IX. GESCHIEDENIS DES VADERLANDS.
Reading edition
(Fragment)
EERSTE ZANG.
DE KOMST DER BATAVIEREN. — ZEDEN EN GEWOONTEN. — GODSDIENST.
Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen, Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen, En Rome’s achting waard was Fries en Batavier. Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier. Van Lennep.
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedreven Heb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven. Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is: Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis. Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen, Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen — Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet: Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed. Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven: ’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven; Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofd Aan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft. Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen! En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen. In overoude tijden zag ons grondgebied Er anders uit dan nu. Zoo was er toen nog niet Die groote zilte plas, de Zuiderzee geheeten; Daar was het Flevo-meer. Zooals je wel zult weten, Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld; Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld. In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk der Katten, Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvatten Te wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit; Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit, Om in zoo’n hollen stam den Rijnstroom af te zakken. Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken. En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom, Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom; Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangen Om zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen. Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land. Hier woont de Marezaat, de Fries en de Tubant, En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten, Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „Kaninefaten.” De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstond De naam van: Batavier (Bat ouwe, „goede grond.”) ’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen, Maar ik had ze genoemd: de Holleboomelingen. Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend; ’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent. Nu. Al die volken waren eigenlijk Germanen, (Wat heel wat anders is dan Duitsche onderdanen!) Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit, Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit. De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen, Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen; Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt; De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt. Hun hutten bouwden zij op woerden of op terpen. Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen. Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof; Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof. Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden, Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden. Zij leefden van de jacht en van de visscherij, En verder at men honig, fruit, en gerstebrij. Hun drank was mede of bier. Ja, ons gebruik van bieren Dateert nog uit den tijd der oude Batavieren. Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud, Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout. Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen. Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen. De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja — ’k Vind onze kinderen veel te vrij met hun papa. De Batavier was te beschaafd om zelf te werken; Wie werkte, was: de slaaf. En hieruit kun je merken, Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied, Want werkman heet hij nu, en werken doet hij niet. De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen — Daar moet je bij de dames nu maar eens om komen! De dooden werden steeds op stapels hout verbrand: Aan wurmen voeren had de Batavier het land. Door al die volken werd het Heidendom beleden; Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden. De oppergod was Wodan, sterk, maar zacht van zin, En verder Donar (zoon), en Freya (gemalin), Waarvan men Donder-dag en Vrij-dag af moet leien; Dus niet, zooals je dacht, van donderen en van vrijen. Walhalla heette ’t hemelrijk, waar ook de mensch Kwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch, Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen, Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.
