III. OORLOGS-RIJMEN. (continued 2)
Reading edition
52. KARL EN ZITA OF HET BIOSKOOPGEVAAR.
Gerijmd na Karl en Zita’s staatsgreep op 22 October 1921.
(Zie de aanteekening op bl. 99)
O, keizerlijke kwibus! Kwast, Met Zita aan je zij! Jan Klaassen uit de poppenkast Deed nooit zoo mal als jij. Per vliegmachine kwam je an, En hebt met man en macht, Met haar de heele ratteplan In rep en roer gebracht. Maar van een „Schlager” had ’t niet veel — Die kluchtspel-heldendaad! Je kreeg van ’t volk, integendeel Rott’ appels in ’t gelaat. Je brak je woord. Dat doet men meer. Daar zegt geen mensch iets van; Voor vorsten geldt een andre eer Dan voor den mindren man. Maar nu is ’t knersing en geween, Acherm! Wat zal je doen? De schrik zit — lees ik — in je been, De moed zit in je schoen. Och, eiglijk is het medelij, Dat ons het hart vervult, Want deze potsenmakerij Is niet je eigen schuld. Neen. Evenals maar al te vaak In dezen rommeltijd Door prikkelfilms tot roof en braak Het „boefje” werd verleid...... Zooals zoo meenge montre maagd, Onschuldig, zoet en zacht, Door ’t hitsend trilbeeld opgejaagd, Tot zonde werd gebracht — Zoo is de schuld van ’t droevig lot (Waakt, ouders, die dit leest!!) Van dezen armen Don Quichot De BIOSKOOP geweest!
53. MIES, CHARIVARIUS, DE KANARIE EN DE OORLOG.
Mies, mijn mooie, grijze poesje, Ligt genoeglijk in haar soesje Voor mijn open haard, Op het warme, wollen kleedje. Kijk, zij droomt — beweegt een beetje ’t Puntje van haar staart. Mies ontwaakt, en wascht haar snoetje; Dan, behoedzaam, voet-voor-voetje, Sluipt zij naar mij toe. Hoepla! Plotseling springt zij op je! Spint verheugd, en geeft een kopje: Mies is blij te moe. Ik niet minder, dat begrijpje! Met mijn poes en met mijn pijpje, Onder ’n dak van rook! ’k Streel het zachte zijden velletje; Mies en ik, wij zijn een stelletje, Mies is lui — ik ook. ’t Is zoo rustig, ’t is zoo stille, Is ’t geen plaatje? geen idylle? Vriendschap, Vreugd en Vree. En we denken geen van beiden Aan het slachten en het strijden, En het Wereld-wee...... ’k Soes wat over „Charivari”...... Kijk, daar huppelt mijn kanarie Uit zijn open kooi. Mies springt eensklaps van mijn schoot en Heft, met tijgeraard, haar poot, en...... Pats! Zij heeft haar prooi! ’t Bloed druipt tappelings langs haar kaken, ’k Hoor de broze beentjes kraken, Hoe ’k die kat verwensch! ’k Tracht een scheldwoord te verzinnen, Wacht! daar schiet m’ er een te binnen: Schaamje, Mies! Jij... MENSCH!!
54. O! O! O!
Stemmings-Rijm.
