← Table of contents
Ruize-rijmen

VII. IERSCHE GIJN

Reading edition

(Irish Bulls)

An Irish bull is an unconscious and amusing blunder, often implying an evident contradiction in terms, generally attributed, though not confined, to Irishmen. — Enc.

1. Patrik had zich niet gedragen Als den Ierschen held betaamt: Hij was op de vlucht geslagen! En daar stond hij nu, beschaamd. Nou. Het regende verwijten Van de boeren uit de buurt; Patrik stond zich te verbijten: ’t Had nu lang genoeg geduurd! Hij wou van de herrie af zijn, Waarom Pat aldus besloot: „Liever vijf minuten laf zijn, Dan je heele leven dood!” 2. Patrik Brown viel naar beneden, Toen hij werkte op het dak, Zoo, dat d’ arme baas, och heden! Allebei zijn beenen brak. En de medicus, een hartlijk, En gemoedlijk’ oude heer, Zei: „Wel man, dat treft me smartlijk! Dee die val je dan zoo’n zeer?” „Nee,” zei Pat, „ja, ’t is waarschijnlijk, Dat je ’t niet gelooven zal: ’t Vallen zelf dat was niet pijnlijk, Maar het staken van den val.” 3. Patrik was met Mike aan ’t baden In de mooie, blauwe zee, En zooals je wel kunt raden, Nam een vloedgolf beiden mee. Mike zwom goed, en even later Stond hij veilig op het strand; Daarna ging hij weer te water, En bracht toen zijn vriend aan land. „Wat was dat nu voor een grapje?” Klaagde Pat, en Mike zei toen: „’k Moest mezelf eerst redden, snap je, Anders kon ’k het jou niet doen.” 4. Mike z’n zuster was bevallen Van een welgeschapen spruit, En zijn buren staken allen Voor hun vriend de vlaggen uit. „Is ’t een meisje of een jongen?” Vroeg men, maar hij wist het niet, Daar werd steeds op aangedrongen, Telkens was ’t het oude lied. Eindlijk werd het onzen man te Bar, en greep hij naar de pen: „Schrijf me,” schreef hij, „of ik tante, Of dat ’k oom geworden ben.” 5. Een meneer, die had georven, Bouwd’ in Ierland eens een huis. Maar het uitzicht werd bedorven Door een stapel puin en gruis. „Zeg, wat doe ik met dat puin, man?” Vroeg hij aan zijn baas een keer; „Graaf een kuil,” zei Pat, zijn tuinman, „En daar stop je ’t in, meneer.” „Hoe dan d’ aarde kwijt te raken?” Vroeg hij. Waarop Pat verzon Om den kuil zóó groot te maken, Dat ’t er allebei in kon. 6. Patrik was geen erge slimmert, Maar hij knokte gauw, en goed; En zijn vijand, beurs getimmerd, Lag te baden in zijn bloed. Een agent bracht onzen vechter In de boeien naar de stad. „Wat voor wapen,” vroeg de rechter, „Heb je in je hand gehad?” Patrik stond te klappertanden, En zei vlug, maar minder juist: „Heusch, ik had niets in me handen, Edelachtbre, dan me vuist.” 7. Mike, die deed in oude kleeren, Woonde naast de school, alleen. Eens wou Mike zich laten scheren, Sloot zijn winkel, en ging heen. En hij schreef op een papiertje, Dat hij vastbond aan de bel: „Klanten! Over een kwartiertje Ben ’k terug. Dus wacht je wel.” Maar, om heel sekuur te wezen, Schreef hij onder, aan den voet: „Voor ’t geval je niet kunt lezen, Vraag of Meester ’t voor je doet.” 8. Ieren schrijven ongezouten Wat ze meenen, in de krant, En aan boeken vol met fouten Heeft een Ier terecht het land. Toen een boek was uitgegeven, Dat nog vol met fouten stond, Had een criticus geschreven, Dat hij ’t ding onleesbaar vond. d’ Ier, die ’t uitgaf, heeft bewezen, Dat hij hoorde tot het ras: „’t Handschrift had hij niet gelezen Voor ’t in druk verschenen was.” 9. Twee heel nette Iersche heeren Kregen ruzie over geld; Dat liep uit op duelleeren, Dag en uur werd vastgesteld. d’ Een schreef d’ ander, daags te voren, — Hij moest komen met den trein — „’t Is onmooglijk, met die sporen, Net precies op tijd te zijn.” Maar hij scheen geen strijd te schromen, Want hij had er bij gekrast: „Mocht ik soms iets later komen, Wacht dan niet. Begin maar vast.” 10. Patrik zat in een der parken Op een bank in grooten nood, Jam’rend: „O, mijn éénig varken, Ach! me mooie big is dood!” Een oud heertje hoorde ’t leven, Keek hem medelijdend aan, Gaf hem geld, en vroeg nog even: „Waar is ’t beest aan doodgegaan?” „Ach,” zei Pat, nog schor en heezig, Schoon zijn smarte was verzacht, „’t Varken werd zoo vet en vleezig, Da’ ’k het beest maar heb geslacht.” 11. Pat zou van zijn grootje erven; Dat kwam Patrik goed te pas, Hij kreeg alles bij d’r sterven, „Als hij vriendlijk voor ze was.” Eens zat grootje voor de ruiten, Peinzend over dood en graf; Pat passeert toevallig buiten, Kijkt, maar neemt zijn hoed niet af. „Man, daar zal je nog voor boeten!” Zei een vriend. Maar Pat zei: „Zot! Waarom zou ik grootje groeten, Die zoo doof is als een pot?” 12. Pat, die waren wou verkoopen, Ook een doodshoofd, groezlig geel, Riep tot ’t volk, dat aan kwam loopen: „Dit is Cromwell’s bekkeneel!” „Lieg toch niet zoo valsch, hou op, man!” Zei een boer, die slim wou zijn, „Cromwell had een grooten kop, man, En dit bekkeneel is klein.” Patrik riep, van woede groen: „Die Praatjes komen niet te pas! Dit is Cromwell’s schedel, toen die Nog een kleine jongen was!” 13. Door een vracht, die veel te zwaar was, Lag de schuit van Mike zóó diep, Dat de man in groot gevaar was, Als het water overliep. Pat stond aan den kant te kijken, En — wat meer gevonden wordt — Hij wou graag eens laten blijken Wat hij wist van watersport. Daarom riep hij — en je staat er Even stil bij, als je ’t leest — „’t Is gelukkig geen hoog water, Anders was je weg geweest.” 14. Mike was, door gebrek aan schijven, Bij een boer in dienst gegaan; Maar, om goed gezond te blijven, Deed hij alles kalmpjes aan. Telkens kwam de boer hem zoeken, Als hij even rustig zat, En dan werd het schelden, vloeken: Potverdit en potverdat! „’k Ben al vlugger dan een kogel! Denk je,” protesteerde Mike, „Dat ik zijn kan, als een vogel, Op twee plaatsen tegelijk?” 15. Patrik liep eens door de straten Van Tralee, een Iersche stad, Hardop in zich zelf te praten Over Joost-mag-weten-wat. Een kwajongen lag te kijken Ergens uit een bovenraam; Die liet luid zijn blijdschap blijken, En deed hoogst onaangenaam. Patrik was zóó ontevreden, Dat hij dit ten antwoord gaf: „Was jij, vlegel, hier beneden, ’k Gooide j’ alle trappen af!” 16. Mike liep Zondag te flaneeren Met zijn hooge zijden op. Patrik wou zijn buks probeeren, En hij schoot naar Mike z’n kop. Patrik schoot niet heel bizonder, Meestal mikte hij niet goed, En de kogel — ’t was een wonder — Ging door Mike z’n hoogen hoed. Mike, die gauw ’t geval gevat had, Zei, van schrik nog wat bedeesd: „Als ’k me dophoed op gehad had, Was ik zeker dood geweest.” 17. Mijn moeder had een groote kom Met goudvisschen — een keurcollectie, En zei tot ’t hitje, goed maar dom: „Maak dat ik nooit op ’t glas een vlek zie, Hou ’t water altijd versch en rein, De visschen schoon — verzorg de dieren, Zoodat zij blijven wat zij zijn: De bloemen, die mijn home versieren.” „Jawel!” zei Mary. Maar, o neen! De stomme dieren gingen kwijnen, De schub-laag brak, en een voor een Zag men ze sterven en verdwijnen. Maar wie schetst moeder’s ergernis, Toen z’ eens bemerkte — ach, te spade! Hoe Mary vlijtig visch voor visch, Aan ’t poetsen was met poetspomade? 18. Vriend Patrik holde hijgend Het hek in van den hoef. „Een schop, gauw!” klonk het klagend, en zijn oogen stonden droef. „Broer Mike zit in de modder, Tot aan zijn enkels; Gauw!!” „Die redt zichzelf wel,” zei de boer, „Ik heb geen schop voor jou.” Een oogenblikje stilte. Toen, plotseling, zei Pat: — Er schoot hem iets te binnen, dat hij schoon vergeten had — „’k Vergat er bij te zeggen, Door schrik en droefenis, Dat Mike er met zijn hoofd voorover in gevallen is!” 19. De arme Mike stond eens terecht Voor ’t stelen van een haan. „Foei, neen!” zei Mike. „’k Ben niet zoo slecht! Ik heb het niet gedaan.” De rechter sprak: „Beken ’t nu maar. Misschien vergeef ik ’t wel. Maar, denk er om: de leugenaar Gaat rechtstreeks naar de hel!” En toen zei Mike, diep aangedaan Door ’t rechterlijk sermoen: „Ik ben er heusch onschuldig aan, En ’k zal het nooit meer doen.” 20. „Als j’ een aardig raadsel weet,” Zei een Ier, „zal ik trakteeren.” Patrik was direkt gereed: „’t Blaft — en ’t is bedekt met veeren.” „Kip!” riep Pat, toen niemand ’t ried. „Mis!” zei d’ ander zonder dralen, „Kippen, Paddy, blaffen niet; Jij mag zelf je bier betalen.” Pat keek op zijn neus, en scheen In verlegenheid te raken. „Ja maar,” sprak hij, „’k zei ’t alleen Om ’t wat moeilijker te maken.” 21. Een jonkman, zeer verliefd en blond, Schreef in ’t café aan zijn vriendinnetje, En Patrik, die er achter stond, Bleek ’t na te neuzen, zin voor zinnetje. „Hier breek ik af,” zoo schreef de knaap, „Hoewel dit slot wat vreemd mag lijken, Maar een vervloekte lompe aap Staat stiekum alles af te kijken.” En Pat zei — want hij schrok er van — „Ik kan je de verzekering geven, Dat ik geen woord gezien heb, man, Van wat je daar hebt neergeschreven.” 22. „Wel, Pat,” zei ’k, „is dit huis van jou?” „Ja,” zei Pat, „door me werk en me sparen!’” „Al lang?” — „Meneer, ik woon hier nou Al over de zeventig jaren. Ik ben hier uit dit huis getrouwd, Ik heb er me vrouw in verloren, Me vader heeft het zelf gebouwd, En me grootvader is er geboren.” 23. Twee Ieren stonden, voor ’t duel, Elk met zijn vriend, Maar d’ een riep, net voor d’ aanvang, snel: „Ik ben bijziend!” — „Dus ’t is niet fair als ’t zóó moet gaan,” Vervolgde hij, „’k Moet tien voet dichter bij hem staan, Dan hij bij mij.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings