← Table of contents
Ruize-rijmen

IV. TAAL.

Reading edition

1. TAAL-RIJM.

Opgedragen aan den vreemdeling, die Hollandsch leert.

O, vreemdeling, die onze taal bestudeert, Lees verder. Ik wed dat mijn Rijm je wat leert. ’k Hoop niet, dat de studie je tegen zal vallen, Zoo zegt men bal — ballen, maar, ach! niet: dal — dallen. En ’t enkelvoud, vreemdling, van koeien is: koe, Maar de boef draagt wel boeien, de drenkling geen boe. En Vondel, je weet het, schreef prachtige reien, Maar niemand bestelt in een lunchroom ooit eien. En kinden is niets, noch ook winderen — wel lammeren, Wel: wortelen, geen eikelen, noch borstelen of kammeren. Zoo kom je van zelf op de lastigste paderen: Rad — reden? Stad — staden? Is vad stam van vaderen? Ook heb je wel potten, maar nergens zijn slotten, En niemand zegt roten, marmoten of lotten. De boer houdt geen haanders, maar zeker wel hoenderen, En draagt op het land meestal klompen — nooit schoenderen. Het meervoud van krent is eenvoudigweg: krenten, Maar: vent, in het meervoud, is kerels — niet: venten. Leer ook de geslachten, mijn leerling, vroegtijdig: De vrouwen zijn vrouwlijk, maar wijf is onzijdig. O ja, dat is waar, ’k zou het haast nog vergeten: Een oud wijf is mannelijk — je moet het maar weten! Zoo stelde Verheul al het onderscheid vast Tusschen een gast, de gast, en — eilacie! — het gast. Zeg: naaister, maar schilderster moet je niet zegge’, Ook niet koninges of dievin of vriendegge. Dan deminutiva, als scheepje van schip; Heeft Jantj’ al een zweepje — zijn pa heeft geen zwip. En ’k weet het, lief kind, met gevogelte dweep je, Maar toon nu geen lippetje om dit taai-droge sneepje. Ook werkwoorden moet je met zorg bestudeeren, Want als je niet oppast, dan scheur’ je je kleeren. Je zult al wel weten — ik hoop, dat je ’t wist, Dat je heden zult eten, maar gisteren niet ist. Toen gisteren de torenklok twaalf had geslagen, Zeg, ben je toen rustig naar huis toe gegagen? Gezegd is niet beter gezegd dan: gezeid, Maar nooit is er nog naar een drenkling gedreid. Och, als je ’t maar weet, is ’t gemaklijk genoeg; Ik joeg bij ’t behang naar een muisje dat knoeg. En als je in vervelend gezelschap haast sliep, Heeft niemand gemerkt, dat je heimelijk giep. Ik denk ook wel niet, dat je vaak hebt gezocht Naar een post in je boek, die verkeerd was gebocht. Bedenk, vriend, als j’ in verontwaardiging raakt, Dat niet wan wordt getrouwd hij, die nacht heeft gebraakt. Ik vraag j’ of je hier wel eens ooit aan gedacht hebt, En of je ’r je aandacht genoeg aan geschacht hebt? En dan — ’t is niet erg, als je j’ even vergist — Wat zeg je: „dank wijtte”, „dank weet”, of „dank wist”? Leer ook de getallen, o vreemdling, aandachtig: Zeg: vijftig en zestig — niet drietig en achtig. Ook d’ uitspraak is soms nog een moeielijk ding, Immers: beving je ooit van de angst een beving? En hoorde j’ ooit iemand in ’t Hollandsch bevelen, Een vocht naar een lager staand vat te hevelen? Al schrijf je ook Gorinchem, spreek het uit: Gorkum, Maar schrijf in vergissing niet Borinchem voor Borkum. En teeder is zeker hetzelfde als teer, Maar noem nooit een reeder bij ongeluk: reer. Misschien ben je ’t Hollandsch in zoover al meester, Dat je heester niet zoo maar laat rijmen op zeester. En heb je de klemtoon al zoo goed te pakken, Dat je lieden, die slabakken, gooit met slabakken? En ’t enkelvoud, hoe zeg je dat dan wel? slabak? En rijmt dat op tabak? Of beter op klabak? En rijmt dit precies: „Als Marie gelei maakt, Dan vind ik, dat die naar een spiegelei smaakt?” Neen, houd j’ aan de regels, al ben je een vrijgeest, En zeg niet gelei-taart zoowat als gelei-geest — Zoodat ’k maar wil zeggen, aan ’t eind van mijn lied: Het Hollandsch is heusch nog zoo makkelijk niet.

2. ED-DIJM.

Oefening voor lijders aan keelpijn, Engelsche, Italiaansche, zang- en tooneel-les.

Fhdededik, Fdans, Chdistien en Gdietje, Spdongen vdij in ’t gdoene gdas, Tdapten ’t gdint en bdaken ’t spdietje, Stdaf ze bdommend, stdeng en kdas! Bdam, dedink bdaaf Bdittanje’s dedanken, Dediemaal dedeigend dedaai de dedaad, Fdommelt fdanje, fdaaie Fdanken, Gdaaf de gdond en gdijp de gdaat. Kdakend kdast de kdomme kdekel, Pdachtig pdijkt de pdaal en pdonk, Hdeis bdond, hdust hdoest, hduwe hdekel! Tdacht te tdemmen, tdap de tdonk, Bdand, bdand, bdand! hdoept onvedschdokken Tdijn de gdoenvdouw, hded het fduit! Stduikel oved gdoote bdokken, Stdooi gdauw stdoo, gdof schdoot, gdijs kduid. Bdeng bduin bdood, Bduid, bdadend, bdeiend, ’t Gdijpgdaag vdouwtje gdijnst en gdoet, Vdeemde vdienden vdagen vdijend Spdot en spduitjes, vdoom en vdoed. Tdoelstda, gdam doohd spdaakgebdeken, Schdokt, bdooddedonken, dediest en dedoef, Hdeebdaad, schdaal met hdoom bestdeken, Schdapt schdiel schdijnend ’s gdaven schdoef. ’n Bdakke tdanenstdoom hdolt pduiledig, Waadh ik Hdosa’s hdozen hduik, Koendaad stdeelt gdaag, hdilledig, deduiledig, Hdika’s hdade, hduige pduik. Onhdaad! Gdievend, gduwzaam, hdoemdijk, Hdembdandt hdoemt wie ’t onhdecht dedaagt, Daahd Pdins Albdecht stdam en bloemhdijk, ’t Schdikgededocht vedstdikt of schdaagt. Pdikkeldedaad omhdingt de stduiken, Vdees, Gdaalhdidded, dedijft tot hdamp, Kda, kda, kda! Fdee, bdeek Dediek’s kduiken, Bdecht stdijkt kdagen, Kdijn kdijgt kdamp. Schdijf dedie bedieven, Fdits, dedaag vdachten, ’t Schdil gekdas vedschdikt de spdeeuw, Wdeed wdeekt Fdankdijk’s geduwbde kdachten, ’t Stdijdkdeetkdijschend kdijgsgeschdeeuw!

3. MEVROUW.

O, Neerland’s taal, wat breng je me toch dikwijls in het nauw! Ik weet zoo dikwijls niet, hoe ’t zijn moet: „juffrouw,” of „mevrouw.” Belastingdruk bezwaart me. Ja. Maar als ik ’t wel beschouw, Dan heb ik ’t nog veel meer te kwaad met juffrouw-of-mevrouw. Vaak grijpt de weifelings-harpij mij aan met krommen klauw, Wanneer ’k maar niet besluiten kan: is ’t „juffrouw,” of „mevrouw.” En als ik noch absurd wou doen, noch iemand krenken wou, Dan bromde ik maar zoo’n zoemgeluid, half „juffrouw”, half „mevrouw.” In winkels, vroeger, wist je zeker wat je zeggen zou: De dikke dame, die bediende, was gewoon „juffrouw”; Maar in zoo’n deftig magazijn, waar, trotscher dan een pauw, De statige patrone stapt, zeg ik gedwee, „mevrouw.” Potgieter’s herbergierster, blond van haar, van oogen blauw, „Het Weeuwtje van het Hof van Holland,” heette nog „juffrouw”. Maar d’ eigenaresse van ’t hotel, dat weeldrige gebouw, Al is ’t ook in den Achterhoek — noem die gerust „mevrouw!” Mijn juffrouw’s dochter is getrouwd, en wat gebeurt er nou? Ze stuurt haar meid, die zegt: „Juffrouw, een boodschap van „mevrouw!”” De Franschman, Duitscher en de Brit die blijven zich getrouw, En noemen haar, die ’t trouwjuk torst „Mrs.”, „Madame,” en „Frau,” Die kennen niet de kwellingen van wroeging en berouw, Als wij, wanneer we „juffrouw” zeiden tegen een „mevrouw.” Bij twijfel — nou, in ’t donker zijn toch alle katjes grauw! Bij twijfel of ze ’n ega heeft, dan zeg je maar „mevrouw.” ’t Is anders nu. We zijn niet meer zoo vrij met „je” en „jou”, Laat ons dan ook zoo bang niet zijn voor ’t hoffelijk woord „mevrouw!” Want wie zich een „mevrouw” gevoelt, voelt „juffrouw” als een knauw; Hoe menige „mevrouw” heb j’ al beleedigd met „juffrouw!” Ja, op het punt van ’t „gek figuur” zijn ook wij, helden, flauw: O, goden! ’t was een „juffrouw” en ik heb gezegd: „mevrouw!” Op, patriotten! dapper zijn — niet aarzlen, laf en lauw, De „juffrouw” zij gepromoveerd — cum laude — tot „mevrouw!” Dus Jans, het vischwijf, Sien, de badnimf — och het went zoo gauw! De krantverkoopster, enzoovoorts... allo-dan-maar...: „Mevrouw!” Verander dus van koers. Keer om. Verman je — do it now! Noem iedere getrouwde vrouw met mannenmoed: „Mevrouw!”

4. BESLIST.

O, gruwzaam woord van al wat stom en plat en muf en laag is, Van elk wiens hoofd te hol, wiens tong te log, wiens geest te traag is O, voetbalterm, o, commisvoyageurs-, o, kapperswoord, Dat in elk ingezonden stuk beslist, beslist behoort, O, woord dat moet gekrijscht, geniest, gekrast, gebriescht, gesist: „Besjlllissst!” Ik ga beslist, jij blijft beslist, zij kletst beslist, hij liegt beslist, Het klinkt beslist vulgair, beslist, en ’t is beslist verbazend, Maar ’t irriteert en prikkelt me beslist, en maakt me razend, Want wat ik vroeger zeker wist, dat weet ik nu beslist beslist, „Besjlllissst!” Beslist, echt, beslist prima, beslist concurreerend, Beslist fijn, beslist Christelijk en beslist doleerend, Beslist goed, beslist beter, beslist best, beslist grievend, Beslist dom, beslist leelijk, beslist vaderlandslievend, O, is er ook één term dien iedereen verfoeien En met mij trachten moet beslist vast uit te roeien, Dan is ’t (beslist!): „Besjlllissst!”

5. RUIZE!

Besjlllisjt is nog niet uitgesist, het krijscht niets minder heftig, Integendeel — maar ’t zegt niet veel — dit parvenu werd deftig. Eerst was het in de „Port van Cleve” de geijkte taal, Nu is ’t al in de „Witte” en de Staten-Generaal. Maar als je niets oorspronkelijks hebt, geen smaak hebt, niet kunt denken, Dan moet je nu mekaar een ander misbak na gaan jenken: Dat lamme woord, dat j’ altijd hoort, dat j’ in je oor blijft suize’, ’t Is: ruizedit en ruizedat, en ruize, ruize, RUIZE! Daar is het ruizeuitverkoop, die man doet ruizezaken, Wie ruizeveine heeft, die kan nog ruizewinsten maken. In dit café is ’t ruizeleeg, in ’t andere ruizevol, Hier is ’t besjlllisjt een ruizekeet, daar hè je ruizelol. En vroeger gaf de kermis nog wel eens een ruizemop, Die doeken ze op; ’t is ruizepech! besjlllisjt een ruizestrop. Kijk! fijn! Een ruizekornerkik! Een ruizecenterhalf! Hij is een ruizesloome vent, en hij een ruizekalf, Hier koop je voor een ruizeschijntj’ een ruizesantekraam, En wor’ je voorgesteld dan zeg je: „ruizeaangenaam!” Is ’t zonnig zomersch, vriest het, stormt het, pletst de regen neer, Je zegt in elk van die gevallen: „Wat ’n ruizeweer!” Wie helpt? ’k ben er vlak ruizevoor, we zull’ ’t ’m ruizelappen Dat ruizelamme ruizewoord er ruize uit te trappen!

6. WAAR GAAT HET OM?

Wat heb ik niet gestreden tegen „ruize” en „besjlisjt!” Maar al mijn strijden was vergeefsch — ik heb mijn doel gemist. Hoor naar een redevoering, lees een brief, neem maar een krant op: Men gaat er onvermoeid mee door — steeds den verkeerden kant op. De kranten brengen nu alweer, in iedere kolom, Een andere gemeenplaats, het is dit: „Waar gaat het om?” Men schrijft het, zegt het, bauwt het na, dit smakeloos verzinsel: „Waar gaat het om?” — „Hier gaat het om!” — „Het gaat om een beginsel!” „’t Gaat om artikel dit of dat!” — „Die zaak, die man, die daad, Dat is de zaak, dat is de man, de daad, waar om het gaat!” „Het gaat om d’eer des lands, het gaat hier om ’t geloof, mijn broederen, ’t Gaat om de vrijheid, ’t gaat hier om uw geestelijke goederen!” — „Het gaat om”...... hoort men overal, in kroeg, in huis, op straat, „Waar gaat het om!” — „Waar het om gaat?” — „’t Gaat daar om, waar ’t om gaat!!” „We spraken van, we hebben ’t over, hierop komt het aan, Dat staat op ’t spel, dit is bedoeld...” dat zou geen mensch verstaan. O, hoe ’k die menschlijk’ echo’s haat, die kerels van het gaat om! En als ’k ’r een in de verte zie, dan loop ik gauw een straat om. Laat ons dit Germanisme met vereende kracht bestrijden, De gaatommers bevechten, en de gaatoms zelf vermijden; Nog is het wellicht tijd; ik hoop dat ik nog niet te laat kom, Op! ’t gaat hier om een gruwelterm, het gaat hier om „het gaat om!”

7. PRACHT-BEWEGING.

Een prachtvent heeft een prachtidee, hij heeft het zelf bedacht; Het is een prachtplan, en zijn prachtjas is gewoon de pracht. Zijn prachtkarakter houdt hem ver van elke slechte neiging; Hij doet niet aan de vrouwe- en niet aan de drankbeweiging. De vliegbeweiging laat hem koud, hij houdt niet van ’t gesnor Daar boven in de lucht (gelijk gemeld) van den motor. En toen hem onderlaatst een auto op den weg voorbijging, Toen zeid’ ie: „stik en barst, verroest! die stof- en stankbeweiging!” En zelf zoo’n ding te koopen is begrootelijk, dat gaat niet, Gelijk gezegd, het is te prijzig, ’t kan niet, het besjtaat niet. Om reden hij geen centen heeft, en arm is, en arm blijft. Maar, dame, geeft u hem er een, dan dankt hij u beleifd, Voor en aleer hij erft — in die beweiging is hij niet — Moet hij beleifd verzoeken om wat werk, tot zijn verdriet. Ik ben niet groos, nee, en ik geef mijn eigen nooit geen airs, Maar dit gedicht, dat vin’ ’k toch weer besjlisjt een ruizevers.

8. ZIELIGE ZALIGHEID.

Een bakvischje is coquet en lief, royaal, en nooit inhalig, Ze houdt alleen een beetje veel van „zielig” en van „zalig.” ’t Is zalig weer! maar zielig, dat we net naar school toe moete’! Hoe zielig, jij krijgt zure room, maar zalig: ik krijg zoete. Zeg, vé j’ ’t niet zielig? ’k mag niet uit: Ma vindt de wind wat schralig. Maar Broer tracteert: marrons glacés; die zijn gewoonweg zalig. Een zalig schrijver: Schiller, wat? waarop heel Duitschland groot gaat; „Maria Stuart” zalig hè? maar zielig, dat ze dood gaat. ’k Lees van Napoleon; zalig toch zoo’n held te zijn, zou ’k meene’! Maar hoe ontzettend zielig zat hij daar op St. Helene! O, zalig Zwitserland! daar reist mijn zus, die net getrouwd is, Tot boven op de Gornergrat, maar zielig, dat ’t er koud is. Ze schrijft: „ik heb het zalig hier, altijd alleen met mannie!” Ik mag van het jaar naar Rolandseck, hoe’ zalig! zeg, met Annie. Hoe vé j’ die zalige chrysanten? ’k kreeg een heele ruiker. We hadd’ op tennis zalige thee, maar, zielig, zonder suiker. Broer’s vriend, een blonde adelborst, logeert hier; o! ’t is zalig! Maar vé j’ ’t niet innig-zielig, zeg, de jongen is pokdalig. Hoe zielig, dat je zuster Mies nog altijd thuis moet blijven, Ik zal haar trouw, — dat vindt ze zalig — lange brieven schrijven. — De wereld is niet goed of slecht, niet edel of schandalig, Maar d’ eene helft van het heelal is zielig, de andre zalig!

9. FEDERALISME.

„Om verwarring te voorkomen van negen met zeven, roepe men voor het laatste getal in de telefoon zeuven”. — Int. telefoongids.

Hij, die wat keuv’len wil per telefoon, Onthaakt den hoorn, versierd met ribb’ en gleuven, Hij drukt het ding krampachtig aan de koon, En — zoekt hij zeven, — zegt op zachten toon: „Hello! met zeuven!” Dat wordt nu maar zoo kalm gedecreteerd, Van wege de gelijkenis der klanken, Maar ik heb van ons voorgeslacht geleerd Te zeggen, als ’k iets gek vind, of verkeerd: „Ik zou je danken!” Zie, ’k ben geen knapper taalman dan de rest, Maar ’k meen, dat zeuven Brabantsch dialect is; Nietwaar? in ons geliefd gemeenebest, Daar spreekt, om zoo te zeggen, elk gewest Zoo als ’t gebekt is. En waarom moest het telefoonbestuur Nu aan dit dialect de voorkeur geven? Wat blaast het aan het middeleeuwsche vuur? Wil ’t der gewesten strijd t’ onzaalger uur Weer doen herleven? Klinkt dan het Betuwsch tongespel zoo slecht? Waarom die goede lieden gindsch te grieven? Heeft daar dan d’ inboorling niet ’t zelfde recht, Waar men — tenzij ik ’t heelemaal mis heb — zegt Zoo iets als „zieven”? En van ons Noordervolkje, daar bij d’ Eem, Is toch de tongval waarlijk óók zoo plat niet; Dáár — onze taal is kneedbaar, murw als leem — Klinkt het fatale woord zoowat als „see’m”, Waarom dan dat niet? Enfin. Men wil den strijd — dien ik verfoei. Welnu, verkiest men ’t vechten boven vrede, Dan, op! te wapen voor (Noord-)Holland’s bloei! Komt d’ eer van mijn provincie in de knoei, Dan vecht ik mede! Ja, door ons allen stroomt wienneerlandsch bloed, Maar: Holland bovenaan! Dat ’t steeds zoo blijve! Als ik dus nummer zeven roepen moet, Dan spreek ik Amsterdamsch — dat ken ik goed — Dan zeg ik: „sijve!”

10. HET LIED VAN MOOIE KAREL UIT DE JORDAAN.

Een lesje in de Nederlandsche taal.

(Wijze: „On the fid-fid-fid-fid-fid-fid-fiddle-dee-do.”)

Toffe nefkes ’s aoves laot Die staonen in de Willemstraot, Met d’r rauje bloesies en Baoie rokken an d’r beine: Lange Lein uit Lutjebroek, Met d’r gauser op de hoek, En als ze mijn gein duytje sjoegt, Pak ik Mina Pannekoek. Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon, Loentjes zetten doen ik niet, Vraog het maor aon rauje Griet, Kek is, hoe m’n briefie sit, En m’n kaufert op m’n pit, Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon. Kom ik in de Wije Gang, Daor staone ze-n-al uren lang, En dan mo ’k derek ’n emmese Moppie fur ze speule, Ik draoi ze-n-’n stukkie voor, En dan gao me d’r kwiek van door, En me pakke fijn ’n kraokertje Vrij slib, in me lobbe, hoor! Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon, enz. Met mijn foksenoksenoar, En al mijn poene staon ik daor, Neige knaoke, haupies sjauf, Seive spie, en kimmel biessies, Komt de doffe gaojes bij, Seg ik: maok je pleite, jij! En ik hou me sjaokes komt er dan Ook de heile Prinsemarei...... Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon, enz.

1. T.n., knappe meisjes; L. beruchte kroeg in de Jordaan; g., kerel; g.d.s., geen antwoord geeft; l.z., foppen; b., broek; k., hoed.

2. kr., borrel; v.s., gratis drank; i.m.l., in mijn schik.

3. f., horloge; p., geld; k., rijksdaalder; s., gulden; sp., cent; kb., drie dubbeltjes; d.g., stille verklikker; m.j.p., ruk uit; sj., kalm; Pr., politie.

11. UITKOMST-RIJM.

Juist voor dat de Groene ter perse ging, bladerde Charivarius, die maar geen onderwerp voor een Rijm kon bedenken, Groot-Nederland 1921 door. Op bl. 403 las hij: „Rustig godslampte een ster.” Rijm klaar.

De bleeke maan godslampte door de kille ruiten, Ik handen in mijn zakte, pijpte in mijn mond, Zoo ruizerijmerde ik zonder Rijm, naar buiten, „Geen muz’,” helaasde ik, „die mij stof tot dichten zond.” Ik straatopte. Maar ’t heeft mijn stemming niet verbeterd; Een enkeling klabakte voetstapsdreungedruis...... ’t Was zestien graden onder nul gethermometerd, Een straatdeern gajemeede, ’k neende norsch naar huis. Of ik al hevig kachelcokesde, ’t mocht niet baten, Het warmekamerde, maar ach! mijn geest bleef koud. „Moet g’ ongeschrijfmachiend,” zuchtt’ ik, „uw epos laten? Hebt gij geiedereweekt, dat gij thans staken zoudt?” Ik was geërgernist en had het uitgejammerd, Waar ’k niet te goeder uur gereddingd uit den brand. Ja. Gij hadt zonder Rijm gegroeneamsterdammerd, Had ik niet net op tijd nog gegrootnederland.

12. SPREEK JE MOERS TAAL!

Motto: „As je maar durft!”

De lieve lent’ komt aangesneld, De vroege vogels fluiten, En als de zon weer schijnt op ’t veld, Verlangen wij naar buiten. We rusten uit van ’t daaglijksch werk, Met vriend, vriendin, of kennis, In rust, die blij maakt, frisch en sterk, Dat is: we spelen tennis. We spoeden ons van overal Naar gras, cement of asphalt, Waar van ’t raket de vlugge bal Op ’t harde „koorgt”, of ’t gras valt. En luide klinkt het wijd en zijd, In ’t „Engelsch” — ja, zoo heet ’t! — Van „Aag joe geddie? — Jes! — Ol gijt! — Joe pleet dis set? — IJ pleet it!” En als de knaap in ’t tentje bij De meisjes zit — dan fleurt ie, Maar straks weer juicht het ventje blij Van „Fogtie” of van „Ssseurrrtie!” Maar soms ook vliegt hij nijdig op: „Niet smesje! bè je gek, vent?” „’t Was sekkunt!” — „Outsijt!” — „Gauw nou, lop!” „Ajazzus, wat ’n bekhent!” Hij tost er om wie spelen moet, En kijkt of ’t smoess of guf is, Ook skooren kan hij extra-goed, En schreeuwt, dat ’t net schrie-luf is. Wij zeggen „Keem!” hier, omdat „Spel!” Zoo gek klinkt. — ’k Wil niet vitten, Maar ’k vraag je toch, hoe denk je wel, Dat „Game!” klinkt voor de Britten? „Gelijk!” „Klaar?” — „Uit!” — klinkt niet gekleed, En „Mooie bal!” zeg dàt niet! Zeg: „Tjoezz!” en „Geddie!” „Out!” — „Wel pleet!” Want dat klinkt lang zoo plat niet. Als Hollanders in Holland met Elkander Hollandsch spreken, Dan vé j’ dat „gek” of minder net — Is ’t zoo niet, welbekeken? „Och, ’t Engelsch valt zoo mak’lijk! Heusch, Je kunt het haast niet laten,” — Zoo zeggen ze, „had ik de keus, ’k Zou altijd Engelsch praten......” Daar komt een Engelschman — o, schrik! — Ze moeten Engelsch spreken! Nu zie je in een oogenblik De heele club verbleeken...... Ze stotteren, en ieder schijnt Den Engelschman te mijden; Ze sluipen weg, en ’t eerst verdwijnt, Wie ’t hardst heeft op staan snijden! Nu van de Fabel de Moraal: (Dit Rijm is pedagogisch) Al wat vertaalbaar is, vertaal! De rest niet. — Is ’t niet logisch? Zeg „30!”, — „40!” — „Jij serveert!” Desnoods (Maar niet: „Jy surruft!”) Je zult eens zien hoe gauw je ’m leert — Je moers taal!...... As j’ maar durruft! (Copieer, secretaris, en hang op in ’t tentje!)

13. THE OLD MASTERS OF HOLLAND.

De schrijver van „Van dag tot dag” in het Hbl. citeert niet zonder ontroering, het vers van den dichter Henry van Dyke, den vroegeren Amerikaanschen gezant: „The heavenly Hills of Holland”, waarin deze regelen onze aandacht trokken:

„The great Dutch painters loved them, Their pictures show them clear — Old Hobbema and Ruysdael, Van Goyen and Vermeer...”

niet alleen om den inhoud, maar ook om het rijm. Het is jammer dat de dichter nog niet wat naar dit uitspraaksysteem doorzingt over Holland en zijn schilders. Charivarius zal nu maar zoo vrij zijn.

Though there we hear no thunder Of cataracts and falls, We catch the mighty voices Of artists like Frans Hals. There too, full many a lassie, In quaint attire arrayed, Reminds us of the pictures By Bisschop and Ostade. Yea, in their moor and meadows, Where silvery snowdrops droop, We recognise thy paintings, Immortal Albert Cuyp! Whene’er we stand, admiring Piazza, park and porch, Or golden gated gardens — We think of thee, Ter Borch! How picturesquely filthy In backslums may be seen A sight, a living image: A picture by Jan Steen! Those colours, ever changing, — Themes of a classic fugue! — They have inspired the greatest, From Arentz to De Hoogh. And, pray, which is the greater — I could not tell — could you? The world-renowned Velasquez, Or humble Gerard Dou? Theirs is a blissful nation, I reckon and I guess! Which has produced such masters As Bol and Nich’las Maes! And lo! When lea and hillock The sunbeam skins aslant...... Behold in speechless rapture The country of Rembrandt!

14. DE CHAOS.

De schrijver van het werkje over de uitspraak van het Engelsch „Drop your foreign Accent”, droeg mij op, aangezien ik nogal makkelijk rijm — meende hij — voor zijn boek een gedicht te vervaardigen, waarin al de gewone struikelblokken van de Engelsche uitspraak verwerkt moesten worden. Ik kreeg een lijst van ongeveer 450 woorden, alfabetisch gerangschikt, en daarmee moest ik maar aan den gang gaan — asjeblieft! Hier is het. Met toestemming van den schrijver van „Drop” bied ik het alvast mijn velen vloeiend Engelsch sprekenden landgenooten aan, om er zich op een regenachtigen Zondagmiddag mee onledig te houden. Zij zullen merken, dat elk paar regels volkomen zuiver rijm geeft, en dat de klemtoon duidelijk door het rhythme aangegeven wordt. Moge het alom schrik en ontsteltenis verspreiden.

Dearest creature in Creation, Studying English pronunciation, I will teach you in my verse Sounds like corpse, corps, horse and worse. It will keep you, Susy, busy, Make your head with heat grow dizzy; Tear in eye your dress you’ll tear. So shall I! Oh, hear my prayer, Pray, console your loving poet, Make my coat look new, dear, sew it? Just compare heart, beard and heard, Dies and diet, lord and word, Sword and sward, retain and Britain, (Mind the latter, how it’s written!) Made has not the sound of bade, Say — said, pay — paid, laid, but plaid. Now I surely will not plague you With such words as vague and ague, But be careful how you speak, Say break, steak, but bleak and streak, Previous, precious; fuchsia, via; Pipe, snipe, recipe and choir, Cloven, oven; how and low; Script, receipt; shoe, poem, toe, Hear me say, devoid of trickery: Daughter, laughter and Terpsichore, Typhoid; measles, topsails, aisles; Exiles, similes, reviles; Wholly, holly; signal, signing; Thames; examining, combining; Scholar, vicar and cigar, Solar, mica, war and far. From „desire”: desirable — admirable from „admire”; Lumber, plumber; bier but brier; Chatham, brougham; renown but known, Knowledge; done, but gone and tone, One, anemone; Balmoral; Kitchen, lichen; laundry, laurel; Gertrude, German; wind and mind; Scene, Melpomene, mankind; Tortoise, turquoise, chamois-leather, Reading, Reading, heathen, heather. This phonetic labyrinth Gives moss, gross, brook, brooch, ninth, plinth. Billet does not end like ballet; Bouquet, wallet, mallet, chalet; Blood and flood are not like food, Nor is mould like should and would. Banquet is not nearly parquet, Which is said to rime with „darky”. Viscous, viscount; load and broad; Toward, to forward, to reward, And your pronunciation’s O. K. When you say correctly croquet; Rounded, wounded; grieve and sieve; Friend and fiend; alive and live; Liberty, library; heave and heaven; Rachel, ache, moustache; eleven. We say hallowed, but allowed; People, leopard; towed, but vowed Mark the difference, moreover, Between mover, plover, Dover, Leeches, breeches; wise; precise; Chalice but police and lice. Camel; constable, unstable; Principle, disciple; label; Petal, penal and canal; Wait, surmise, plait, promise; pal. Suit, suite, run, circuit, conduit Rime with „shirk’ it” and „beyond it”, But it is not hard to tell, Why it’s pall, mall, but Pall Mall. Muscle, muscular; gaol; icon; Timber, climber; bullion, lion, Worm and storm; chaise, chaos, chair; Senator, spectator, mayor. Ivy, privy; famous, clamour And enamour rime with „hammer” Pussy, hussy and possess. Desert, but dessert, address. Golf, wolf; countenance; lieutenants Hoist, in lieu of flags, left pennants. River, rival; tomb, bomb, comb; Doll and roll and some and home. Stranger does not rime with anger, Neither does devour with clangour. Soul, but foul and gaunt, but aunt; Font, front, wont; want, grand and grant, Shoes, goes, does.[2] Now first say: finger, And then: singer, ginger, linger. Real, zeal; mauve, gauze and gauge; Marriage, foliage, mirage, age. Query does not rime with very, Nor does fury sound like bury. Dost, lost, post and doth, cloth, loth; Job, Job, blossom, bosom, oath. Though the difference seems little, We say actual, but victual, Seat, sweat, chaste, taste; Leigh, eight, height; Put, nut; granite, but unite. Reefer does not rime with „deafer,” Feoffer does, and zephyr, heifer. Dull, bull; Geoffrey, George; ate, late; Hint, pint; senate, but sedate; Scenic, Arabic, pacific; Science, conscience, scientific; Tour, but our, and succour, four; Gas, alas and Arkansas! Sea, idea, guinea, area, Psalm; Maria, but malaria; Youth, south, southern; cleanse and clean; Doctrine, turpentine, marine. Compare alien with Italian, Dandelion with battalion, Sally with ally; yea, ye, Eye, I, ay, aye, whey, key, quay! Say aver, but ever, fever, Neither, leisure, skein, receiver. Never guess — it is not safe; We say calves, valves, half, but Ralf! Heron; granary, canary; Crevice, and device, and eyrie; Face but preface, but efface, Phlegm, phlegmatic; ass, glass, bass; Large, but target, gin, give, verging; Ought, out, joust and scour, but scourging; Ear, but earn; and wear and tear Do not rime with „here”, but „ere”. Seven is right, but so is even; Hyphen, roughen, nephew, Stephen; Monkey, donkey; clerk and jerk; Asp, grasp, wasp; and cork and work. Pronunciation — think of psyche! — Is a paling, stout and spikey; Won’t it make you lose your wits, Writing „groats” and saying groats? It’s a dark abyss or tunnel, Strewn with stones, like rowlock, gunwale, Islington and Isle of Wight, Housewife, verdict and indict! Don’t you think so, reader, rather, Saying lather, bather, father? Finally: which rimes with „enough,” Though, through, plough, rough, hough, or tough? Hiccough has the sound of „cup”...... My advice is — give it up!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings