VIII. OVIDIUS’ HERSCHEPPINGEN.
Reading edition
1. DEUCALION EN PYRRHA.
Diep was het menschlijk geslacht in den poel van de zonde verzonken. Zeus, op bestraffing bedacht, voelt het vuur van zijn tooren ontvonken. IJlings ontbiedt hij zijn Raad. Langs het pad, nog de Melkweg geheeten, komen zij saam. Zijn gelaat spelt niets goeds; en als elk is gezeten, kondigt hij aan zijn besluit om het menschelijk geslacht te verdelgen. „’k Zweer bij de Styx,” roept hij uit, „dat het water het land zal verzwelgen! D’ aarde, met alles er op, zal vergaan in de barnende baren, zinken in ’t ziedende sop, door geen hemelsche macht te bedaren!” Plotseling barst nu met kracht van den Hoogen een hevige regen; stortend bij dag en bij nacht, overstroomt hij de velden en wegen. Droef ziet de landman zijn oogst hem ontgaan en zijn nijveren lieden. Nog is de nood niet het hoogst, want het gruwzame gaat nog geschieden. Nu krijgt Neptunus tot taak van Saturnius, schriklijk verbolgen, zinnend op wreedere wraak, om het werk des verderfs te vervolgen. Fel woedt de god van de zee, met zijn drietand orkanen verwekkend; ’t Water stijgt boven de reê, stroomt het land in, de beemden bedekkend. Donderend stort zich de vloed, die de menschen verdelgt, en gebouwen krakende tuimelen doet, op de lieflijke loover-landauwen. Daar, waar de geit had gegraasd, zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen. De Nereïden, verbaasd, zweven rond tusschen beuken en pijnen. Alles wordt zee, zonder grens, vale vlakte van vocht zonder leven. Zoo was het eind van den Mensch, van zijn werken en hopen en streven. Slechts de Parnassus, die hoog zich verhief, met de kruin in de wolken, was aan het uiteinde droog, onbereikt door de kokende kolken. Hier dreef Deucalion heen in een wankele boot, met zijn gade; Jupiter hoort hun geween en hun jammergeroep om genade. Kraai hadden beiden, noch kind; hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega, hadden de deugd steeds bemind, (een gevoel, waarin ik met ze mee ga). Jupiter spaarde die twee om hun deugd, deed ze landen — zij beiden worden gered, want de zee wijkt terug, van het land weer gescheiden. d’ Aarde herrijst. Veld en bosch, eerst met modder bedekt en ontoonbaar, prijken in vroegeren dos, en de wereld wordt weder bewoonbaar. Ach, maar het menschdom ontbrak, op die twee na, die overig waren, beiden gebrekkig en zwak, en gedrukt door den last van de jaren. „O, gij mijn zuster en vrouw,” zegt de grijze Deucalion teeder, blijde, maar nochtans in rouw, „Zie, den aardbodem vonden wij weder; wel is de hemel ontwolkt, maar, al zien wij de zonne weer schijnen, hoe wordt de wereld bevolkt? wee! met ons zal het menschdom verdwijnen!” Door den nog drassigen grond gaan zij op naar den eenigen tempel. Themis gewijd, die daar stond ongerept op den berg. Bij den drempel knielen zij, mat en verbleekt, en daar klinkt het uit ’t heilig gesteente, — Themis is ’t zelve, die spreekt — „Gaat van hier, werpt uw moeder’s gebeente achter uw ruggen ter aard!” en Deucalion, denkend, heeft spoedig ’t wondere raadsel verklaard. „Onze moeder,” zoo roept hij blijmoedig, „is deze aarde; en been is het steen in den bodem verscholen!” Zonder verwijl gaan zij heen voor de daad door de godheid bevolen. ’t Tweetal werpt steenen, en ziet reeds de vormlooze hardheid vermindren... Thans is het wonder geschied, want de keien vergroeien tot kindren! ’t Heerlijke werk was volbracht van het paar door de godheid verkoren. Zoo is het menschlijk geslacht na den Vloed uit den bodem herboren. ........................................ ’k Meen het volstrekt niet vulgair, maar misschien (’t schiet me net zoo te binnen) maakt me dit Rijm populair. bij den „Bond voor de groote gezinnen.”
2. ECHO.
Echo, de praatzieke maagd, die maar eindeloos kleppert en babbelt, ook als geen mensch haar iets vraagt, als een beek, die langs rotsblokken kabbelt, diende god Jupiter vaak, als hij vree met de nymphen der wouden, want dan had Echo de taak om zijn vrouw op de praatstoel te houden. Juno, die ’t eerst niet doorzag, was er eindelijk achter gekomen; daarom heeft z’ eens op een dag haar de gave van ’t spreken ontnomen. Zij, zoo loslippig voorheen, nu de eigene woorden haar falen, Echo, kan nu nog alleen wat een ander haar voorzegt, herhalen. Eens, toen zij dwaalde door ’t woud, in een onbestemd liefde-verlangen, heeft zij Narcissus aanschouwd, en werd aanstonds van hartstocht bevangen. Zielsverrukt nadert zij hem, en zij brandt hem haar min te verklaren... Ach! nu ontbreekt haar de stem, en zij wenkt hem met stomme gebaren. „Wie daar?” zoo roept hij, en vlucht, als bezeten, door velden en dreven; „Wie daar!” weerklinkt als een zucht, want geen antwoord vermag zij te geven. Voort ijlt hij, rusteloos voort, en „Ga weg!” hoort zij weder weerklinken; „Weg!” zoo herhaalt zij zijn woord, en dan voelt zij de kracht haar ontzinken. „Sterf!” roept de vluchtling, „Verga!” en „Ga!” jammert zij tot den beminde. Hijgende snelt zij hem na, als de honden de hollende hinde. Eindelijk, blakend van nijd, dat zij ’s jongelings liefde moet derven, zwijmt zij, verstikkend van spijt, om in spraaklooze wanhoop te sterven. ’t Lichaam verdroogt en vervaagt, en vermengt zich met ’t dorrende loover; weg is de minzieke maagd, slechts de klank van de Echo is over. ........................................ Meisjeslief, hoort naar mijn raad, — ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt — zorgt, dat je niet te veel praat, en vooral, dat je niet te verliefd wordt.
3. NARCISSUS.
Liriope had een zoon, en Narcissus — zoo heette de jongen — was zoo verwonderlijk schoon als geen dichter het ooit had bezongen. Eens, als de moeder zich wendt tot den god, om zijn leef-tijd te vragen, „Zoo hij zich zelven niet kent,” is ’t bescheid, „tot in lengte van dagen.” Dit was een duistere maar’! wat beteekent het: hopen of vreezen? Klinkt het al vreemd — het was waar, aan het eind van dit Rijm zal je ’t lezen. ’t Kind groeide op tot haar roem, en toen ’t zestiende jaarfeest gevierd werd, leek hij de lieflijkste bloem, waarmee immer een gaarde versierd werd. Iedere maagd die hem ziet staart hem aan. — Hij is blind voor die blikken; vrouwen bekoren hem niet en, wat hem betreft, kunnen ze — Liefde? Hij lacht er wat mee, neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen! Hij is volkomen tevree in zijn eentje, met visschen en jagen. Diep in het woud was een plas, tusschen planten en struiken en boomen, ’t water was helder als glas, bonte bloemen ontwiessen de zoomen. Hier kwam Narcissus een keer, overmoe van jachtlievenden ijver. Afgemat zonk hij ter neer aan den kant van den blinkenden vijver. Dan, om zijn dorst te verslaan, houdt hij ’t hoofd naar het water gebogen... Plots grijpt ontroering hem aan, want wat schouwen zijn starende oogen? ’t Schitterend beeld van een knaap, waar de maagden in droom naar verlangen, ’t golvende blond aan den slaap en de teederste blos op de wangen. Star, met een koortsigen blik, blijft hij ’t overschoon schijnbeeld bestaren, beurtlings in blijdschap