← Table of contents
Ruize-rijmen

III. OORLOGS-RIJMEN.

Reading edition

1. DE BLOEDGEBEDEN.

(Verzoek van een Neutraal.)

„Men drukt ons het zwaard in de hand......

Gaat nu ter kerke, knielt neer voor God, en bidt om hulp voor ons dapper leger.”

Wilhelm, I. R.

„Nooit is Engeland met zuiverder geweten ten strijde getrokken dan nu.”

Asquith.

„De kerken in Londen en Parijs zijn vol van de geloovigen, die om de zege bidden.”

N. R. C.

„Antwerpen heden zonder strijd bezet. Gode zij dank gebracht in diepen ootmoed voor dit heerlijk succes. Hem alleen zij de eer.”

Wilhelm, I. R.

...„WOLFSKUILEN zijn kuilen, waarin puntige palen zijn geslagen, met de punt naar boven. Om hen aan het gezicht te onttrekken worden zij met takken belegd, en daarna met dunne zoden bedekt.”

Pioniervoorschrift voor de Infanterie.

Wij leven in een donkren tijd, Want twee partijen zijn in strijd, Die ik uit onpartijdigheid, Vanwege de neutraliteit, Maar A en B zal noemen. Den vrede minnen beide teer, Zij zeggen ’t zelven keer op keer, Dus daaraan twijfelt niemand meer, Zij plegen zich er evenzeer — Terecht — op te beroemen. En iedren dag stijgt, strijk en zet, Tot Onzen Lieven Heer ’t gebed Van A en B, als een duet: „Wij trekken op, Heer, onbesmet, Men drukt ons ’t zwaard in handen! O, God, wees met ons leed begaan, Help ons den vijand te verslaan, Op ’t land en op den oceaan, O, Heer! hoor onze beden aan, En zie onz’ offeranden!” Zoo wordt de slachting voorbereid. En na het winnen van een strijd, Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!” Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheid Ter kerk, in diepen ootmoed; En knielt, de handen vouwend, neer, Al preevlend: „God alleen zij d’ eer! Het is ’t besluit — dat blijkt alweer — Van Onzen („onzen”) Lieven Heer, Dat onze vijand dood moet.” Maar B gevoelt zich martelaar, En zegt: „Die A is een barbaar, Hij zocht den krijg, die huichelaar!” En A weer: „God, het is niet waar, B lastert. ’t Is verfoeilijk!” O, A en B, en B en A! Nu vraag ’k je. Is dat logica? Kom, laat die race-in-’t-bidden na! Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ, Je maakt het God maar moeilijk. ’k Wou, dat je allebei dit onthield: God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt, Millioenen A’s ter neer geknield, En evenzooveel B’s, bezield Met hoop op steun van Boven; En A geeft God zijn eerewoord, Dat hij slechts voor den Vrede moordt, Voor de Beschaving, enzoovoort... Als God van B nu ’t zelfde hoort, Wien moet Hij dan gelooven? Daarom, Partijen, A en B, Spreek ik nu ook een woordje mee, Eenvoudigweg, en recht-door-zee, Ik zeg het tegen alle-twee, Omdat ik zoo neutraal ben; Partijen, A en B dus, hoort Naar mijn neutraal en nuchter woord, Behartigt het en zegt het voort, (’k Hoop niet dat ’t onzen Vrede stoort, Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!): Rolt, Republiek en Keizerrijk, Rolt, volkren, u in bloed en slijk, Dat niets voor Hart of Rede wijk’, Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk! Dat ’s nu de wet van ’t Leven. Blijft uw beschavingsplicht bewust: Vernietigt Kunst naar hartelust, Kweekt armoe, hongersnood, gerust, ’t Geweten maar in slaap gesust! Het schouwspel is verheven; Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt, Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant, Zweert „oog om oog, en tand om tand!” En laat, ter eer van ’t Vaderland, Uw krijgsgeschreeuw weerklinken. Verbrijzelt, decimeert, verkracht, Werpt bommen uit den duisteren nacht, Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht, Laat weg en weide, grebb’ en gracht Van wond- en lijklucht stinken; Vergiftigt stroom en beek en wel, Spuit vochten, vlammend forsch en fel, Roept Satan op tot metgezel, Vraagt allen machten uit de Hel Steeds nieuwe kwel-methoden; Blaast gassen, vol van vuil venijn, — Het laatste! Prima, extra-fijn! — Dan zult gij wel tevreden zijn: Zóó sterft uw vijand, dol van pijn, Niet één, maar duizend dooden; Pleegt woordbreuk zonder blik of blos, Verwoest landouwen, beemd en bosch, Verspreidt uw helsche mijnen los, Graaft wolfskuil voor man en ros, Bindt krijgers aan d’ affuiten; Zet huis en hof in vlammengloed, Noemt razernij en moordlust „moed”, Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed, Ik vind het allemaal mooi en goed...... Maar toe! laat God er buiten!

2. HET SCHOONSTE.

„De indruk, dien ik gekregen heb, is overweldigend. De geestdrift der soldaten, die kracht, die moed, welke zich overal openbaren, is het schoonste dat ik ooit in mijn leven gezien heb, schrijft Sven Hedin.”

Tel.

„Zij werden dan met de bajonet er uitgekieteld.”

Brief in de Vossische Zeitung.

„Der Krieg ist im Gegensatz zum Frieden der gröszte Lebenserwecker. — Bestrebungen, die die Abschaffung des Krieges überhaupt zum Zweck haben, sind unsittlich und menschunwürdig.”

Bernardi.

„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,” Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven: „Die geestdrift, die kracht en die moed! De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!” Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig — Zijn pen is gedoopt in het bloed. Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter! Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter, En oorlog is haat en venijn! Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden, En oorlog is stank van de krengen van paarden, Verminking, vernieling en pijn! Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte, Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holte Waar d’ arm zat, gescheurd bij de borst? De wormen zijn nu al den mond ingekropen, Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen, Het bloed is gedroogd en gekorst. De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen, Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen, Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd! Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven. Een bloedrige klomp is er overgebleven Van ’t stralende Beeld van de Jeugd. Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog, Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog! Een vinger ligt ginds op den grond; Daar liggen de stompjes van armen en beenen, Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenen Nog zacht uit den stervenden mond. Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten, Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten, Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt! Omdat een troep veilige hofdiplomaten, Met seinen en telefoneeren en praten, Dat eenmaal zoo hebben bepaald. O, God, onze Vader! Wij danken U allen: Daar is er net een in de wolfskuil gevallen, De punt van de paal door zijn pens! Wij haten hem vurig — geheel naar behooren, Omdat hij in ’t andere land is geboren, Een half uur over de grens. Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen, Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen, Je zegt het zoo „eng” en onguur; Je kan ’t ook met grappige namen betitelen, De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen” — In ’t algemeen heet het „Cultuur”. ’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen, Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen, Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer? En als we de bloem van de natie zien vallen, Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen, Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!” De beest-mensch in deze verschriklijke tijden Geniet van het hakken en steken en snijden. Het schoonste!! Armzalige zot! Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte. Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’, De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!

3. DAPPERE SOLDATEN, BANGE DIPLOMATEN.

Gerijmd naar aanleiding van Grey’s genoegelijk déjeuner in het Cecil Hotel te Londen.

„Indien de zedelijke moed der regeeringen den onsterfelijken krijgsmoed van hun soldaten evenaarde, zouden er tusschen de gezanten vertrouwelijke gesprekken kunnen beginnen.”

Emily Hobhouse.

Ze praten zoo goed Van onsterflijken moed, Van de dapperheid van de soldaten; En iedereen vecht Voor beschaving en recht... Maar over den vrede te praten, Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet. Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied: Koor: Dappere soldaten, Bange diplomaten. ’t Staat vast, dat ik win, Dus als ik nu begin, Dan denken ze, dat ik bek-af ben; Ik ben niet zoo bang Dat ’k naar vrede verlang! Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben? En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet: Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet. Koor: Dappere soldaten, Bange diplomaten. Ze durven zooveel Op het oorlogstooneel, Waarvan een gewoon mensch zou schrikken; Schiet ze lam, schiet ze blind! Moordt er moeder en kind! En laat er de mannen verstikken! Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet, Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet. Koor: Dappere soldaten, Bange diplomaten. Zoo’n stichtlijke toast Wakkert aan, en vertroost, Verdriet en ellende vergeet je. En er wordt niet gedacht Aan ’t gemoord en ’t geslacht Bij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje... Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt — Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet. Koor: Laffe diplomaten, Stervende soldaten...

4. ZES DIPLOMATEN.

(„Het wordt steeds meer duidelijk, dat slechts enkele personen, eenige diplomaten en ministers, de onmiddellijke aanleiding geweest zijn tot de uitbarsting.” —

Chr. N. i. h. Hbl.

„Het is een oorlog door een zes-tal diplomaten veroorzaakt. De volken leefden vreedzaam met elkander, zonder eenigen haat of nijd. Een half dozijn mannen heeft Europa aan den rand des afgronds gebracht, en Europa is daarin gevallen.” —

Ramsay Macdonald in de Cont. Times.)

Wie hebben strijd En moord bereid, Giganten-strijd van zóóveel staten? Zes Diplomaten. Wie wierpen ’t lot, Het volk ten spot, Van gansch Europa, trotsch, verwaten? Zes Diplomaten. Wie speelden met Moraal en wet, Geheime ententes en tractaten? Zes Diplomaten. Wie stookten ’t vuur T’onzaalger uur Nog meer door zwijgen dan door praten? Zes Diplomaten. Wie stookten ’n zee Van wereldwee, Een storm van jammer zonder maten? Zes Diplomaten. Wie brachten woed’ En dorst naar bloed, Wie brachten haat tot wie niet haatten? Zes Diplomaten. Wie vulden lucht En aard, geducht Met ’t knetrend knallen der granaten? Zes Diplomaten. Wie drijven dag- aan-dag ten slag, Ten doode, duizenden soldaten? Zes Diplomaten. Wie maakten dat In dorp en stad De lijklucht hangt in steeg en straten? Zes Diplomaten. Wie brengen smart En angst in ’t hart Van vrouwen, eenzaam en verlaten? Zes Diplomaten. Wie roepen luid Den volke uit: Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten? Zes Diplomaten. Wie zal ’t berouw — ’t Koom’ laat of gauw — Geen stonde lang met ruste laten?... Zes Diplomaten.

5. AAN CORT.

Nomen breve, opera longa.

Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven, Hebt gij met Treub, gij duo van de kracht, Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven, En in den chaos orde en rust gebracht. Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht, Ook toen in ’t boek van ’t eigen zieleleven Met scherpe stift het smartwoord werd geschreven; U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht. En als soms weer, in deze duistre dagen, Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed, De geest benauwd wordt, en het harte bang — Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen: De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!... Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.

6. NIEDERLAND! DIE WAFFEN NIEDER!

Reimchen von ein „scrap of paper” und ein „Stück Papier.”

Trulstra, Substitut-Gesandt, Ging in Deutschland informieren, Ob das grosze Vaterland Niederland wollt’ annexieren, Wenn — was er wahrscheinlich findt — Deutschland diesen Ohrlog winnt. Trulstra war der rechte Mann, Weil die Hollandsche Regierung Eiglig nicht regieren kann: Die ist nur so zur Verzierung. Trulstra ist Representant Von das ganze Niederland. Aber, Trulstra, hör’ mich an, Warum liefst du thatlig toll weg, Wenn du kamst von Zimmermann? Warum nicht zu Bethman-Hollweg? Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”, Belgien’s Tractat-Formulier! Trulstra, ehrlich dürt das langst, Krieg ist grausam, Friede seelig, Dusz bekenn nur, in dein Angst Haft du — Niemand nimmt es kwälig — Die Alliierten unterschatzt, Nicht neutral das! und misplatzt. Ein Ding hätt’ ich darum grag, Gistern schosz es mir zu binnen: Geh’ nun auch nach England, Trag’, Falls die Alliierten winnen, Dasz wir nicht, wenn das geluckt, Durch Brittannien aufgeschluckt. Und jezt fältt mir dies noch ein: Gibt auch Grey so’n „scrap of paper”, Dann kann Holland ruhig sein. Und, bekeicht man ’s auf dem Käper, Wenn kein Feind uns dähren kann: Wahrfür dient das Läger dann? Drum, Soldaten, stuhr und stramm, Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln, Braucht das Schwert fürs Boszerham, ’s Bayonet für die Kartoffeln!...... Und das Alles danken wir: „Scrap of paper” — „Stück Papier”!

7. MOEDER, WIL U BABY ROEPEN?

„En de kinderen zullen de moeders vragen hen te roepen, als ’s nachts het mooie luchtschip komt......”

(Kernkamp, De Oorlog.)

„Moeder, wil u Baby roepen, Als dat mooie luchtschip komt, Dat daar boven alle daken Verre vliegt, en gromt en bromt?” „Kind, ik zal je laten slapen, Als het Groote Monster naakt, Die je zeien, dat het mooi is, Hebben je wat wijs gemaakt!” „Waarom zit u zoo te beven? Ben u bange voor de nacht? Zal u Baby zeker roepen......??” „Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!” Baby sluimert. In het duister Zweeft de Zeplin door het zwerk, En de moordenaars daarboven Doen bedaard hun duivelsch werk. „Zal ’k er maar wat laten vallen? Dat daar, dunkt me, is een stad,” „Ja, je kunt het licht probeeren, ’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.” En hij werpt de helsche bommen Naar beneê met vaste hand, God ter eer, en voor de Zege Van het lieve Vaderland. — — — — — — — — — — — — — Baby ligt er, bleek en bloedig, In d’r bedjen uitgestrekt, Moeder hoeft ’r niet te roepen, Zeplin heeft ’r doodgewekt......

8. THE HYMN OF HATE.

„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen, So recke dich in ganzer Furchtbarkeit! Zur Liebe ist es später wieder Zeit, Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!” — Fliegende Blätter.

Het is wel goed, maar eens oprecht te praten, Je komt niet verder met schijnheiligheid, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten! Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten, Een krijgsman is goddank geen jonge meid! Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten! De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten, De liefde schept geen macht en wint geen strijd, Voor liefde is er later wel weer tijd. Nu is er maar één leuze: leer te haten! De leer van Jezus kan ons nu niet baten, Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten! Wij hebben nu voor alles surrogaten: Het surrogaat voor liefde is de nijd, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten! Dus luistert, kanselier en diplomaten: Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leert ze haten!

9. CONSPUEZ!

„Wat de Argentijnsche schepen betreft, raad ik aan, ze...... spoorloos tot zinken te brengen.” —

Luxburg, Gezant.

Oneerbiedig opgedragen aan Zijn Excellentie Graaf Luxburg.

Luxburg, schoft, je naam zal leven Tot bij ’t verre nageslacht, Door den raad, dien j’ hebt gegeven, En het plan dat j’ hebt bedacht: „Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken, Wind en weder diene je! Zorgt dat al de lui verdrinken, Leve Argentinië! Laat van ’t ons bevriende landje ’t Schip met man en muis vergaan: Helpt de lummels maar ’n handje...... Spoorloos! Heb je ’t goed verstaan? Zie je nog zoo’n stakkerig troepje, Stijf van schrik, van doodsangst stom, Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje — Slaat met ’t heele zootje om. Zie je ’n drenkeling, even later, Die zich vastklampt aan een hout, Prachtig mikpunt: kop uit ’t water! Paf — en ’t Schwein is d’r om koud! Dat geen stervling wederkeere! Al wat leeft, dat moet kapot; Moordt er raak op los, ter eere Van onz’ ouden Duitschen God. Volgt mijn raad dus; weest verstandig, Dan bè j’ hartlijk welkom thuis, En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig, Een voor één, het ijzren Kruis.” Luxburg, ’k wil je niet verhelen. ’t Is niet hoffelijk, misschien, Maar als ’k jou zag vierendeelen — ’k Zou het met genoegen zien! Van een „Duitschen God” te spreken Staat je volk volkomen vrij: Daar is ook — ’t is nu gebleken — ’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.

10. OLIEVERF-RIJM.

„Als uiterlijke gedachtenis schenk ik u, Hindenburg, mijn portret in olieverf, dat u vandaag zal worden toegezonden.” Wilhelm, I. R. — N. v. d. D.

Z. M. dicht ook. Charivarius veronderstelt dat iets als ’t volgende de schilderij tot Geleibrief gestrekt heeft.

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf, En in mijn dienst vergrijsd, Hierbij Mijn Hoofd in olieverf, In zwaar vergulde lijst. Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf! Dien ’t menschdom eert en prijst, Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf, In zwaar vergulde lijst. Gij, die zoo vaak voor Rus en Serf De Rijksvaan dreigend hijscht, Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf, In zwaar vergulde lijst. Gij zijt den vijand ten verderf, Wat uw succes bewijst; Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf, In zwaarvergulde lijst. „Koom nooit de tijd, dat ik u derf!” Dat bidt uw Vorst — neen eischt — Bij dit portret in olieverf, In zwaar vergulde lijst. Wat er verbrokle of verscherv’ — Dat maakt Mij nog het blijst — Niet dit portret in olieverf, In zwaarvergulde lijst. Wáárin het mes des tijds ook kerv’ Wááraan de worm ook spijst — Niet aan Mijn Hoofd in olieverf, In zwaarvergulde lijst. En, nadert d’ ure, dat Ik sterf, Mijn Ziel ten hemel rijst, Gij houdt ME — al is ’t in olieverf, In zwaarvergulde lijst. Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf, Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst! Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf, In zwaarvergulde lijst.” — — — — — — — — Nu weet ’k geen woorden meer op -erf, En ook geen meer op -ijst, Vaarwel dus, hoofd in olieverf, In zwaarvergulde lijst!

11. DE TIEN.

De Toorts vermeldt met blijdschap, dat een tiental Nederlanders zich bereid hebben verklaard een professoraat aan de Gentsche hoogeschool, in Duitschen dienst, te aanvaarden.

Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar? Om België’s overweldiger te dienen, Gij buigt u blij voor den geweldenaar, Gij, met uw tienen. Gij zult doceeren in den geest en trant, Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven, En zóó den zonen van ’t geteisterd land Uw wijsheid geven. Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagd Gansch België en zijn Koning te bedwingen, Begint het al zijn weldaân, ongevraagd, Hun op te dringen. Hoevelen had men al vergeefs genood? Het waren de hooghartigen, de sterken; Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verbood Gaat gij daar werken. Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt, Uw rechten en uw plichten, uw belooning; Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt, Hij is uw Koning! Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf, Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen, Die geen Portretten stuurt, in olieverf, Of Telegrammen. In dienst van hem, die België heeft geknecht, Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen, Een deel der boeten, België opgelegd, Als loon ontvangen. Voor wat de vijand aan dat volk misdeed Zult g’ onderdanig uw bewondring veinzen; Bij ’t zien van al dat onverdiende leed Zoet-schmeichlend grijnzen. Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat, En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen, Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaad Er uitgeworpen. Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer: Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’! Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer — Hij is uw schande.

12. ’T WORDT WEER AANGEVULD.

Troostrijm voor den Oudejaarsavond, opgedragen aan De Moeders.

„Tegenwoordig kunnen wij het normale verlies der troepen bijna geheel door de jaarlijksche vermeerdering der manschappen aanvullen.” —

De O. H. Minister van Oorlog.

„I didn’t bring up my boy to be a soldier.”

Amerikaansch liedje.

„Moedertje, vanwaar die tranen? Heb je zoo’n verdriet? Heb je niet genoeg te eten, Brandt je vuurtje niet?” „„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude, ’k Ben gewend aan nood; ’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten, Maar mijn kind is dood.”” „Dapper heeft uw zoon gestreden, Kijk maar in de krant; Schoon is ’t, Moedertje, te sterven Voor het Vaderland!” „„’k Lees geen kranten, want mijn oog is Dof van droefenis; ’k Weet alleen maar dat mijn jongen Weggenomen is.”” „Maar zijn naam zal in ’t Geschiedboek Staan, met eer vermeld; Voor zijn Volk en voor zijn Keizer Stierf hij als een held!” „„Voor zijn Volk en voor zijn Keizer Bracht ’k mijn zoon niet groot; Roem en eere zijn gebleven, Maar mijn kind is dood.”” „Troost je, Moeder. Droog je tranen! Draag het met geduld; ’t Is ’t normaal verlies der troepen, ’t Wordt weer aangevuld.”

13. IN DEN GULDEN RIDDERTIJD.

(„In den Gulden Riddertijd.” — Marlowe-Pisuisse.)

In den gulden riddertijd Was er schoonheid in den strijd, Streed men niet in leelijk kakhi, Maakten handelaars geen zaakie Uit den oorlog, met profijt — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Was er stoere eerlijkheid, Waren er geen persberichten Om het volk valsch voor te lichten, Haat te zaaien, haat en nijd — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Raakte men zijn hoofd niet kwijt, Hooggeleerde professoren Deden geen betoogen hooren Mal van oppervlakkigheid — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Trad de ridder kalm in ’t krijt, En geen dikke telegrammen Om den moed te doen ontvlammen Werden onder ’t volk verspreid — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Werd er stevig gerammeid, Hard geslagen, fel gestooten, Maar niet met dum-dum geschoten, Die ’t gebeent’ in splinters splijt — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Was op d’ open zee de strijd, Deden geen verborgen mijnen Schepen machinaal verdwijnen, Zonder moed en dapperheid — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Was er edelmoedigheid, Was er geen gemeene duikboot, Die een schip laag in den buik schoot Als een dief, die ’t daglicht mijdt — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Streed men niet des duivels-strijd, Wierp geen vliegersvloot in drommen Vrouw en kind met helsche bommen, Streed men niet als Satan strijdt — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Bleef men ridder in den strijd. ’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien, ’t Draaien, placht men te verfoeien, Eens gezeid — dat bleef gezeid! — In den gulden riddertijd. In den gulden riddertijd Was er openhartigheid, En voorzichtige neutralen Zwegen niet in alle talen. Over ’t onrecht in den strijd...... In den gulden riddertijd!

14. „SCHIMPT HEUSCHELIJCK!”

Leerdicht voor de Belgische dames.

„De 16-jarige gravin Hélène Jonke d’Ardoye is door het Duitsche Gerechtshof te Brussel tot 3 maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij op de Boulevard een Duitsch officier op de grofste wijze heeft beleedigd. De gevangenisstraf is verdiend wegens de gemeene uitdrukkingen, waarvan de gravin zich bij die gelegenheid bediende, en die een opmerkelijk gebrek aan takt en opvoeding verrieden. Hare grootmoeder, die aan de beleedigingen deelnam, moest evenzeer met gevangenis worden bestraft. Het is te hopen dat deze vonnissen den Belgischen vrouwen tot waarschuwing zullen strekken.” —

Wolff’s Bureau.

Een jolig, jong gravinnetje Liep langs de Boulevard, Een kuiltjen in d’r kinnetje, Een krultjen in d’r haar. En naast haar liep haar grootmama, Daar keek natuurlijk niemand na. ’t Was heusch een lief gravinnetje, Zoo vriendelijk als de dag, Maar — nijdig als een spinnetje, Zoodra z’ ’n Duitscher zag! Dan uitte ze de grofste taal — En grootma had dezelfde kwaal. Daar komt een stramme luitenant, Hij vult de halve straat, Echt Pruisisch aan den buitenkant, Al is zijn hart niet kwaad; Zijn snorren wijzen, in een boog, Naar onzen oude, daar omhoog. Hij doet...... enfin ge kent ze wel — Luid briest zijn hoog-Germaansch, Zijn stem is tien percent te schel, Zijn kleur kalkoensche-haansch; Zijn blikken schieten twee en veer- tig centimeters vonk’ — en meer! „’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!” Roept grootma — veel te luid, En sist, en trekt een langen neus...... Daar krijscht gravinnetje uit, Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst: Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!! Nooit is den luit, zijn leven lang, Zoo’n smaadheid aangedaan, Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang...... Maar — ’t komt haar duur te staan: Ja, dames, ’t is niet na je zin, Maar...... allebei de bajes in! Een vrouwenmond staat zelden stil, Hij kleppert onverveerd, Maar, dames, àls je schelden wil, Scheldt dan gedistingeerd! Waarom is Jonke opgepakt? Van wege haar gebrek aan takt. Het lot van ons gravinnetje Zij u een les, voorgoed; Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje, Als g’ ook zoo’n luit ontmoet, Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer, Wees u zoo goed en...... explodeer!”

15. DIETSCHLAND, DIETSCHLAND, UEBER ALLES!

„Opgericht is de Dietsche Bond, met het doel de onderlinge toenadering der Dietschers, de ontwikkeling der Dietsche sprake, enz. Bestuur: Prof. Steinmetz, e. a.” —

Bericht in de bladen.

„Wat heb ’k nou an me fiets hange?” —

Populair gezegde.

Dietsch, Dietsch, Dietsch! Wat hangt er an me fiets? Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft, Zoo’n ding met...... Steinmetz aan het hoofd En nog zoo’n stuk of zes? Nou, reken maar van yes! Dietsch, Dietsch, Dietsch! Zeg, zegt dat woord je niets? Mij wel. Dit ’s de beteekenis: Dat „Holland” bijna „Duitschland” is; Ja. Al dat „Dietsch” gedoe Drijft ons naar Duitschland toe! Dietsch, Dietsch, Dietsch! Zoo heet het niet voor niets! Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.” Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand...... Zoo loopt het zaakje best, En volgt vanzelf — de rest! Dietsch, Dietsch, Dietsch! We weten nu toch iets: Dat ons die Dietsche Dietschers-boel Iets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel; Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch” Is — Duitsch, en anders niets! Dietsch, Dietsch, Dietsch! Ik ben aan ’t eind mijns lieds. O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam, Kom, noem je met je waren naam, Dan weten we ’t precies: Dus, lummel, noem je...... Pries!

16. O, GIJ, EENS DE ZON VAN MIJN LEVEN.

Toekomstbrief van een Neutraal aan Gretchen, zijne Duitsche Beminde.

