II. POLITIEKE RIJMEN.
Reading edition
1. WAT MOET MIJN ZOON WORDEN?
Leiddraad bij de keuze van een ambt of betrekking.
De liberale zoon spreekt: „De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel, Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel, Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij, Die vinding is... de Christelijk-historische partij. ’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie, Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie. Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver. En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair. Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan, Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan, Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen, Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen. Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch, ’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch. Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts, Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.” Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden. Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden, En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap. Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap: (Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging) De Christelijke-Oratorium-Vereeniging. ’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren, Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren. En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen: Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen! „Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch, Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
2. DE BIJZONDERSTE VOORZIENIGHEID OP HET GEVALLEN BOEKSKE.
„Tijdens de groote spoorwegstaking, toen dr. Kuyper minister was, wist hij op een gegeven oogenblik niet wat hij doen moest. Als vreemdeling op dit terrein, zocht hij raad voor de te volgen gedragslijn, en hierbij nu zag hij, een heel ander boek uit zijn boekenkast zoekende, en er uit nemende, een klein, dun boekje op den grond vallen, dat hij niet wist dat hij had, en heel niet kende. In dit boekje vond hij de oplossing. Vandaar het succes. Dit is nu de „bijzondere Voorzienigheid.” —
(Heraut).
’t Is staking. Leiden is in last. Het Licht staat voor zijn boekenkast. Hij zoekt een boek, om raad, en tast Met zorg in ieder hoekje; Daar valt een boekje op den grond, ’t Was heel toevallig dat hij ’t vond, Hij wist niet eens dat het bestond, Zoo’n dun, eenvoudig boekje. O, die beroerde stakingstijd! De Leider is de kluts wat kwijt, Hij is in groote moeilijkheid, Welk pad moet hij bewandlen? Hij ’s vreemdeling op dit terrein Welnu, dit boekje, dun en klein, Zal Nederland ten zegen zijn, Dat zegt hem hoe te hand’len. O, Boekske, wees gebenedijd! U zij mijn lof en dank gewijd! Bijzonderste Voorzienigheid! O, wondre, wondre zaken! Als ’t boekje niet gevallen was, Waarin het Licht zijn leiding las, Dan zat’ we nog in het moeras, Dan war’ ze nog aan ’t staken! Dus niet door staatsmanskunst of kracht, Maar door een soort van „Domheidsmacht” Heeft Kuyper toen het werk volbracht, — Zijn blad zal wel niet jokken! — Hij, en de vromen aan zijn zij, (Er was een echte dom’nee bij!) Regeerden naar — een loterij, Wij noemen zoo iets: gokken! Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur! Past op, want, dringt t’ onzaalger uur De Leider zich weer in ’t Bestuur, Langs politieke bochten, Als dan god Mars zijn vuisten balt, En dreigender het schetren schalt, En... als er dan geen boekje valt, Dan is ons land gesjochten!
3. DE RAAD DER BEZADIGDEN.
De heer Bogaerts: „De Eerste Kamer is niet alleen een college van revisie, doch dient tevens door haar bezadigdheid de continuïteit van de wetgeving te waarborgen. Dit element van bezadigdheid mag niet worden miskend.”
De heer van Schaik: „Ik hecht aan het behoud van die Kamer op grond van het daarin gelegen element van bezadigdheid.”
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zing Op den Raad van bezadigde mannen, Uit welken bezadigden Kring Alle wuftheid (bijna) is gebannen. Bezadigdheid klinkt uit hun taal, Waar geen felroode vonken uit spatten, In deze bezadigde zaal Zoemen louter gedegen debatten. Bezadigd en zacht is het licht, En bezadigd het kleed en de stoelen, In die sfeer van Gezag en Gewicht Zou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen. Bezadigd zijn stem en kostuim, Bezadigd zijn blik en gebaren, Bezadigd zelfs kortswijl en luim — Bezadigd door stand en door jaren. Hoe weinig bezadigd of fijn Is ’t gezegd (of ik moet me vergissen) Dat ’t enkel de boden nog zijn, Die die Kamer niet graag zouden missen! Neen. Net als het nukkige wicht Het gezag van Papa of Mamma ducht, Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht, Dat daar zetelt, sereen en bezadigd. Hoog tronen zij — kloek en classiek, Door de godlijke gunst begenadigd! Hun nut is wat problematiek, Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
4. PENELOPE.
Fragment.
Muze, vermeld mij den man in ervaringen rijk en in listen, Die ons beveiligen kan tegen daimonikoi (paganisten). Zing mij dan, Muze, de maar’ van de macht en den moed en de hope...! Droef stond Penelope daar (in den regel genoemd Penelope). Droef, want de Meester was weg, de Kolos, de geweldige strijder, Daarom, met wijs overleg, zag zij uit naar een anderen Leider. Zie, zoo nu gaf de Godin, de klaar-oogige Pallas-Athena, ’t Denkbeeld Penelope in van den boog, van den boog van Messena. Plotseling snelt zij terug, naar ’t Paleis met den goudenen toren; Rap, als de vogelen vlug, haalt zij weg den veerkrachtigen horen. Als zij, een oogwenk alleen, zich het hart heeft ontlast van de droefheid, Spoedt zij ter zale zich heen, nu getooid met het masker der stroefheid, En den veerkrachtigen boog overhandigend hun, die daar wachten, Noodt zij hen statig en hoog te beproeven om beurten de krachten. „Hij, die zijn sterkte bewijst,” zoo ontsnapt aan den wal harer tanden, „Krijgt wat hij wil, wat hij eischt, uit mijn eigene vorstlijke handen.” En als de zwoegende troep dan bij beurten den boog tracht te spannen, Monstert zij peinzend de groep, en ziehier wat zij denkt van die mannen: Kolinios bidt en werkt, en (daar kan de Parteia niet buiten) Hij wordt door godsvrucht gesterkt, en door Petroleontische duiten. Phrysios ook is vertrouwd, Maar Penelope heeft al berekend, Dat op de keper beschouwd, deze Held niet zoo heel veel beteekent. Haemskarchileus komt daarna, maar Penelope neemt dien man vast niet: Hij was een Broeder, nou ja, maar het degelijk wagenschot was ’t niet. Idiobyrgias dan? om de macht van den vijand te fnuiken? Neen. Dat ’s een eerlijke man, en zoo iemand is nooit te gebruiken. Zoo peinsde Penelope, en de zaalbogen welven zich wijder... Buiten dreunt dondrend de zee, en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
5. AAN LIEFTINCK, HET TACHTIGJARIG KAMERLID.
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde, Die rustloos werkte heel een leven lang, Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde, Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang, En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde, Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang, Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang, Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde — Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest, Bezielende ernst met luchten luim te kruiden, Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant! Nu zal tot ver in ’t vrije vaderland Met heldre klanken uw geboort-clock luiden, Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
6. STEMRIJM.
Waaruit men kan leeren, dat de invoering van het vrouwenkiesrecht aanmerkelijke vereenvoudiging teweeg brengt.
Een jong en aardig paartje, Gelukkig, schoon getrouwd, Dee ’t eerste huwlijksjaartje, — Verstandig, welbeschouwd! — Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud. Zij was zoo’n beetje kerklijk, En hield haar godsdienst aan; Hem was het wat bewerklijk Om ’s Zondags op te staan „Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan. Ofschoon ’t haar wel wat griefde, Ze hield zich wijslijk stil, En ’t mantelpak der liefde Bedekte dit verschil; Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil. Maar na de eerste jaren Deed hij zijn kiezersplicht; Ook dat gaf geen bezwaren, En zelfs geen boos gezicht, Hoewel hij links was, en haar neiging rechtswaart was gericht. Zij was in zulke zaken Verstandig en bedaard; Zich daarom druk te maken Was niet de moeite waard: Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard. Toen kwam de dwang te stemmen, En ’t kiesrecht voor de vrouw; ’t Begon haar te beklemmen, Het keurslijf werd te nauw: Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou. Een bende jongelingen Hing daaglijks aan de bel, Om haar naar rechts te dringen, In termen, forsch en fel: Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel! Ze loopen, ongedurig, Vergaderingen af, ’t Gesprek wordt bits en vurig, Hun leven wordt een straf, Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf. Weg is de lieve Vrede, Verbroken is de band, Het zwaard verlaat de scheede, De veete-fakkel brandt, Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland. Daar krijgen plotseling beiden Een lumineus idee: Als onze stemmen strijden, Wint geen partij er mee: We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee! De goede geest herleeft dus, Nu zijn ze niet meer boos, En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dus Op alle stembureaux Den zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.