en schrik wenkt hij ’t toe met de wildste gebaren. Strekt hij de hand, dan verdwijnt, door het golven, het schijnsel daaronder — dan, na een oogwenk, verschijnt in de plas weer het beeldschoone wonder. „Wee mij!” zoo klaagt hij zijn smart, „hoe verdraag ik dit nameloos lijden? Vlak bij den vriend van mijn hart en toch vademen van hem gescheiden! Ik, die naar teederheid dorst, moet hier eenzaam in wanhoop verkwijnen!” En hij kastijdt zich de borst, zich berokkenend duldlooze pijnen Zoo stort hij jammerend neer, ’t gloeiend hoofd op de koelende zoden...... Nu lijdt Narcissus niet meer, want zijn geest is het lichaam ontvloden. En de Najaden, vol smart, snellen toe naar de plek... zij ontwaren niets dan een bloem, geel in ’t hart, met een kransje van sneeuwwitte blâren. ........................................ Mijdt dus den spiegel als ’t kan, want het kon je nog wel eens berouwen! Dit is ’t verhaal van een man, maar het geldt haast nog meer voor de vrouwen.
4. PYGMALION.
Zekere Pygmalion, in den tijd van het verre verleden, leefde zoo vrij als hij kon, ongetrouwd, dus volkomen tevreden. Kunst was zijn lust, in ’t gemeen, en het beeldhouwen in het bijzonder, en uit het levenloos steen schiep hij ’t beeld van een vrouw — ’t was een wonder. ’t Was van zoo zeldzame pracht, dat produkt van zijn vaardige handen, dat, met ontembare kracht, het zijn minnevuur fel deed ontbranden. ’t Was van een lijn en een bouw, die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen, dat het geen beeld van een vrouw, maar een vrouw (en een beeld van een vrouw!) scheen. Als hij het marmer betast, is zijn minnevlam niet meer te blusschen, en hij bedekt het albast van den mond met de vurigste kussen. Woordekens, zalig en zoet, meer gezucht dan gezegd of gefluisterd, luchten zijn dwepend gemoed, en hij beeldt het zich in, dat zij luistert. Dan brengt hij gaven in goud, dan de roos, dan de wuivende winde, reukwerk, en druiven bedauwd, als de minnaar de teeder beminde. Sieraden, kostbaar en mooi, die de zinnen der maagden bekoren, Hangt hij zijn lief om, ten tooi, diamanten aan hals en aan ooren. ’t Feest van de Lente breekt aan, dat de Cypriër vroom pleegt te vieren; ’t altaar, met gaven belaân, wacht het offer der sneeuwwitte stieren. Pygmalion komt, en vraagt Aphrodite gehoor voor zijn smeeken: „Geef mij mijn marmeren maagd tot mijn vrouw...” Neen, zoo durft hij niet spreken... en dan bedenkt hij een zin, half vertolkend ’t gevoel dat hem blaakte: „Gun mij een gade, godin, die gelijkt op het beeld dat ik maakte!” Venus verhoort zijn gebed, en de vlam flikkert op tot een teeken. Blijde, met luchtigen tred keert hij weer, want zijn angst is geweken. Honderdwerf kust hij het beeld. Nu betast hij het ijzige marmer...... Als hij het koozende streelt, schijnt het steen hem al zachter en warmer, en, naar zijn innigen wensch, gaat het hooge geluk tot hem naad’ren: ’t beeld wordt een levende Mensch, en het bloed kleurt haar levende aad’ren! Andermaal kust hij haar mond, en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar — Blozende blikt zij in ’t rond, en dan schouwt zij in ’t oog van haar minnaar. ........................................ Kunstenaars, weet wat je doet! maakt maar nooit mooie beelden van vrouwen, want het begint soms zoo goed, en dan eindig je met ze te trouwen.
5. ARACHNE.
Laat mij bezingen de vrouw in het weven ervaren als geene, die in de kunst van ’t Getouw zich wou meten met Pallas Athene. Arm was Arachne — maar fier op de gaaf, door den god haar gegeven; schoonheid stond in haar banier, hare Kunst was haar lust en haar leven. En daar verdreef zij den tijd van ’t begin tot het eind van den dag mee; iedereen prees haar om strijd, want geen mensch die ’t zoo kon als Arachnee. Arm was Arachne — maar trotsch! Ja, zij minachtte zelfs de godinnen: ’t stond bij haar vast als een rots, dat Minerva ’t niet van haar zou winnen. Pallas Athene, die ’t hoort, zelf de Eerste der Weefsters geheeten, nadert, verbaasd en verstoord, en stelt voor om zich met haar te meten. Blij gaat Arachne ten kamp; o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken! Weinig vermoedt zij den ramp, die dit Rijm tot een drama zal maken...... Elk neemt haar plaats op haar stoel. Door de zucht naar de zege gedreven, vangen zij aan, en de spoel schijnt om schering en inslag te zweven. Spoedig is Pallas gereed, en zij monstert het werk van Arachnee, schoon ze voor zich al wel weet, dat het zwakjes zal wezen... Maar, ach nee! ’t Tegendeel is ’t, wat ze ziet: ’t is een meesterstuk — zonder gebreken! Neen, zij ontveinst het zich niet: de godin is de zwakste gebleken. Blakend van afgunst en haat, in een vlaag van ontembare woede, scheurt zij het weefsel tot draad, en dan grijpt zij vol gramschap de roede. Roepend: „Wat gij hebt volbracht is alleen aan de goden geoorloofd!” slaat zij tot driemaal met kracht de rivaal op het bloedige voorhoofd. Snel maakt Arachne een strop van de flarden die raaf’lig daar lagen; ziedende hangt zij zich op, want die hoon kon de trotsche niet dragen. Maar nu van meelij vervuld, zegt Minerva: „Ik schenk u het leven; echter, tot straf voor uw schuld, zult gij, levende, wevende... zweven!” Uit het noodlottige touw groeit een netwerk al fijner en fijner; ’t lijf der rampzalige vrouw krimpt gestadig. Al kleiner en kleiner wordt het een gruwzaam insect, bolgebuikt, van veel pooten omgeven. Zoo, op haar webbe gestrekt, blijft Arachne, de Spinnekop, weven. ........................................ Vrouwen zijn meestal charmant, en dan moeten wij, mannen, ze minnen; maar, zijn ze trotsch en pedant, dan veranderen vrouwen in spinnen.
6. ICARUS.
Daedalus, wereldberoemd, toen hij eenmaal den Doolhof gebouwd had, alom met eere genoemd door wie ’t kunstige wonder aanschouwd had, vlug en vernuftig van geest, de bekwaamste van Griekenland’s mannen, juist door zijn kunde gevreesd — was door Minos naar Creta verbannen, Droef zit de banneling, daar, van zijn vaderland verre, te zuchten, peinzend: hoe speel ik ’t klaar om dit straf-oord van Minos t’ ontvluchten! „Hij heeft het water, het land, (hm! ik ook!)” zoo denkt Daedalus dikkels; „Ik heb de lucht, en ’t verstand!” en zijn heimwee, die sterkste der prikkels, brengt hem een plan voor den geest. Door het onrecht nog hevig verbolgen, zint hij, beducht noch bevreesd, de natuur van de vogels te volgen. Nu komt zijn kunde te pas! hij vervaardigt van vederen vlerken, lijmt z’ aan de leden met was, en erlangt zoo het loon voor zijn werken. Zie, daar verheft hij zich al om zijn vlieg-apparaat te probeeren; (’t Is maar een proef, voor ’t geval dat er soms nog iets aan mocht mankeeren.) Icarus, Daedalus’ zoon, ziet hem gaan, en komt stralende nader. „O!” roept hij uit, „dat is schoon! maak mij ook van die vleugelen, vader!” Daedalus draalt in ’t begin, maar, (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders) geeft hem ten slotte zijn zin, en dan smeert hij het was op zijn schouders, hecht er de vleugelen aan, maar vermaant hem voorzichtig te wezen. Steelsgewijs pinkt hij een traan, en dan denkt hij, met heimelijk vreezen: Deed ik wat plicht mij gebiedt, ’k gaf het heele plan op, en ik bleef hier...... Lang duurt de weifeling niet, en hij zeilt op de zucht van den zephir zalig in ’s Blaue hinein, en geen macht houdt den vliedende tegen! Icarus, dapper en klein, is al recht in de hoogte gestegen. ’t Boertje op ’t land aan de ploeg, die ze ziet, bij het spitten der zoden, mompelt: „Ik weet al genoeg; die twee vliegers daar ginder zijn goden!” Icarus, jeugdige dwaas! overmoedige, die geen gevaar schuwt, slaat er geen acht op, helaas! hoe de vader hem vliegende waarschuwt: „Icarus, Icarus, kom! Toe, niet hooger! Vlieg net even laag als ik het doe! Wees niet zoo dom! Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!” Alles vergeefs. Wee! zijn zucht om steeds hooger en hooger te zweven, blij door de blauwende lucht, kost den jongen vermeetle het leven. Zwaar treft den strever de straf: zie, de zon smelt het was... Even later vallen de vleugelen af — en hij stort met een kreet in het water! Daedalus is al aan wal en hij kijkt er, ontzet, van de ree naar...... Zoo was dan Icarus’ val; daar heet nu nog d’ Icarische zee naar. ........................................ d’ Aviatiek staat nog zwak, ook al vordert de kunst wonderbaarlijk: Kies maar een veiliger vak, want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.
7. PYRAMUS EN THISBE.
Pyramus en Thisbe, zij, de lieflijkste onder de vrouwen, vurig en jong alle twee, spraken af met elkander te trouwen. Jammer genoeg voor het paar — of een „paar” mocht het dus nog niet heeten — maakten de ouders bezwaar, want die wilden van vrijen niet weten. Vruchtloos der kindren geween! en tot overmaat nog van hun lijden waren zij buren, alleen door een muur van elkander gescheiden. Dicht bij elkaar, en toch ver! In de muur was geen poort of geen deurtje, maar...... als een lichtende ster in den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje, ergens verborgen in ’t groen, groot genoeg voor ’t verliefde gefluister, maar net te klein voor een zoen. Hier nu dweepten zij dikwijls in ’t duister. En om het blakende vuur hunner heimlijke liefde te blusschen, drukten zij elk op den muur bij het kiertje de klappendste kussen. O, dat gehate verbod! Is me dat een manier om te vrijen? ’t Is maar een matig genot dat gezoen op die ijskoude keien! Eindlijk verwint zij haar schroom; hoor de schalken het schema beramen: „Onder den moerbeienboom, vlak bij Ninus’ graf, komen wij samen!” „Goed!” — Zoo gezegd zoo gedaan. Zie nu Thisbe ontsnappen... daar gaat ze... Zacht, bij het schijnsel der maan, sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse. Alles rondom ligt in droom; geen gevaar is in ’t duister te duchten. Hier is de moerbeienboom; hagelblank zijn de volrijpe vruchten. Plotsling verbleekt haar gelaat: een leeuwin ziet zij dreigend genaken, vlak bij de plaats waar ze staat, met van runderbloed druipende kaken! Snel, voor haar leven beducht, is nu Thisbe een grot in gekropen, maar, in haar angstige vlucht daar ontslipt haar de sluier bij ’t loopen. Dezen verscheurt de leeuwin, en, teleurgesteld, langer niet wachtend, gaat zij de bosschen weer in, de nu bloedige flarden verachtend. Pyramus komt. — Ach! het rood van den sluier, en ’t poot-merk in d’ aarde zeggen hem: Thisbe is dood! — Heeft het leven voor hem nu nog waarde? Neen. Hij doorsteekt met het staal zich de borst in die droevigste stonde, rukt het weer uit, en een straal spuit omhoog uit de kokende wonde. Thisbe, verheugd, dat het lot haar den dood der verscheuring bespaarde, sluipt, nog bedeesd, uit den grot...... ziet den bloedigen jongling ter aarde... werpt zich op ’t lijk met een gil...... heft den dolk op, en rukt zich de tressen — „Boom!” krijt zij, „gij, die daar stil, overladen met sneeuwwitte bessen, staat, als getuige der smart, moog’ uw vrucht, als een blijk onzer pijnen, voortaan in ’t klaaglijke zwart van den rouw voor de menschheid verschijnen!” ’t Boezemblank bloedig bespet, zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend. Dat was haar laatste gebed — en genadige goden verhoorden ’t. ........................................ Als je knus moerbeien eet, zal je meestal wel ver van de smart zijn; toch is het goed dat je weet hoe het komt, dat die vruchten zoo zwart zijn.
8. PHILEMON EN BAUCIS.
Jupiter — alias Zeus — met god Hermes, vermomd als mortalen, zochten een veilig tehuis op een zwerftocht door Phrygië’s dalen. Iedere deur was op slot; zij beproefden aan honderden huizen — overal vingen zij bot, tot zij klopten aan ’t kleinste der kluizen. Daar, voor zijn jaren nog vlug, woont Philemon, de grijsaard, en Baucis, grauw, en gebogen van rug, dus je hoeft niet te vragen hoe oud z’ is! Teeder beminde hij haar; en van ouds, door de liefde verbonden, woont er het waardige paar, zonder geld, zonder goed — zonder zonden. Daar, in die schamele hut, met wat riet overdekt en wat zoden, zwak en bouwvallig gestut, wordt den zwervers gastvrijheid geboden. Snel zoekt Philemon een bank voor de gaste’ in een donkeren hoek op; knoestig en hard is de plank, maar de vrouw legt er dalijk een doek op. Zij blaast het smeulende vuur tot de vlammen al lekken en laaien, hij haalt het spek uit de schuur. en het bestje begint het te braaien. Spoedig is alles gereed, en als Baucis de tafel gaat dekken, — proper, maar oud is het kleed — kort Philemon den tijd met gesprekken. En, daar één poot van den disch, door den ouderdom wankel geworde’, korter dan d’ anderen is, maakt hij dat met een potscherf in orde. Baucis brengt wat ze bezit; in de kast mag geen kruimeltje blijven: eieren, goudgeel en wit, kaas en brood, en Minerva’s olijven. Knus in een mandje van riet ligt de noot bij de rijpe kornoelje — Weelde die vin je daar niet, maar het hart is zoo goed. En dat voel je. Dan nog een appel, een peer, voor dessert een beschuitje met honing; aardbeien zijn er niet meer, maar wel druiven. Tot slot en bekroning komt er nog wijn. Maar o schrik! toen zij schonken, den gasten tot hulde, zag hun verstarrende blik dat de kan zich van zelve weer vulde! Biddende zijgen zij neer; ja, nu zien ze ’t de gasten zijn goden! „Straft ons, o goôn, niet te zeer voor het schamele maal dat wij boden!” stamelt Philemon, en thans gaat hij gauw in de gaarde daar achter ’t offerdier grijpen: een gans die zij hielden bij huis, als een wachter. Vlug vliegt de vogel bevreesd in de hut, en zoekt heul bij de goden; deze beschermen het beest en verbieden den man het te dooden. „Braven!” zoo zeggen de goôn, „onze gunst hebt gij weten te werven; spreekt! wat verlangt gij als loon? Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!” „Dat g’ ons uw dienaren maakt,” zegt Philemon, „en ’t zij ons gegeven, dat, als het einde genaakt, wij malkanderen niet overleven!” Zoo is geschied. In een poel ligt de bodem der buren verzonken; d’ oudjes bereiken hun doel, want het priesterschap wordt hun geschonken. d’ Arme, bouwvallige kluis, riet-bedekt en met ranken omlooverd, wordt op een teeken van Zeus in een statigen tempel vertooverd. Jaren nog dienden zij daar als de priesters in Jupiter’s tempel. Eens op een dag stond het paar voor den dienst op den heiligen drempel, toen zij bemerkten, dat plots aan hun lichamen takken ontsproten; dit was de gave des gods en het loon voor de goede genooten: Godes genadig bestel, dat hun einde gelijk zoude komen. Zwak klonk het tweemaal: „Vaarwel......!” Toen veranderden beiden in boomen. ........................................ Schriel zijn is slecht, maar ook dom; geef je gasten dus volop te eten. ’k Zeg het niet erregens om, maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten...
9. PHAETON.
Phaëton, Clymene’s zoon, kreeg van Epaphus telkens te hooren, — mokkend verkroppend den hoon — dat hij niet uit een god was geboren. Clymene klaagt hij zijn leed, en hij smeekt haar: „Verklaar het mij nader, moeder, bewijs wat gij weet! Is het waar, is Apollo mijn vader?” „Ga naar het Zonnepaleis,” was het antwoord, „leg Sol zelf de vraag voor. ’t Is mij wat moeilijk, die reis, anders ging ’k met je mee, jongen — graag hoor!” ’t Prachtig paleis van den vorst prijkt in pralenden pronk in den hoogen; ’t dak van kolommen getorst, diamanten en goud aan de bogen. Mulciber zelf had de poort van het zuivere zilver gedreven: ’t zwerk, waar de zonne van gloort, en het land, van de zeeën omgeven. Schuchter, met wankelen voet, nadert Phaëton — zal hij het wagen? Nauwelijks kan hij den gloed, de verblindende schitring verdragen. Daar, op den goudenen troon, zit de god van de laaiende lichten, stralende, schitterend schoon, om het voorhoofd de vurige schichten. Rondom hem heen staat zijn schaar satellieten, gecierd van festoenen: ’t Uur en de Dag en het Jaar; naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen. „Phaëton!” zegt hij verbaasd, „wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!” Dalijk, in koortsigen haast, roept de knaap: „O, bewijs mij, mijn vader, dat ik uw zoon ben!” — „Ik zweer ’t!” antwoordt Phoebus, „en ’k geef — ten bewijze — Phaëton, wat ge begeert!” „O, zoo moog ik een enkele reize, mennen uw vurige span......” en de vader ten diepste verslagen, dat hij niet weigeren kan, brengt zijn telg naar den vlammenden wagen, balsemt hem lijf en gelaat, dat de gloed ze niet moge verbranden, en, na veel woorden van raad, legt de teugels den knaap in de handen. Snel, op des Zonnegods woord, dat het wonder des dags ga geschieden, opent Aurora de poort, en de Starren verbleeken, en vlieden. Phaëton’s hand is onvast, en het vierspan, gehoefd en gevleugeld, vliegt met den veerlichten last door het zwerk, noch geleid, noch beteugeld. Voort! nu eens scheef, dan weer recht gaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn, hooger, en laag — en men zegt, dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn. Heviger blakert de gloed, dien geen sterveling meer kan verdragen; vuur blaast het vierspan verwoed, en de vlammen slaan hoog uit den wagen. Eindelijk, hijgend en heet, stort de knaap, wien de teugels ontgleden, met een ontzettenden kreet, half verzengd en ontzield naar beneden. ’t Vlammende haar om het hoofd leek het licht van een vallende sterre, plots in de ruimte gedoofd — en hij viel, van zijn vaderland verre. ’t Lichaam, met roetstof bedekt, werd, met geurende bloemen beladen, zacht in de groeve gestrekt door de weenende Weste-Najaden. ........................................ Streng was des jongelings straf; en nu kun je van Phaëton leeren: ben j’ al van hooge komaf, daarom kun je maar zóó niet chauffeeren.