Het is griezlig weer. Hu. De regen pletst neer. En de wind schudt de deur en de ruiten. Je kamer is guur. Zonder licht. Zonder vuur. ’t Is net zoo naar binnen als buiten. Een warm kopje thee? Kun je denken. O nee. Daar gaat, snap je, veel te veel gas aan. Je zit kil en krom. Met een reisdeken om. Een voetenzak. Handschoenen. Jas aan. Je vrienden gaan zien? Voor een praatje misschien? Gezelligheid? Onzin. Illusie. ’t Prodit en prodat Ben je gauw genoeg zat. En het eindigt gewoonlijk met ruzie. Landziekig en wee, Slof je naar je café. Voor de krant. Om een hapje te eten. ’n Partijtje biljart — Wat dan ook. Om je smart En je narigheid wat te vergeten. Maar het licht is te mat. Ja. En lees je nog wat, Dan is ’t van de Krieg und kein Ende. Je weet het al wel. ’t Is alles de hel. En bloed. En bedrog. En ellende. En het bruinbrood is grauw. En het wittebrood blauw. En oudbakken, al heet het ook „net versch.” En het bier smaakt als inkt. En de whisky, die stinkt. De visch is goed voor de briketpers. Je gaat maar weer heen. Door het donker alleen. Trapt in alles. En botst, op de hoeken. Je stoot er een blauw. Jij hem. En hij jou. Razen. Tieren. En schelden. En vloeken. Zoo zit je weer thuis. Krats. Daar hoor je een muis. Een muizeval? Rattekruid? Baat niet. Hier faalt zelfs de kat. Want je huis is te nat. En ze deeglijk te luksburgen gaat niet. D’r zit niets meer op, Dan met mokkenden kop Den dag met den nacht te verruilen. Het land als de pest. Ruk maar op. Naar je nest. Diep onder de dekens. En huilen.
55. EEN FAILLISSEMENT.
Door het torpedo-werk van de Duitsche duikboot verdronken meer dan 1600 personen. Het bericht van de heldendaad der bemanning bracht over Duitschland, schrijft de Köln. Zeitung, „eine jublende Freude.” Alle opvarenden verkregen het IJzeren Kruis.
Als de vrede is gesloten, En de strijd gestreden is, Als er bloeds genoeg vergoten, Leeds genoeg geleden is; Als de zwakke landman zwoegend — Want de sterken zijn gedood — ’t Bloedgedrenkte land doorploegend Op verminkte lijken stoot; Als de tranen wat gedroogd zijn Van de weduw en de wees, De belastingen verhoogd zijn, En de prijs van ’t brood en ’t vleesch; Als het aantal werkelooze’ Niet meer weeklijks, daaglijks, stijgt, En de werkman, na een pooze, Hier of daar een plaatsje krijgt; Als de zaken weer gaan loopen, En de rust is weergekeerd — Hebben w’allen, laat ons hopen, Eéne wijze les geleerd: Dat in heel ons brave leven Eigenbaat, -belang, gewin, Drijfveer is van al ons streven — Nimmer God of Godsdienstzin, En dat Vroomheid, Recht en Waarheid, — Noem ’t maar „Godsdienst” voor ’t gemak — Liggen — ’t blijkt met groote klaarheid — Boven aan het oppervlak. Want zoodra we ’t wenschelijk achten Voor het winnen van den strijd, Bannen w’ alle Godsgedachten, Daarvoor is er dan geen tijd. En, al roepend: Heere, Heere! Zett’ we Godsdienst aan den kant; Moord en doodslag komt in eere, En de Bijbel wordt verbrand. Ja, het universum staat dan Op zijn kop, zoo lijkt het wel: In den Hemel huist de Satan, En de Heer is in de hel. Want de felste Bloedgebeden, Tot onz’ Ouden God gericht, Stijgen... loodrecht naar beneden! Bidden blijft maar Christenplicht. Ieder van de Tien Geboden Overtreden w’ elken dag; Rooven, branden, liegen, dooden, Zelfs verstikken — alles mag. Wie, vervuld van ’t „Onze Vader”, Doet, wat Jezus heeft geleerd, Wordt direkt, als landverrader, Afgemaakt — gefusilleerd. „Hebt uw vijand lief, mijn kinderen!” Sprak de man van Nazareth; Maar de luint zegt tot zijn mindren: „Prikt ’m met je bajonet!” En de krant bezielt gedurig Den soldaat met haat en nijd; Zeer terecht: dat maakt hem vurig En bloeddorstig in den strijd. Jack of Karl, die thuis zoo knusjes Met zijn broertjes samenzat, Steeds iets meebracht voor zijn zusjes, Als hij thuiskwam, uit de stad... Kijk, daar staat hij, d’arme jongen... Stil!... nou moet je handig zijn... Steek ’m daar... net naast z’n longen!... Mooi!!... hij kronkelt zich van pijn! Prik ’m nog eens!... Kijk ’m spartelen!... Hak z’n voet af!... of z’n hand!... Lekker eiglijk wel, dat martelen...! ’t Mag nu. ’t Is voor ’t Vaderland!! Dood je er één — je wordt bewonderd, Tien — dan krijg j’ een lintje thuis, Maar verzuip j’ ’r zestienhonderd, Dan verdien je ’t IJzeren Kruis. Ja, ’t was „schitterend”, dat erken ik, Zestienhonderd! Hoor je ’t wel? Zelfs ’t vergaan van de Titanic Was hierbij maar kinderspel. Hoor ze jammeren... huilen... Luister! Hijgend, hunkrend naar wat lucht, Tot ze zinken naar het duister, Met een laatste droeve zucht... Hoort! De maar’ verkondigt luide: „Zestienhonderd tegelijk!!” En een jubelende Freude Spreidt zich over ’t gansche rijk. Al de Hoofden van de Staten, Keizer, Koning, President, Tsaar, Ministers, Diplomaten, Uit het Witboek welbekend, Zij, die verantwoordlijk waren Voor het Wereld-moordnaars-werk, Waren ook de steunpilaren Van de Christelijke Kerk. Dominees, pastoors, rabbijnen, Och, wat staat je zaakje zwak! ’k Zou maar stiekempjes verdwijnen, Gaat maar in ’n ander vak! ’k Stel je voor om dit te zeggen: Daar de Godsdienst is verjaard, En ’t Geloof het af moest leggen, Wordt de Kerk failliet verklaard.
56. WIJ DUITSCHERS, VOORHEEN EN THANS.
Helfferich in den Rijksdag, 21 April ’21: „Het Verdrag van Versailles is gegrondvest op den leugen van Duitschland’s schuld aan den oorlog.”
Dr. Riesser: „Het staat voor den geschiedschrijver vast, dat Duitschland alles gedaan heeft wat binnen zijn bereik lag om der uitgeputte wereld vrede te brengen.”
Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog. De schurken schoolden saam, en legden listig lagen, Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen; Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog. Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar, Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is, Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is; Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!” Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein! De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede! Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede, Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn. En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd, Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven, Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven. Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.
57. HOOG BEZOEK.
Iambisch-choriambische Ode aan de Pers, bedoeld als scandeer-oefening voor de Gymnasiale jeugd.
Hoog bezoek. Vergezeld van zijn oom, Prins Heinrich van Pruisen, zijn adjudant en den burgemeester van Wieringen, bracht de ex-kroonprins van Duitschland Zaterdagmiddag een bezoek aan huize Duinwijk alhier, om zich door zijn tandarts te laten behandelen. Na een verblijf van eenige uren op Duinwijk aanvaardde het gezelschap, in 2 auto’s gezeten, den terugtocht naar Wieringen. — O. H. C.
Het Plebs, en zijn slavin, de Pers, Vergapen zich aan Den Schijn. Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-vers Van heden gewijd Zal zijn. Ex-kroonprins, arme kerel, zeg, ’k Heb medelij, man, Met jou; Daar zit je vele mijlen weg, Gescheiden van kroost, En vrouw. Je bent gevangen in een oord, Daar erregens aan De pool, Waarvan geen mensch ooit had gehoord, Dan soms in de les, Op school. De streek is dor als een woestijn, Verlaten en kil, En kaal; Je huis is somber, grauw en klein, Naar, burgerlijk en Banaal. Met de notab’len van ’t gehucht, Een kringetje, klein, En triest, Speel j’ elken avond, met een zucht, Een robbertje bridge, Of whist. Je gaat naar Pa, maar nooit alleen; Eerst vraag j’ of het mag Aan Ruys; Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen, En net zoo terug, Naar huis. Je droomde j’eens een ander lot...... Jou wachtte een Keizerskroon! Je vader hield zich voor een god, En jou voor een Godenzoon...... Omringd van vleiers groeide j’op, Je zwelgd’ in hun hoofsch Gelal; Jij, jeugdig godje in den dop, Beheerscher — ééns! — van ’t Heelal! Zoo peinzend sta je aan den dijk, Spuwt kringetjes in De sloot; Je voelt jezelf een levend lijk, Een mummie, lang voor Je dood. Hoor! Troost je met dit zoet bedrog, Verongelukt schip Op ’t strand! Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog: De leutertaal van De krant. Dat ’t dan met gulden lettren sta In ’t princelijk Levensboek: „Wanneer ik naar Mijn tandarts ga, Dan heet dat nog HOOG BEZOEK.”
58. DE BRIEF VAN DEN VADER.
Een Nachtgedachte.
Mijn zoon, als deze woorden u bereiken, Heb ik mijns levens laatste daad gedaan. Voor ’t naad’rend Noodlot heb ik willen wijken, Ik ben vrijwillig in den dood gegaan. Stil is de nacht. De menschen slapen allen. En, eenzaam in dit kille, vreemde land Zit ik ter neer, verlaten en vervallen; Ik ben alleen, en schrijf met vaste hand. Ik heb, vol fantasie van vooze vinding, Mijn leven in één dwazen droom geleid, Een droom van schitring, schijnschoon en verblinding. Van prinsenpraal en heerschersheerlijkheid. Ik heb u grootgebracht in wanbegrippen, Ik leidde u als een dwaas het hollend paard. En toen ik mij de teugels liet ontglippen, Toen rende ’t ros in nog verdolder vaart. Ik heb een dwaalleer aan mijn kind verkondigd, Ik leerde u lust tot ijdlen roem en macht; Mijn zoon, wij hebben beiden zwaar gezondigd — Mijn schuldenlast was grooter dan mijn kracht. Wie peilt het bloed, gevloeid op d’ aard in stroomen? Wie telt de jonge doôn, in d’ aard gelegd? Eén woord had al dat wereldwee voorkomen, Eén woord van mij. Ik heb het niet gezegd. Wat ik de laatste stonden heb geleden, Toen het te dagen in mijn hart begon, Was meer dan in zijn felste wraakgebeden Mijn vijand van den Wreker vragen kon. Zooals de schipper, ’t zinkend schip besturend, Vergeefs een haven zoekt in rots’ge kust, Geen lichtstraal speurt hij, door het duister turend... Zóó angstig zocht mijn zieke ziel naar rust. Laat dan mijn doode stemme tot u spreken, U wacht niets meer dan schande, smaad en leed. Gij kunt met eigen hand uw boeien breken, Volvoer de daad — doe wat uw vader deed.
59. HOEZEE!
„Een hoezee! voor de gezagvoerders, stuurlieden en matrozen onzer koopvaardij- en visschersvloot, die zee blijven houden niettegenstaande de gevaren toenemen, en dagelijks hun leven wagen in dienst van het vaderland. In dienst van het vaderland; want wat zou er van Nederland worden, zoo de zeeman zijn bedrijf moest staken?”
(Vragen des Tijds.)
Nu klinke de zang met een juichenden klank, Op Holland, zing jubelend mee! Wij brengen ze lof, en wij brengen ze dank, De moedige mannen der zee. De geest van de vaderen is niet gebluscht, Klein Holland, mijn Holland, is groot! Wij wachten de toekomst getroost en gerust, Een hoezee! een hoezee! voor de vloot. Het is niet gedoofd het Oud-Hollandsche vier, Al schijnen wij soms in den dut, Bij bittere borrels en Heinekensbier, Er zit in ons landje nog fut. Er zit nog wel kracht in het Hollandsche bloed, Al bruist het niet altijd — wat nood! Wij tellen nog mannen met montere moed, Een hoezee! een hoezee! voor de vloot. Daar gaan ze weer scheep, en ze zeggen g’n dag Aan d’r vrouw, aan kind en aan broer. Ze reven de zeilen, ze hijschen de vlag, En de stuurman staat stram aan het roer. „Ik, schipper, naast God, van me schip, voer me vracht, En me volk, als het moet naar den dood; Wij doen wat het vaderland wil, en verwacht......” Een hoezee! een hoezee! voor de vloot!
(Dit Rijm is, op muziek gezet — zang en piano — afzonderlijk uitgegeven).