← Table of contents
Ruize-rijmen

V. KUNST.

Reading edition

1. AAN SPEENHOFF.

O, zanger, gij, die gansch een volk behoort, Die zooveel jaren Holland’s hart vervulde, Wiens lied ons boeit, wiens zachte stem bekoort, Ik breng u hulde. Toen gij, al lang geleên, met moeder’s brief Ons van de stulp op straat, ten kerker voerde, Toen kreeg heel Nederland den dichter lief, Die zóó ontroerde. Men was ontroerd — maar zonder luid gesnik, Men lachte soms — maar zonder luid geschater; De vluggen troft ge ’t eerste oogenblik, De tragen later. Maar heel ons brave volk hebt gij verblijd Met ’t lied des mariniers aan zijn beminde; Wie kent er niet d’ onsterfelijke meid, De goedgezinde? En d’ arme opoe dan, die niets meer zei, De meisjes van de H. B. S., de blonde, De vegetariërs, de schutterij, Het kind der zonde? En ’t meisje! ’t meisje, dat men nooit vergeet, De oude zwabber, bij zijn Catz, zijn krantje, Het scheepje — vader’s ongezegde leed, De broek van Jantje? Voor u is ook een mensch de bruggeman, Ouw’ Betje geeft u stof voor een ballade, Gij ziet zelfs ’t menschelijk’ in de juffrouw van De retirade! Gij hebt den stillen humor ons gebracht Waardoor de doode dingen leven krijgen; Gij wist te zeggen, waar het moest, met kracht, En — te verzwijgen. Gij, die de ziel der natie hebt gevat, Die tot het hart te spreken weet — te fluisteren! O, peinzend dichter, zanger, zing nog wat, Wij zullen luisteren......

2. DE BENAUWDE VESTE.

Open brief aan den Raad van Beheer van „Het Nederlandsch Tooneel”.

„Het hemelsche gerecht moog’ zich ten langen leste Ontfermen — ons bevrij’n van de benauwde veste!”

’k Beken het eerlijk en oprecht, — dat is toch maar het beste — Ik heb het alweer afgelegd in de benauwde veste! Ach, ieder jaar probeer ’k het weer, maar ’t heeft me steeds berouwd, Ik denk niet, dat ik ’t ooit meer leer: de veste is te benauwd! Zoo zonder pauze, denk eens aan! Van acht uur af tot elven! Ja, toen het eindelijk was gedaan, toen viel ik van mezelven. Ik werd gelukkig bijgebracht met slemp, en met een soes, Maar ’k hoorde nog den heelen nacht dat stem-geroezemoes. O, had ik nu toch maar ’t geluk, — zoo zuchtte ik in m’n wanhoop — Dat ’k weg mocht! Neen. Dat zware stuk dat is nog maar ’n anloop. Het Nieuwjaars-stuk begint dan pas; en, o, die Nieuwjaars-wensch! Wie dien nog volgen kon, die was geen mensch, maar Oppermensch! We zijn te moe, we zijn te gaar, als ’t twaalf uur, of kwart voor, is, Voor Pieternel en Thomasvaer, voor Roosje en voor Kloris. Je voelt je overladen, dof, als na een lang menu Met veel te zware meelkost, of met veel te vette jus: Eerst erwtensoep („met”), stokvisch, bot, gehakt met capucijners, Dan varkenspoot, gestampte pot, kool, rookworst; dan wat fijners: Choc’ladepudding, rijstebrij, gort, griesmeel, zoete vla, En dan — er kan nog wel wat bij — spekpannekoeken na. Ja, Gijsbrecht en zijne trouwe schaar zijn eindeloos breedsprakig, Wijdloopig, dik, langdradig zwaar, loslippig en loskakig. En hun verhalen dreunen voort, zij buldren onvermoeid, Hun zinnen worden woord voor woord ter zale ingeloeid. Zelfs Rafael, zingend Godes lof, hoog boven wolk en winden, Is ongelooflijk lang van stof, en kan zijn eind niet vinden. Raad van Beheer! Schaf „Gijsbrecht” af! verhoor mijn bittre beê, Ai, laat hem liggen in zijn graf, zijn assche rust’ in vreê! Heb medelijden ’t volgend jaar! Mocht g’ u ten lange leste Ontfermen! O, verlos ons maar van de benauwde veste!

3. AAN TIELENS.

Gerijmd na het zien van zijn schilderij: „De Lupuslijder.”

Neen, schilder, neen. Geef andre kunst. Keer om. Bewandel andre wegen. Gij hebt van God de gaaf gekregen, Uw werk zij waardig Godes gunst. O, weemoed! Hopelooze ellend’! Waar prooibelust de wreedste ziekte Als een harpije nederwiekte, Die ’s Hemels schoonste schepping schendt, Die ’t menschlijk lichaam schroeit en schrijnt, Die Godes beeld, en wondre schepping Aan dorring prijsgeeft, en verlepping, Waar lid op lid ontvleescht verdwijnt. Hier torst een Mensch in bitt’ren nood Een last te zwaar schier om te dragen, En snakt naar ’t einde van de dagen, En naar de weldaad van den dood. Is daar op onze lieflijke aard Geen schoonheid meer om af te malen? Geen gulden glans van zonnestralen Op bonten beemd en groenen gaard? Is daar geen blijde bloemenpracht, Geen steden-schijning, geheimzinnig, Geen grijze dorpskerk, vroom en innig. Geen zeeën-vreugde van smaragd? Neen, schilder. Staak uw droef bedrijf. Gij kunt ons edle blijheid geven; Maal ons ’t ontroerend schoone Leven, En spaar ons dit ontbindend lijf!

Naschrift. Het bovenstaande Rijm was reeds afgedrukt, toen wij onze vergissing bemerkten. De bedoelde schilderij stelt geen lupuslijder voor. Het is het „Synthetisch portret van L. van Kuik.”

4. D’R KOMEN NETTE LUI!

„K.V. Het Nederlandsen Tooneel. Directeur dr. Willem Royaards. Heden avond Een Mid-zomernachtsdroom. Met het oog op de aanwezigheid van den Amerikaanschen gezant en een groot deel van de Amerikaansche kolonie als gasten van den heer J. T. Cremer, avondtoilet beleefd verzocht.” — Adv. Hbl.

Wij kunnen ons niet kleeden; Me dunkt, dat staat wel vast, We zijn al heel tevreden, Als ’t maar zoo’n beetje past; Wien Neerlandsch Bloed door d’aadren vloeit, negeert zijn kleerekast. We dragen slechte pakken, En alle snit is zoek, De kraag dreigt af te zakken, De jas hangt als een doek, En dan geen vouw, maar dikke, bolle knieën in de broek. In ’t buitenland daar kun je Je landgenoot direkt Herkennen aan de plunje, Die ’t logge lijf bedekt, Iets, dat — ik zeg ’t er daadlijk bij — ons niet tot schande strekt. Een rokpak aan te trekken Maakt ons een week ontstemd, Met onze dikke nekken, In ’t hooge boord geklemd, Verzetten w’ ons hardnekkig tegen ’t stijve overhemd. En gaan we naar ’t theater, Al is ’t op ’t Leidsche Plein, Bij kunst van ’t eerste water, We kleeden ons niet fijn, Omdat w’ er in ons boezeroentje zoo genoeglijk zijn. Maar nu de hooge oomes Verschijnen, naar men weet, Nu heeft de Major Domus, Die Willem Royaards heet, Verordineerd: we moeten komen in ons statie-kleed! In ’t glorie-rijk Verleden, Toen was ’s lands wijs ’s lands eer, Het holle, Haagsche Heden Erkent die leus niet meer, En voor een nette vreemdeling verkleeden w’ ons als heer.

5. PRELUDIUM.

Gedicht bij het zien van Leo Gestel’s Symbolische klankfiguratie „De zwart-en-wit geknakte Gladiolenhaven”, Compositie in kleur.

„Geen kunst kan meer zijn, dan preludium van de werk’lijkheid.”

Philip Metman.

Daar, waar de kleuring klaart, in ’t zeevert’ stralen, En nederop-waart laait in glavren gloed, Daar slinkt een schuchtre schijn, als bluschloos bloed, Wijl goud-visioenen door d’ ontscheemring dwalen. Zal steeds de purpren stem, die sidd’rend woedt, In barnend’ aemecht strak, schoor-prangend pralen? En wolkt mijn ziel in d’ almadijnen vloed, Door ’t lydolagd weerkaatst, in mid-nachts-dalen? Ik duchte ’t duister nauw, schoon d’ ucht-nacht daagt, Zoo leg ik ’t speurend oor aan ’t kleurterzet, Wen ’t mij heur boezem biedt, waar ’k smachtend nestel... Aanhoort dan ’t antwoord zacht, waar ’t zielsvuur vraagt: Wanneer j’ ’n woord begrijpt van dit sonnet, Dan snap je ook ’t fijne van de kunst van Gestel.

6. HOLLANDSCHE HUMOR.

Gerijmd na het zien van een beroemd product van vaderlandschen geest.

Waarom zou je je vermoeien, En je kostbren tijd verknoeien, Om een geestig stuk te schrijven, Laat het ongeschreven blijven! Humor is volstrekt niet noodig, Geestigheid is overbodig. Onze goede vaderlanders Zijn wat zwaar. Het is niet anders. Wil je ze genoegen schenken, Laat ze dan vooral niet denken. ’t Grootst succes kun je behalen, ’t Luidst applaus, de volste zalen, Lachen, juichen, stampen, klappen, Door de allerlaagste grappen. ’k Zal je eens wat moppen zeggen, Waar je eer mee in kunt leggen. „Hou je ook zoo veel van paarde’,” Vraagt er een, „als ik, m’n waarde?” En dan laat je d’ ander zeggen, — Maar hij moet er „gijn” in leggen — „Ja, — ’k eet altijd paardebiefstuk!” Schrijf je zóó, dan krijg j’ ’n lief stuk. Als een eerste-klas actrice, Om den dooien dood geen Friesche! Maar een Amsterdamsche — eene Uit het volk, in merg en beene’, „Jeizus Kerrisstuss!” door de zaal schreeuwt, Giert men, tot de keel zich schraal schreeuwt. Zorg, dat haar gezicht van ’t zweet glimt, En, als zij dan op een stoel klimt, Als ze een tjitjak op den muur ziet, Is er geen gezicht, dat zuur ziet, Neen, dan davert het theater Van een schallend schel geschater, Tot het gillen en het gieren Aanzwelt tot een schetterig tieren, Balkend, schreeuwend, bulkend, loeiend, Tot een heescher huilen groeiend, Wild weerkaatst de ruimte vullend, En de kreten, brallend, brullend, Gansch ’t gebouw ten langen leste Kraken doen op al zijn veste’, En wanneer het stuk gedaan is, Er geen oog meer zonder traan is, Van het lachen en het proesten, Van het kuchen en het hoesten, En ze in gangen, op de trappen, Navertellen al die grappen, Gillende de straat in tollend, D’eene over d’andre rollend, Zich verstappend en verzwikkend Half nog in den na-lach stikkend, En elkaar op d’armen tikkend, Met ’t genotene verkwikkend, Nog eens snaat-rend, nog eens snikkend, De voorbijgangers verschrikkend, Zenuwschokkerig stotterend, kikkend, Zich versprekend en verslikkend, Hoestend en aemechtig hikkend, Hijgend zich den baard aflikkend, Das en boordje of haar verschikkend, Dan weer stom van ’t lachen knikkend, Schuddend, mop-doortrokken blikkend...... Als je ’t nu toch zóó kunt krijgen, (Dacht ik zoo eens bij mijn eigen, Bij ’t naar huis gaan, moet je weten,) Zonder iets dat geest mag heeten, Is ’t maar ’t best geen geest te geven, Heel laag bij den grond te zweven. En de pers vindt ’t aardig, prachtig, Amuseert zich allemachtig — Dat verzekert je recette, Daar mag j’ ook toch wel op lette’! (’t Zal een flinke bom geweest zijn!) ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... Zalig zij, die arm van geest zijn!

7. HOE SCHRIJF IK EEN TOONEELSTUK?

Leiddraad voor den jongen schrijver.

Wie in deze drukke dagen Met tooneelwerk wat wil slagen, Hoeft geen groote geest te zijn, Vol van humor, fel en fijn, Vol van beelden en gedachten, Vrucht van slapelooze nachten; Wil je goed succes verwachten, Hoe ook ’t eind is, of ’t begin — Plak ’r ’n sinjo of nonna in. Zooiets wil ’t publiek nu hooren, En het spitst onmiddlijk d’ ooren, Als zoo’n stumpert, dwaas en dom, Mal van gang, in ’t spreken krom, Grappig in het taalverknoeien, Klanken krijscht om te verfoeien; ’k Zou me heusch maar niet vermoeien: Hoe ook ’t eind is, of ’t begin — Plak ’r ’n sinjo of nonna in. ’t Kan je niet zoo heel veel schelen, Waar je ’t stuk precies laat spelen, Op de bergen, in het dal, In ’t kantoor of op het bal, In kasteelen of in vesten; Is ’t in onze wingewesten, Dat is zeker wel het beste, Maar, hoe ’t eind is, of ’t begin — Plak ’r ’n sinjo of nonna in. In de lang vervlogen jaren Stroomden naar de bultenaren, Kreup’len, lam van lijf en leên, Dichte drommen hijgend heen, Laffe, lachbeluste drommen, Blij met blinden, stottraars, stommen, Geef ze nu de geestlijk krommen: Hoe ook ’t eind is, of ’t begin — Plak ’r ’n sinjo of nonna in. Trek de menschen, pak ze, lok ze Met Shawiaansche paradoxe’, Geef op mise-en-scène acht, Zorg voor kleuren, teer en zacht, Zorg voor sierlijke gewaden, Duur, en toch niet overladen, Maar vooral, heusch, laat je raden, Hoe ook ’t eind is, of ’t begin — Plak ’r ’n sinjo of nonna int

8. DE BLOEMENTUIN.

Ik vlecht u, kunstnaar, gaarn de lauwren om de slapen, Maar dat gejubeljeer — daar wor’ ik zeeziek van...... ’t Tooneel was in één grooten bloementuin herschapen, Toen ’t doek weer opging. Ja, daar stond de groote man. Eerst trad Co Dit, Cor Dat, Jan Zoo-of-zoo naar voren, En las met luider stem de wenschen-op-papier, De telegrammen, voor — heel prettig om te hooren, Heel geestig soms, vooral het versje van Van Lier. Toen sprak de President van „’t Nut van ’t Algemeen”, as Vertegenwoordiger van ’t plaatselijk intellect. Toen Jhr. Mr. X van Y tot Z — Maecenas, Hij torst’ een ruizekrans; zijn woordje was correct. En daarna — aangedaan, ze sprak maar niet heel veel dus — Kwam Truusj’ of Guusj’ en zei: „Ja, Koos, of Juul, of Rienk, Ik eer je, als artiest!” en gaf hem de tooneelkus, Het klapte dat het klonk, maar ’t smaakte wat naar schmink. En eindlijk d’ envelop. Hoeveel? Dat moet nog blijken, En ’t is voor menig jubelaar een toer geweest, Om te berekenen, hoe dankbaar hij moest kijken — Want ’t valt soms lang niet mee, na d’ afloop van het feest. ’t Is fijn, maar als men ’t wat eenvoudiger gedaan had, Zoo denkt de man misschien, te midden van ’t festijn, En als de tuin wat minder in den bloei gestaan had, Dan had de envelop wat zwaarder kunnen zijn...... Enfin, hij krijgt het woord. Hij stamelt, in ontroering. Het is te veel, te veel. En juist in deze stad Heeft hij — hij raakt in meen’ge plaats zoo in vervoering — Zijn heerlijkst’ oogenblikken voor zijn Kunst gehad. En is ’t een jublarès, dan wordt het wel héél knus, want Dan is de stemming zacht en teeder, en ’t publiek, Dat altijd „lief” is, krijgt tot slot de tooneel-kushand, En tranen biglen langs het rouge-électrique...... Ik weet wat om den jubileum-stroom te stoppen: Zorgt, dat de kunstenaar beloond wordt zoo als ’t hoort, Dan worden we bevrijd van bloemen, enveloppen, Van de tooneelkus en ’t collegiale woord.

9. DE CRITICUS.

„De heer X zong deze keer slecht. Mej. Y, die voor ’t eerst optrad, kunnen wij niet gelukwenschen met haar debuut. Van hem kunnen wij zeggen: hij kon wel, maar hij wou niet, van haar: zij wou wel, maar ze kon niet.” — Uit een recensie.

De criticus is lomp en plat, aanmatigend en wreed. Hij is de man, die alles kent en kan, en alles weet. Hij is als Goliath zoo groot, als Davidje zoo dapper, En is een kunstenaar nóg zoo knap, hij ’s altijd één graad knapper. Alleen den twijfel kent hij niet. Hij schrijdt met vasten tred, En zwaait zijn lof, zijn blaam — vertrapt, of steekt de loftrompet. Zijn machtig woord kan beurtelings verstooten of beschermen; Zijn woordenboek bevat niet zulke weifelende termen Als „’k vind,” „ik meen,” „het schijnt me toe,” „als ik me niet vergis,” Hij kent alleen: „het is,” „het is,” „het is,” „HET IS”, „HET IS!” Hij hoont je, hij beleedigt je, verminkt je, of vermoordt je, Ter wille van een jeu de mots, of van een grappig woordje. Rap is zijn hand, gedwee zijn pen, gewillig het papier; Hij schrijft zijn vonnis in ’t café, zoo onder ’n glaasje bier. Soms is zijn naam bekend, omstraald door onverdienden luister, Soms is hij „men”. Dat ’s veiliger — dan steekt hij uit het duister. Hij heeft geen moeite met zijn oordeel; weet al hoe hij ’t vindt, Als hij maar half gekeken heeft. Hij komt, ziet, overwint. Hij is de schrik van elk artist, geen stervling is geduchter, En ik, onnoozle, vraag zoo wel eens, aarzelend en schuchter: Waaraan ontleent hij toch het recht om zich, met breed gebaar, Te stellen, hoog verheven, boven ieder kunstenaar, Of ’t Heyermans, of Noordewier, Piet van der Hem, of Musch is? ’t Is doodeenvoudig: hij ’s zoo knap...... omdat hij criticus is! Hij hoeft het niet te toonen, te bewijzen door zijn werk, Hij zorgt juist, dat hij nooit iets doet. Dat maakt hem groot en sterk. Wel heeft hij dikwijls vroeger zelf getracht wat te presteeren, Maar lukte dat niet al te best, dan ging hij — critiseeren. In Holland — waar men voor „Bewaarschooljuf” examen doet — Is men onmidd’lijk „Criticus.” Daarvoor is ieder goed. Je hebt geen voorbereiding noodig, hoeft niet te studeeren, Je „schrijft je in,” en kunt direkt cum laude promoveeren. Terwijl de kunstnaar al zijn leven zoekt, en streeft, en kampt, Schenkt God de Heer den criticus de kennis met het ambt. Hij heeft het weer eens „goed gezegd”, voelt zich den kraan der kranen, En ergens in de eenzaamheid zit „hij” of „zij” — in tranen...... O criticus, ik hoop, dat gij u niet gekrenkt gevoelt; Bedenk, dat ik niet u, maar uw collega heb bedoeld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings