties aansporende geschriften, waarvoor men ze soms houdt, omdat de revolutiemannen zich wel op Rousseau (dikwijls met zeer eenzijdig gebruik zijner werken) beriepen.
Invloed.
Tot het nadenken over allerlei problemen van godsdienstigen, zedelijken, maatschappelijken en letterkundigen aard prikkelden zijn werken, dikwijls juist door hun paradoxalen of overdreven vorm.
Deze man, die zelf dikwijls zooveel dieper zonk in zedelijk opzicht, dan de andere denkers der 18de eeuw, had toch een levendig gevoel van goed en kwaad, dat dezen ontbrak. Zich richtend tegen de verzadigde kultuur der 18de eeuw en schijnbaar tegen alle kultuur, legde hij mee den grondslag eener nieuwe. Gedeeltelijk kind der aufklärung, breekt hij haar mee af, door het zich direkt uitsprekende gevoel een plaats te geven naast het koele wel-overwegende verstand der 18de eeuw. Zoo is Rousseau een zeer gewichtige cultuurverschijning, al is hij niet een der grootste denkers—en een historieschrijver kan hem het geweten van het Frankrijk der 18de eeuw noemen.