TWEEDE ZANG.
DE ROMEINEN HIER TE LANDE. — HUN INVLOED OP ONZE TAAL EN BESCHAVING. — CLAUDIUS CIVILIS. — VELLEDA.
De grijze wichlares verstaat meer duistre dingen Dan d’allerkundigste der nuchtre stervelingen. Vermaes.
Zoo had ons voorgeslacht geruimen tijd geleefd, Als een gelukkig volk, dat geen historie heeft, Toen van het zoele Zuid een onweer van cohorten Zich over deze lage landen uit kwam storten. En leert nu uit den worstelstrijd met den Romein Hoe, naar ’t bekende woord, een klein volk groot kan zijn. Laat ik u eerst wat van ’t Romeinsche volk verhalen. Zij vonden, met de Grieken, uit de doode talen. Een goede daad. Want hadden zij dit niet gedaan, Dan zou er hier geen één gymnasium bestaan. En d’ invloed van ’t Latijn, dien kan, mijn jonge vrinden, Wie niet goed oppast, aan den lijve ondervinden; Want wie de fout begaat van lazarus te zijn, En op zijn canis krijgt, die dankt dat aan ’t Latijn. ’t Latijn verschafte ons musea’s, gladiolussen, Dilemna — neen, dat ’s Grieksch, maar petroleum, bolussen. Ook eigennamen: Manus, Ita, Lex, Margo, Six, De Miranda, Nolens, Da, Mulier, Cato. Voorts ei en flens en mors, en nat en net en nare, En post en das en vult en rem en reus en mare, En dans, en glans, patent, en de, die, dat, en sta, En kwibus, tot, voluit, en fluit en opera. Romeinen waren redenaars, strategen, dichters, En van de Rechtsgeleerdheid waren zij de stichters. Maar bovenal in krijgskunst toonden zij hun kracht, En onderwierpen vele volken aan hun macht. Doch Caesar, keizer, generaal en groot geleerde, Bedacht een plan, dat hem en onzen voorzaat eerde: Hij onderwierp hem niet, maar door een hecht verdrag Verkreeg hij hier, in naam der vriendschap, groot gezag. En zelfs in Caesar’s eigen lijfwacht opgenomen, Was Fries en Batavier als kind in huis te Rome. Maar Rome was een stad vol ongerechtigheid, Waar onze jeugd tot heel veel leelijks werd verleid, Maar als ’k dat in den breede wilde demonstreeren, Dan schreef ik boven dezen Zang „Alleen voor Heeren.” Het is mij liever, dat uw oordeel wordt verzacht, Dies wijs ’k op ’t goede, dat ons Rome heeft gebracht. Zij bouwden vestingen, en maakten mooie wegen, Zoo hard als adamant, zelfs na den zwaarsten regen. Kanalen groeven zij, zoo als de Drusus-gracht, Die Drusus maakte — dus de naam was goed bedacht. — Maar eindelijk begon de band toch wat te knellen; En wat er toen gebeurde, zal ik je vertellen. De Friezen gaven ’t sein; maar ’t is hun niet gelukt: Hun opstand is door Corbulo snel onderdrukt. Edoch, het smeulend vuur blijft onder d’ assche gloeien; Wanneer het onweer wegtrekt, gaat de hooiberg broeien...... Bezing mij, Muze, thans den eersten grooten man, Waarop zich ons aloud geslacht verheffen kan! Wien Neêrlandsch bloed door d’ aadren vloeit, van vreemde smetten, En andr’ infecties vrij, en die gedwee ’s lands wetten, Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij, wiens borst (Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst — Die eere hem, die van den grooten kamp de ziel is; Het hoofd der Batavieren, Claudius Civilis. Van afkomst Batavier — Romein naar burgerrecht, Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht. Want daartoe was het al in Nero’s tijd gekomen; Gestadig was de onderdrukking toegenomen, De bondschap was ontaard in bitt’re slavernij...... Toen trad Civilis op. De redding was nabij. Maar, volgens ’t bijgeloof van die (en deze) dagen, Zocht hij de Vroede Vrouw, om haar advies te vragen. De zieneres Velleda woonde op de hei, Waar zij planeten las, en werkte met het ei. Daar zien wij dan den held haar plaghut binnentreden, Wen zij verzonken zat in heidensche gebeden, Te midden van haar ganschen attributen-schat: De koffie en de kous, de kaarten en de kat. Maar nauwlijks zag zij den bezoeker binnenkomen, Of zij begon met radde tong hardop te droomen: „Gij krijgt een blonde vrouw; en kindren zonder tal; U wacht een verre reis; een zwarte vogel zal......” „Pardon, juffrouw,” viel Claudius haar in de rede, „Och, deelt u dat maar aan uw andre klanten mede. Het zal wel waar zijn, maar daar kom ik nu niet voor.” Toen fluisterde hij snel Velleda iets in ’t oor: Het was zijn eigen plan! Hij knipoogde veelzeggend, Toen zei ze ’t hardop na — kwansuis de kaarten leggend. Nu kon hij ’t volk verzeekren, met een schijn van recht: „Dat heeft de zieneres Velleda mij gezegd.” Zoo doe ik met mijn arts, en ’k kan ’t u aanbevelen, Om met uw dokter ook dat spelletje te spelen: Eerst doe ik hem een lang en intressant verhaal Van de symptomen van mijn (ingebeelde) kwaal; Dan zeg ik zoo terloops, half in gedachten quasi, Bij voorbeeld: „’k Hou van runderlappen met spinazie......” Nu krabt mijn eskulaap zich even achter ’t oor, En schrijft mij runderlappen met spinazie voor.
DERDE ZANG.
BRINIO. — DE VOLKSVERGADERING IN HET HEILIGE WOUD. — DE INNEMING VAN CASTRA VETERA.
Geen mes of schaar, die ’t hoofd mij raakt, Eer ’t Vaderland is vrij gemaakt. Van Lennep.
Het plan van Claudius, waarin ik daar bleef steken, Zal ’k nu, met je verlof, beknoptelijk bespreken. Hij had in Rome deze wijsheid opgedaan, Dat eerlijkheid en oorlog kwalijk samengaan. Zoo kwam hij op ’t idee, zijn plannen te verdoezelen, Om met den vijand wat te kunnen blijven smoezelen; Aan Rome bleef hij trouw — dat is, hij hield zich zoo, En koos zich hier een strooman, zeekren Brinio, Den populairen leider der Kaninefaten, Een vurig patriot, gemaklijk om te praten. Vol moed op goed succes besteeg de held zijn ruin, En reed naar des konijnenvangers hut in ’t duin. Dan, nauwlijks is ’t gewichtig tweegesprek begonnen, Of Brinio is voor het stoute plan gewonnen. Geen wonder, dat ze ’t spoedig eens geworden zijn: Hij was niet, wat je noemt, een vurig pro-Romein! Het kwam er nu op aan, geen tijd meer te verliezen; En Brinio met spoed tot hoofd te laten kiezen. Een samenkomst van ’t volk werd ijlings voorbereid, In ’t woud, dat aan den dienst van Wodan was gewijd. In ’t eeuwenoude Bosch, geweldig om t’ aanschouwen, Stroomt man en macht te saam, bij ’t schijnsel der flambouwen. De dierenhuid om ’t lijf, geschut door schild en speer, Zit men, in spanning, op de zodenbanken neer. De eeredienst begint. De stemming wordt onrustig. Het outer is gereed. De vlammen laaien lustig. In ’t wit gekleede priesters voeren geiten aan, En ’t offer wordt gebracht ter eere van de Maan. De rook trekt langzaam weg door ’t bladerdak der boomen, Maar nog is ’t oogenblik van spreken niet gekomen. Luid hoorngeschal verkondt een nieuwe plechtigheid: Een wit en smetloos kleed wordt op den grond gespreid; Een grijze wichlaar werpt de rijsjes, handig, kunstig...... Hij legt het teeken uit. Het blijkt, toevallig, gunstig. Nu vangt de maaltijd aan. Men vult de hoorns met bier, En ’t pleit der plechtigheid maakt plaats voor het plezier. Toen nam Civilis ’t woord voor zijn beroemde rede. Ik deel u, op verzoek, ’t voornaamste daaruit mede. „O, mannen-broeders,” sprak hij, „luistert naar mijn woord! Bewaart het in uw ziel, en zegt het verder voort. Het zal er thans om gaan, een leider te verkiezen, Die u den kampstrijd kan doen winnen of verliezen. Hoort dus aandachtig toe, neemt straks een wijs besluit, En wie de orde stoort, die gaat er tusschen uit. Waar dat het hier om gaat, behoef ik niet te zeggen; Dat hoopt u Brinio zoo aanstonds uit te leggen: Het gaat er heden om, als één man pal te staan, En u, met Wodan’s hulp, te scharen om de vaan. Verscheidenheid van volk bewoont de lage landen, Maar, volgens Wodan’s wil, verknocht door hechte banden Aan de gewijde plek, waar onze wieg op stond, Waar eens ons graf zal staan — den vaderlandschen grond, Die thans bedreigd wordt door een volk met stalen helmen, Een Wodanloochnend ras van Thorvergeten schelmen! Het gaat, gelijk gezegd, om een vitaal belang, Het gaat om recht of macht, om vrijheid of om dwang. Kiest Brinio. Kiest hem. Nu stemme niemand tegen! Hij zal u redden, onder Thor’s onmisbren zegen. Een kerel uit één stuk. Geen werk is hem te zwaar; Hij knapt het voor u op; hij bokst het vóór-mekaar. Vergeet niet: ik geloof nog vast in de mirakelen, En ’k acht het niet toelaatbaar Wodan uit te schakelen; Vandaar dat ik mij tot een slaapster heb gewend: Velleda, en die is premier, gelijk bekend. „Zet alle twisten stop; strijdt schouder,” sprak z’ „aan schouder!” Kiest Brinio dan, want ik word al een dagje ouder. Maar ’k zweer u, dat ik snor en baard zal laten staan, Totdat het ons gelukt den vijand te verslaan. Verkiest dus Brinio, er kome van, wat kome, En blijft getrouw aan uw parool: Thor straffe Rome!” Hij zweeg. Een zilte traan ontweld’ aan menig oog. Toen stond de massa van haar zetels op, en toog Ter stem-urn, als één man. De stroom was niet te stremmen; En Brinio verkreeg op één na alle stemmen. Nu klom de nieuwe leider op een zodenbank, En sprak een enkel woord van welgemeenden dank. „Ik dank jelui beleefd,” sprak hij, „Kaninefaten, En andren, die mij koost uit al die kandidaten. Ik reken op u allen, dat gij pal zult staan; Ik hoop, dat gij begrijpt, waar om het thans zal gaan. Als wij, om Wodan’s wil, den reuzen strijd aanvaarden, Dan gaat het om de hoogste cultureele waarden; Dan gaat het niet om goed, dan gaat het niet om geld, Dan gaat het om te strijden tegen bruut geweld. Wij staan in ’t teeken van verpletterende tijden, Laat ons de handen dan in-een slaan om te strijden! Wat Claudius daar straks naar voren heeft gebracht, Dáár gaat het heden om; de vrijheid wordt verkracht, De zonen van hoogstaande, vooraanstaande mannen, Die worden momenteel gekneveld en verbannen, De dochters worden van de moeders losgescheurd, Haar waardevolste goed, haar reinheid, wordt besmeurd...... ’t Is onaanvechtbaar waar. Wie wenscht zich dan te passen Aan zoo’n mentaliteit? Maar — laat het water wassen, Het daghet in den Oosten, ’t leed heeft welhaast uit; Daar komt een nieuwe lente en een nieuw geluid! d’ Ontvoogdingsdrang begint beslist al door te dringen. Vanaf de laagste tot de allerhoogste kringen, Totdat, door het gevoel van die saamhoorigheid, d’Omvorming zich voltrekt, in ’t raam van onzen tijd. Het gaat hier om......” toen werd hij op een schild geheven, En van dien tijd dateert de term: „Lang zal die leven!” Toen werd er door de plakkers nog wat nagepraat, Wat eindigde met mot, zooals dat meestal gaat. Zoo was ’t begin. Doch van den verdren gang van zaken Ben ik van plan me maar een beetje af te maken. Ik zwijg dus over Bonn, Maastricht, et cetera, En schets u slechts den val van Castra Vetera, Een machtig vestingwerk, beschut aan alle kanten Door wallen, meters dik. ’t Heet tegenwoordig Xanten. Civilis sloot het in, en eerst na langen tijd Verloren de Romeinen dezen heeten strijd: De honger noopte hen het eindlijk op te geven. Civilis stond hun toe om, met behoud van ’t leven, De vesting uit te gaan. Hij gaf zijn eerewoord, En toen zij buiten kwamen, werden zij vermoord. Zij smeekten: „Claudius!” Civilis stak geen hand uit; Hij was Oost-Indisch doof, en keek een andren kant uit. Toen klom de groote Leider boven op zijn paard, En draafde spoorslags naar zijn huiselijken haard. Maar vóóraleer zich tot de zijnen te begeven, Bezocht hij zijn barbier, en kwam terug clean-shaven.
VIERDE ZANG.
HET FRANKISCHE RIJK. — DE PREDIKING VAN HET CHRISTENDOM. — DE VERWANTSCHAP VAN HET ENGELSCH MET HET HOLLANDSCH. — KAREL DE GROOTE. — DE NOORMANNEN.
Een kikker zag een os, die rustig liep te grazen, Hij dacht: als ik het wil, dan word ik net zoo groot! En dad’lijk ving hij aan zijn lichaam op te blazen, Hij blaast en blaast — en barst, en vindt een vroegen dood. Aesopus.
Na ’t geen ik in het vorig hoofdstuk heb verhaald, Is de Romeinsche zon zoo-zoetjes-aan gedaald. Het trotsche volk verging door innerlijke voosheid, Door wufte weeldezin, door zond’ en zedeloosheid. Dan — ook een onverzadigbare dorst naar macht Heeft dit (en nog een ander!) rijk ten val gebracht. Zooals w’ in onze jeugd al bij Aesopus lazen: De kikker barst, die tot een os zich op wil blazen. — Ter plaatse waar ’t Romeinsch Paleis in d’ assche ligt, Wordt thans een nieuw gebouw door Clovis opgericht: Het Rijk der Franken. Al de midden-volken kwamen, Als kiekens, onder deze groote kloekhen samen. Ook de Bataven gingen in dat rijk te loor; De Friezen niet. Die waren daar te koppig voor. Voorts woonden Saksen hier. Aan Saksen, Friezen, Franken Heeft dus ons volk voornamelijk zijn bestaan te danken. Al spoedig hebben, ter versterking van hun macht, De Franken-vorsten hier het Christendom gebracht. Dat ziet men tegenwoordig ook nog wel geschieden, Dat godsdienst wordt misbruikt door machtbeluste lieden. Vooral veel Anglen (Wolfram, Bonifacius) Getuigden hier; een soort „Salvation Army” dus. De Britten waren ’t steeds, die „vroom” en „goed” verwarden; Nog is in Engeland een Zondag niet te harden. Maar bij de Friezen vonden zij niet veel gehoor, Daar waren deze veel te linke jongens voor. De groote koning Radboud, een dier Friesche vorsten, Die allerminst naar des geloofs fonteinen dorstten, Was eindelijk bepraat door Wolfram, d’ Angelsaks, Een goed propagandist — dat zei ik al daar straks — Om in ’t gewijde water zich te laten doopen, En zoo den zegen van het Christendom te koopen. De koning stond ontkleed, de heeleboel was klaar, Toen stuitte men ineens op tweeërlei bezwaar: Vooreerst was, wat je wel begrijpen kunt, het bad koud, Maar dat was ’t ergste niet voor den geharden Radboud, Neen, ’t ergste was ’t bescheid, dat men den koning bood, Toen hij den priester vroeg: „Waar kom ik na mijn dood? Zal ’k bij mijn voorzaat zijn, die in Walhalla’s velden Vrij bier drinkt uit de schedels onzer doode helden?” — „Neen. Gij komt in den hemel. Zij zijn in de hel.” — „Dan zie ik er van af,” sprak Radboud, „dank je wel.” De doop ging dus niet door. En, ’k zeg ’t niet zonder blozen, Ik had in zijn plaats ook waarschijnlijk ’t bier verkozen. Een deel der Friezen ging, met Anglen, naar Brittanje. En namen ’t in bezit. Den Dietschen invloed kan je Nog merken, als je later vlijtig Engelsch leert. (De wisling is er nog, maar ’t gaat nu omgekeerd). Toen zijn er naamlijk woorden in die taal gekomen, Die zoo maar uit het Hollandsch over zijn genomen, Als elf en elk en hem, die, toe en doe en deed, En redden, bulk en veil en punt, been, pink en reed, En angel, made, mug en gems, ruin, beer, big, ever, En brood en room en bier en worst en drop en lever, En baker, dot en kind, en baas en vent en rats, En last en mud en pond en hoed en pet en pats, En stem en rust en rest en nut en beet en gave, En bad en arts en links en fat en lap en have, En dun, breed, stout en slim en rood en glad en vies, Zoek zelf maar verder voort in WEBSTER en DE VRIES. De grootste koning, uit ’t geslacht Pepijn gesprote’, Was Karel, bijgenaamd — en zeer terecht — de Groote. Die slaagd’ er eindlijk in, de Friezen te verslaan; Toen dwong hij z’ — als geloovig Christen — in te gaan. De paus was zeer tevreden met den Christen-koning, En kroonde hem tot „Roomschen Keizer”, als belooning Tot viermaal toe is deze vorst getrouwd geweest; Je wrijft je oogen uit, wanneer je zooiets leest, Te meer, omdat hij verder uiterst matig leefde, Noch dobbelde, noch dronk, en steeds naar eenvoud streefde. De Roomsche Keizer heeft hier zeer veel goeds gewrocht. Veel scholen, die hij zelf van tijd tot tijd bezocht, Heeft Karel opgericht. Hij liet geleerden komen, Die werden in den hofkring gastvrij opgenomen. Zooiets gebeurt niet meer. Nu vindt men aan het Hof Slechts menschen zonder aanleg voor het vak van prof. Hij leerd’ als grijsaard schrijven. Dat moet j’ in hem eeren; Ik ken scribenten, die het schrijven nimmer leeren. ’t Leenstelsel, dat al wel zoo ongeveer bestond, Gaf hij door strenge regelingen vaster grond. Dat stelsel heeft men nog — alleen in andren zin: Valt een minister soms een nieuw ideetje in, Dan vraagt hij niet (wat moest, naar mijn bescheiden meening) Is ’t ook misschien te duur? Och neen — hij sluit een leening. De Keizer kleedde zich eenvoudig, elegant, Maar lang zoo weeldrig niet als nu de burgerstand, Wanneer zijn staatswerk hem ’n beetje ging vervelen, Ging hij met Elegast gezellig wat uit stelen. Dit vorstelijk vermaak heeft nog zeer lang bestaan, En vele heerschers hebben ’t Karel nagedaan. Nu moet ik aan het slot in droeven klank bezingen De gruweldaden, die de Noren hier begingen. Uit Scandinavië kwam deze woeste bent, Al plundrend, brandend, roovend, moordend, zonder end. Hun Vikings leidden deze niets-ontziende krijgers, Zij teisterden ons land, bloeddorstiger dan tijgers. ’t Was ijslijk. En je denkt, wanneer je daarvan leest: Wat was dàt schit’rend voor de bioskoop geweest. Godfried de Noorman, door den vorst tot graaf verheven, Bezorgde d’ armen Friezen een verschriklijk leven. Hij gaf hun, na een opstand, elk een eigen strop, Te dragen om den nek; toen pasten zij wel op! Want iedereen begreep, als hij maar even stout was, Dat hij er in een minimum van tijd om koud was. En nog loopt menig stervling, tot zijn staag verdriet, Met zulk een strop bekneld, ofschoon men ’t touw niet ziet. Bij Leuven zijn de Noren eindelijk verslagen. Die stad zag nòg een keer zoo’n bende, in later dagen......
VIJFDE ZANG.
HET GRAAFSCHAP HOLLAND. — DIRK I, DIRK II, DIRK III, ENZ. — DE KRUISTOCHTEN. — PETER DE HERMIET. — DE TOCHT NAAR DAMIATE.
’t Waren donkre, droeve dagen, Nimmer vrij van oorlogsplagen, ’t Was krakeelen keer op keer Tusschen Bisschop, Graaf en Heer. van Lennep.
Nu spreidt een droef tafreel zich voor mijn blikken uit, En klagelijke klanken klinken van mijn luit. Het was een tijd van twisten, ijverzucht en veeten, Waarin haast alle helden Dirk of Willem heetten, Vandaar de nationale plaag: het dirkenwee, Daar kwelt elk onderwijzer elken leerling mee, Want al die Dirken dient hij op te kunnen noemen Met zijn regeeringstijd, en wie zich kan beroemen, Ze allen, zonder in zijn boek te hoeven zien, Vlot op te kunnen dreunen, krijgt van meester tien. Zoo leert de jeugd al vroeg zijn schooltijd te verknoeien, En de Geschiedenis hartgrondig te verfoeien. Het Graafschap Holland dan, waarvan ik heden dicht, Schoon ’t door den koning van de Franken was gesticht, Werd spoedig Duitsch gebied — ik kan het niet ontkennen; Men zal aan dat idee een beetje moeten wennen, Wanneer men — dat komt voor! — de Duitsche heerschzucht haat, Iets waarvoor evenwel geen reden meer bestaat, Want Duitschland is veranderd in den loop der tijden; Nu is de Duitscher heel gematigd en bescheiden. En als men de Mémoires van d’ ex-Kroonprins leest, Dan ziet men, dat als hij maar Keizer was geweest, Hij wel iets op de moeilijkheden had verzonnen, En vast den oorlog had verhinderd en gewonnen. De eerste Dirk, door keizer Karel aangesteld, Was graaf — dat ’s alles wat de faam van hem vermeldt. Nog heden zijn er graven, die noch slecht, noch braaf zijn, Noch dom, noch slim, noch sloom, noch vlug — alleen maar graaf zijn. Een kroontje op hun kaartje zegt: Mijn bloed is blauw! Iets wat je zonder dat misschien niet merken zou. De tweede...... neen, niet alle breng ik hier te berde, Ik deel u slechts wat mee van één nog: Dirk de Derde, Hij hief, waar later Dordrecht werd gesticht, een tol, En stal, tot schâ des handels, zich den buidel vol. Ten slotte heeft hij, opdat God hem zou vergeven, Van zijn gestolen geld een bedevaart bedreven. Dat deed men toen wel meer; van godsdienstvuur ontbrand, Trok men, ten zoen voor zonde, naar het Heilig Land. Tot zoen der zonde! Ja, maar waarom ’t hier verzwegen? Kwam naderhand zoo’n held een aardig meisje tegen, Dan bleek het vrome middel dikwijls niet afdoend, En werd er weer opnieuw gezondigd en gezoend. Toen evenwel de Turken deze streek bezetten, Begonnen zij die bedevaarten te beletten, De pelgrims werden vrij hardhandig aangepakt, En, spartelden zij tegen, in de pan gehakt. Maar Peter de Hermiet, een kluizenaar uit Frankrijk, Verhief zijn sterke stem, hartstochtelijk en klankrijk, En wekte op ten strijd. Hij trok van stad tot stad, En predikte, terwijl hij op een ezel zat, Den oorlog aan den Turk. De Paus was hem genegen, En schonk den ijveraar zijn herderlijken zegen: De hoorige, die deelnam aan zoo’n tocht, werd vrij. De slaven waren er dus als de kippen bij, Want niet slechts na zijn dood zou men zijn heil bekomen, Maar dadelijk, dus dat was altijd meegenomen. De ridders stroomden toe op Peter’s vrome stem, Zij mochten wel zoo’n tochtje naar Jerusalem, Want dom en dapper zaten z’ op hun burcht te mokken, Verveelden zich er dood, en waren gek op knokken. Hoewel ’k mijn zang niet noodeloos verlengen wil, Sta ik bij één dier tochten toch nog even stil. Die amuseerde mij als kind al uitermate, Ik heb hier op het oog de tocht naar Damiate. Die stad lag aan den Nijl, en aan den overkant Bevond zich een kasteel, versterkt en goed bemand. Ook Damiate had een krachtige bezetting, En stad en burcht verbond een sterke stalen ketting. Graaf Willem trok vol moed naar Damiate heen, Om het t’ ontrukken aan den fellen Saraceen, Maar de belegerden verweerden zich hardnekkig, En ’t aanvalsmateriaal was blijkbaar te gebrekkig. Totdat het scherp vernuft van den belegeraar Twee mooie vondsten deed. Toen was het zaakje klaar. De eerste was een op twee schepen staande toren, De tweede een galjoen met groote zaag van voren; Zoo werd de vijand uit zijn hoog kasteel verjaagd, En tegelijkertijd de ketting doorgezaagd. Nog luidt men in de kerk te Haarlem „damiaatjes,” Naar ’t heet geroofd van daar. Maar wellicht zijn dat praatjes, Want in dit opzicht zijn de meeningen verdeeld, Maar niet op ’t punt, dat dat geklep vervloekt verveelt. En opdat gij u niet vervelen zult, al lezend, Leg ’k hier de vulpen neer, en eindig. Cet’ra desunt.