X. ALLERLEI.
Reading edition
1. MEI-RIJM.
„Im wunderschönen Monat Mai......”
Het hoort er zoo bij, Dat je dweept met de Mei, Als de blaadjes en bloemetjes botten; De vogeltjes blij, Leggen ijlings een ei, En de koetjes zijn vrij In de groenende wei, Waar de veulentjes vroolijk ravotten. Het lammetje blaat, En de nachtegaal slaat, Terwijl zelfs de kooivink zich vrij waant; En ’s avonds nog laat Staat de meid met d’r maat In gezellig gepraat Op de hoek van de straat — Dat is alles ter eer van de Meimaand. De habitués Zitten voor de cafés Te drinken, te leuteren, en te Bespreken vol vrees, Of vol hoop, match of race; En nu wijken diners Voor de tennisclub-thés — Dat is alles ter eer van de Lente. De comedies zijn dicht: Het is veel te lang licht, En de menschen verlangen naar buiten; Zelfs de man van gewicht Zet een vroolijk gezicht, Als hij blijde zijn plicht En zijn dagtaak verricht, En ik heb zelfs een prof hooren fluiten! Elk poëet in den dop Slaat de Mei in den kop, Nu kan zich geen dichter bedwingen, Want zijn vreugd stijgt ten top, En de pen neemt hij op, En de bloem in den knop, En de rups in de pop, En dat alles dat moet hij bezingen. Maar ik denk dan maar: ’k Ben geen dichter, niet waar? Gelukkig de man die het niet is! — Ja, de Meimaand is daar, En de Lente staat klaar, Maar het weer doet zoo raar, En je keel loopt gevaar, En ’t is nu net de tijd voor bronchitis. Ik zet nu geen voet Buitenshuis, als ’t niet moet, Zonder jas — neen, daar waag ’k het niet graag op! Want de Meimaand is zoet, Maar bedenk wat je doet, Want het weer is nu goed Voor je panamahoed, En je winterjas — dicht! — met de kraag op!
2. DE POST-STAKING.
Bede van een zakenman aan de Post.
Ik heb een flink en net kantoor, Waar ’k ijvrig werk, voor vrouw en kindren. Vermaak is goed — maar ’t werk gaat voor! dat ’s mijn devies. En ’k leer ’t mijn mindren. Ik doe mijn plicht, al zeg ’k het zelf, Ik ben geen enklen dag afwezig, Ik kom niet om een uur of elf — Om kwart voor negen ben ’k al bezig. De zaken lopen reedlijk goed, Zoo alles door mekaar genomen; Hoewel ’k me wat bekrimpen moet, Ik kan er door-de-bank wel komen. Mijn dagtaak zelf bevalt me zeer, En, hoor ’k de klok van twaalven klinken, Dan leg ’k voldaan mijn vulpen neer, En ga tevreden koffiedrinken. Daar ’s maar één ding in mijn bestaan, Dat mij mijn sterven zal vervroegen; — O, mensch, wees met mijn lot begaan! — De brievenberg, dien ’k door moet zwoegen... Daar liggen de stukken in dreigende stapels, Van Londen, Parijs, van Berlijn en van Napels, Papieren pilasters, zoo hoog als de zolder, Omvallend en rollend al holderdebolder, Mijn tafels bedekkend, bedrukkend, begravend! Daar zit ik weer, zweetend en zwoegend en slavend, En schuivend en schiftend en schikkend en zoekend; En razend en tierend, verwenschend en vloekend, Verscheur ’k d’ enveloppen, de gele, de blauwe, En ’k lees van ’t „gelieve te treffen in vouwe,” Al bevende breek ik de bloedige lakken, En ’k brand om de rommel het raam uit te kwakken, Want ’t ergst is de Hollandsche correspondentie, Zoo’n schrijver, die breek ik de nek, als ’k de vent zie! Die plat-duitsche wartaal, mijn vrede verdrijvend, Van handels-scribenten, „inmiddels verblijvend”, Van „spoedigst”, „op afroep”, „goedschrijvend”, „af Londen”, Goed schrijven! Godbetert! Ik wou dat z’ ’t konden! Die „eventueel” „en verzoeken wij”-zwetsers, „Inliggend” en „eer” en „na hoogachting”-kletsers, Die lummels, wier zinlooze vleitaal hun kracht is, Wier „vrijheid” „beleefd”, wijl mijn „schrijven” „geacht” is, Die „goederen afgeven”, „billijk voorradig”, In leutertaal, Duitsch, lam, laf, likkend, langdradig; Die walglijke kost, naar en misselijk smakend, Die zit ik te kauwen, in wanhoop gerakend, En knorrend en morrend, En grommend en brommend, En persend en knersend, En krakend en blakend, En grijpend en knijpend, En blazend en razend, En steunend en kreunend, En wringend en springend, En kloppend en schoppend, En hoestend en proestend, En niezend en briezend en kniezend, En nokkend en wrokkend en schokkend, En stampend en kampend en dampend, En hijgend en zijgend en zwijgend, En draaiend en zwaaiend en laaiend, En speurend en sleurend en scheurend, En rijtend en smijtend en bijtend en krijtend, En hikkend en snikkend en schrikkend en stikkend, En sissend en grissend en visschend en missend, En snakkend en pakkend en smakkend en kwakkend, En kreukend en deukend en beukend en jeukend, En knoeiend en loeiend en broeiend en gloeiend, En duwend en stuwend en gruwend en spuwend, En tillend en trillend en rillend en gillend, En jagend en klagend en vragend versagend, Zóó zink ik in zwijmel, gekneusd en geknakt — Dàt is ’t, wat me daaglijks de morgenpost bakt..... ........................................ En zie! onlangs — o, welk een lust! Geen morgenpost om mij te kwellen...... Een bijna bovenaardsche rust, Als zich geen sterveling voor kan stellen! O, Post! Wat ik je bidden mag, Je kunt me zoo gelukkig maken: Och, zou je, al was ’t maar voor één dag, Nog ééns een keertje willen staken?
3. NAPOLEON-RIJM.
De Tel. ontving een afschrift van den volgenden order, dezer dagen ter kennis gebracht van de cadetten der Kon. Militaire Academie te Breda:
Het is mij den laatsten tijd opgevallen, dat meerdere cadetten zich gearmd met jonge dames in het openbaar vertoonen.
1o. Als gevolg hiervan is meermalen de aandacht dier cadetten zoozeer in beslag genomen, dat ze verzuimen hun meerderen te groeten, blijkbaar omdat zij die meerderen niet zien of herkennen.
2o. Ook laat de militaire houding van cadetten, die gearmd loopen, meestentijds zeer veel te wenschen over, althans is die houding geenszins zooals van aanstaande officieren verwacht mag worden.
3o. Bovendien acht ik het ongewenscht, dat cadetten, die immers niet in het huwelijk mogen treden, door met een jonge dame gearmd over straat te loopen, den schijn aannemen, als zouden zij verloofd zijn, en derhalve voornemens zijn binnenkort een huwelijk te sluiten.
Het vorenstaande geeft mij aanleiding te bepalen, dat in art. 57 van de consignes, 2e en 3e alinea van boven wordt opgenomen:
„Het is aan cadetten verboden zich gearmd in het openbaar te vertoonen.”
Ik reken op ieders medewerking om aan genoemde misstanden, die aan het uiterlijk aanzien der Koninklijk Militaire Akademie ontegenzeggelijk afbreuk doen, een einde te maken.
De cadetten staan geschaard op het plein van het gebouw der K. M. A. De kolonel spreekt hun toe: Goeden morgen, jongelui. Ik heb je wat te zeggen. Ik voel me n.l. verplicht je nog eens duidelijk uit te leggen Wat de beteekenis is van het nieuwe consigne, Waarbij je strafbaar gesteld wordt indien je Je in ’t openbaar gearmd mocht vertoonen. Ik bedoel natuurlijk: met een der Bredasche schoonen. Al staat het er niet bij, de beteekenis is klaar, Want je doet het vanzelf niet alleen, of met mekaar, En je gearmd te vertoonen met je grootje, je zus, je tante, of je Ma, Daar verlangen jullie uit je zelf al niet na. Ik verzoek je nu allen terdege op te letten, En ik verwacht, dat je je niet tegen mijn wil zult verzetten. Want je staat hier even goed onder mijn hoede als onder je eigen petten, En de ondeugd spant, zooals je weet, overal haar netten, Zoowel voor de groote menschen als voor de cadetten, Dus voor je ’t weet kan de zonde je besmetten, Maar ’t is niet zoozeer dat, wat ik wil beletten, Want tegen de boosheid helpen eigenlijk geen wetten, Als wel, primo, de insubordinatie tegen je superieuren. Immers het kan zeer wel gebeuren, Dat je eens een luitenant of zoo zou ontmoeten, En dan zou je hem, als gearmd zijnde, niet eerbiedig kunnen groeten, Want, loop je met een warmbloedig meisje — tenminste zoo was ’t in mijn tijd — Dan raak je haar arm zoo ineens maar niet kwijt. Bovendien heb je haar waarschijnlijk zooveel leugens over de liefde verteld, En haar zooveel desbetreffende nonsens op de mouw gespeld, Dat je mouw allicht in die spelden blijft haken, En je zoodoende niet gauw een behoorlijk militair saluut kunt maken. Voorts is een gearmd cadet gewoonlijk zoo overmeesterd door zijn gevoel, Dat hij zijn meerdere niet ziet, of niet herkent — hm! je weet wat ik bedoel. Secundo loop je gearmd in een houding die ik niet kan gedoogen: Schommelig, schokkerig, kronkelig, je nek scheef, en je knie naar ’t meisje gebogen. En dit moge nu te dulden zijn bij de straatslijpende horden, ’t Is geenszins de houding zooals die van aanstaande officieren verwacht mag worden. Tertio, en dit is misschien het ergste nog, Ik beschouw dit als een soort van anticipatie-huwelijksbedrog. Immers je neemt den schijn aan van een engagement, Terwijl je integendeel, om zoo te zeggen, nog maagdelijk bent. Want je weet, en ik hoop dat je ’t goed zult onthouwen: Ik heb je verboden te spelen, te drinken en te trouwen. Ziezoo. Ik meen van jullie te mogen verwachten, Dat je geen van allen op slinksche wijs zult trachten Dit consigne te ontduiken, en toch met meisjes te loopen, Zij ’t dan ongearmd, bijv. zoo warmpjes tegen haar aangekropen, Zoo, je weet wel, de schouders tegen mekaar aanwrijvend, En dat wel zonder trouwbedoeling (in den handel heet zoo iets „vrij blijvend”). Of hand-in-hand, als kinderen, want dit is ’s winters wel prettig, Maar ’s zomers niet; dan voelt ’t min of meer vettig. Of — je bent allemaal wel eens in de bioskoop geweest — In bevallige pose met je arm om haar leest, Of je armen om mekaars hals, of, zooals bij ’t schaatsenrijden, Kruisling voor ’t lijf — dat alles zul je, hoop ik, vermijden. Ook verwacht ik, hoewel ik het in ’t consigne niet uitdrukkelijk verbood, Je nooit op een bankje aan te treffen met een meisje op je schoot. Ik heb gezegd. Alleen dit nog. Ik eer Bonaparte, Omdat hij koelbloedig de grootste gevaren tartte, Maar je moet me toegeven, dat hij nooit zoo’n consigne verzon, En in zoover win ik ’t, al zeg ik het zelf, van Napoleon! (Daverende toejuichingen)
4. EERSTE LIEFDE.
Aan To.
’t Was een mooie Zomerdag, Dat ik, To, je ’t Eerste zag. Bij het beekje Zag ’k je staan, En ik keek je Smachtend aan. Ik was dalijk Smoor, maar jij Nam me kwalijk Dat ’k het zei. Maar toch ein’lijk Gaf je toe; Hoogstwaarschijnlijk Werd je moe. Even zweeg ik, To, en toen, Liefste, kreeg ik Plots een zoen. Hoe begeerlijk Is de min! En hoe heerlijk Was ’t begin. Ik bezat geen Rooie cent, En ik had geen Tractement. Dus je vader Was verstoord; ’k Heb dat nader- hand gehoord. En je moeder Stom verbaasd! ’k Weet nog hoe d’r Werd geraasd! Ik kreeg klappen Voor me straf; Al de trappen Rolde ’k af. Ach, daar lag ik In de laan! Jij was, — zag ik — Aangedaan. Je stond onder ’t Lindegroen, Maar je kon d’r Niets aan doen. En ik liep naar Huis, kapot Van dit diep naar- geestig slot. Heel mijn leven Leek m’ één nacht... Jij was zeven, Ik was acht. (Maar dit vrijen In ’t geheim Levert mij ’n Ruize-Rijm). (_Naar het Engelsch._)
5. KWAK-RIJM.
Opgedragen aan de Redacteurs van bladen, die medewerken aan de verspreiding van kwakzalversmiddelen.
Zing mij, mijn Groene-muze, thans niet in gedweeë zuchten, Laat mij mijn verontwaardiging in forscher klanken luchten, Mijn woede over ’n zonde, erger dan wat slechten stijl: De zonde der omkoopbaarheid. Ja, onze Pers is veil. Ziet hoe ’t bedrog gedijt door de gekochte hulp der kranten, En hoe ’t u toegrijnst, ’t duizend-namig Kwaad, van alle kanten: Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol, Lymphol, of Menathol, Riol, Flucol, of Kephaldol, Vixol, of Amonnol, Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf, Zambuk, Melrose, Dragées Dupont, Kneipp’s pillen, Coza-poeder, Dermatose, Haarlemmer-olie, Pink-pillen, Pastilles Géraudel, Of Foster’s rugpijn-nierenpillen, Beechamp, Bilaudel, „Abdij”-siroopjes (suikerpap) van niet-bestaande kloosters, Of dikke-borsten-pillen voor demi-mondaines — „Oostersch!” — (Heel dikwijls wordt er een „abdij”, of „priester” bij gehaald, Een lokaas voor geloovigen — een truc, die zelden faalt) Gezondheidsketting, Voltakruis, Galvano-boedha-platen, Sanden’s electrisch gordelwerk, Adolph’s jicht-apparaten. Voorts middeltjes, die tot verhooging van de werkzaamheid, Heel vriendelijk voor den lijder, met vergiften zijn bereid: Bucine, phenolphtaleïne — andre ben ’k vergeten, O, ja, „Nibblett” (epilepsie): strychnine — Smaaklijk eten! En dan ’t gemeenste soort nog, dat den lijder lokt — maar straft! Daar ’t juist wat hij verlangt, maar schuwen moet, — vermomd — verschaft: Als: anti-diabetes-middelen, met volop suiker. Een zeer verlokkend drankje voor den drinkebroer-gebruiker: Ziet, vroolijk schenkt hij van het medicijn zijn glaasje vol: Een anti-drankzucht-middel, mild gemengd met alcohol! Een nektar voor den morfinist — daar valt mee te verdiene’! — „Antimorfine” heet het goed, bestaande uit...... morfine! En dan de prijs nog, dien zoo’n waardeloos mengseltje je kost! Tien gulden voor wat suiker in wat water opgelost, Parlaghy (broom) voor 12 cent bij elk drogist te halen, Daar laat zoo’n schurk zich 25 gulden voor betalen! Is ’t wonder, dat dat kwakgespuis in vorsten-weelde leeft, Wanneer ’t zich in ’n jaar of wat schatrijk gestolen heeft? O, Redacteurs, ik klaag je aan, ik wil je niet beleedigen, Maar geeft het nu maar eerlijk toe — je kunt je niet verdedigen: ’t Slachtoffer dokt, en dokt, en des bedriegers buidel zwelt, De stomme stumper sterft — en jullie krijgt de helft van ’t geld. Je bent de steun en toeverlaat van heel een bende schoften, Die paaien met portretten, met attesten en beloften. En zelfs als ’t goedj’ onschaadlijk is, doe j’ onherstelbaar kwaad, Want dokter’s hulp wordt uitgesteld: hij komt — maar komt te laat. Effecten-zwendel wordt geweerd — daar zou je naam door lijden! — Kwak’s leugens ku’ j’ niet weigren, wel? Zorgvuldig zijn gescheiden Redactie en directie. O, je vindt het ijslijk naar, Dat liegen — maar de Directeur gebiedt — vooruit dan maar! En door je mooiste hoofdartikel, waar j’, in geestvervoering, Van plicht, en eer, en waarheid spreekt, in edele ontroering, Vlecht zich zoo’n pillen-leugen heen, die zoo verleidelijk leest, Als „Ingezonden mededeeling” — dat betaalt het meest! Je weet precies, wat je misdoet, je kunt je niet vergissen, Alleen — de onderneming kan de duiten nog niet missen Ja, schitterend is de winst, met zulk reclamewerk behaald...... En jullie tractement wordt met dat dievengeld betaald.
6. HET WONDER.
Het leven is zoo saai. Zoo altijd ’t zelfde. Wij varen lustloos door in ’t oude zog. Zooals zich ’t firmament sinds eeuwen welfde, Zoo staat de blauwe (grauwe) koepel nog. De winden waaien — en de boomen groeien — De regens vallen — en de zonne schijnt — De vogels vliegen — en de bloemen bloeien — Zoo telkens weer opnieuw, en zonder eind...... De menschen minnen, haten, strijden, streven, ’t Is altijd ’t zelfde spel, en ’t oude lied; Het is al honderdduizend maal beschreven, Maar nieuwe dingen lees of zie ik niet. Wij dwalen doelloos door de dichte drommen; Ter slinke noch ter rechte daagt de dag; Geen stervling heeft den Berg des Lichts beklommen, Dien slechts de dichter in zijn droomen zag. O, schrik mij! schok mij! breng mij in ontroering! Tref, geesel, striem mij, smak mij! Kwak mij neer! Laat mij verstikken in mijn zielsvervoering — Maar laat mij niet in dorheid sterven, Heer! Zoo peinzend liep ik loom langs ’s heeren straten, Als een, die niets van ’t leven meer verwacht, Verveeld, vermoeid, versuft, verdoofd, verlaten...... Toen is het Wonder plotseling volbracht. Wat ’k zag, ik zal ’t mijn leven lang onthouden, Verstijfd van schrik, en van ontzetting strak Door wat mijn starend’ oogen daar aanschouwden: Een dienstmeid met een muts en met een jak.
7. O, TELEFOON!
O, telefoon, ik haat je! Ik haat je als de hel! Rrrrring!! Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel! Rrrrring!! Je staat daar in een hoekje, Maar eischt subiet gehoor, Rrrrring!! Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door. Rrrrring!! Ben ’k boven aan het scheren, Waar ’k kin en wangen krab, Rrrrring!! Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap. Rrrrring!! „Verkeerd (weer!) aangesloten!” Dat ’s alles wat ik hoor; Rrrrring!! Dan zeg ik...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor. Rrrrring!! Wie maar wat heeft te vragen, Valt ruw in elk gesprek, Rrrrring!! En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek. Rrrrring!! De kleverigste kletskous, d’ Onmogelijkste vlerk, Rrrrring!! Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk. Rrrrring!! Hij ’s veilig, dus waarom niet? En, krijgt ie ’t in z’n kop, Rrrrring!! Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op. Rrrrring!! De telefoon verleert je Manieren en fatsoen, Rrrrring!! Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen. Rrrrring!! De zachtst-gezinde menschen, Zijn grof per telefoon, Rrrrring!! Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon. Rrrrring!! Ik noem maar niet meer grieven — Vanwege plaatsgebrek, Rrrrring!! Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!” Rrrrring!! Ik zwijg ook van den toestand, Dien j’ elken dag doorleeft, Rrrrring!! — Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft. Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Bah! — ’k Smijt den horen neder Op ’t toestel met een kwak...... Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’k vin ’t een groot gemak.
8. OPGEMERKT.
Jubelrijm, met verzoek aan de Vaderlandsche sigarenfabrikanten.
„Vele kopstukken op elk gebied woonden de uitvoering van de leerlingen der Tooneelschool bij; onder de genoodigden merkten wij op —, —, —, —, —, —, —, en Charivarius.” Tel.
Hiep, hiep, hoera! ’k ben „opgemerkt!” Ik ben tot „kei” verheven! Ik ben gesticht, gesteund, gesterkt, Als had ’k bij Kuyper-zelf gekerkt, Mijn vreugd is grensloos, onbeperkt, Ik voel mij opwaarts zweven, Als zonnevoog’len, goudgevlerkt, Naar witte wolkjes, blauw-omzwerkt...... En, lig ’k in ’t graf eens, zwaar-bezerkt, Dan heb ik niet voor niets gewerkt, Niet vrucht’loos was mijn leven! Wat heb ik, arme, jaar en dag, Die glorie moeten derven! Waar ’k naamloos, — schoon ik zeggen mag; Van onberispelijk gedrag — (Applaus van links; van rechts: gelach) Door ’t leven rond moest zwerven. Wat zuchtte ik dikwijls wee en ach, In stille smart en zelf-beklag, Als ik mijn droevig lot voorzag, Om, zonder wimpel, zonder vlag, „Onopgemerkt” te sterven! En thans......! Vertoon ’k me nu en dan In Flora, in Frascati, In Monico of in de Pan, In hoogen hoed en Astrakan, Dan wijst ’t publiek mij steelswijs an, Zacht fluisterend: „Daar staat ie!” En slent’r ik, zonder doel of plan, Op straat — ik ben er zeker van, Dan kijkt men naar den grooten man, Die ruize-rijmen rijmen kan, En zegt: „Let op! Daar gaat ie!” Ik ben nu bijna 50 jaar, Ik jaag niet meer naar baantjes; Geen maagd’lijn blank, en blond van haar Brengt d’ ouden man meer in gevaar Met lieven lach, met zoet gebaar, Met lonkjes of met traantjes; Nog één illuzie heb ik maar — O, fabrikant of handelaar, Wie maakt mijn heerlijk droombeeld waar? — De geurige 10 cts. sigaar, Merk: Charivariaantjes!
9. STEMMINGSRIJM VAN DOOD EN LEVEN.
d’ Oude nicht is dan verscheiden. ’k Volgde in den stillen stoet. Met haar streven en haar strijden, Haar verdriet en haar verblijden, Haar beklagen, haar benijden, Is het nu gedaan. Voor goed. Toen de menschen huistoe gingen, Heb ik nog eens nagedacht Over deze diepe dingen, Waar de Zieners zoo van zingen: — Zoete, zachte zegeningen! — Stervensmoed en Levenskracht. Ik behoor niet tot de vromen — Twijfelmoedig is mijn aard; En ’t is, als ik liep te droomen, In de schaduw van de boomen, Dikwijls bij mij opgekomen: „Is het Leven ’t leven waard?” Zie ze zwoegen; zie ze zweeten! Waarvoor maakt de mensch zich druk? Om te drinken? Om te eten? Moet Genot het einddoel heeten? Wordt het wijze woord vergeten: „Geld en goed is geen geluk?” Wie zich schatten zoekt te gâren, Goud begeert en goud alleen, Goud in geld en goud in baren — Ach! hij zal het ras ervaren: Uren, dagen, maanden, jaren Vliegen als een schaduw heen! Ach, wat baat ons al het vechten Voor het vrije Vaderland! Heeft ons ruige Ras zijn rechten? Of zal Macht het pleit beslechten? Knaap! zal knods of knoet ons knechten, Nu of nooit of naderhand? „’k Zie de gele blâren vallen,” Zong ik al bij moeders schoot; En wij menschen storten allen Evenzoo, bij duizendtallen, Als de strijders op de wallen, Van het Leven in den Dood. Toch — het weidsche wereldwonder Overstelpt mij keer op keer: — Mij, den dorren hypochonder! — ’s Avonds gaat de zon wel onder, Maar des morgens is de zon d’r, Wen de wolken wijken, weer. Ja. Het Kwade en het Goede Blijven bij mekaar bestaan; Laat ons daarom blij te moede, Fier als prinsen van den bloede, Onder ’s hemels heilge hoede, Door de wondre Waereld gaan. Niet te zuchten, niet te klagen, Maar te leven, onverveerd, Niet te zoeken, niet te vragen, Maar, het hoofd omhoog gedragen, Zóó den stoeren strijd te wagen — Dat heeft mij dit graf geleerd...... Weinig had mijn nicht geleden, — Stormloos was haar levenszee — Daarom, rustig en tevreden, Liep ik licht, met luchte schreden, En dan ook om deze reden: d’ Erfenis viel nog al mee.
10. DE TREINEN ZIJN OP TIJD.
Jubelzang, ter tijdelijke vervanging van het Volkslied.
„Een forens schrijft ons: De stroom van ingezonden stukken is gestremd, de golf van boosheid is gezakt. De treinen vertrekken weer op tijd. Ze komen weer op tijd aan.” — Hbl.
Wien Neerlandsch bloed door d’ aadren vloeit, Van vreemde smetten vrij, Wie ’t eeuwige gezeur verfoeit Der Spoorwegmaatschappij, Hij stemm’, met mij vereend van zin, Vervuld van dankbaarheid, Geestdriftig dezen juichkreet in: De treinen zijn op tijd! (bis) Geen ingezonden stukken meer, Sarcastisch, fel en bits, Wij hebben het vertrouwen weer In onzen spoorweggids. De cijfertjes, zij liegen niet, Maar geven zekerheid, Zoo klinke dan ons daavrend lied: De treinen zijn op tijd! (bis) Wanneer de slaperige forens, Uit ’t zoele bed gejaagd, (Er is waarschijnlijk wel geen mensch, Die d’ arme niet beklaagt!) Niet langer uren op ’t station Moet wachten, bleek van nijd, Dan juicht hij, dansend op ’t perron: De treinen zijn op tijd! (bis) En wie j’ ook met den trein verwacht, Wanneer j’ aan d’ „Uitgang” staat, Je vrouw, naar wie je hunkrend smacht, Je bruid, je broer, je maat, Je partner, je patroon, je klant, Je goedgezinde meid...... J’ hebt geen minuut te wachten, want De treinen zijn op tijd! (bis) Het reizen wordt weer een genot, ’t Is niet meer als voorheen, Toen iedre „sneltrein” — bitt’re spot! — Een sloome boemel scheen. Wij komen aan op ’t juiste uur, Het treinwee zijn we kwijt, Hiep, hiep, hoera! voor ’t spoorbestuur, De treinen zijn op tijd! (bis)
11. HAZEN-RIJM.
Charivarius heeft elk jaar een hazendinertje. Deze keer droeg hij er ’t volgende Rijm voor. Misschien kan iemand dit vaers voor zoo’n gelegenheid, mutatis mutandis, gebruiken.
Vergunt mij uw aandacht te vragen Voor ’t volgend berijmde relaas, Het is, wat ik voor heb gedragen Op ’t jaarlijksch diner van den haas: Zoo zitten wij hier weer tezamen. ’t Is niet voor een broodje met kaas! Neen, menschen met dubbele namen Die eten niet minder dan haas. Voorheen zat men hier bij de gratie Van Willem, in ’t jagen een baas! Hij voerde ons (in combinatie Met ’n nette affaire in haas). Nu zijn we met koophaas tevreden; ’t Is niet zoo poëtisch, helaas! Hij is in het huwlijk getreden, Maar wij hebben niettemin haas. Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden! Zij werden — of worden — Papa’s, Maar dat heeft hen goddank niet weerhouden Van het heilige Feest van den Haas. In streng vegetarische kringen Beschouwt men dit eten als „aas”, Wij zijn niet als zij, en wij zingen Met geestdrift den lof van den haas. Wij zijn geen diep-droomende dichters, Die het leven bezien door een waas, We eten gewoonlijk wat lichters, Maar eens in het jaar is het: haas! Wat geeft er in tijden van smarte Weer levensmoed, steun en soelaas? Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,” Maar ’n deeglijke maaltijd van haas. Met vettige visch en pasteien, Met puddingen, taarten of vla’s — Laat andren zich daarmee vermeien, ’t Is ons hier te doen om den haas. Het beest van de wijde terreinen, Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas, Moet in onze magen verdwijnen — Dat is eenmaal ’t lot van den haas. Ja, met moeite bedwingen wij kreten Van vreugde, en luide hoera’s, Wanneer wij zoo zitten te eten Van Brinkmann’s voortreflijken haas. Dat ’t varken de mesthoop bewerke, Dat het rund vrij het weiland begraz’ Dat de kip zich met wurmen versterke — Wij, mannen, wij eten den haas! Wat het bijbelwoord is voor den Christen, Voor de vrouwen de bloem in de vaas, Dat is voor ons, epicuristen Zoo’n heerelijk ruggetje haas. Natuurlijk, wanneer we niets dronken, Dan waren we allemaal dwaas, Maar als er hier iets wordt gedronken, Dan is het ter eer van den haas. En niemand verlaagt of verkleint zich Door dollemanstaal of gedaas: De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zich Door den nobelen smaak van den haas. Men knoeit met de menschlijke namen, Bv. Françoise wordt „Zwaas!” Maar iedere man zou zich schamen, Om een haas niet te noemen, een haas. Hoe gaarne ik straks mijn Havanna Tot geurige wolken verblaas, ’k Verkies boven nevelen manna, En manna voor ons is — de haas! Men spreekt en men dicht en men schrijft steeds Van ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas, Maar ons vaderlandsch feestje, dat blijft steeds: Het jarelijksch Feest van den Haas! Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne, En Rotterdam ligt aan de Maas, Maar daar heeft men — ’k erken het, en gaarne, Toch nooit zulke feesten van haas. Zoo zitten wij hier weer als vrinden, Onder feestlijk geruisch en geraas; Wij weten elkander te vinden, En — ’t is niet alleen om den haas!
12. MENSCH, ERGER JE NIET!
Raad aan getrouwden, celibatairs, predikanten, middenstanders, scribenten, dilettanten, kunstminnaars, forensen en anderen.
Wanneer je kachel niet goed trekt, Wanneer je vulpenhouder lekt, Wanneer geen klok in huis goed loopt, Wanneer zich ’t stof op hoopen hoopt, Mensch, erger je niet. Wanneer je buurman je verveelt, Die als-maar dronkemans dreunen speelt, Als je de meid d’r vrijer snapt, Die stiekum je sigaren gapt, Mensch, erger je niet. Als de barbier je keept en snijdt, Je schoen te nauw is of te wijd, Wanneer je eksteroog je steekt, Op ’t laatst moment je veter breekt, Mensch, erger je niet. Wanneer ’t lawaai op straat je kwelt, De tram piept, loeit, onnoodig belt, De bakkersknecht den deksel kwakt, Je dischgenoot bij ’t eten smakt, Mensch, erger je niet. Wanneer men weg blijft uit je kerk, Geen mensch belang stelt in je werk, Word je verwaarloosd door je vriend, Of door den kellner slecht bediend, Mensch, erger je niet. Als ’t antwoord achterwege bleef, Wanneer j’ om spoedig antwoord schreef, Als iemand ter vergadering Een grofheid tegen je beging, Mensch, erger je niet. Wanneer je bij de veertig bent, En, bij je vriend’s engagement, Steeds ieder om je ooren zeurt, Zoo met zoo’n grijns: „Nou is ’t jou beurt!” Mensch, erger je niet. Wanneer een deftig man van stand Je groet — zoo even — nonchalant, Als vrouwlief, goed, maar welbespraakt, Je ooren aan het tuiten maakt, Mensch, erger je niet. Of, sukkel je aan slechte taal, Aan beelden, barstig of banaal, Aan bombast of mooidoenerij — En ben j’ er in de Groene „bij”, Mensch, erger je niet. Als, op de tea, ’t gesprek wat hokt, En jij, door ’t vleiend woord verlokt, Lang aangezocht, wat spelen gaat, En dat het sein is voor ’t gepraat, Mensch, erger je niet. En gij, beklagenswaardig mensch, Rampzalige! Amsterdamsch forens, Als ’s Maandags morgens in den trein De lui al humoristisch zijn, Mensch, erger je niet. Ja. Als de week weer voor je ligt, De „blijde dagtaak” en de plicht, Wanneer je kleine oogjes zet, En weer terug verlangt naar bed, Wanneer — het scheren ging wat gauw — Je kin nog pijnlijk is, en rauw, Je handen koud, je haren nat, Wanneer je dan je ochtendblad Heel hoog, krampachtig om je houdt, Om vrij te zijn van morgenkout...... Als dàn je buurman zaagt, en zaagt, Je niet met rust laat, en je vraagt, Van „heb je die nog niet gehoord?” En onverstoorbaar, onverstoord, De „nieuwsten” van de Beurs vertelt, Je dwingt te luistren, met geweld, Totdat je niet meer grijnzen kan, Maar zucht — en zucht — zelfs dan, zelfs dàn... Mensch, erger je niet!
13. OWEEERSWEE OF HET EET-EXAMEN.
In de groote restaurants van Amsterdam en Rotterdam worden tegenwoordig eetlessen gegeven onder leiding van een bekwaam oberkellner, die mede aanzit.
De afgewezen candidaat spreekt:
I. Gij staart er in vrees en in beven, Kaptein van het Engelsche schip, Gij rilt voor uw vracht en uw leven, Ontzet, en met trillende lip, Bij ’t zien van den Duitsch’ onderzeeër, Die zich al verheugt in de vangst...... Ik, laag-auto-nummer-oweeër, Ik ken nog een heviger angst. Ik weet het nu, wat het beteekent, Het lijden en wee van den schrik! Mijn kracht is er niet op berekend, d’ Emotie is sterker dan ik. Ik zal dan maar alles verhalen, In dit mijn weemoedig gedicht, Het moge mijn zenuwen stalen, Misschien dat de biecht mij verlicht. II. Ik volgde geregeld de lessen, In „Etica” — heette het vak — Van vijven tot kwart over zessen, Gekleed in mijn Zondagsche pak. Ik oefende lichaam en geest er, Ik heb er met vlijt gestudeerd, Ik ging goed vooruit, zei de meester, Ik heb er een massa geleerd. U kunt me gerust al eens vragen, Verlegen dat ben ik niet meer, Ik zal me heel netjes gedragen, Precies als een echte meneer. Neen, heusch, als ik nu eens bij ú kom, Dan slurp ik niet, smak niet, noch snork, Ik doop niet mijn duim in de sju-kom, Ik kam niet mijn snor met mijn vork. U kunt er gerust op vertrouwen, Dat ’k niet met een volle mond praat, Ik houd ’m potdicht bij het kauwen, Je hoeft niet te zien hoe het gaat. ’k Zit niet in mijn ooren te poken, ’k Zorg, dat ik bij ’t schenken niet stort, ’k Hang niet in mekander gedoken, Mijn elleboog haaksch voor mijn bord. ’k Onthoud mij van schreeuwen en kwebben, Ik maak geen onnoodig kabaal, En wil ik een aardappel hebben, Dan prik ik ’m niet uit de schaal. De taal geeft geen moeilijkheden: Je spreekt maar precies als je schrijft: ’k Zeg niet meer „motór” en „omreden,” Of „nee, dame, dank u belijfd.” Mijn haast maakt me niet aan het hikken, Ik spoel niet mijn mond met mijn drank, Ik schokschouder niet bij het slikken, Mijn tanden zijn min of meer blank. Mijn jas — geen confectie! — zit netjes, Mijn broek is volmaakt in de vouw, Mijn front vrij van kreukjes of spetjes, Mijn nagels zijn niet in de rouw. Mijn boordje — niets netters of reiners Zag j’ ooit aan den hals van een heer, Voor doperwten of capucijners Gebruik ik mijn lepel niet meer. Ik weet nu al weg met mijn handen, Als was ’k een dineur van beroep, Ik peuter niet tusschen mijn tanden, Ik slobber niet meer met mijn soep. ’k Begin niet met alles te snijden, Ik neem niet zooveel als ik kan, Ik houd de gerechten gescheiden, Ik maak er geen papje meer van. De sperges, die ’k uit heb gezogen, Die gooi ik niet meer op den grond, ’k Wijs niet met mijn mes naar mijn oogen En ’k steek het niet meer in mijn mond. ’k Omklem het ook niet meer krampachtig, Als iemand, die zint op een moord; Zelfs douw ’k mijn servet — ’t is waarachtig! — Niet meer met de punt in mijn boord. Ik zorg dat me wangen niet blinken Bij ’t kluiven aan vettige kip; Besmeur ik me snor bij het drinken, Dan zuig ’k ’m niet droog met me lip. ’k Maak da’ ’k met de menschen geen mot krijg, Ik kijk bij geen schotel verbaasd, En als ’k bij de kippen kompot krijg, Dan leg ’k het op ’t bordje daarnaast. ’k Zit niet met mijn beenen te trillen, Ik kneed niet mijn broodje tot deeg, De druiv’ eet ik niet met de schillen, Mijn vingerkom drink ik niet leeg. „Wat denkt u nu van mijn examen?” Zoo heb ik mijn meester gevraagd, „Ik kan je niet verder bekwamen,” Wat ’t antwoord. „’t Staat vast dat je slaagt.” „Dus hebt u nu niets meer vergeten, En loop ik geen risico meer?” — — „Neen. Iedereen, die je ziet eten, Die houdt je beslist voor een heer.” — III. Ik ga. Bij de eerste gerechten, Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft, Win ik met gemak de gevechten Met oesters, met boutjes en kreeft. Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding! Gelukkig één schotel nog maar; ’k Zie in mijn verhitte verbeelding ’t Diploma — cum laude! — al klaar. Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster, Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord! Mijn harte dat klopt er en bonst er...... Mijn polsslag wordt koortsig en kort...... Ik zit op ’t mysterie te staren...... Een klein plasje saus ligt er naast...... En hemelwaarts stijgen mijn haren, Mijn blik is verstard en verglaasd...... Ik kan haast geen adem meer krijgen...... Met moeite weerhoud ik een kreet...... Ik zit als een karhond te hijgen...... Mijn voorhoofd staat blank van het zweet...... De kellner, een man van het vak dus, Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt, Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus, Die eet je met peper en zout!” Een onheilverkondend gefluister...... d’ Examencommissie pleegt raad...... Mijn examinator kijkt duister, En boekdeelen spreekt zijn gelaat...... — — — — — — — — — Van oesters ben ’k niet meer geschrokken, Ik toonde me ’n held in gehakt, Maar op die vervloekt’ artisjokken Ben ik, diep-rampzalige, gezakt!
14. DE OWEEËRS KRIJGEN LES.
Monoloog.
„Heer van goeden huize biedt zich aan tot het geven van onderricht in goede manieren en beschaafde uitdrukkingen.” —Adv. Hbl.
Personen: Driekus Bokkum, Oweeër.
Bet Bokkum-Augurk, zijne echtgenoote.
Jhr. van Hoogenhuijze tot Lagerwal, leeraar.
(Kamer. Links haard, waarvoor tafeltje met theegoed, en stoelen. Deur links voor. Kamerschut in hoek rechts achter. De leeraar neemt achtereenvolgens een schaal met taartjes en trommeltje met koekjes, en een luxedoos met bonbons uit een kast rechts, en zegt onder ’t loopen:)
Ik krijg straks oweeërs hier, dames en heeren; Die komen bij mij om manieren te leeren. (Zet neer) Ziezoo. Hier de koekjes — de taartschotel daar. (Schuift fauteuil naar haard) Hier deze fauteuil is voor hem; die voor haar. En deze bonbons (bekijkt ze goed)...... dat’s zulk moeilijk eten, Dat ’t stelletje daar wel geen raad mee zal weten! Enfin, das juist goed: dan heb ik wat te doen. Ja (bedenkelijk knikkend) doornig en steil is het pad naar ’t fatsoen!
(Kijkt nog even of alles in orde is, en zegt dan, nadenkend, hand aan kin:)
Maar...... ze zijn zoo verlegen, natuurlijk, als kindren...... Dus al dat publiek daar...... dat zal ze wel hindren...... (Voetstappen buiten) O, wacht... ik geloof, dat ik daar al iets hoor! (Vlug) ik weet wat: ik zet er dat kamerschut voor!
(Zet vlug ’t schut zoo, dat hij alléén zichtbaar blijft, en spreekt verder staande, profiel; loopt eerst naar de deur:)
„Dag mevrouw, dag meneer! Welkom hier. Komt u binnen. — Nee, nee, mevrouw eerst — nog maar even beginnen. — Uw hoed af, meneer! — Nee, houdt u ’m maar op. — Kalm loopen, en niet in zoo’n woesten galop. — Wàt zie ik? Een eindje sigaar? Nee, dat gaat niet; Kom, kom, dat u dat uit uzelf niet op straat liet! Gooi ’t nu maar zoo ongemerkt weg in den haard. — Gaat zitten. Hier knus in het hoekje geschaard. — Me lieve mevrouwtje! Kom, wees u nou wijzer: Dat voetje terug! Nee, nee — niet aan dat ijzer! Waarom dat niet buit’ aan de schrapper geschrapt? Maar kijk liever uit, dat u nergens in trapt! — Nee, nee, meneer, laat u z’ in godsnaam maar loopen, Hier niet — u kunt’ straks wat insektpoeder koopen. Men zegt „transpireeren,” mevrouw — als men ’t zegt! Want voor een gesprek leent zich ’t onderwerp slecht. — Glimlachen, mevrouw! Desnoods lachen — nóóit proesten! — Meneer!!!...... Dàn tenminste gelijk even hoesten! Neen, dat is een aschbakje — geen kwispeldoor, — Nee, mevrouw, daar gebruikt men zijn vingers niet voor, Nee, zelfs niet met ’t lepeltje...... al lijkt het u vitten, De suiker-rest moet u d’r in laten zitten. — ’t Is heet, maar ’k wou dat u dat blazen wat liet. — Mevrouw, drink uit ’t kopje — uit ’t schoteltje niet. Meneer, wees zoo goed, niet aan alles te ruiken. — Och mevrouw, wil u even uw zakdoek gebruiken? U leert vlug, meneer: ’k zag, u deed het daar gauw, Maar denk in ’t vervolg d’r om: niet met uw mouw. — ’t Is waar, ’t is wat warm; ik zag ’t aan uw gezicht; Maar m’n beste mevrouw, uw japon moet weer dicht. — Eén stoel per persoon, meneer; weg met die beenen! — Ja zeker, mevrouw, u draagt prachtige steenen, En paarlen, robijnen — ja, allemaal echt, Maar had u er nou niet de prijs van gezegd! Pardon, waarde heer, heusch, hier wil toch niets groeien, U hoeft, als u niest, niet den grond te besproeien. — Mevrouw, hand ervoor; ’t best is, dat u ’t vermijdt; En zeker ’n duim of drie vier minder wijd! — Recht op, beiden! ’k Dacht dat u zóó wou gaan duiken! — Tabak, meneer, enkel voor rooken gebruiken! Heel lekker, misschien, maar hij moet uit uw mond. Maar afleeren, hoor! Nee, nu niet op den grond! Wel zonde, hè? ’t Was net zoo’n lekkere, versche — Nee, mevrouw, nee! zóó neemt m’ uit ’n ben ’n hand kerse’, Maar koekjes die neemt men maar één-tegelijk, En houd wat u beet hebt, zoo in uw bereik. — Die roomtaartjes schijnen u wel te bekoren, Maar niet met die room zoo tot over uw ooren! Voorzichtig zoo’n hap! Niet te gauw! Niet te gauw! Uw vingers afvegen — niet likken, mevrouw! — Die melkkan, hoe vreemd het u ook moge klinken, Dient om uit te schenken — niet om uit te drinken. — Niet hier doen, uw nagels! — Uw mond is te vol! — Hu! Meneer, hebt u wel eens gehoord van Odol?! — Fruits glacés, mevrouw, ja. Maar u doet me weer schrikken, Met ’t vorkje, hoor, niet met uw haarspeld uitprikken! — Och meneer, asjeblieft, laat die beeldjes zoo staan! — En al steekt u uw likdoorn — uw schoen moet weer aan! — Dat woord kunt u werkelijk niet zeggen, dat voelt u; „Dat is flauwe nonsens,” meneer, dat bedoelt u. — Ook dat niet, mevrouw, als men dàt zeggen kon, Dan liep het zoo vol niet bij Pygmalion. — Neen, ’k zal tot mijn spijt weer uw mond moeten stoppen, Mevrouwtje; u meent: „Manlief, laat je niet foppen!” — Ziezoo. Nu is ’t tijd. Ja, ja, zooals u ziet, Manieren die leer je zoo makkelijk niet! Nu thuis nog maar ijverig door repeteeren, Dan zult u het allebei schitterend leeren. En binnen ’n jaar zingt u luide mijn lof, Want dan wordt u t’ eten gevraagd aan het Hof!” (Gordijn)
15. LOFLIED OP DE VRIENDSCHAP.
Charivarius heeft bij zijn verblijf ten plattelande de overtuiging gekregen, dat er behoefte bestaat aan een Algemeen Vereenigingslied op de Vriendschap. De vereeniging die in de Uitspanning komt potverteren, neemt plaats aan de tafeltjes onder de boomen, en heft het clublied aan. Meestal is het slecht gerijmd, weinig vloeiend van klank en ondiep van gedachte. Ziehier een poging tot iets beters. Het lied is er op ingericht om voor alle soorten van vereenigingen te dienen.
Wijze: „Wien Neerlandsch bloed” — Tollens.
(Allen, opgewekt, maar niet uitgelaten)
Wij zitten blijde hier vereend, De Vriendschap bind ons saâm, Dien ’t Leven al zijn waarde leent, Gezegend zij zijn naam! Bij ’s levens Vreugd en ’s levens Pijn Houd onzen Eendracht stand, En wat er ook van d’ aard verdwijn’, Nooit onzen Vriendschapsband! (bis)
(Solo, een getrouwde Dame van huiselijken aanleg)
De moeder mint haar zuigeling, En doet haar eigen wascht, Zoo blijft ook onzen Vriendenkring Steeds proper en gepast. Wij eeren onze Koningin, Oranje, en Nederland, Wij zijn omstrengeld, één van zin, Door onze Vriendschapsband. (bis)
(Duo, een Dame en een Heer, niet zonder nationale trots)
Wel hebben wij ons Neerland lief, Ontwoekerd aan de zee, Met arbeid, zweet en ongerief, Van Texel tot Goeree, Maar veen en vaart en veld en vliet, En ’t Scheveningsche strand Zijn ons nog lang zoo dierbaar niet Als onzen Vriendschapsband! (bis)
(Solo, het jongste Lid, onbedorven, met zin voor natuurschoon)
De vogel vliegt in vrijheid rond, De visch hapt in den haak, En uit de reinen kindermond Hoort men de waarheid vaak. Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf ’t Grotesk Heelal omspant, Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf — Is onzen Vriendschapsband. (bis)
(Solo, een goedgezind, maar zuinig landmeisje)
Hij, die niet op mij tegen heeft, Die blijv’ niet achterbaks: De kip, die ’t ei gelegen heeft, Begroet zijn kuiken straks. Wanneer ik fijn verkeering krijg, Trakteer ik navenant, Als ’k ’t geld voor de vertering krijg Van onzen vriendschapsband. (bis)
(Solo, een militair, flink, maar hartelijk)
Het leger staat nog overend, En vreest niet voor den strijd: Ik draag den rok, gelijk bekend, Van Hare Majesteit; Al ben ik maar een korporaal, (Binnen kort misschien sergeant) Nog hooger dan een generaal Acht ik de Vriendschapsband! (bis)
(Solo, een jonge Dame met een warm hart)
Een mensch zijn leven is een kruis, Wanneer geen Liefde ’t kroont, Hetzij hij op een bovenhuis, Of in een villa woont. Maar zelfs al was ’k ’n barones, Gekleed in zijde en kant — Ik sprong beslist steeds in de bres Voor onze Vriendschapsband! (bis)
(Solo, een eenig Heer van ernstig karakter)
En als één onzer scheiden moet, De groene zoô hem wenkt, En elk, in ’t zwart en hoogen hoed, De ziltste tranen plengt, Ook dàn staan voor de laatste keer De vrienden hand aan hand, En zingen luide ’t lied ter eer Van onzen Vriendschapsband. (bis)
(Solo, de Redacteur van het plaatselijke blad)
Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid! Het gaat hier om de pret! Wij schakelen de tweedracht uit, De twist wordt stopgezet. Wat hier naar voren is gebracht, Komt morgen in de krant, Die sta in ’t teeken van de kracht Van onzen Vriendschapsband! (bis)
16. HET ANTWOORD VAN ’T MEISJE.
„HUWELIJK. Heer, 50 j. zoekt kennismaking met een net, eenvoudig meisje. Leeftijd 40 à 50 jaar.” Adv. N. v. d. D.
Geachte Heer, ik las daarnet uw advertentie: U zoekt een vrouw. ’k Meen dat ’k hier de vervulling van een dierbren wensch zie, Dus schrijf ’k maar gauw. Ik heet Giesbertha Klomp, maar och, zegt u maar Gijsje, Zoo familiaar. Me dunkt, ik ben net iets voor u: ik ben een meisje Van vijftig jaar. Hierbij gaat mijn portret — voor u alleen, mijn hartje, Inspres besteld! Bij Bosman in de Kalverstraat; drie voor een kwartje; Het is géén geld. Ik plak nu zelf van goudpapier een prachtig lijs’je, ’t Is bijna klaar; Dat stuur ’k u d’ andre week — voor ’t snoetje van uw meisje Van vijftig jaar. Ik weeg tweehonderd pond (ik heb me laten wegen) Schoon aan de haak. ’k Heb net gelukkig mijn gebit terug gekregen: ’t Was in de maak. ’k Heb beeldig blonde haren — met ’n enkel grijsje, Zoo hier en daar, Ze zeggen, dat dat snoezig staat zoo in een meisje Van vijftig jaar. ’k Ben weeuw. ’k Heb van m’n eerste man een flinke jongen. Daar woon ’k bij in. Hij ’s ook getrouwd. Er wordt den ganschen dag gezongen In ons gezin. Zijn vrouwtje speelt: U houdt toch van een vroolijk wijsje In huis, nietwaar? Ik neurie heel lief mee, al ben ik al een meisje Van vijftig jaar. De kindren zijn gezond en lief. Het zijn er zeven — Dat zeg ’k maar vast. Die brengen vroolijkheid in ons gezin, en leven, En heel geen last. Ja, Pietje krijgt van meester elken dag een prijsje, Dus — geen bezwaar! ’k Zou ’t ronduit zeggen, want ik ben een eerlijk meisje Van vijftig jaar. Wij hebb’ ’n zieken hond, met zoo’n gezellig luchtje Van oude kaas; Hij is heel waaksch, en bromt, of blaft bij ’t minst geruchtje; Dat wil de baas. Dan nog drie poesen, een kanarie en een sijsje, Lief met mekaar, En allemaal zóó gehecht aan uw aanstaande meisje Van vijftig jaar! ’k Ben net als u; ’k houd niets van zoo’n aanstell’rig juffie — Da’s niks voor mijn! Zoo’n lekkerbekkig poppetje, zoo’n groozig nuffie, Verwend en fijn, Die zanikt om een kipj’, een duifje, of patrijsje, Of caviaar — Da’s niks gedaan voor u. U zoekt een huislijk meisje Van vijftig jaar. Bij ons is ’t heel eenvoudig, maar toch altijd volop: Gestampte pot, Of stokvisch of zoo iets, daar zijn we allemaal dol op, Gebakken bot, Of spek, of bloemkool met wat worst of een saucijsje, Goed vet en gaar, Da’s mij genoeg — ik ben toch zoo’n eenvoudig meisje Van vijftig jaar! Een pasgestorven nicht vermaakte mij haar spullen: Een overvloed! Zoodat ’k mijn heele linnenkast heb kunnen vullen Met ondergoed. We maken in het binnenland ons huwlijksreisje; Het is wel naar, Maar ’t buitenland is nu niet veilig voor een meisje Van vijftig jaar. We kijken ’s uit na ’n prijsvermindering of daling, Nietwaar, Mijnheer? Of koopen nog wat meubeltjes op afbetaling, Da doe ’k wel meer. Zoo maakt gij onze woning tot een klein paleisje, Gij, toovenaar! En...... koningin in dat paleis — dat wordt uw meisje Van vijftig jaar! Zóó wordt dan werklijkheid wat ’k schier onmooglijk waande, Door Gods genâ! ’k Verzoek u dus beleefd: antwoord per ommegaande, En antwoord...... JA!! Zóó wordt tot ingang van een wereldsch paradijsje Het bruidsaltaar, Waar gij uw hart en hand schenkt aan uw smachtend meisje Van vijftig jaar!
17. WAAR WERD OPREGHTER TROU......
„Wed. met groote zaak, niet in staat deze alleen te besturen, zoekt in kennis te komen met flink persoon, 40-50 jaar, liefst vakkundig in Glas- en Aardewerk, om na goedvinden te huwen. Brieven met portret, enz.” — Adv. N. v. d. D.
De weduwe ontving een brief-met-portret, die haar aanstond, dacht aan Vondel’s rei:
Waar werd opreghter trou Dan tusschen man en vrou Ter weereld oyt gevonden? Twee sielen, gloend aan een gesmeed Of vast geschakelt en verbonden In lief en leed. Zoo sterck verbind de band Van ’t paer, door hand aan hand Verknocht, om niet te scheyden, Na datse jaeren lang gepaert Een kuysch en vreedsaem leven leyden, Gelijck van aerd. Daar zoo de liefde viel, Smolt liefde siel met siel, En hart met hart te gader. De liefde is stercker dan de dood, Geen liefde koomt Gods liefde nader, Noch is zoo groot. Geen water bluscht dit vuur, Het edelst, dat natuur Ter weereld heeft ontsteecken. Dit is het krachtighste ciment, Dat harten bind, als muuren breecken Tot puyn in ’t end. Door dese liefde treurt De tortelduyf, gescheurt Van haer beminden tortel. Sij jammert op de dorre ranck Van eenen boom, verdrooght van wortel, Haer leven langk......
greep naar de pen, en antwoordde in ontroering:
Waar zou opreghter trou Dan tusschen mijn en jou Op aerd gevonden worden? Twee sielen, vastgelymt, geperst, Als goed gerepareerde borden: Je siet geen berst. Zoo sterck verbind de band Van ’t paer, dat door de krant Elckander heeft gevonden. Na datse jaeren lang gespaert, Bezuinigt hadden, waer ze konden, Gelijck van aerd. Ick doe — ick ben niet sterck — In Glas en Aerdewerck. Ay! streef met mij te gader! Mijn liefde, stercker dan de dood, Maakt jou misschien nog eens tot vader! De kans is groot. Geen water bluscht dit vuur, Het edelst, dat natuur Ter weereld heeft ontsteecken. En als j’ ook goed vakkundig bent, Dan blijf ’k je trou, als glazen breecken Tot gruys in ’t end. Door dese liefde treurt De tortelduyf, gescheurt Van haer beminden tortel. Maar wij beminnen, wang aan wang Te midden van schael, glas en bord el- kaer — levenslang......
18. EXAMEN-RIJM.
Opgedragen aan de H. B. S.-ers.
Eindexamen, eindexamen, O, verschrikkelijke tijd! Tijd van feiten, cijfers, namen. Wanneer raken we je kwijt? ’k Wijd dit vers aan ied’ren jongen, (Meisje) van de H. B. S., Volgepropt en volgedrongen, Als een groote inmaakflesch. In een stuk of twintig vakken Is zoo’n knaap geweldig knap, Diep doorkneed, en bruin gebakken, Krakend van de wetenschap. Dapper weet hij door te draven, Met de wijsheid uit zijn boek, Over homogene staven, Bolsegment en hellingshoek. Stikstofoxydule ken-d-ie, Barytwater, carbonaat, Millimol, status nascendi, Kaliumpermanganaat. Onze jonge Muzenzoon is Thuis in goniometrie, En hij zegt, of ’t heel gewoon is: Sin. α tan. π. Zonder aarz’len schrijft hij neder Met een glans op zijn gelaat, D’ inhoud van een octaeder: √10 π r². Ook zijn hem kathodestralen Brekingsindex, welbekend, Kryophoren, transversalen, Uitzettingscoëfficient. Hij berekent je de manen, Volle, halve — door mekaar, En hij teekent je de banen Der kometen kant en klaar. Bollen, knollen en cyclamen, Hij beschrijft ze, blij te môe, En hij kent Latijnsche namen Voor kanarie, kip en koe. Zelfbestuur en abolitie, Toetsingsrecht en vormverzuim, Comptabiliteit, justitie, Kent hij keurig op zijn duim. Communisme, Socialisme, Waardeleer, muntpariteit, Teekengeld, bimetalisme — ’t Is voor hem een kleinigheid. Heel d’ onmeetlijke historie Kent de knappert uit z’n kop, Nooit begeeft hem zijn memorie, Dertien Dirken dreunt hij op. Schratten, klammen, leemt en lava, Hij verklaart ze je precies, En hij weet van ’t eiland Java Iederen berg en al de tji’s. Met een zeekre nonchalance Spreekt hij over cheques, coupons, Conto, meta, koers, usance, Tarra, traites en talons. Veler talen letterkunde Draait hij af, en praat hij na, En het smaakt als een verdunde, Slappe waterchocola. Afgeknotte pyramides Teekent hij in stippellijn, Schaduw-schetsen maakt hij, die dus Artistiek en „stijlvol” zijn. Al zijn wijsheid lucht hij zóó maar, Zelden zegt hij iets verkeerd, Maar wat logisch denken — ho maar! Want dàt heeft hij afgeleerd.
19. AUTO-RIJM.
Wat Charivarius tot het bezigen van ruwe taal brengt.
Ik ben geen man van zaken, Ik ben geen man van geld, ’k Ben kalm in mijn vermaken, En op mijn rust gesteld. Ik houd er van te dwalen Langs heuvelen en dalen, Wanneer de laatste stralen Belichten bosch en veld. Ik heb, dat spreekt, geen auto — ’k Verlang niet eens zoo iets; Ja, was ik rijk getrouwd, o Dan kreeg ’k zoo’n ding voor niets. Nu is ’t mijn lot te loopen, En hoogstens mag ik hopen Nog eens te kunnen koopen En tweedehandsche fiets. Ik min het lieflijk kweelen, In ’t stille avond-uur, Der zoete filomeelen, Bij ’t zwijgen der natuur. En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn, Kan mij wel niet bekoren, Maar wekt toch niet mijn toorn — Dat went wel op den duur. Maar dat valsch-gierend gillen, Zoo plots — nu schor, dan schel, Waarvan je staat te rillen, Je huid in kippenvel, Dat krijschend jammerjanken, In d’ infernaalste klanken, Dat ’s erger dan de stank en Dat haat ik als de hel. En als het monster krijtend, Met krassend huil-geblaat, De trommelvliezen splijtend, Aan ’t snaatrend schetteren slaat, En ’t schril gekners verscherpend, En snorkend, snijdend, snerpend, En braakgeluid uitwerpend, Mij vult met blinde haat, Dan — ’t ware zeker wenschlijk, Dat ik me nooit vergat, Maar ik ben ook maar menschlijk, Wie is er meer dan dat? — Dan wordt het me waarachtig Soms wel wat al te machtig, Dan komt er, kort en krachtig...... Enfin, je weet wel wat.
20. GEMAKKELIJKE BIJVERDIENSTE.
Nu flitse ’t vuur mij uit de pen, En vlamme fel in ’t duister! ’k Bezweer je, dat ik giftig ben, Dus hou je vast, en luister. — U treft de banvloek van mijn vaers, — Jood, atheïst of Christen! — U, vloekbaar ras van moordenaars, U, automobilisten! — Dat rijdt en rent en race’t en raast, Als ten Walpurgisfeeste; Die dwazen hebben altijd haast, Wie ’t minst te doen heeft, ’t meeste! Zij letten op geen zonneschijn, Of ’t groen van beemd en dreven, Om ’t gauwst in ’t volgend dorp te zijn, Dat is hun eenig streven. — De stille burger, wandlend, kalm, Langs ’t veld, waar d’aren golven, Wordt plots bedwelmd door weeën walm, En onder stof bedolven. — Vrij zijn zij in hun dol bedrijf, Dat spot met alle regels; Weg, wandlaar! Berg u ’t veege lijf Voor tierend’ auto-vlegels! — Wat deert hun ’t lot van d’evenmensch? Wat duizend’ ongelukken? Hard, hard! te gaan, dat is hun wensch, Waar ’t menschdom voor moet bukken. Geen enkle tak van arbeid bloeit In nuttigere zaken; Ons kapitaal wordt stom verknoeid Om tuf-spul van te maken. De wegen-toestand wordt barbaarsch, O, bende booze geesten! De weg is voor de wandelaars, En niet voor wilde beesten! — Neen, strenge rechter, ’k vrees u niet, Gevangenis, ik tart je...... En elk, die op een auto schiet, Die krijgt van mij een kwartje!
21. HET EENE MERKWAARDIGE.
Ik merk tegenwoordig — ik weet niet hoe ’t komt — Dat ik m’ over haast niets meer verwonder; Ik denk dat mijn voelhorens af zijn gestompt, Ik vind bijna niets meer bijzonder. Inventies, bijvoorbeeld, op ieder gebied, Die elkaar met een vaartje verdringen, Ik lees er wel van, maar ze boeien me niet, En ik kan er geen geeuw bij bedwingen. Het achturenarbeidsdagswetsphenomeen — Zelfs dàt kan mijn aandacht niet trekken, Geen interpellatie, geen voorstel — niet één Vermag m’ uit mijn stupor te wekken. Ik kijk van geen stuk zonder stijlfouten op, Of zonder gemeenplaats, dat is me Geen oorzaak van schrik; noch een geestige mop, Of een brief zonder één germanisme. Een eenvoudig geschreven verhaal in een boek, Een liefdedicht zonder verdwazing, Een leesbaar verslag van een vorstenbezoek, Vervult me niet meer met verbazing. Geen Duitsche onthullingen schokken me meer...... Van Erzberger...... of zijn trawanten...... Prins Max...... of hoe heeten die kerels ook weer...... Ik k.k.knikkebol...... over....... m’n kranten. Het sensationeele dat trekt mij niet aan Van een tocht naar het front van den Yser; Ik gaap als ik lees dat er weer een wil gaan Als „zitredacteur” voor den keizer. De vliegersverhalen, hóé vreemd, hóé geducht, Ik wil ze graag all’maal gelooven, Maar hoor ik het motorgeronk in de lucht, Dan kijk ik niet eens meer naar boven. Neen, ’k weet maar één wonder. Dat wonder is dit: — Daar zou zelfs mijn sloomheid voor wijken — Een auto, waar ’n heer of ’n dame in zit, Ik zweer je, dáár kom ’k ’s naar kijken!
22. IDYLLE.
Van ’t einde van de lindelaan, In ’t landelijk gehuchtje, Daar kwam een rustige auto aan, Haast zonder suis of zuchtje. De wagen gleed met kalme vaart; Ze waren met z’n beiden; Hij stuurde, stevig en bedaard, En toeterde bescheiden. Ze keken telkens om zich heen, Ik zag hen de oogen richten In stille extase, naar het scheen, Op fraaye vergezichten. Ik schrijf dit „fraaye” met y, Want, schoon ’t tooneel modern was, ’t Scheen of ’t geval, al klinkt het gek, Klassiek haast in de kern was. Een handig zwenken en een draai, Met licht geknor — heel even — Deed de karos met zachten zwaai Naar ’t zomerzitje zweven. Hij nam een biertje, of een kwast, Zij, na wat overleggen, Koffie, of zoo — of thee — wat was ’t? ’k Zou ’t niet meer kunnen zeggen. Zij had geen Amsjterdamsch aksjint, Hij sprak niet als een schorum; Zij was gekleed in lichte tint, Vol fleur, maar met decorum. Zij — geen juweel aan hals of haar, Een bijna ringloos handje, En hij — geen buik, en geen sigaar, Geen dure, met zoo’n bandje. Zij — lief van lach, en zoet van vooys, Hij — rustig en bezonken, Ze spraken blij van al het moois, Dat ’t tochtje hun had geschonken. Er werd niet over geld gepraat, Of over dure spullen; De pracht van pleintje en kerk en straat, Die scheen hen te vervullen. ’t Is of ’k dat sympathieke paar Nog op dien stillen brink zie, Zoo rustig koutend met mekaar, Een toonbeeld van distinctie. ’k Dacht: „Geen oweeërs deze keer!” — Een zucht van vreugde slaakte ik — „En echte dame en een heer, Goddank!” — en toen ontwaakte ik.
23. LENTELIED.
Lieve lente, kom ons troosten! Smachtend zien wij naar u uit; Zie, het daghet in den Oosten: Nieuwe lente, nieuw geluid. (Dit is uit de Mei van Gorter, ’k Heb dien term al meer gehoord; Maar wat zegt het mooier, korter Dan dit afgezaagde woord?) ’k Loop al iedren dag te droomen, Hoe ik weer genieten zal, Van de wegen en de boomen, Vliet en weiland, duin en dal! De Riviera gaat vervelen, Met die dooie, blauwe zee; Mij ku’ j’ ’t heele zaakje stelen, ’k Doe niet aan den lofzang mee. Schmink en reukwerkwinkelwalmen — Vrouwen van verdacht allooi — Harde kleuren — namaak-palmen — Prentbriefkaart-oweeërs mooi! Ik verkies mijn lage landje Met zijn tinten, teer en zacht — Als j’ er indenkt, watertand je Van de vreugde, die je wacht! Lente, kom! Ik wil naar buiten, Waar ik stille Schoonheid vind, Waar de knoppen zich ontsluiten, Trots de frissche voorjaarswind. Lieve lente, lach mij tegen, Ik wil van de stad vandaan! Ik wil dwalen langs de wegen, Door de dorpen wil ik gaan. Weg is weer de winterkilte, Straten-herrie, achter mij! Op, naar buiten! Naar de stilte, Zoete rust en mijmerij! Wee! Daar grijnst me ’n schrikbeeld tegen: — ’k Voel een schok, terwijl ik ’t zeg — ’t Stof-stank-brul-beest-van-de-wegen...... Lieve lente, blijf maar weg.
24. OP DE AUTO-TENTOONSTELLING.
Ik min u, mooi modern gewrocht, O, speciosum genus! (Dit is geen drukfout voor „gedrocht,” ’t Is deze keer eens meenus.) Gij, met uw giganteske kracht, Verborgen in uw bogen, Tot staal verstarde wondermacht Van ’s menschen denkvermogen! Ja, in dit weidsch emporium Geschiedt een groot gebeuren: Er klinkt een oratorium Van vormen en van kleuren. Hier staat de schouwer stil verrukt, Die zich een blik mag gunnen Op dit ontzachelijk produkt Van kennen en van kunnen. Ik wandel monter langs de stands, ’k Weet ieder merk te vinden; Ik maak een praatje, en shake hands Met kennissen en vrinden. Een beetje Amsterdamsch patois, Dat kan me niet veel schelen; Het klinkt niet liefelijk, maar — soit! Hier kan ’k het heel goed velen. Zeg, heb je die Renault gezien? En daar, die Studebaker? Die Oakland, Freia, Earl en Bean? Die Cadillac toch zeker? Het is een heele serie — O, Te veel om op te sommen! Minerva, Buick en Blériot Staan daar in dichte drommen. Het lijkt hier wel een toovertent, Een wellust voor den kijker, Zoo’n Lancia, zoo’n Overland, Zoo’n Ludi en zoo’n Spijker! De fietsen zal ’k maar overslaan, Hoewel ’k er óók een boel zie, Maar kijk me daar die Daimler staan! Die Hotchkiss, en die Wolseley![4] O, weeldrig wonder der techniek, Voor nut en vreugde beiden! Gij toont in grootsche symboliek Hoe zich Natuur laat leiden. De gansche toekomst kent men niet, Die nog de motorcar beidt! Zoo peinst, wie deze telgen ziet Van Kapitaal en Arbeid. Heb dan mijn hulde, lof en dank, Automobiel! — ik min u! Zoo zonder leven, stof en stank, En geen plebejers in u......
(Met mijn verontschuldiging aan de nette menschen, die ook wel eens in een auto zitten.)
25. VOETBAL-HYMNE.
O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult, Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden, In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt, Dat menschen beesten maakt, en zienden blinden — Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult, Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult, Als daar een horde woestaards en ontzinden In ’t schunnig schop-werk vuile vreugde vinden...... Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt, De pees zich opbolt als een boos gezwel, Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt...... Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel, Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld...... Voort! vuige voetbalbende — vaar ter hel!
26. HET EENE NOODIGE.
Mijn jonge, slanke, blonde knaap, vol jeugdige idealen, Ga nu in ’t heerlijk lenteweer langs veld en wegen dwalen, En droom, gij dichter, die gij zijt, en schrijf uw poëzie, Laat zich ontplooien uw talent, uw zin voor harmonie, Bezing der nachtegalen slag, ’t gezang der leeuwerikken! — Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken! Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die u kunt verheffen Op vleugelen van de muziek, gij, die ons weet te treffen, Te roeren door uw zachte kunst, aangrijpend door de macht Van uw gezang, uw snarenspel, met onweerstaanb’re kracht, Zoolang het tijd is, speel of zing om ’t harte te verkwikken! — Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken! Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die tooneel kunt spelen, Ontwikkel deze gave Gods, begunstigd boven velen. Gij voelt de vreugde van het spel, van ’t spel en van het woord. Wanneer de zaal u gade slaat, en naar uw klanken hoort, Wanneer ge nu eens zacht ontroert, en dan weer fel doet schrikken — Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken! Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw vader is verslagen Omdat gij nimmer werken wilt, en hij van dag tot dagen U aanspoort, vraagt, bedreigt, bezweert te werken, zooals hij, Om eens uw plaats u te verov’ren in de maatschappij, Doe wat hij zegt, en leer u naar zijn redelijk’ eischen schikken! Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken! Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw moeder ligt te sterven, Moet zij de laatste dagen droef uw zonnig aanschijn derven? Ga, troost de kranke, koel haar ’t hoofd, dat van den koortsgloed brandt, Zit aan haar sponde, spreek haar toe, streel haar de rimp’le hand, Vertroost de stervende, verlicht haar laatste oogenblikken...... Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!
27. LOF DER ZOTHEID. I.
Gerijmd na de Amsterdamsche uiting van biljartrazernij.
O, menschen, wordt wijs! Komt tot inkeer! Houdt op! Bezint u! Niet verder, gij dwazen! Staat de wereld dan nog niet genoeg op z’n kop? Laat af van je tieren en razen! De Kunst telt maar weinig, de Wetenschap niets, Die kost is te zwaar voor de magen, De held van den dag is de ploert op de fiets — Lees de motorfietswedstrijd-verslagen! De god dezer eeuw is de schop-maniak, Van den nimbus der grootheid omgeven, Maar iedere schouwburg-affaire staat zwak, En rekt met een staatsfooi het leven. De hero des volks is de bloedneusproleet, Hoe zoo’n bruut van de Glorie omstraald wordt! Daar wordt een fortuin aan zoo’n beestmensch besteed, Maar vraagt niet, hoe een schrijver betaald wordt! De schrijver, de schilder, de vorst van den Geest, Zij, die scheppen, voor vele geslachten, Het spook van ’t Gebrek houdt hen stadig bevreesd, En vervolgt hen in slaaplooze nachten. De bladen besteden een regel aan Kunst, Maar aan sport-gelal vele kolommen, Want anders verliest d’ onderneming de gunst Van de sport-overdrijvende stommen. Een kroegvlerk, die handig biljart heeft geleerd, Wordt bejuicht en bebruld door die gekken, Verheerlijkt, bekranst, als een koning vereerd, En het schuim staat het vee op d’r bekken! Ziehier nog een voorwerp voor ’t vaderlandsch vuur, Waar de vlammen der geestdrift in flikkeren, ’k Voorspel je, we krijgen hem nog op den duur; De Wereldkampioen in het Knikkeren! Krankzinnige huldigers-horde, houdt op! Juichers, kransers, fanfare-malloten! Al krijg ’k van die knokkers misschien op mijn kop, Ik verklaar je voor ras-idioten!
28. LOF DER ZOTHEID. II.
De Revue der Sporten bevat een sportief gesteld artikel van „Bob” over mijn Rijm „Lof der Zotheid, I”, waarin Bob toont het niet in alle opzichten met mij eens te zijn. Belangrijk is alleen wat hij van Querido aanhaalt: „Natuurlijk zullen nathalzige of koelecynische spotters, op hun duim kluivend, wat zure scherts verbrassen, als ze lezen, dat biljartspel lyrische aandoeningen kan suggereeren.”
Voorheen Mijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind, De roos in de gaarde mijns levens, Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind, Is zacht en gewillig, vergevensgezind, En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt, Z’ is tamelijk degelijk tevens. Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar, Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken; Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar, En eenige tandjes, niet meer dan een paar, Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar! Dat kan slechts haar schoonheid versterken. Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt? Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter, Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt — Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt, Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt, Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter! Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan, Ik heb al van alles verzonnen, Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van, En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?” Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man, Slechts aan smullen en mooie japonnen. Thans Thans is ze gekeerd als een blad van een boom. ’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch. Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom, Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom, Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom, „Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!” Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan, Dat zij zingt van haar vreugden en smarten Met kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan? Van waar deze ommekeer in haar bestaan...? Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan: Ik heb Anneke leeren biljarten.
29. DE BLOEDNEUSPROLEET.
Onder dezen ironisch bedoelden titel citeert de N. R. C. Couperus, die in de H. P. een liefelijk beeld gaf van den bokser. Het citaat is een verwijt tot mij gericht: „Ik ben gewonnen. Het was ongeloofelijk. Het was heel bijzonder. Het was een fenomeen. Daar komt aan een fijne, gedistingeerde, jonge, blonde man, haar weggekamd naar achteren als de mode is. Hij draagt een grijs zijden kimono. Hij rilt in die kimono een beetje als een bedorven kind, en bromt: „Brrr! Brrrr! Froid! J’ai froid! Qu’il fait froid à Alger!” Dan slaat hij zijn kimono af en staat als een slank jong mensch van goede familie, die wel eens een beetje aan sport doet. Een aardige, fijne kop met telkens ontluikend lachje om witte tanden. De schouders wel vierkant en sterk maar geen zichtbare spier aan die fijne armen. Slanke beenen en enkels waar om een vrouwenarmband zou kunnen sluiten. En hij draagt een kleurig tricot en het driekleurig nationale kampioenslint om zijn middel. Even een boudeerend gezichtje over dat openluchtsche, koude stadion, enz.”
Ik ben door de N. R. C. bekeerd. Ik heb nu een andere voorstelling van het boksen gekregen, en kan me niet weerhouden het type bokser aldus te bezingen:
(Wijze: „Klein, klein kleutertje, Wat doe je in mijn hof?”)
Beeldig boksertje, En heb je ’t dan zoo koud? Het is toch ook voor jou geen weer! Je bent zoo tenger en zoo teer, En zoo fragiel gebouwd. Snoezig boksertje, Wat zijn je armpjes fijn! Wat zijn je bloote beentjes slank, Je lokjes blond, je tandjes blank, Wat zijn je voetjes klein! Schattig boksertje, Mijn oogen vieren feest! Want je kimono is van zij, Je tricot kleurt er prachtig bij, En ’t lintje om je leest. Boutig boksertje, Wel word ik zwaar bezocht! Ach, dat de zede ’t niet verbood, En ’k van je lipjes rozenrood Een zoentje stelen mocht! Poetig boksertje, Waarom boudeer je nou? Stil maar. Ik heb wat meegebracht, Kijk hier: pralines, zalig zacht; Mondj’ open! Da’s voor jou! Zielig boksertje, Ik ril terwijl ik rijm, Want als je strakjes heel misschien Een enkel drupje bloed mocht zien, Dan val je vast in zwijm! Doddig boksertje, Mijn loflied loopt ten eind. Ziehier den zondaar dan bekeerd, Het boksen — ’k heb het nu geleerd — Verweeklijkt, en verfijnt. Honnig boksertje, Reik mij je poez’le hand; Ik heb je onrecht aangedaan, En mijn bekeering dank ik aan...... De Rotterdammer krant!
30. RECLAME-RIJM.
„Toen zong ik slechts uit lust; nu dwingt het lot daartoe; Want nood is bitter kruid: in noodtijd bulkt de koe.” — H. Poot Czn.
„Een Ruize-Rijm van liefde, vet en olie.” Advertentie-vers voor de Olie-fabrieken-Calvé, Delft, door Charivarius. Zie de bladen.
„Dát niet!” Uitroep van afschuw.
Ik rijmel voor reclame, Ik dicht voor wie maar dokt; ’t Heeft menig heer en dame Geërgerd en geschokt: De ruize-ridder rolt van ’t ros, door grof gewin gelokt! Mijn grommen en mijn grapjes Verkoop ik à contant. Wanneer je met je flapjes Maar zwaait met vlotte hand; Ik juich, of jammer — wat je wilt — voor vorst en vaderland. ’k Erken, ’t is allerdunst; maar Wat is er aan te doen? En — ook zoo menig kunst’naar Vergooit zoo zijn fatsoen, En teekent, tokkelt, bouwt en bikt door dik en dun — voor poen. Ook Poot zelfs liet zich lijmen — Hem dwong het lot daartoe — Om op bestel te rijmen, Precies als ik het doe; „Want nood is bitter kruid,” zegt Poot: „In noodtijd bulkt de koe.” En Röntgen volgt ons voorbeeld: Hij daalt naar ’t filmwerk af! Wanneer hij wordt veroordeeld, Is ’t zijn verdiende straf, Want Bach — ik ben d’r zeker van — die draait zich in zijn graf. Mijn vaerzen vlijen vloeiend, — Ten minste volgens mij — En beelden, boud en boeiend Die lever ik er bij; Ik meng ze door mijn Rijmen heen als boter door de brij. En dan d’ alliteratie! Zoo ook in dit gedicht: Let op, met hoeveel gratie De letter-lijning ligt, Hoe zacht ze zoemt zoo’n zomerzang, als zucht van zeis en zicht. Wie dus fortuin wil maken, Bestelt bij mij een lied. ’k Berijm haast alle zaken, Op velerlei gebied, Maar ’t menschenmoordend motor-tuig — Neen. Dat berijm ik niet. Overigens minzaam aanbevelend, CHARIVARIUS.
31. HET ERGSTE.
’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest, met ongekende kracht, Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt, en rede wijk voor macht, ’t Is niet het eindloos leed en kwaad, door d’ oorlogspest gesticht, Noch ’s werelds organisme door des krijgsgod’s wig ontwricht, ’t Is niet de leugen-lasterpers, die ’t menschdom voedt met haat, Noch Wolff en Reuter, die elkaar bevechten met den draad, ’t Zijn niet fabrieken stopgezet, noch handel lamgekwakt, Noch bloeiende bedrijven diep in schuldenpoel verzakt, ’t Is niet mobilisatie-wee, militie-plicht-ellend, Noch werkloosheid, noch achterstand, ’t is niet faillissement, ’t Is niet der bladen jammertaal, noch, Lijs! uw laffe geest, Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad, noch d’ oudste zoon gesjeesd, ’t Is niet — al is ’t ook voor den braven bierbuik bar beroerd — Dat Pilsner Urquell’ niet geregeld meer wordt ingevoerd, ’t Is, jongling! niet de blauwe scheen niet, maagd! ’t gebroken hart, Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag, niet, knaap! examen-smart, ’t Is niet ’t verlies van maag of vriend, noch van ons dierbaarst pand, Noch ’t donker dreigende gevaar voor ’t vrije vaderland...... Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis, met dunne een-steens-muur, Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hit van mijn naasten buur. — Gott strafe ’t kind! — dat mij tot wanhoop brengt en razernij, Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrt van „Santfoort bai de sei”!
32. PLAATSELIJKE KEUZE.
Wàt een aardig vrouwtje, hoor! Met een hoed met een pleureuse, Kwam mij vragen: Is U ’r vóór, Voor de Plaatselijke Keuze? „Wie niet van een borrel houdt”, Zei ik, „niet van wijn, chartreuse, Punch of whisky, warm of koud — Is voor Plaatselijke Keuze. Dwingen van de minderheid Is het; reuze-humbug, reuze — ! Met ’n begrip van recht in strijd, Dàt is Plaatselijke Keuze. Braaf zijn zal je! is ’t parool, Dwingt ze om in te gaan! de leuze. Self-help is maar apenkool; Zweert bij Plaatselijke Keuze! ’k Heb mijn vrijheid veel te lief, In mij stroomt het bloed der Geuze’; Dwang, dàt is mijn grootste grief Tegen Plaatselijke Keuze. D’ aard van den gemeenteraad (’k Ben nog ’s even na gaan neuze’ Hoe het in de grondwet staat), Duldt geen Plaatselijke Keuze. Daarbij moet U rekenen: Slechts savantes en bas bleus (ze Drinken nooit!) die teekenen Voor de Plaatselijke Keuze. Aan de meid en aan de knecht, Aan de naaister, de coupeuse Worden lijsten voorgelegd Van de Plaatselijke Keuze......”
’t Is alles zeer correct gezegd, en juist geredeneerd, ’t Zal èn mensch èn jurist dan ook geheel voldoening schenken, Maar als je over al het droeve drankwee prakkiseert — Dan ga je toch van zelf wel weer eens even, even denken......
33. DE BLAREN EN DE BLADEN.
De bollen zijn weer uitgebloeid, De fijne blaadjes uitgegroeid, Een buitje heeft den grond besproeid, Weer botten knop en sprietje; De lieve lente is weer daar, Zoo volgen eeuwig, ieder jaar De jaargetijden op elkaar — ’t Is altijd ’t oude liedje. ’t Is altijd weer dezelfde geur, Dezelfde vorm, dezelfde kleur, Natuur-zelf volgt den ouden sleur Bij bloemen en bij planten...... Zoo is ’t ook steeds dezelfde taal, Gedachtelooze woorden-praal Van beeldspraak, kreupel en banaal, In onze mooie kranten. Het eene blad „staat op de bres”, En dadelijk, een stuk of zes, Jaloersch van ’t litterair succes, Die nemen ’t termpje over. Oorspronkelijk zijn? Onnoodig is ’t, Dat heeft ’t publiek allang beslist, Neen, ben j’ ’n handig journalist, Dan steel je als een roover. Je bouwt maar na van „pal te staan,” Van ’t „scharen onder iemands vaan,” Van „ergens niet op in te gaan,” Van „wij staan in het teeken,” Van „’t spreekt boekdeelen,” „’t dierbaarst pand,” Of van „de Hoop van ’t vaderland,” Van „’t eer’saluut” en van „de hand In eigen boezem steken.” „Schouder aan schouder” trek je op, Zet „d’ argumenten op hun kop,” „Schuift in de schoenen,” „zet iets stop;” Ook moet je niet vergeten: „De heeren van de overzij,” Kom ook eens iemand „in ’t gevlij,” Noem „kopstukken van de partij,” Of gooi weer „roet in ’t eten.” Of doe zoowat met Kuyper mee, Spreek altijd van „de zwakke stee,” Zeg „niet alsof,” vervang gedwee „In plaats van” door „in stee van!” Zeg „ingeperkt,” en „metterdaad,” Zorg dat je niet van kiesrecht praat, „d’ Electorale questie” staat Veel mooier!...... ’k word er wee van! Zoo is het steeds dezelfde taal, Gedachtenlooze woorden-praal Van beeldspraak, kreupel en banaal In onze mooie kranten...... Ook is het steeds dezelfde geur, Dezelfde vorm, dezelfde kleur, Natuur-zelf volgt den ouden sleur, Bij bloemen en bij planten. Maar wat ik daarvan zeggen wil Is dit: het kardinaal verschil Verzwijg ik — die zoo graag bedil — Verzwijg ik, noch verheel ik. Der boomen groene zomertooi, In Holland, Gelderland of Gooi, De blaren, blijven altijd mooi, De bladen — altijd leelijk!
34. DE NIET-ONBEVOEGDE ZIJDE.
De Nieuwe Rotterdamsche krant Weet ’t deftig deel van ’t vaderland Met eerbied te vervullen Door hare ach-tens-waar-dig-heid, En door haar eigenaardigheid Om zich met groote vaardigheid In nevelen te hullen. Geen enkel mensch van vleesch en bloed Schrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed, Dat wil ik graag erkennen: „Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,” En ’k heb geteld, in ’t city-blad Daar schrijven bij mekaar zoowat Een stuk of twintig Mennen! Ook werkt geregeld, naar men weet, ’t Geslacht mee, dat Van Zijde, heet, Geleerd, en toch bescheide’, „Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,” En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht — (Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!) „Niet-onbevoegde Zijde!!!” Maar de — courant is g’excuseerd, Een voorbeeld heeft het blad geleerd: Het voorbeeld der regeering! Want wat die laat of wat die doet, ’t Zal wel verstandig zijn en goed, Maar ’t wordt zoo maar gegist, vermoed...... Die strekte ’t blad tot leering! Een nevelachtig persbureau Doet ons het nieuwste nieuws cadeau In sfinxerige woorden. „Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,” Orakeltaalt tot ’t Vaderland, Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand, We schrokken, toen we ’t hoorden. Er wordt gebrond, er wordt gemend, Door een verluidt, dien niemand kent, Die zelf niet voor den draad komt. Dan krijgen w’ eindelijk een bericht, Dat de gemoederen wat verlicht, Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht, Omdat het veel te laat komt. Laat u verbidden in dit vers, O, Hooge Oomes! en o, Pers, Gij sluier-vage Dame! Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,” Noch „officieus,” zeer, half, of heel, Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel — En noemt uw bron, met name! Maar wacht eens even — ik erken: Ik zelf ben eiglijk ook een Men, En ’k hoop ’t nog lang te blijven! Dus, Nieuwe Rotterdammer krant, Wij zijn elkander nauw verwant, Zoo reik mij dan de broederhand — Ik zal niet boos meer schrijven.
35. HET PLAATSELIJKE BLAADJE.
Ik ben emeritus; gepensioneerd. Nu komt er maandlijks niet veel meer in ’t laadje; Ik heb me daarom maar geabonneerd Op ’t plaatselijke blaadje. Mijn groote kranten heb ik opgezegd, Ik lees nu ’t Staatsblad van mijn kleine Staatje; Het is ’n beetje laat, maar lang niet slecht, Mijn plaatselijke blaadje. ’k Lees van een brand, een ongeluk in een put, „’t Gemengde Nieuws” — een soort huzarenslaatje — Het weer, de oogst, de lezing van het Nut In ’t plaatselijke blaadje. Waarom de boom gerooid is op de brink, Het voorstel tot verbreeding van een straatje, ’t Vertrek van boot en trem — dat alles vin’k In ’t plaatselijke blaadje. Ik grasduin zoo genoeglijk en zoo knus In „Onze lachhoek,” ’t „Zondagmorgenpraatje,” In ’t „Buurtnieuws” en in „Onze Vragenbus” Van ’t plaatselijke blaadje. Er is nog meer — o, nog ’n hééle hoop: Een feuilleton uit ’t Duitsch, soms zelfs een plaatje, En de advertenties van de bioscoop, In ’t plaatselijke blaadje. Ook „Brieven uit de Hoofdstad,” en ’t verslag, Van beide Kamers en ons eigen Raadje, En nog een Levensdruppel iederen dag Geeft ’t plaatselijke blaadje. Ze krijgen ten bureele ’t nieuws goedkoop: Men tapt er dapper uit eens ander’s vaatje; En laat den tijdingstroom zijn vrijen loop Naar ’t plaatselijke blaadje. De schooljeugd, op het pleintje, houdt een race, Speelt krijgertje, verstoppertje of soldaatje; En ik zit stil voor ’t venster, en ik’ lees Mijn plaatselijke blaadje. Ik voel niets meer van ’s levens angst en leed. Ja; alle hartstocht, iedere drift verlaat je, Wanneer je eens ’t genot te smaken weet Van ’t plaatselijke blaadje. En ’k hoop dat over mij — ben ’k weggekwijnd, Gezakt naar ’t einde van mijn levenspaadje — Een vriendelijk artikeltje verschijnt In ’t plaatselijke blaadje. Dan wordt mijn zielloos lichaam gecremeerd, En dan — zóó is mijn wensch (enfin dat raad je!) Dan brande mee in ’t vuur, dat mij verteert Het plaatselijke blaadje.
36. PATRICISCH PROLETARIAAT.
Het Volk meldt, dat de sociaal-democratische Kamerfractie dezer dagen het 25-jarige jubileum van Mr. P. J. Troelstra heeft gevierd. De heeren Schaper en Sannes spraken Troelstra toe, wien namens de fractie een gouden zegelring werd aangeboden.
Wijze: „Wien Neêrlandsch bloed.”
Het kenmerk van den gentleman, Getrouwd of ongetrouwd, Is — daar herken je ’m dalijk an — Een zegelring van goud. En dan niet met zoo’n gladde steen, Die ’t doel van ’t ding verbloemt, Zoo’n ring, welks drager algemeen „Lord Gladstone” wordt genoemd. Ik twijfel er in ’t minst niet aan: Op Troelstra’s feest-cadeau Zal ’t fier familie-wapen staan, Patricisch, comme il faut. En ’k wed dat hij nog, naderhand, Als rust zijn werk beloont, Verheven in den adelstand, Op Troelstra-State troont. De proletariërs-armée, Die zoo commun begon, Die wordt nu ook van lieverleê Geschikt voor den salon. Ze reizen eerste, eten goed, En knippen d’r coupons, Gedrenkt in ’s werkmans zweet en bloed — ’t Gaat net zooals bij ons. Maar gaat dan ook niet zoo te keer, Wanneer het iemand geldt, Die zich te kleeden pleegt als heer, En prijs op weelde stelt. Dus voortaan niet zoo heftig zijn! Voyons! mes chers amis, Nu jullie net zoo deftig zijn Als wij, de boerzwazie. ’k Wou, dat die kleine zegelring U deze wijsheid bracht: Als alles naar den regel ging, Dien gij den juisten acht, Dus als de Lichtstad werd gebouwd, En ingericht door u, Dan bleef de wereld, welbeschouwd, Precies zoo mal als nu.
37. KERSTLIEDJE.
Lastige Klaasje Vader, wat beteekent „Kerstmis?” De Vader Zoon, dat is een Christlijk feest, Feest van Vreugd, dat Jezus Christus Op onze aarde is geweest. Lastige Klaasje Waarom is dat dan zoo prettig? De Vader Vóór Hem was het menschdom slecht; Hij heeft ons den weg gewezen Naar de Waarheid en het Recht. Lastige Klaasje Waren eerst de menschen stouter? De Vader Ja. Toen heerschte ’t heidendom: Zelfzucht, onrecht, wreedheid, oorlog, Leugen en bedrog, alom. Lastige Klaasje Zijn ze dalijk zoet geworden? De Vader Neen, zoo iets gaat langzaam aan...... Hm!...... zoowat ’n...... twintig eeuwen Hebben z’ over ’t werk gedaan. Lastige Klaasje Vader, zijn we nou dus beter? De Vader Zeker, jongen, zijn we dat, Want de Christelijke Godsdienst Houdt ons op het rechte pad. Lastige Klaasje Mot dus Klaasje ook heel blij zijn? De Vader Ja, God lovend, dag en nacht, Voor de rijke zegeningen, Die het Christendom ons bracht. Lastige Klaasje Pa, als Jezus niet bestaan had......? De Vader Dan waar’ w’ allemaal minder...... net...... Minder...... hypocriet...... ’k verspreek me...... Nou moet Klaasje naar zijn bed.
38. LEVENSWIJSHEID.
Opwekkend woord aan een knaap, die door zijn eindexamen is.
Hartelijk geluk, mijn jongen! ’t eindexamen is voorbij! En zoo treed je vol verwachting in de bonte maatschappij. Nu geef ik j’ in deze reeglen een kwartiertje „Levensles,” Volg mijn raad — dit Vademecum voert u verder naar ’t succes. Zorg de menschen nooit te hindren, zachtheid leer je nooit te vroeg, Want er is, geloof me, jongen, heusch al narigheid genoeg. Zeg geen mensch ooit cru de waarheid, ook al heeft hij het verdiend; Als ie ’r eens ’n keer niet bij is, ku’ j’ t’ eens „hebben over” ’n vriend. Dan begin je zóó b.v.: „’t Is ’n héél geschikte vent, Maar......” en dan ku’ j’ alles zeggen, zonder dat j’ onhartlijk bent. Schrijf wat ieder graag wil lezen, zeg wat ieder hooren wil; Als je ’t harte dringt tot spreken, wees dan wijs, en houd je stil. Kom je op een ministerie, in het leger, op ’t kantoor, Wees beminnelijk voor je meerdren, daar zijn ze je meerdren voor. Tapt de kapitein een mopje, ook al hoorde je t’ al meer, Zet dan een gezicht als was het voor de allereerste keer. Is ’t niet aardig, — en je weet niet waar je eiglijk lachen moet, Dan begin je maar te schaatren als je ziet dat ’n ander ’t doet. Ga je in den handel, wees dan eerlijk; dat ’s, zooals je weet, Wat in ’t algemeen gesproken in den handel eerlijk heet. God krijgt nu weer wat te zeggen, ook op politiek gebied; Doe dus wat aan Godsdienst (Zondags — door de week dan hoeft het niet). Zorg ook dat je met „vooruitgang” en „sociale nooden” schwärmt, Maar je stemt (doe ’t maar wat stiekum) wie je duiten ’t best beschermt. Scheld geweldig op de Joden; dat strijdt niet met je fatsoen; Doe ze na, of zoo — dat ku’ j’ in ieder net gezelschap doen. Hoor je van ’n louche zaakje, zeg dan — dat klinkt altijd goed — Dat je vindt „dat ieder zoo iets voor zichzelf maar weten moet.” Heb je geld, wees dan liefdadig, dat maakt j’ algemeen bemind; Maar geef nimmer zooveel, dat je ’r zelf den last van ondervindt. Laat je kiezen in bestuurtjes op ’t gebied van Kunst of Staat; Veel hoef j’ er niet van te weten, als j’ er maar wat veel van praat. De gemeenplaats moet je eeren, streef niet naar oorspronkelijkheid; In je termen, in je beeldspraak, volg de mode van je tijd. Volg angstvallig iedre mode, imiteer de „upper ten,” Doe wat „men doet,” zeg wat „men zegt,” buig het hoofd voor Koning MEN. Wor je humorist, bedenk dan, dat je duidlijk, „dik” moet zijn; Geef de menschen niet te denken, werk is werk, en gijn is gijn. Eer — met vrouwlief — reine zeden, spot thuis nooit met overspel, Breng haar, als ze er ’s om wil lachen, naar den schouwburg; daar mag ’t wèl. Wees niet maklijk in je oordeel, doe gerust wat aan kritiek, Als je maar bij ’t kritiseeren de kritiek volgt van ’t publiek. Doe niet wat je zelf het best vindt, daarin schuilt een groot gevaar; Wat de menschen zullen zeggen, richt je daar uitsluitend naar. Wees een man van ’t juiste midden, dan wor j’ algemeen geacht, Menschen van karakter, jongen, hebben ’t nooit heel ver gebracht...... Zie, hier heb j’ ’n handvol lessen, leer ze en breng ze in praktijk, Eenmaal zal je — vrees ik — zeggen: Charivarius had gelijk.