Het Duitsche Tandheelkundig Weekblad oppert het denkbeeld om aan gesneuvelde vijanden de tanden uit te trekken, teneinde de gebitten der Duitschers te herstellen; vooral de tanden van de gevallen Russen worden aanbevolen, daar ze bijzonder wit en sterk zijn. —

N. Gr.

O, gij, eens de zon van mijn leven, Mein Gretchen, aanbiddelijk kind! Gij hadt mij den hemel gegeven, Wat heb ik u innig bemind! Mijne ziele verhief Zich zoo zalig, mijn lief, Als de wolk op de wiek van de wind. „Ffff......t!” Wat hebben wij samen genoten, Zacht fluisterend in ’t suizende bosch, Waar meerlen ons minnelied floten, Wij, schouder aan schouder, op ’t mos! Als lelie en roos Kind, zoo scheen, bij ’t gekoos, Mij het blank van je hals, en je blos. „Ssssss......t!” En als ik dan, minnelust-dronken, Je kuste, mijn lief, op je mond, Al streelend, in weelde verzonken, Je vlecht van het vlassigste blond, Dan zuchtten wij zacht Van de Liefde, die smacht, En de zephiren ruischten het rond. „Hhhhhh......!” Toen heb j’ eens gezegd, lieve Greetje, Dat alles heel echt aan je was; ’k Geloofde je daadlijk, dat weet je: ’k Geloof in de trouw van je ras. Maar je voegde er bij: „Slechts die tand, hier op zij, Zoo sneeuwwit, en zoo glimmend als glas, („Hm!”) Die heb ik er in laten zetten.” Zoo sprak je, en gaf mij een kus...... Ach! dàt zal ons huwlijk beletten!! Want ’k las....... (zie hierboven) en dus...... Ik ka’ j’ niet meer zien!! Want die tand is...... misschien Wel gerukt uit het lijk van een Rus!! „Brrrrr!!”

17. ACH, DEDEN WIJ OOK MAAR MEE!

Een Amerikaansch oud-senator schrijft in de Times: „In Amerika hoort men nu herhaaldelijk uitingen van leedwezen, om niet te zeggen van teleurstelling over de omstandigheid, dat de Vereenigde Staten zich niet in den grooten wereldkrijg gemengd hebben.”

Wat is het toch akelig duf en saai, die eeuwige pais en vree! Lang leve de frissche, de vroolijke krijg! ach, deden wij ook maar mee! Bij ons is er niemand met haat bezield, met hevigen, blinden haat, Voor iederen man en voor iedere vrouw, en kind, van „den anderen staat.” Wij hebben nog wel wat waardeering hier, al maken w’ ons soms wat boos, Wij zien toch het goede in ieder land — wat laf! wat karakterloos! Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegd voor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood, Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel, veel prettiger: voor den dood! Hier zie je niet ieder gezin in rouw, om vader, of man, of kind, Hier zie je de straten niet volgepropt met monsters, verminkt en blind. In Duitschland spelen de kindren al een heel aardig spel op straat, ’t Is origineel, en goed bedacht, het heet „De gewonde soldaat.” Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd, hij komt er zoo uit ’t gevecht, Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht, hij doet het heel leuk, net echt. De kinderen spelen hier nooit zoo iets, ze kunnen ’t niet eens, misschien: Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit ’n gewonde heusch gezien. Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel, ’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an? Dáár zie je ze overal bij de vleet, de stompjes gewezen-man. Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien, hoe heerlijk het is. Hoezee! Lang leve de frissche, de vroolijke krijg! ach, deden wij ook maar mee!

18. DAT IS HET!

Tubantia-rijm.

„Een jongmensch uit de machinebranche verzekerde ons: „Ik geloof evenmin aan een torpedo als aan een mijn. Naar mijne meening was de een of andere kist in het schip de oorzaak. Van dezelfde meening zijn ook alle geredden.”

Kölnische Zeitung.

Wijze: „’t Is zoo deftig, ’t is zoo fijn, Vegetariër te zijn.”

Waardoor is het schip gezonken, Zijn de menschen haast verdronken? Was, als reeds zoo vele keeren, Duitschland weer aan ’t torpedeeren? De regeering informeerde, Waarop Duitschland repliceerde, Met een verontwaardigd antwoord, Dat bij ’t vredelievendst land hoort: Dat je zóó iets kon gelooven, Dat gaat ons verstand te boven, Holland moest ons zoo niet krenken, Foei! hoe kon het dààraan denken......! Laat’ we dus maar niet meer gissen, En eenvoudig dit beslissen: Geen torpedo en geen mijn — Dus het moet...... de zeeslang zijn! Engeland had, naar ieders oordeel, Met dit wanbedrijf geen voordeel, En hoewel de Duitsche bladen Gauw de schuld op Albion laadden, Engeland van ’t werk betichtten Lachen wij om die berichten, Laat’ we dus maar niet meer gissen, En eenvoudig dit beslissen: Geen torpedo en geen mijn, Dus het moet de zeeslang zijn! Wat de Kölnische bedacht heeft, Dat een kist de ramp gebracht heeft, Schijnt een zeer gegrond vermoede’, Maar het blad houd’ ons ten goede, Dat we even twijflen durven...... Laat’ we dus maar af gaan turven: Dit niet — dat niet — dit niet — dat niet — Een toevallig lek niet — gat niet — Dit niet — dat niet — dit — dat ook niet — Heks niet — booze fee niet — spook niet — ’t Is de mysterieuze kist niet — Engeland is ’t niet — Duitschland is ’t niet — Laat ons dan niet verder gissen. ’t Staat nu vast. Het kan niet missen: Geen torpedo en geen mijn...... Ja! het moet de zeeslang zijn!

19. WANHOPIG BESLUIT VAN EEN GESLINGERD KRANTENLEZER.

„Dronken of gek — wie meenen, dat een Duitsch officier te hoog staat voor deze qualificaties, hoe anders kunnen zij het gebeurde met de Artemis verklaren, waardoor een brandmerk is gedrukt op de Duitsche marine? — Zoodat wij, in afwachting van een verklaring, die voor den betrokken officier minder onaangenaam is, voorloopig alleen de keus hebben tusschen bovengenoemd alternatief.” —

Prof. Kernkamp, De drijvende dood.

„Van welke zijde men de zaak ook beziet, is het optreden van de Engelsche regeering in deze kwestie — de aanhouding der effecten — als een ongehoorde rechtsschennis aan te merken, waardoor roekeloos met de sympathieën der neutralen wordt gespeeld.” —

Hbl.

Eens was ik pro-Duitsch — maar dat kun je niet blijven, Als j’ even bedenkt, wat ze doen, Die Duitschers, in ’t dwaze, doldriftige drijven, Teg’ ieder begrip van fatsoen, Hoe groot, en hartgrondig, rechtvaardig de grief is, Nu rede noch oordeel meer geldt, Nu „dronken, of gek” slechts het alternatief is, Aan Duitsch’ officieren gesteld. (Tubantia????) Artemis! en zoo veel meer nog, Te veel voor mijn kleine bestek; Wat wacht ons nog meer van dien kant? Hoeveel keer nog Zal ’t klinken, het „dronken, of gek?” Ook was er een tijd, dat ik hevig pro-Britsch was, Wat leek mij mijn vaderland klein! Toen d’ Engelsche spirit mijn leidsman, mijn gids was, En ’k bijna een Brit wilde zijn! Maar als ik nu opmerk, hoe trotsch en verwaten, Hoe strijdig met regel en recht, Brittannia, spottend met alle tractaten, Beslag op onz’ eigendom legt, Nu komt mij de twijfel de ziel ondermijnen, — Hoe graag ’k dit gevoel overwon — Nu zie ’k sympathie en bewondring verdwijnen, Versmelten, als sneeuw voor de zon. Nu elk van de twee ons zoo bar op de kop zit, Ons hoont, krenkt, ons minacht, in ’t kort, Nu vrees ik wel, dat er niet anders meer op zit, Dan dat ’k maar... pro-Nederlandsch word!

20. DIE GROSZE ZEIT.

„Bilder aus groszer Zeit” — Gebruikelijk opschrift in Duitsche illustraties.

Wie sukkelt aan produitserigheid, Die zwetst — je weet ’t van te voren — De Duitschers na van „Grosze Zeit,” En dankt zijn Schepper dag aan dag, Dat hij dien tijd beleven mag. Dat schijnt er nu zoo bij te hooren. Toen d’ oorlog uitgebroken was, Dien wij vervloeken en verwenschen, Die schande voor het menschenras, Toen schenen de bedrijvers mij Verblinden, als in razernij, Verdwaasde, geesteskranke menschen. Maar toen daarna, langzamerhand, Het schelden toenam, en het kijven, Zoowel aan d’een’, als d’ and’ren kant, Toen kreeg ’t geval ten slotte veel Van ieder achterbuurt-tooneel: Een zooi bezopen Zeedijk-wijven. Toch schijnt het tegenwoordig al Zoo mooglijk nog weer te vermind’ren. ’t Is niet meer erg. Alleen maar mal, Het „Wel-is!” „Niet-is!” „Jij!” „Nee, jij!” Hier past nog maar een grimlach bij, Als tegen nare, stoute kind’ren.

21. DE GROOTE TOEVLUCHT.

De luchten zijn onwederzwanger, De donder dreunt dof door den nacht, De nooddruft nijpt banger en banger, Maar Holland is wakker, en wacht. Waar Armoê zich mat weent en moe zucht, Daar wenkt, als het Licht op de reê, De groote, genadige Toevlucht: Het Steuncomité. In deze bedroevende dagen, Nu alles een slakkengang gaat, Wordt menige werkman ontslagen, En staat met de zijnen op straat. Goddank dat de man nog bewaard blijft Voor honger en nameloos wee: Wie zorgt, dat hem schande bespaard blijft? Het Steuncomité. Arm moedertje zit er te peinzen, Nu ’t monster van Nood en Gebrek Kil-kijkende gram staat te grijnzen, Zij rilt in haar schamel vertrek. Haar jongen, haar kostwinner, hangt maar Wat om — zonder werk, ontevreê...... Met opene armen ontvangt haar Het Steuncomité. Het heertje, dat niet veel te doen heeft, Niet werkt en niet drinkt en niet speelt, Het meiske, dat last van fatsoen heeft, Zoodat ze zich chronisch verveelt, (Haar wangetjes zien er al wit van!) O, is het geen troostrijk idee! Die worden nu allemaal lid van Een Steuncomité. En als deze oorlog voorbij is, Dan doeken de steunclubjes op; Natuurlijk dat iedereen blij is, Maar ’k vin’ ’t voor de leden een strop; Want evenals iedere zeeman Op ’t land weer verlangt naar de zee, Zoo mist dan de Steuncomité-man Zijn Steuncomité. Ja, zóó als de visch naar het water, De drenk’ling in zee naar de plank, De kat op het dak naar den kater, De pimpelaar snakt naar den drank. De loerende Duitsche onderzee-er Naar ’n Engelsche trawler, of twee...... Zóó snakt dan de steuncomité-er Naar ’t Steuncomité.

22. IK HEB NU NET EEN JAAR GEMOORD.

Bloedrijm, opgedragen aan allen, die het schoone in den oorlog nog weten te waardeeren.

„Wat moet mijn zoon worden?” (De zoon is de held aan ’t front.)

Ik heb nu net een jaar gemoord, Verminkt, geslacht, gestoken, Gejammer en gesteun gehoord, En lijkenlucht geroken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat Volgd’ ik de Tien Geboden — ’k Bedoel dan die voor den soldaat, Dat ’s tienmaal: „Gij zult dooden!” ’k Ben één dier veel bewonderden, Die echt goed mikken konden, Ik heb al vele honderden Naar ’t vroege graf gezonden. Ook bommen gooien was mijn werk, Ik smulde van die dingen! ’k Heb heel wat kerels, jong en sterk, In stukken laten springen. Een arm lag hier, een kop lag daar, Een been hoog in de boomen, En één keer heb ik er zoowaar Een kiekje van genomen! Eerst werd ’t mij wel eens wee en bang, Dat wil ik niet ontkennen, Maar twaalf, twaalf maanden lang! Dan ga j’ er wel aan wennen! Ja, mijn (koel-)bloedigheid is groot, ’k Màg wel zoo’n beetje slachting; Ik geef niet om een ander’s dood — Is dat geen „doodsverachting?” ’k Zeg wàt je doet, zeg, doe dat goed, Ook dooden en verdelgen, Ja bloed en bloed en bloed en bloed En bloed — daar kan ’k in zwelgen! En steken met een bajonet! Vergiftigen met gassen! Maar ’t meeste heb ’k mijn hart gezet Op bloed en bloed in plassen! En is ons moordwerk eens voorbij Dan zal ’k me dood verkniezen; Hoe moet ’k me in de maatschappij Een passend handwerk kiezen? Ik weet wat. Eén vak dat ik ken! Al staat het ook wat lager Maar een waar ’k héél geschikt voor ben, Ik weet het: ik word slager!

23. DE HOCHKULTUR EN DE BLOOMING FOREIGNER.

Het moet maar weer het topic zijn, dat niet te mijden is: Alweer de oorlog. — Hier is mijn geloofsbelijdenis. Entre les deux mon coeur balance, waarom — dat zul je lezen; Dus: honni soit qui mal y pense, ’k zal openhartig wezen. Ik mep ze beiden op ’t gezicht, en ’k loof ze — doe ’k expres: Dan blijft de zaak in evenwicht, en ik krijg geen proces. Het leusgeleuter is voor land- genooten en voor kindren, Neen, Duitschland wou den Grooten Brand — de Brit wou ’m niet verhindren. Brittanje sluit den toevoer af van ’t sterke Duitsche rijk, Wel, Duitschland slaat terug voor straf, nou...... beiden schóón gelijk! ’t Duitsch snorkerig telegramgedruisch verveelt ons wel ontzachelijk, Onz’ oude God en ’t IJzeren Kruis — dat vind’ we hier belachelijk. O, land van vrijheid-in-den-Staat, — ons voorbeeld — Engeland, Van zelfbestuur, van rappe daad, ons bindt een sterke band! En d’ Engelschman, steeds kalm (zelfs nu) die heelemaal geen „soldaat” is, Hij trekt ons aan, doordat hij hu- morist, sportief, en „smart” is. De Duitsche wetenschap en vlijt, de kunst, vooral muziek, Het bier, en de Gemüthlichkeit, ze zijn ons sympathiek. Voor Duitschers zijn die Fremden zeer, zéér achterlijke horden, „Kultur” dat zeggen z’ al niet meer, dat ’s „Hoch-kultur” geworden. De Brit behandelt iedren vreem- dling hoflijk, als een heer, Maar ziet — wat ’k hem niets kwalijk neem — diep op den foreigner neer. Hij heeft alleen maar te veel smaak, te vriendelijke manieren, Om op Kultur zoo van de da- ken af te renommieren. Wij haten ’t Britsch schijnheilig, slap- pe kijk-devoot-geteem, En ’t Duitsche lik-naar-boven-trap- naar-onderen-systeem. Zoodat ’k oprecht verklaren moet, — kan ’t meer neutraal gezegd zijn? — Ik vind dat z’ allebei even goed, en allebei even slecht zijn. En als het eindlijk vrede is, wat wacht ons landje dan? ’t Is mooglijk dat ik me vergis, maar dit denk ik er van: Krijgt Engeland de heerschappij, dan zal ’t niet heel veel praten, Maar kalm den blooming for’ner vrij — — dat is: tevreden — laten. Als Duitschland — Heer, verhoed het maar! — zijn Gods-bevel volvoert, Dan word’ we door een ambtenaar ver-über-hoch-kulturt.

24. OPEN BRIEF.

(Welkomstrijm aan „De Toekomst.”)

Aan Prof. Sleeswijk, dr. van Vredenburch en Prof. Valckenier Kips, Redacteuren.

Heil U, hoog erhavene Lieden! Luistert naar mijn Woord een Wijl, En gestaat m’ U Lof te bieden, Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil! Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt, Te verspreiden Duitschen Geest, Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijt Door ’t Gezindel, dat U vreest. Gij, die Gij zoo groote Dingen U te onderstaan verzoekt, Glanzend moge Uw Werk gelingen, Looft den Pruis — den Brit vervloekt! Is het ja niet te beduren, Dat men Pruisische Kultur, Plaats ze immer aan te vuren, Hier verkent, als ik ervoer? Ach, bestreeft U met elkandren, Keizer Wilhelm trouw ten Dood, Ons almalig om te andren, Duitsch te maken, Pruisisch — groot. Schade, dat niet langst in dezen Oorde klinkt de Wacht aan Rijn! Ach! dat waar te schoon gewezen, Ach! dat heeft niet zullen zijn! Met begeesteringsvolle Wijding U ontledigend van Uw Taak, Teigt G’ in d’ Omslag van Uw Tijding Schoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak. Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zich Doch om zoo veel beter, ziet: D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zich Lezen: „ö”, als: „Goethe”, niet? Ja, ’k verloof m’ U in te laden, (’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?) Tuisch den naam om, laat u raden, Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”! Ach, Uw werk is lievenswaardig, En gevallig ied’ren Pruis, Uiterdien bestemd grootaardig, Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis! ’k Vrees mij slechts door andre Proffen, Schrijvers in Onze Eeuw of Gids, Wordt naast Uw Vereen van — Daargesteld een „Club” (pro-Britsch). En ’k verwacht zoovoort niet anders Als dat hier straks even goed d’ Oorlog tusschen Nederlanders Zooals nu in ’t Uitland, woedt...... Wederig is mij alle tanken Innerhalf mijn dure land; ’t Bruist een Roep in heetere Klanken: Wapen neder! Hader bant! Maar t’ is Tijd om optehooren, ’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs, Lof zij God, die U verkoren, Schleswig, Friedenburg en Kiffs!

25. DE TOEKOMST.

(„Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.” — Stijn Streuvels in de Nieuwe Groene.)

Stijn Streuvels heeft gelijk. Zoo is ’t. Ik ben gerust. Herhaalt het, Hollanders, verkondt het van de daken! Dat het weerklink’ van berg tot berg, van kust tot kust: Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken! Wij willen wel waardeeren waar het kan. Maar toch, Wij hebben andere noties, neigingen en smaken; Onze eigen aard van eeuwen her — hij is er nog! Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken. Hollandsche humor blijft, geschoeid op d’ eigen leest, De zachte taal — vol kracht! — die onze vaadren spraken, Maar bovenal blijft onz’ ontembre Vrijheidsgeest... Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken. Laat dan een duistre Tukomst-bent in wee gevlei Hun waardigheid en plicht en landsgevoel verzaken; Keert hun den rug toe. Wat wij zijn, dat blijven wij. Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken. Wordt soms de Taal, door germanismen in de krant En menig boek — bekent het met beschaamde kaken! — Van ’t pootig Nederlandsch tot duf plat-Duitsch ontmand, Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken. Ja, ook al mocht voor Holland zelve d’ ure slaan, En ’t Lam, door overmacht, in ’s Adelaars klauw geraken, Des Grooten Zwijgers geest zal nimmermeer vergaan... Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.

26. WAT ZIJ KUNNEN DOEN.

Afscheidsrijm aan „De Toekomst.”

Vier jaren lang hadt gij den last te zeulen Van wat gij hieldt voor uw verheven plicht; Om met den keizer-en-zijn-kliek te heulen; Met wellust hebt gij ’t weeë werk verricht. Daar velde plotseling de bliksemschicht Uw aangebeden goden — België’s beulen. Gij zette (en niet ten onrechte) een gezicht, Alsof ge ’t hoorde donderen in Keulen. Nu is uw lekke, wrakke schuit gestrand, En kiel en dek en mast ligt stukgeslagen. Wat kunt gij nog beginnen, mag men vragen, Nu gij het groote Deutsche Vaterland Niet weeklijks meer kunt vleien, loven, likken? Gij kunt... je kunt voor mijn part allemaal — !

27. O, DIE BLINDE, BLINDE, BLINDE...

O, die blinde, blinde, blinde, Blinde, blinde Duitsch-gezinde, Die maar nooit iets kunnen vinde’ In hun hoch-kultursche vrinde’ Dat niet über-hoch-volmaakt is, Waarvan elk direct geraakt is, Die ’t eenvoudig niet verdragen, Als je ’t maar zou durven wagen, Even, weifelend, te vragen, Of in al die oorlogsdagen, d’ Uber-hoch-kulturelingen Nooit één enkele fout begingen? Laat’ we, zonder te laveeren, Ons de luxe permitteeren Om nog wat te critiseeren, Laten we toch profiteeren Van het feit, dat wij nog vrij zijn, Dat we werklijk geen partij zijn. Met pro-Britten valt te spreken, Die zijn niet zoo blind gekeken, Zien in Engeland, ’t is gebleken, Hier en daar nog wel gebreken. Is ’t niet juist ons grootste voordeel, Dat we vrij zijn in ons oordeel? En nu mag ’k niet eens wat spele’, Spotten, schertsen met de heele Vele, vele, vele, vele Dikke-lange-woorden-tele- Grammen, die ze prachtig vinden Die ze lezen en verslinden! En terwijl ze plots ontbranden, Voor het heerlijkst land der landen, Slaan zij klapprend met de tanden, Woest, met allebei de handen, In vervoering op de tafel, Schreeuwende: „hou jij je wafel! Duitschland, moedig, kloek en krachtig, Heerschen zal en moet het, machtig Over d’ aard, alleen, eendrachtig, Deze strijd is grootsch en prachtig!” En geen enkel Duitsch sergeantje, Korporaaltje, luitenantje, Heeft ooit iets, iets, iets misdreven, Krieg ist Krieg — zoo is nu ’t leven, Ziet, hoe heerlijk en verheven Zij zich in den dood begeven... En zij zingen: hoog den Keizer! Wie is grooter, wie is wijzer? En dan wordt er schel geschetterd, Ge-potstausenddonnerwetterd, Dat het klinkt en knalt en knettert, En — ik ben maar ongeletterd, Ik kan ’t niet zoo mooi vertellen, Hoe ze ’t weten voor te stellen — Maar dat brallen, ’t brengt hun laving Op de Duitsche hoogbeschaving, Duitsche uitduur en begaving! En dan zingen zij tot staving Van hun woorden, overmeesterd Door hun geestdrift, gansch begeesterd, Unsere Wacht am Rhein, bestendig, Want die kennen ze uitwendig, En ze smokkelen behendig Menig leelijk, lomp, ellendig Germanisme in hun zinnen, Want per slot moet Duitschland winnen, En we moeten, zelfs in ’t praten, Nu al vast bemerken laten, Dat we ’t liefst bij Duitschland zaten, Als een van de Bundesstaten. Duitsch zijn zou hun ideaal zijn, Neen, zij kunnen niet neutraal zijn, Door de banden, die hen binde’ Aan Groot-Duitschland, ’t veel beminde, O, die blinde, blinde, blinde, Blinde, blinde Duitsch-gezinde...!

28. DE ZWARTE LIJN.

Anti-pro-Rijm.

Ach, ons goede land, eilacy! Is verdeeld, al is er vreê, Onze „eensgezinde” natie Scheidt een zwarte lijn in twee. ’t Is de lijn, die fel-proditten Van de fel-prodatten scheidt, Die de Duitschers en de Britten Nadoen — in een pennestrijd. Als de honden en de katten Staan ze klaar tot krab of beet, De proditten en prodatten, Even vinnig, even wreed. Waarom moeten wij toch dwepen Met den Duitscher of den Brit? Heb je nog al niet begrepen, Dat je net in ’t midden zit? Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen, Waaraan hebben wij ’t verdiend, Dat de vader van zijn zonen, En de vriend wijkt van den vriend? Bij de huiselijke feesten, Waar juist alles één moest zijn, Scheidt de harten en de geesten Die beroerde zwarte lijn! Vriend en vriend, en zoon en vader, Elk aan elken kant der lijn! Brengt je dan ’t idee niet nader, Dat de strijders gekken zijn? Gekken zijn ’t! aan beide zijden, Onze sympathie niet waard, Te verdwaasd om uit te scheiden, Als een toomloos, hollend paard. Duidelijk verklaart het geene, Waarom hij ’t gemoord begon, „Prusianisme”, zegt de eene, d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.” En met zulke vage woorden Snelde men in ’t strijdgewoel, En zoo als de grond van ’t moorden, Even wazig — is het doel. Laat ’m branden, ook al brandt ie Nóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts, Weg met pro’s! Wees enkel anti: Anti-dollemans-oorlogskoorts!

29. DE MELKKNECHT EN DE DUITSCHE KULTUR.

„Wij ontmoetten dezer dagen een knap man uit het volk, die jaren lang als melkknecht in Duitschland was werkzaam geweest. Zijne krachtige, sympathieke persoonlijkheid wekte vertrouwen, en wij konden den lust niet weerstaan hem te ondervragen, om van hem te vernemen wat hem van de Duitsche kultuur had gesproken. „De Duitschers zijn vlotte menschen,” zeide hij. — „En het drinken?” vroegen wij. „Bier,” was het antwoord. „Overal en altijd in Westfalen, bier.” — Toen begon ik zoowat over de denkbeelden van von Treitschke en Bernardi. Dat was echter aan onzen melkknecht onbekend terrein gebleven. — Men kan zeker niet afgaan op de ondervindingen van één Nederlandschen melkknecht, wanneer men wil weten wat de Duitsche Kultur beteekent. Toch valt niet te ontkennen, dat de opmerkingen van den melkknecht misschien den sleutel geven, waardoor wij een der hoofdoorzaken van het succes der Duitschers leeren begrijpen.” N. R. C.

Wij zijn niet lichtvaardig en wuft van natuur, We gelooven maar zóó niet wat elk zegt! We hebben daarom, want we zijn wat secuur, d’ Opinie gevraagd over Duitsche kultuur Van een knappen en krachtigen melk-knecht. „O melk-knecht,” zoo spraken we, vriendlijk, maar vrij, „Het zal ons een werklijk genot zijn, Te hoor’n wat U dunkt van Kultur!” ...„Zeg maar jij!” Zei de melk-knecht, „en ’k zweer je,” zoo voegd’ ie er bij, „Dat de Duitschers beslist ruizevlot zijn!” Nu kwam er een vraag op — belangrijk genoeg Maar we plaatsten haar wat onverwàchts hier — „Wat is er de drank?” — „Bij m’n eg en m’n ploeg!” Riep hij uit, „dat is bier, bier-bier-bier — ’s morgens vroeg, En ’s middags bier, ’s avonds bier, ’s nàchts bier!” „Maar luister eens,” zeiden we, ietwat bedeesd, — Want die melk-knecht bleek lang niet van gister! — Maar dat intrigueerde ons toch nog het meest, „Is-t-er dan een speciaal-Duitsch kultuurlijke geest?” „Nou reken maar!” sprak hij, „die is-t-er!” „Wat dunkt je van Treitschke?” zoo gingen wij voort, „Wat is jou idee van Bernardi?” „Zeg, as-je-me-nou!” sprak de melk-knecht verstoord, „O ja, toch, daar hè ’k wel ’s wàt van gehoord...... Maar ’k weet ’t niet meer. Ik verwar die — ” Men kan zeker niet op hetgeen wordt beweerd Door een Hollandschen melk-knecht maar, afgaan, Wanneer men zich sterk voor „Kultur” intresseert. Maar alles wat hier omtrent „Bier” wordt geleerd, Zal menigeen toch nog doen paf staan. Charivarius is net als het deftige blad, Hij gelooft ook maar zóó niet, wat elk zeit, Maar als hij „Kultur”-vorschings-neigingen had, Ging hij voor een klein interviewtje op ’t pad...... Met een knappe en krachtige melk-meid!

30. WE WONEN IN EEN HOUTEN HUIS.

Gerijmd na het lezen van Prof. Kernkamp’s „Hou zee!” — Prof. Dr. Kernkamp. De Europeesche Oorlog. Uitg. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem.

We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet, De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet. Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd, Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1) Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft, En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2) Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A, Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na. Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 — Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B. In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld, En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”. ’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip, We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip. Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, de Telegraaf verbrand, Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’t Vaderland. Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed, De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet. Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin, Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in. Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet, Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...

31. LEUZEN-RIJM.

„De valsche leuze is een onmisbaar oorlogswapen...... Zij is bestemd voor de outsiders...... Men gevoelt, dat de oorlog een zoo afschuwelijk iets is, dat „belangen” niet volstaan om hem te rechtvaardigen; door edeler doel moet het afzichtelijk middel worden geheiligd.” Prof. dr. Kernkamp. De Europeesche oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem.

In de lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer Streed men om „belangen”, Macht en Rijkdom, Grootheid, en zoo meer. Thans vecht niemand om motieven van een dergelijk laag allooi, Dààrom juist is deze oorlog zoo verheffend en zoo mooi. Hoog en heerlijk is de leuze, die elk Volk in ’t Vaandel voert, Wij Neutralen lezen z’ alle, vol bewondering, diep geroerd...... Maar nu wordt toch tegenwoordig ’t aantal wel zóó uitgebreid, Dat ’k ze maar eens heb verzameld — want je raakt de tel haast kwijt. Ach! in Oostenrijk werd plotseling Vrede en Eendracht ruw verstoord: ’t Koningspaar werd daar laaghartig door — wie was ’t ook weer? — vermoord. En men zond een ultima... pardon! een „Nota” net op tijd; Trok ten slotte ’t zwaard — alleen ter wille der Gerechtigheid! Rusland, in de gansche wereld, (ook in Finland) zoo geliefd, Was door ’t harde lot van Servië tot in ’t diepst der ziel gegriefd. ’t Volk van Knoet, Kozak, Siberië is met zooveel leeds begaan: Ter bescherming der verdrukten scharen zij zich om de vaan. Frankrijk, ’t land van politieke Orde, Eerlijkheid en zoo, (Wie herdenkt niet met genoegen Dreyfus en ’t proces-Caillaux?) Steunt met roerende verkleefdheid zijn bedreigden bondgenoot, Onder d’ aanhef van de leuze: „Trouw, ja trouw tot in den dood!” „Deutschland, Deutschland über Alles!” is een hoogst bescheiden air, De Uhlaan is vredelievend — Pruisen anti-militair, Duitschland schuwt, verfoeit den oorlog, haat het vechten en het vuur, Is tot dezen strijd gedwongen — vecht voor Vrijheid en Kultuur. Engeland is dol op Duitschland, voelt geen greintje jaloezie Op zijn sterken jongen nabuur — denkt niet aan hegemonie! Strijdt voor ’t Recht der Kleine Staten — zooals België (en Transvaal), Voor ’t goed recht der kleine staten! Hoor je ’t wel? Dat’s andre taal? Nippon! Nippon yusen kaisha, watakushin Engeland, Yen, Yi-Yitsu, kakimona, ’t gele ras, de broederhand, Ra Mikado sore geisha, hari-kiri Albion’s keus, „Mizugwashi fuji sama rokuban!” is dààr de leus. In Turkije, schoon Turkije, waar Geloof en Vrijheid bloeit, Is voor dezen Heilgen Oorlog plots de Turksche borst ontgloeid, En millioenen Muzelmannen strijden met den vromen kreet: Allah is (Onze Oude) Allah — Mahomed is zijn profeet! België alleen vecht zóó maar — wreed geteisterd door het lot — Zonder mooie telegrammen, zonder eigen Ouden God. ’t Arme België kon niet eens — wat iedre nette natie doet — Kon niet eens een leus bedenken! België vecht... omdat het moet!!

32. REIK MIJ DE HAND, OF......

De Duitsche vredesengel spreekt: „In het gevoel van de overwinning, die gij door uw dapperheid hebt behaald, heb ik den vijand een vredesaanbod gedaan... met Gods hulp hebben onze dappere troepen dezen toestand geschapen...... de heldendaden onzer duikbooten...... de geniale aanvoering en de heldhaftige daden onzer troepen...... de keizer gaf het bevel tot mobilisatie, dat hem door de Russische mobilisatie was afgedwongen...... ter verdediging van ons bestaan zijn wij destijds gedwongen naar de wapens te grijpen...... de heldendaden onzer legers...... de ons opgedrongen oorlog...... besloten tot het zegevierende einde voort te zetten...... in 1914 hebben onze vijanden de machtskwestie van den wereldoorlog gesteld, vandaag stellen wij de vredeskwestie der menschheid... de kalmte die onze uitwendige kracht, en de innerlijke kracht van ons rein geweten geeft...... vijanden, met vernietigings- en veroveringsplannen...... door de uittartingen en bedreigingen in 1914 gedwongen naar het zwaard te grijpen...... arglistige aanslagen...... voorwaarts stormend en overwinnend, de plannen van den vijand te schande gemaakt...... verdediging tegen een reeds lang beoogden en afgesproken aanval op haar voortbestaan...... verdedigingsoorlog tegen het vernietigingswerk der vijanden...... Het zal in de geheele wereldgeschiedenis zeker niet zijn voorgekomen, dat een overwinnende mogendheid den overwonnen tegenstander, voordat zij overgaat tot het volledig partij trekken van de overwinning, zoo grootmoedige en edelmoedige vredesaanbiedingen heeft gedaan...... enz.”

Plaats der handeling: een achterbuurt.

Personen: Kees en Hannes, twee vechtersbazen, even sterk.

Kees, al vechtende:

Hannes, ’k wil eens met je praten, Kom, gebruik nou je verstand! Zoud’ we ’t vechten maar niet laten? Toe. Hou op. Hier is mijn hand. Jij bent onzen twist begonnen, Maar je stoot je kop kapot! ’k Heb je altijd overwonnen, Met behulp van m’ eigen God. Ik ben tot ’t gevecht gedwongen, Dat jij valsch had voorbereid, Dat jij mij hebt opgedrongen, Met bedrog en listigheid. Jij hebt mij er toe gedreven, Daar helpt geen ontkennen aan. Ik heb d’ eerste trap gegeven...... Anders dan had jij ’t gedaan! Nu ’k je dus heb overwonnen, Nu bewijs je maar eens gauw, Dat jij niet zou zijn begonnen! De bewijslast rust op jou. Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? — Jij zocht ruzie, om de macht; Vlekloos rein is mijn geweten, Ik heb moed en ik heb kracht. Ik ben braaf en ik ben goedig, Man, je weet niet wat je waagt! Nu — hoe groot — en edelmoedig! — d’ Overwinnaar vrede vraagt! ’k Heb het biddend overwogen, Grijp je nu mijn hand niet gauw, Dat ’k je zonder mededoogen, Met Gods hulp in stukken houw. Verder vechten is onzedelijk, Help ons beiden uit den nood! Kom, ik praat toch kalm en redelijk: Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!

Moraal:

O, pochend, pralend, brallend volk, wees wijs, kom tot bezinning! Wanneer je Vredesengel speelt — snoef niet op j’ overwinning!

33. WIJ!

Sonnet, ingegeven door een artikel van prof. dr. R. Eucken, van Jena, in het Handelsblad.

„...... want aan ons is als aan geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.”

Aan ons is als geen ander volk door God de zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaarde van gansch het menschelijk bestaan op aarde vertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod. Op ons, die trouw onze oude God bewaarde geweldig, ongeketend, ongeknot, op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! — om onzen geest te spreiden, met den zwaarde. Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan; Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren! Wij vreezen God — ons kan geen mensch verschrikken! Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan; Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!...... En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

34. DE SNOEVERS.

Eenvoudig rijmpje van een nuchter neutraal.

„Wir Deutsche sind unter allen Völkern von der Vorsehung ausersehen an die Spitze aller der Kultur in der ganzen Schöpfung. Unterwerfung unter unserer in jeder Hinsicht überlegene Leitung ist das einzige und sicherste Mittel zu einer gedeihlichen Existenz für jede Nation.” — Hengel.

„Engeland moge zulke leugenachtige toespraken gaarne hooren; de Duitscher, die doortrokken is van de zedelijkheid („der von oben bis unten voller Moral sticht,”) verdraagt ze niet.” — Kreth, in den Rijksdag.

„......want aan ons is als geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.” — Prof. Eucken, Hoogleeraar te Jena.

„Wij Duitschers staan hoog boven aan, Wij schrijden aan de spits, Wij wijzen weg, Wij breken baan. Groot-Duitschland is de gids. Wij Duitschers gaan in alles voor, Wat edel is en schoon, Wij richten ’t Al in ’t rechte spoor, Groot-Duitschland spant de kroon. God heeft de volkren van deez’ aard Gerangschikt op een rij; Ze staan naar kwaliteit geschaard, En nummer één zijn Wij. In deez’ Ons opgedrongen strijd Verbrak’ Wij nooit Ons woord; Wij hebben Hoch-kultur verspreid In Leuven, enz. Het Belgisch volkje hebben Wij Menschkundig aangepakt; Wij voeren dan de heerschappij Met heel veel fijnen takt. Wij hebben ’t menschdom laten zien, Hoe groot en goed Wij zijn, Met duikboot en met Zeppelin, En gassen van venijn. Wij hebben hier een Kroonprins — o! Zoo wars van bloed en strijd, Die van Zijn leven nimmer kro- kodillen-tranen schreit. Klein Holland en Amerika Behandelen Wij gelijk: De Sussex...... de Tubantia...... Palembang...... Blommersdijk...... Zorgt, dat ge onder Onze lei- ding, Ons beheer geraakt, Want ’t uitverkoren volk zijn Wij, Wij zijn zoowat volmaakt. Wij zijn veel beter dan de rest, Wij zijn van zonden vrij, Het braafst, het reinst, het hoogst, het best Zijn Wij, zijn WIJ, zijn WIJ!” ............................................. ’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed, Geen fout heb j’ ooit begaan, Wat ’t Godgevallig Duitschland doet, En deed — is welgedaan. Alleen — je zegt het zelf zóó vaak, Dat j’ iedereen verveelt, En zoo van ieder man van smaak De sympathie verspeelt. Een arme „Fremde” ben ik maar, Maar dit zeg ik je toch: Je maakt de wereld wee en naar Met jullie mal gepoch.

35. DIVINA COMOEDIA.

„De ontzettende vernietiging van het Italiaansche leger is een Godsgericht. De hemel, enz.” — Wilhelm, I. R.

De Keizer spreekt tot de Entente:

Hoezee! Nu is door ’s Hemels wil Italië’s macht geknot; Dat heeft mijn leger niet gedaan — dat was ’t Gericht van God! Ja. Weet je waarom ’K winnen moet, en winnen zal, per slot? Dat zit eenvoudig zoo: Ik heb een eigen, ouden God. Want waardoor liep bij ons de zaak van meet af aan zoo vlot? Van wege d’ assistentie van Mijn eigen, ouden God. Je legt het af. Je wordt getrapt, en bovendien bespot, Maar ’t is geen wonder: jullie hebt geen eigen, ouden God. „Wij missen eenheid,” zegt Lloyd George, hoe komt de vent zoo zot? Je mist geen eenheid, neen, je mist een eigen, ouden God! Je luksburgt vreemde schepen niet met man en muis kapot, Want jullie hebt niet zooals Ik een eigen, ouden God. Toen Grey een conferentie vroeg, toen weigerde Ik ’m bot; Ik vond ’t niet noodig: Ik had toch een eigen, ouden God. Ik brak Mijn woord, en het verdrag verscheurde Ik, als een vod; Dat mocht Ik doen, want Ik bezit een eigen, ouden God. Gehoorzaamt, volk’ren, dan devoot Mijn Keizerlijk gebod; Wat Ik wil, en Mijn generaals, dat is de wil van God!!

36. ONZE OUDE.

„Und alle diese Siege verdanken wir nur Einem. Das ist unser alte Gott.”

Wilhelm, I. R.

Wie met zeekren stijl vertrouwd is, Heeft gemerkt dat keer op keer Wordt gezegd dat God zoo oud is: „Onze oude God, de Heer.” Altijd weer die Oude, Oude, Die ons zoo’n goed hart toedraagt, Wat dat toch beduiden zoude? Heb ’k me dikwijls afgevraagd. Waarom toch dat veelverspreide „Onze Oude” steeds? Waarom? Waarom is men toch zoo blijde Over ’s Heeren ouderdom? Is ’t de hoop waarin wij leven, Dat „Onze oude God”... misschien... Wat in België is bedreven Niet meer goed heeft kunnen zien?...

37. DE STRIKTSTE BEVELEN.

„De Nederlandsche autoriteiten hadden het beschieten van ons luchtschip niet behooren toe te laten, daar zij hadden moeten begrijpen, dat het zich alleen tengevolge van force majeure boven Nederland bevond, aangezien het toch bekend was, dat de Duitsche Regeering aan hare luchtschippers de striktste bevelen had gegeven, onzijdig gebied te vermijden, en dit langs den kortsten weg te verlaten, wanneer zij er bij vergissing boven waren gekomen.” — Nota van de Duitsche Regeering, 17 Febr. ’16.

„Vooral imponeerde de majestueuze kalmte, waarmede het schip, zonder zich om het schieten der Hollandsche kustwacht te bekommeren, zijn tocht voortzette.” — Bericht in de Duitsche bladen, van een Duitsch journalist hier te lande, vertegenwoordiger van de Telegraphen-Union.

„Het wordt tijd, dat onze regeering, met majestueuze kalmte, dezen grappenmaker bij de kraag pakt, en over de grens zet. — Bijna na elken Zeppelin-aanval op Engeland vliegen er, ook bij het helderste weer, Duitsche luchtschepen over Nederland, soms dwars over ons land, zelfs over de stelling van Amsterdam. — Is het in Duitschland dan zoo’n janboel, dat de regeering de luchtschippers niet meer in de hand heeft? Dit is moeilijk aan te nemen; wat blijft er dan anders over, dan om te veronderstellen, dat de Duitsche regeering ons eenvoudig voor den mal houdt?” — Kernkamp, De Europeesche Oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem.

De Keizer spreekt:

„Schippers en stuurlui van onze roemrijke luchtflotille, De liefde voor je vaderland besture en beziel’ je. Houdt Onzen naam in den Ons opgedrongen oorlog hoog, En den roem van de heerlijkste vloot, die ooit bij ongeluk over neutrale landen vloog. Nu Onze oude, niettegenstaande Mijn herhaald bevel, ’t vertikt Engeland afdoende te straffen, Moeten jullie, in zijn plaats, Ons daarginder recht gaan verschaffen. Maakt weer eens op humane wijze ’t perfide albion aan ’t schrikken, ’t Is bekend, dat je altijd net tusschen de vrouwen en kinderen op een fabriek weet te mikken. Verlies je onderweg eens een bom, en vaart er toevallig een hollander met noem het maar „contrabande” onder door, Trek je zoo’n vergissing niet aan — ’t komt in de beste families voor, Wàt de oorlogsrechtverkrachtende engelschen daarover in hun lasterpers ook mogen kwebben! Maar dit is het niet, waar Ik ’t eigenlijk met jullie over wou hebben, Want je weet wel, dat Ik eigenlijk in alles, wat Wij in dezen heiligen oorlog doen, god’s hand zie; ja, Zelfs in Ons optreden in zake de sussex... Ik bedoel de palembang en de tubantia. Maar Ik heb je in ’t bijzonder hier voor Me aan laten treden, Om je zeggen, dat je zorgt, dat onzijdig gebied zorgvuldig wordt vermeden. En mocht er, na je baby-sparende heldendaden in engeland, toch ’s een ongelukje gebeuren, Dan zorg je, dat zoo’n slippertje, boven amsterdam b.v. bij helder weer, geschiedt door force majeure, En laat alsdan het schieten van de kustwacht je volstrekt niet beletten, Om in majestueuze kalmte je tocht over ’t platduitsch sprekend volkje voort te zetten. Dat voor slechte verstandhouding met ’t bevriende landje alle vrees wijk’; ’t Wordt allemaal wel goedgepraat in de tukomst door Onze handlangers, zooals steenmet en sleeswijk, Onder Ons gezegd, een zoo’tje, waarover Ik eigenlijk niet graag spreek, Want dat weeë gelik van die buitenlanders geeft Me altijd zoo’n rommelig gevoel in M’n maagstreek. Maar nemen jullie toch maar wat abonnementen op dat strooperige blaadje, Dan schrijven de stumpers uit dankbaarheid nog eens een extra-drie-dubbel-overgehaald duitsch-freundlich praatje. Onthoudt dus, dat er de strengste straffen op staan, Als je ’t, Ikverdomme, in je duitsche hart krijgt om over holland te gaan. Ziet hier, schippers en stuurlui, Onze strikste bevelen, Maar als je ’t tóch doet...... nou, dan kan ’t Me ook al weer niet veel schelen.”

38. QUOD LICET JOVI NON LICET BOVI.

„Ik erken, dat de inval in België een schending van het volkenrecht is.”

(Bethmann-Hollweg.)

„Onmiddellijk na den inval maakte België zich schuldig aan de schandelijkste schennis van het volkenrecht.”

(Het Duitsche Witboek.)

Toen ik nog een kleine aap was, Nog zoo’n baardelooze knaap was, Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa, Of ’k ’t land had — ga maar na! Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazen Zware wolken, witte wazen, Knord’ ik in mijn jeugdverdriet: „U mag wel, maar ik mag niet! hè......!” Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje, Ach, zij werd een ander’s vrouwtje, ’k Zag ze gistren op ’t perron, En het minnespel begon! Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen! En ik mompeld’ ondertusschen, Fel jaloersch, zooals je ziet: „Hij mag wel, en ik mag niet! Oh......!” Een der bladen, dezer dagen, Stelde deze vraag der vragen, Of ’t de man is of de vrouw, Die men ’t liefst vergeven zou, Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen...... ’t Is zoo moeilijk uit te leggen...... Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried: „Hij mag wel, maar zij mag niet! Foei......!” Tusschen mij en ieder ander Journalist bestaat (hij kan d’r Niets aan doen) een groot verschil: Ik mag schrijven wat ik wil, Niets belet m’ ’r uit te flappen. Wat mij lust, maar hij moet schrappen Wat zijn redacteur gebiedt: „Ik mag wel, maar hij mag niet! Eis......!” Bethmann-Hollweg heeft beleden, Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden, En nu lees ik ’t Witboek weer, — Ik verwonder me niet meer! — Daarin zegt hij tegen België: „Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je, Maar” — ’t is weer het oude lied! — „Ik mocht wel, maar jij mocht niet! Zóó......!”

39. DE GEVALLEN RUITER.

Onuitgesproken oordeel van een Neutraal.

Toen Bethmann-Hollweg ruiterlijk verklaarde: „Wij plegen onrecht — ziet, ik geef het toe!” Toen was er menigeen, die dat aanvaardde, Al werd ’t den zwakken volkren dezer aarde Op ’t hooren van dit woord ook bang te moe...... Maar toch, er was iets eerlijks in die woorden, „Wij plegen onrecht, maar wij maken ’t goed”; Zelfs zeiden de Juristen, die het hoorden: Zoo verontschuldigt ’t Recht ook doodslaan, moorden, Dat heet „Uit noodweer”, of „Het mag — als ’t moet.” Wel dachten enklen, dommer dan Juristen: Het was een plan, al jaren her bedacht, Dit was toch iets, dat zelfs de kindren wisten, Dat, als de Duitschers België’s doortocht misten, Geen overwinning moog’lijk werd geacht. En dat al lang, bij ’t gieten der kanonnen, En onder ’t zingen van „Die Wacht am Rhein”, Terwijl steeds beter moordtuig werd verzonnen, En van meer Dreadnoughts steeds de bouw begonnen, Het „Stück Papier” verscheurd had moeten zijn. Maar Duitschland leek den plompen boerenpummel, Die ’t kind opzij schopt, dat hem wederstaat: Hij is misschien nog wel een goeie lummel, En heeft per slot zelfs meêlij met den hummel, Hij is een lomperd — maar au fond niet kwaad. Maar dat gij, Bethmann-Hollweg, nu getracht hebt, U grondend op den schijn, op een verhaal, t’ Ontkennen, dat gij ’t Volkrenrecht verkracht hebt Op gronden, die gij naderhand bedacht hebt, Dàt noem ik...... nee, da’s waar ook: ’k ben neutraal.

40. DE TOEKOMSTIGE LEIDING DER MENSCHHEID.

„Als hun taak wordt niet alleen de Entente, maar de geheele wereld te overwinnen, openbaart zich hier een nog grootere opzet van de Voorzienigheid voor de toekomstige leiding der menschheid.” Neue Zuericher Nachrichten.

Wordt de taak de heele wereld te verslaan hun opgelegd, Dan is eenmaal hun de leiding! heeft het Zwitschersch blad gezegd. Dat is dan de heerlijke hooge opzet der Voorzienigheid: Hun de leiding van de menschheid, (als zij winnen in den strijd.) ’t Duitsche doen en ’t Duitsche denken dringt dan door van pool tot pool, „Rücksichtlosigkeit”, „Einschüchtern”, „Nicht gestattet!” wordt ’t parool, Alle landen van de wereld omgetuischt in Duitschen geest, Staatsbesturen, volksgebruiken omgeschoeid op Duitschen leest. Sabelrinkling, dikke boeken, gnädigste, durchlaucht, mensur, Bekkesnijen, luintvergoding, zware humor, hochkultur, Duitsche smaak en Duitsche vormen, Duitsche bouw en Duitsche dracht, Duitsche klanken, Duitsche kleuren, Duitsche pronk en Duitsche pracht, Duitsche modes, Duitsche groeten, Duitsche sect en Duitsche ham, In St. Petersburg, in Londen, in Parijs, en Amsterdam. Duitsche Kaffee, Duitsche Kuchen, Duitsche Klatsch en Duitsche worst, Duitsche Kneipe, Duitsche knevels, Duitsche buiken, Duitsche dorst. Monumenten, sieg’-alleeën, over heel onz’ aard verspreid, Beelden, zuilen, schilderijen, (olieverf) „Aus groszer Zeit,” ’t Lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem het hoogst gebod...... En hoog tronend zit de Keizer, met den Kroonprins — vlak bij God.

41. BIOLOGISCHE FRIEDENSRÜSTUNGEN.

(Alleen voor Heeren.)

„Onder de overlevende soldaten blijven er nog genoeg flinke mannen over om Duitschlands werk- en weerkracht snel op ’t oude peil te brengen. Zoolang het echter den man verboden is bij meer dan een vrouw kinderen te krijgen, blijft zijn voor de volkskracht zoo vruchtbaar scheppingsvermogen door dat van de vrouw beperkt. De vraag moet daarom overwogen worden, of het niet voor het behoud van de volkskracht geraden, ja, geboden is na den oorlog b.v. als gunst voor de uit den oorlog terugkeerende dapperen, van de starre monogame zedenwet af te wijken, en de mannelijke natuur toestemming te verleenen tot hetgeen haar volgens moreele opvattingen van andere tijden en andere volken als goed recht wordt toegestaan.” — Biologische Friedensrüstungen. Door C. von Ehrenfels, in het Archiv für Rassenbiologie. — (Avondp.)

(Dit Rijm zou Holland’s Vrouw, of heb ik ’t mis? Wellicht geneeren, Dus, dames, leest niet verder door. Dit is Alleen voor Heeren.) — — — — — — — — — — — — — Misschien wordt deez’ of geen geschokt, die ’t hoort, Mij zal ’t niet hinderen — Al strijdt ’t een beetje met het bijbelwoord: „Wordt als de kinderen!” ’k Beken, dat ik het zelf zoo erg niet vind, Zoo’n kransje vrouwen; ’k Heb óók wel ’s meer dan één gelijk bemind — (Dit in vertrouwen!) „Laat ons den held, keert hij uit d’ oorlog weer, Royaal beloonen; Mijn volk,” schrijft Ehrenfels, „ga in de leer Bij de Mormonen! Laat ons toch breken met die starre mo- nogame zeden, Waarom hetzelfde niet gedaan dat zoo veel andren deden?” Dus breekt ’r een gouden tijd aan, Duitsche jeugd! Dat zal je smaken! Een tijd van volop huwelijksgeneucht, Dan ku’ je ’m raken! Doet als uw bondgenoot, de sultan, (Ma- homet bewaar’ ’m!) Volgt hem ook in zijn huiselijk leven na, En vormt een harem! Zes donkre schoonen hou je in Berlijn, Met rozenmondjes, In Sommerfrische, ’t andre half dozijn, Zes slanke blondjes. Hou verder nog een extra-troepje vrij, Vol vuur en verve, Om in te vallen, als ’t eens moet, bij wij- ze van reserve. En wordt er eentje soms ontrouw misschien, Of wil ze scheiden, Wat nood? Je hebt er nog een stuk of tien, Het kan best lijden. Zoo heeft je liefde hier een hooger doel, Door ’s Keizers gratie, En paart het Nut zich aan het reinst Gevoel, Tot heil der natie. Bravo, von Ehrenfels! Breek met verou- derde begrippen; Volgt dan zijn oproep, Bloem der Duitsche Vrouw: Wordt als de kippen!

42. LEUGEN-RIJM.

Troost aan de Non-combattanten.

„Nooit werd in het openbaar meer gelogen en gelasterd, nooit werd opzettelijk en bewust meer onwaarheid gesproken dan in dezen oorlog.” —Chr. N. in het Hbld.

Toen ik een jonge jongen was, En Staatsinrichting leerde, Toen zei de leeraar van de klas, Die ons dat vak doceerde: De Combattanten, dat zijn zij, Die vechten voor hun land, en Zij, die niet meedoen — leerde hij — Dat zijn Non-combattanten. Die slechte kerels! dacht ik dan, Of soms had ’k medelijden Met wie niet optrok, als een man, Om voor zijn Vorst te strijden. Nu ik een ouwe jongen ben, Al bij de grens der grijsheid, En niet meer zoo doordrongen ben Van ’t ware van die wijsheid, Nu ’k Wolff’s-bureau-berichten slik, En Reuter-telegrammen, Nu merk ik, dat onze oude frik Een beetje heeft staan zwammen. Nu weet ik, dat aan elken kant In dezen taaien tweestrijd Een zoogenaamd „Non-combattant” Geweldig dapper meestrijdt: De pers! zij voert een strijd (met inkt) Van leugen en van laster — Of: „liefde voor haar land” — dat klinkt Iets netter en gepaster. De pers moet liegen, in het groot, Den vijand grof verguizend; Dus, schieten d’ onz’ er zestig dood, Dan schrijft ze: „zestig duizend!” Is ’t met de „geestdrift” slecht gesteld, En met de „doodsverachting”, En worden d’ onzen met geweld Gedreven naar de slachting, Dan vinden wij, in tegendeel, Den toestand zóó geteekend: „De opgewektheid, het moreel Der onzen was uitstekend.” De pers — en ook de burgerij Moet zwetsen, kletsen, klappen, En in hun brieven moeten zij Uit ’t zelfde vaatje tappen. Is van een kogel ’t puntje maar Een beetje afgestooten, Dan schrijf je: „Gruwzaam! de barbaar Heeft met dums-dums geschoten!” (Brief uit......) „We krijgen zelfs geen stroomatras Om ons op neer te leggen! We slapen op gebroken glas, En omgekeerde eggen.” (Brief uit......) „Zij deelen dooie katten uit, Met wurmen en met neten, En hondenworst met rattenkruid, Dàt krijgen wij te eten!” (Brief uit......) „Gewonden worden afgemaakt, Als overreje honden; ’k Heb gistren zelf een graf gemaakt Voor zeventig gewonden.” (Brief uit......) „Laatst zag ik er een stuk of vijf, Die zóó het leven lieten: Ze dienden één voor één als schijf, Om op te leeren schieten!” (Brief uit......) „Een luitnant, die mijn dochter sprak, Kreeg schik in ’t meisje, nam ’r......” (De rest door ons geschrapt — Redac- tie Nieuwe Amsterdammer.) Dus wees getroost, Non-combattant Door ziekte of door jaren! Je kunt j’ in dienst van ’t Vaderland Toch lauweren vergaren. Wanneer je dan niet vecht in ’t veld, Bij ’t schetteren der trompetten — Al ku’ j’ niet als een echte held Een stad in vlammen zetten. Al werk je niet met bom of mijn, Bij ’t varen of bij ’t vliegen — Je kunt je land toch nuttig zijn: Je kunt toch altijd ... liegen!

43. ROFFEL-RIJM.

„......starb den Heldentod fürs Vaterland......”

Honderdduizendzooveelste adv. Köln. Zeitung.

„Een infanterist aarzelde aan het bevel van den kapitein tot voortrukken in de vuurzône te voldoen en de heele compagnie begon gedemoraliseerd te raken. De kapitein trok onmiddellijk zijn revolver en schoot den soldaat neer, waarna de andere soldaten dadelijk de bevelen gehoorzaamden.” ... ...

Hbl.

Rrrrrm — rrrrrm! Rrrm, rrrm, rrm, rrm, Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je mal? Als de lijkenmachine maar draait en schiet, Ben j’ ’n held, vóór je ’t weet, of je wil of niet: ’t Honderdduizendzooveelste geval. Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je frisch? Wanneer je ’t verdraait om een held te zijn, Krijg j’ ’n kogel door je kop, van je eigen kapitein: Held zijn! of — naar de verdoemenis!! Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je dwaas? Als de luint commandeert, zeg, dan toon je maar je moed! Heb het hart eens, dat je niet heldhaftig doet, Durf je niet! al ben je nog zoo’n haas! Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je raar? Is het jou soms gevraagd, of je bekkesnijen wou? Of moest je wel weg van je kleuters en je vrouw, ’n Dooie held te worden hier of daar? Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je dol? Neen, niet in deze machinale lijkenmakerij — In den Vrede vin’je helden en... heldinnen, allebei: Levens, tragisch, groot en kommervol. Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je gek? Bij de wet, in het Staatsblad nummer X vermeld, Is de Algemeene Heldplicht ingesteld, Dus... wéés een held, en verder hou je rrrrrm! Rrrrrm — rrrrrm! Rrrm, rrrm, rrrm, rrrm...

44. CHARIVARIUS’ BEKEERING.

Ik word pro-Duitsch. Ik word er toe gedreven Door deze jingo-yankee-politiek. Het neme’ — in doodsangst! — was hun te vergeven, Maar dat geteem van „recht”, dat maakt me ziek. Ik word pro-Duitsch. Ik ga me abonneeren Op Reichmann’s Toekomst, en ik schmeichel mee. En Steinmetz, Kiffs, en al die kleffe heeren Die vraag ik — als ’k weer ’s thee heb — op de thee. ’k Ga óók van d’ „opgedrongen oorlog” spreken, ’k Geloof dat Duitschland Oostenrijk ontried Dat Ultimatum... in die donkre weken... En wat Lichnowsky schrijft — dat lees ik niet. De Woordbreuk, dus de Inval, was rechtvaardig, Men gooit toch niet de deur dicht voor een Vriend? En de behandeling van België — edelaardig; Vernieling, brand en plundering — ruim verdiend. De ruize-boeten? — Billijke bestraffing. Het Vlaamsch gedoe — ’t ging alles „op verzoek”. De deportaties? — Zuiver werkverschaffing. Dat alles eet ik op voor zoete koek. En als ze onze vloot den grond in boorden — De zee voor ons te sluiten was hun recht, Daar mochten z’ onze zeelui vrij vermoorden; Ze hadden het toch duidelijk gezegd? Ook Luxburg’s plan was, après tout, wel praktisch, ’t Voorkomt veel last en noodeloos geschrijf; ’t Is repressief, en tevens prophylaktisch, Dus Luxburg, sans rancune! Geef me de vijf! Ja. ’k Word pro-Duitsch. Ik word nu eindlijk wijzer. Ik heb berouw van m’ ongepasten spot. ’k Lach niet meer om den Telegrammenkeizer, Ik ga gelooven in Zijn eigen God. Ja. ’k Kom ten langen leste tot bezinning; Omtrent Gods wil bestaat geen twijfel meer. Hij schenkt het Junkerdom de overwinning, Dat het Euroop — neen gansch onze Aard regeer! ’k Zing reeds den Zegezang met luider stemme. Kom, geest van Pruisen! Maak ook Holland groot! Dat ons Germania’s machtige Arm omklemme...! Ik ben pro-Duitsch. En maak me nou maar dood.

45. HET MEILIED DER MOEDERS.

Opgedragen aan allen, die nog het goede in den oorlog weten te waardeeren.

„Met de vervaardiging der kunstledematen voor de verminkten schiet men hard op; bijna allen zullen binnen kort geholpen zijn. — Een zeer geschikte betrekking voor de jongelieden, die blind geschoten zijn — een schrikbarend groot aantal — is die van masseur. De opleiding geschiedt kosteloos.” —

Bericht in de bladen.

„Als de Mei komt, Ben ik blijde; In den morgen, Zoel en zacht, Dwaal ik rond langs Weg en weide; Wees gegroet, gij Tijd der tijden, Als het lente- leven lacht!” „Als de Mei komt, Ben ik blijde, En ik strale van geluk, Want mijn kind zal Niet meer rijden, Neen, dan loopt hij Aan mijn zijde, Want mijn jongen Krijgt zijn kruk.” „Als de Mei komt, Ben ik blijde, Is mij ’t harte Licht en warm, Want mijn kind, zoo- als men zeide, Heeft dan weer Zijn armen, beide, Want hij krijgt zijn Houten arm.” „Als de Mei komt, Ben ik blijde, Want de wolf blijft Van de deur: Met het oog op Dure tijden, Zal ’k mijn blind kind Op doen leiden Tot een eerste- klas masseur.” „Als de Mei komt, Ben ik blijde, Want mijn kind, ginds, Heeft geen nood; ’t Is het einde Van zijn strijden, Van zijn pijn en Van zijn lijden, Want mijn jongen Ligt er dood.”

46. MAJESTEIT OF HET KONINGSCHAP VOLGENS TSAAR EN KEIZER.

„Over Noorwegen was de tsaar zeer ongerust. Op de mededeeling, dat het koning Oskar onverschillig was wie zijn buurman zou worden en dat hij ook niets tegen een republiek had, sloeg hij de handen boven het hoofd ineen onder den uitroep: „Ook dat nog, dat mankeerde er nog maar aan. Alsof wij nog geen republieken genoeg in de wereld hebben!”

Hij sprak de meening uit, dat wanneer geen Zweedsche prins er heen ging en Kopenhagen het in zijn belang achtte, prins Waldemar kon gaan. Deze had eenige levenservaring, een elegante, nette vrouw en mooie, flinke kinderen.

Ik verklaarde het met hem eens te zijn......” — Wilhelm, I. R.

Een koning heeft, geloof dat vrij, Een lang niet lichte karrewei! Daar komt een heeleboel bij kijken, Zoo als je dadelijk zal blijken Uit zeekre brieven — lees ze maar — Van Keizer Wilhelm en de Tsaar. ’t Is maar een moeielijk besluit! Hoe kies je ’n goeie koning uit? De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten; De Tsaar is nu wel wat versleten, Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd; Hij weet dus wat er wordt vereischt. Daar dient gewogen en gewikt, Want heusch niet ieder is geschikt, Al kan hij reeknen, schrijven, lezen, Hij moet toch ook een kerel wezen Die zoo wel eens wat heeft beleefd, En eenige ervaring heeft. Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij, En denk je: „das wel iets voor mij, Met andre baantjes wou ’t niet lukken, Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)” Dan zoek je dalijk — do it now! — Een elegante, nette vrouw. De koning heerscht bij Gods genâ. Dat staat zoo vast als algebra. De gratie Gods doet hem regeeren; Maar wil hij werklijk iets presteeren, Iets extra-fijns — dan bidde hij Er mooie, flinke kindren bij. Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord. Verneemt het, volkren, zegt het voort! Verdwijn’ de Republiek in ’t duister, Verschijn’ de Vorst in vollen luister, Van Gode zelf ten dienst gewijd... Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!

47. PRINSEN-RIJM.

(De Duitsche kroonprins dicht in Ueber Land und Meer:

„Wir stehen still auf Posten Im Arme das Gewehr; Im Westen und im Osten Viel Feinde und viel Ehr.”)

Dus niet slechts op den zwaarde Is ’s prinsen oog gericht, Hij doolt ook in den gaarde Der Muzen, en hij dicht. De kloekste Dichter-welle’ Die klotsen klankrijk neer Van d’ allerhöchsten Stelle In Ueber Land und Meer: Wij staan als Rijks-suppoosten, In d’ armen het geweer; In ’t Westen en in ’t Oosten Veel vijanden — veel eer. Wij seinen schoone woorden In menig telegram, Naar ’t Zuiden en naar ’t Noorden Van Pest tot Amsterdam. De heer vindt Ons het beste En schenk Ons zijn genâ, In ’t Oosten en in ’t Weste’ — Dat weet Ik van Papa. Wij zullen ’t god beduiden: Hij vaart er ’t beste bij, Als hij van ’t Noord tot ’t Zuiden De Britten haat als wij. Aan Duitschland blijft de zege, Van d’ Oeral tot Bordeaux, Wij winnen allerwege: Noord, Zuid, Oost, West — O zoo!

48. EEN NEUTRAAL LIED VAN DEN OORLOG EN HET OPPERWEZEN.

Motto: „Met Gods hulp hebben onze troepen gisteren de grens van Egypte overschreden.” — (W. B.)

De Keizer liet den commandant der troepen Toen tot zich roepen. En zei: „De zege is ons nabij; In diepen deemoed heb ik God gebeden, Hij was tevreden Over mij. Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.” De Czar ontbood zijn legercommandanten Van alle kanten. Hij sprak: „Ik heb de zege al in mijn zak! In diepen deemoed heb ik God gebeden, Hij was tevreden En zei: „„hak Er flink op los! Steek Insterburg in brand, Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.”” De Koning van Brittannië riep: „ga halen Mijn admiralen, Aanstonds! De zege is aan de kinderen Albions. In diepen deemoed heb ik God gebeden, Hij was tevreden Over ons En zei: „„Vecht mede op ’t vasteland, Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.”” De Koning liet ook aan zijn verre helden De mare melden: „Ik ben In oorlog met het ergste, dat ik ken.” De Hindoes hebben toen tot God gebeden Die was tevreden Over hen En zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland, Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.”” Toen bad ook de Mikádo op zijn eiland Tot aller Heiland: „Mijn God, Daar is een volk, dat listig samenrot. Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden. God was tevreden; Zeide tot Den Mikado: „„trek naar den overkant. Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.”” Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen: „Ik ben op jaren, Maar tuk Op wraak en nog verzot op krijgsgeluk. Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede. Hij was tevreden En zei: „„ruk Nu Servië in. Neem dat als onderpand. Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”” De Sultan ging toen aan de Dardanellen Zijn schepen tellen. Hij dacht „De God van Duitschland heeft een sterke macht.” De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden, God was tevreden. En zei: „„slacht Grieksch-Katholiek en Roomsch en Protestant Ter eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.”” De President zei: „vrienden, draagt de tijden Van hoon en lijden Met mij. Straks is ons bitterst levensjaar voorbij...... Wij hebben voor gerechte zaak gestreden Wij wilden vrede, Oorlog zij! Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land. De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!” Hoog op de duinen staat een blonde Koning; Hij heeft geen woning; Zijn rijk Werd aan een dorre woestenij gelijk. Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden, Ligt het vertreden; Handvol slijk En smalle kuststrook hield hij van zijn land; Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand. Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde. Hij bidt. Hij keerde ’t Gelaat Niet naar rumoer van marktplein en van straat, Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden... Hij heeft gebeden En hij gaat, Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant, Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant. FRANS BASTIAANSE.

49. AAN FRANS BASTIAANSE, MIJN CONCURRENT-RUIZERIJMER.

Ik schei d’r maar uit met m’n rijmen, Ik leg er het bijltje bij neer, Het woordjes en regeltjes lijmen, ’k Verdraai het, ik doe het niet meer. Eerst had ’k een succes als de „Spaansche Vlieg” — nu ’s ’t met mijn Glorie gedaan In ’t droef Ondermaansche, nu Frans Bastiaanse Mij als concurrent komt verslaan. Hij, een onzer ernstigste dichters, Als Boutens, van Looy en Verwey, Zoekt plotsling kracht in wat lichters. En nu concurreert hij met mij! Waarom blijf je niet op je eigen, Je deftige, hooge terrein? Mij breng je aan ’t zwijgen — jou gaven die neigen Toch meer in een andere lijn? Moet ik dan maar honger gaan lijden? Vaak denk ik: hoe kom ik nog rond In deze benauwende tijden; Je neemt mij het brood uit den mond! Ik heb toch mijn kroost en mijn vrouw nog! Die valt van gebrek soms in zwijm. Daar net weer. Z’ is blauw nog! Misgun je me nou nog Die schamele tien pop per rijm? ’t Is schandelijk. ’t Is om te huilen...... Maar wacht eens, ik weet er wat op: We zullen van plaatsen verruilen, We zetten den boel op z’n kop. Ga jij charivaria maken, Venijnig en puntig en bits, Jij kunt ze wel raken! — we wislen van taak, en Dan schrijf ik sonnett’ in de Gids. Let op, hoe ik bladen op bladen Met droeve sonnetten bedruk, Ik zing van de wee-witte waden, En ’k dicht van het wondre geluk. Ik — nuchter als planters van Deli, En flink als de zoons van De Koo, Ik kweel van de lelie! (Terwijl ik toch veel lie- ver rijmde op Kuyper, en zoo.) Dan vul jij de Nieuw’ Amsterdammer Met Waanwijze Jantj’ en z’n Pa, „Gaat dat zien,” en met deelwoorden-jammer, En je loopt Tante Betje dear na, Met wie ’k vaak zoo’n doux tête-à-tête had! ’k Verdwijn als de man-in-de-mist, Alsof ’k „en retraite” zat, en jij schrijft „Hij zèt wat!”...... Ik Dichter — jij Rijmspecialist!

50. AAN CHARIVARIUS, om hem gerust te stellen.

Erasmus Jacob: En verorberde Antronius alleen zijn boonenpap?

Gilbert: Ja, want hij had voor een kleinigheidje gekocht. Hij verbood echter niet, dat iemand die in zijn buurt zat eens met hem zou proeven. Maar ’t scheen wel wat onbeleefd den armen uitgehongerden man van de voor hem bestemde prijs te berooven.

’t Is zeker veelszins aangenamer Te zitten op een Heliekon, Dan in een burgerlijke kamer met sloffen aan en huisjapon; Zijn blikken laten dwalen naar de Gebieden buiten ruimte en tijd, Dan naar het wriemlen dezer aarde, Met de al te kleine onmenschelijkheid. Maar somtijds voel je toch wat krieblen, Heel ver beneden aan je voet: Je zit op je fotuil te wieblen En...... je wilt weten wie dat doet. Je laat zoolang op den Parnassus Je lege stoel aan „Leepers” na, Neemt uit de boekenkast Erasmus, Het deeltje der Kollookwieaa. Dan pak je in Buda-pest de ekspreste — Ah! Buddha pest thans niet alleen! Die voert je naar t’ beschaafde Westen En...... je vindt Holland als voorheen: Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakken Zijn teebeschuitjes en bis-kwie, En zorgt Verweij voor het verzakken Der Nederlandsche poëzie. ’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog, En geeft op Zaterdag zijn preek, De aloude Groene heeft zijn plaat nog, Daar Braakensiek onsterflijk bleek. De dijken liggen langs de slooten, De velden saai, onogelik, ’t Is nog het land der bentgenoten Van Bella-mie en Bilder-dik. Maar zijn soldaten werden menschen, Die zitten niet meer bij de pap, Maar wandlen langs de Zuidergrenschen, Met krachtig mielietère stap. ’t Is nog het land waar Wouter Pieters- E zooveel vreugd in heeft beleefd En waar men honderd Hektolieters Boergonje maandliks nodig heeft, Om zun verveling weg te spoelen, Die van de dorre daken geeuwt; ’t Is nog het land van modderpoelen, Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt. ’t Is nog het land, waar achter ieder Gordijn een oude juffrouw zit, Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder” Met haar wormsteekig zwart gebit! ’t Is nog het land, waar maazematten Geslaagen worden klandestien, En waar je in donkre Kaazematten ’t Neutrale flonker-goud kunt zien. Den rijken hort der Neevelingen, Bewaard in ’t Veilig Rotterdam, Waar lonkende „Reintöchter” zingen Van den Germaanschen Goodestam. — — — — — — — — — Je hebt gelijk, die een fotuil heeft Op den Parnassus onder goôn, IJs niet dat hem een krant in ruil geeft Voor geestlik goed verachtlik loon...... Wat je uit de suiker kunt tietreren, Of uit Tabak en koffy haalt, Het word’ tot delging van zijn beeren An Chaarivaaricus betaald. En morgen neem ik vroeg de ekspreste, Die mij naar den Parnassus spoort, En zit weer bij mijn adelaarsnesten, Door kraai- noch kikkerzang gestoord. FRANS BASTIAANSE.

51. VORSTENSCHOOL.

(Eerbiedig opgedragen aan den Duitschen Kroonprins.)

Rosika Schwimmer schrijft in het Hbl. over den keizer van Oostenrijk: „In de grootste spanning zocht men naar de psychologische en materieele bron, waaruit zijn onpartijdigheid en democratie moesten voortkomen. En men vond een oorzaak, die inderdaad verbluffend was. De bioskoop bleek de opvoedende kracht voor den vorst te zijn geweest. Karl en Zita hebben vroeger in een kleine plaats gewoond, waar zij buitengewoon vaak naar de bioscoop gingen. — De vaakbespotte kleinburgerlijke en proletarische films hebben in de vorsten-opvoeding van het koningspaar een belangrijke taak vervuld.”

Wie is er die thans nog minachtend beweert: „Zoo’n spul is voor meid’ en soldaten!” Men heeft nu van Rosika Schwimmer geleerd Heel anders daar over te praten. Toekomstige heerschers, die smachtende dorst Naar kennis en kracht voor ’t regeeren! De prachtbioskoop is de School voor den Vorst, Om ’t billijk en grondig te leeren. — Te lang hebt Gij, Hoogheid, die lessen gemist, O, Hoop des Heelals, Kroonprins Willem! Zoon van den doorluchtigen Telegrafist...... Nu weet Gij ’t. Dus — op! naar de Film! Vooreerst: als Gij denkt aan Pa’s kiesrechtbesluit, Dan kunt Gij de vraag niet negeeren: „Hoe komen de lagere standen vooruit?” „DE BANKDIEFSTAL” zal het u leeren. Verlangt gij een blik in ’t klassieke te slaan, — Wat iederen heerscher gerad’ is — Gij hebt maar te kiezen waarheen Gij wilt gaan: Naar „CLEOPATRA” of naar „QUO VADIS?” Leer voorts, Prins, dat hij, die de Liefde erlangt, Een prijs uit het Lotspel van God loot; Ga dus naar de Film, die het Leven vervangt, Met aanteekenboekje en potlood, En let er goed op, hoe de minnaar zich weert, De doffer de duif met gekir kust; En als ’t U de film „LIEFDE’S LIST” al niet leert, Dan doet zeker „PEG UIT HET CIRCUS” ’t, „MIJN SCHOONMOEDER”, „LIEFDE VERLOOCHENT ZICH NIET”, „HET HART OF WAT VROUWEN VERMOGEN”, „DE VROUW EN DE WIJN”, of „HET EEUWIGE LIED”, „DE MAAGD MET DE VURIGE OOGEN”. Gij weet, dat den vorst ook bekend dient te zijn, Wat tot de verbeelding kan spreken; Uw Hoogheid bezoek’ dus „DE HAND OM ’T GORDIJN”, „HET SPOOK”, „’T GEHEIMZINNIGE TEEKEN”, „DE ZWEVENDE LICHTEN”, „EEN BLIK DOOR DE KIER”, „DE KLOP OP DE DEUR”, „DE GELUIDEN”, „HET HUIS MET DE 5000 KAARSEN”, „’T PAPIER”, „WAT DE BLOEDVLEK OP ’T BALKLEED BEDUIDDE”. En wordt Gij wat sentimenteel, of wat week, — We zagen al eens de symptomen! — Dan vindt Gij weer kracht in „DE DUIVELSCHE STREEK”, „DE VAMPIERS”, „HET BLOED”, „SATANS DROOMEN”. Geniet BILLY RITCHIE — die ’s fenomenaal! Ook d’ Explicateur maak’ U wijzer; En d’ „Au, niet zoo hard!” ’s uit de duistere zaal...... Dat alles, dat vormt U tot Keizer. Geen vorst kent zijn vak, die geen Zond’ heeft gezien En Misdaad. Bezoek dus „DE WREKER”, „DE GIFTMENGSTER”, „SLUIPMOORD”, „DE BLOEDHAAT” misschien, „DE WRAAK VAN HOMUNCULUS” zeker. Uw Hoogheid raak’ met de sensatie bekend Van kippenvel, rilling en griezel: „’T GEWELF DER VERSCHRIKKINGEN”, zie Gij tot ’t end! En „DE STAP OP HET KRAKENDE KIEZEL”. „DE WRAAK VAN DE RAZENDE ROODHUID GESTILD”, „DE STRAF VAN DE GLOEIENDE STAVEN”, „HET STIJGENDE WATER”, „HET VALLUIK”, „GEVILD”, „DE SCHIJNDOOD OF LEVEND BEGRAVEN”...... — — — — — — — — — P. S. Doch juist als de mensch zich ’t meest zadelvast voelt, Dan komt soms de Duivel, en wipt ’m; Maar dit is...... enfin...... niet voor dames bedoeld, Ik zet het dus in een P. S.: Verlangt Gij rein, matig te blijven en kuisch, En wolken van kinderen te krijgen, Bezoek dan, o Prins (laat de Hofdames thuis) — Incognito! — „MOGEN WIJ ZWIJGEN?”!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings