← Table of contents
Ruize-rijmen

VI. LETTEREN.

Reading edition

1. VAERS.

Een rijke oom, nog wars van ’t sterven, Een oud en zieklijk man, Bezat een schaar begeerige erven, (Toekomstige erven, dan). Hij had geen vrouw en ook geen kindren, En, onder ons gezegd, Opdat zijn geld niet zou vermindren, Had hij ’t secuur belegd. Zijn neven, nichten, achterneven, En -nichten, enz. Behandelden hem allen even Eerbiedig. Zooals ’t hoort. Zij waren soms haast al te vrindlijk, Ze liepe’ ’m achterna, Zelfs d’ allerkleinsten, nauwlijks zindlijk, Die lachte’ ’m toe: „Da-da!” Wanneer ze hem ten eten vroegen, Of op een theepartij, Was ’t of z’ ’m op de handen droegen, Zoo hartlijk waren zij. Hij kreeg de heerlijkste gerechten, En koffie toe, met room; En allen schenen ze te vechten Om d’ eereplaats: naast oom. Wanneer hij iets stond te betoogen, Zeer met zichzelf voldaan, Dan hoorden ze ’m met stralende oogen En vol bewondring aan. En als hij aardigheden tapte, Gewoonlijk lang bekend, Geen, die niet lachte, gierde en klapte, Al dikwijls vóór het end. Hun angst was, dat hij nog zou trouwen, Zooiets gebeurt wel meer; Enfin, hij heeft zich goed gehouwen, Hij bleef een eenig heer. Ten slotte is hij dan bezweken, Zijn erven weenden luid, Maar troostten zich met zijn kopeken. Nu is ’t verhaaltje uit. ........................................ Dit vaers bevat geen nieuwe dingen, Maar daarom niet geklaagd; Wat dichters van de Liefde zingen, Is net zoo afgezaagd.

2. SONNET.

Van Eeden gewaagt met lof van een sonnet van Adwaita, waarin deze dichter zijn virtuositeit in het rijmen toont, door slechts twee rijmklanken voor een geheel sonnet te gebruiken.

Ik zwicht voor de verleiding om ’t nog mooier te doen.

Zoo ’k ooit

een zuiver klinkdicht heb

geschreven,

Nog nooit

heb ’k zooveel rijms door ’t werk

geweven;

’t Gedicht,

dat ’k heden bied, breek’ bouder

baan......

Ik zwicht,

de muze maant — ai! laat mij

gaan......

Vermooit

het rijmen niet des menschen

leven?

’t Ontdooit

de lagen ijs, die ’t hart

omgeven,

’t Verlicht

den looden last van ons

bestaan,

En ’t sticht

een schutse tegen ’s werelds

waan.

Getooid

met lauw’ren, dool ’k door Tempe’s

dreven;

Bestrooid

met bloemen, blij het hoofd

geheven,

Verricht

’k mijn taak, geleid door Phoebus’

vaan.

Gekooid,

gekerkerd zij wie ’t durft

weerstreven!

Ontplooid

en wapp’rend blijv’ mijn dundoek

zweven......

(Een zucht)

Mijn plicht

voor deze week is weer

gedaan!

3. HET GOUDENE RAADSEL VAN HET WONDERE GELUK.

(De Oplossing.)

Het wond’re landschap blaakt in goud’ne zon, Wij doolden saam in wond’re goud-gedachten, Wen wond’re bloemen goud’ne vreugde lachten, Gedrenkt in ’t wond’re vocht van goud’ne bron. Toen was ’t, dat ’t wond’re goud-geneucht begon, Haar wondre woorden goud’ne boodschap brachten Van ’t wondere geluk en ’t goud’ne smachten, Als ’t wond’re goud niet goud’ner glanzen kon. Vanwaar dat goud in gansch ons wond’re wezen? Van goud’ne stemme ’t wondere geluid, Goud-klinkend boven wond’re stilten uit? Als ’t goud’ne dak op ’t wond’re huis verrezen? Die wond’re gloed uit liefde’s goud’ne vier?.... Zij was de dochter van een juwelier.

4. EEN ST. NICOLAASCADEAUTJE.

Raad van Charivarius aan Couperus-vereersters, die niet weten, wat ze hem met St. Nicolaas zullen sturen.

Koopt een aantal mooie dassen, Zacht van stof, van kleuren teer, Sokken, die er goed bij passen; Damessokken voor een heer, Vert malade, bleu turquoise, Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise, Caca du dauphin, vieux rose, Fraise écrasée, en zoo meer. Zoekt een fijn, exquis odeurtje, Van Piver of van Pineaud: Peau d’Espagne’s weezoet geurtje, Chrysanthème de Tokio, Héliotrope of Azuré-e. Kiss me quick, Brise embaumé-e, Chèvrefeuille, Giroflé-e, Jockey club, Duchesse, of zoo. Jolimousse, Lait d’Amandes, Vélivole, Foin coupé, Espéris, Duvet, Lavande, Aubépine, Rose thé, Lariette, Floramye, Guy nouveau, Cuir de Russie, Chypre, Senteur des Prairies — Doet het hier voorloopig mee. Koopt de rozigste robijnen, Diamanten, schitter-schel, Adular of cornalynen, Paarlen, jaspis of spinel, Amber, onyx, chrysolieten, Labradoren, oxinieten, Emerald of cordirieten, (Doet het maar — hij draagt ze wel!) Koopt de kostbre kwartskarbonkel, De pyroop in purpren pracht, Of verkiest gij ’t fel gefonkel Van sapphieren — of smaragd? Amethyst, beryl, granaten, Bezoar, zirkoon, agaten...... (’k Ken geen steenen meer op -aten, Maar dat heb ’k te laat bedacht.) Al die goede gaven pak je In een wollig watten-waas, Of een zeegroen zijden zakje, Geel-gevoerd met gulden gaas, Bindt het met satijnen linten, In die zachte rose tinten, Die Couperus zoo bemint, en Stuurt hem dàt met Sinterklaas!

5. RID- EN RUNDERS.

César Gezelle zingt:

„’k Zie schapen, witgewold, ’k Zie rid- en runders draven......”

Wij gaan voort:

’k Zie schapen witgewold, ’k Zie rid- en runders draven, ’k Zie vo- en vlegels zich Aan wa- en bitter laven. Al is de stad ook vol Van stu- en decadente’ Die speel- en alcohol Verkiezen boven lente, U, boe- en kippen-ren, U, lust- en korensc-hoven, U, var- en vlinderken, U stel ik ver daarboven! In ’t mooie voorjaarsweer, Gaan bloe- en ramen open, ’k Zie ieder met een bloem, Zelfs schoo- met anjers loopen. ’k Zie ei- en beuken staan, En dreu- en andre musschen, Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan, ’k Zie kro- en meisjes kussen. En mensch en kunstenaars Zij dragen en zij eten Veel flam- en waterbaars, Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten. Geen pneu- slechts harmonie: De tweedracht wijkt voor vrede, De ru- voor poëzie, Juicht kin- en ouders mede! Want len- en warmte is daar, Mijn geest stijgt op, naar boven, ’k Wil nat- en morgenuur Met vul- en lippen loven!

6. ZAK-DRAMA.

Flirt Zeurt. Vrouw Wou. Man Dan: „Graag?” — „Vraag Pa!” — „Ja”. Pa, Ma: „Ja”. Ha! Echt Slecht: Drie Kindren, Die Hindren. Tweel- ing: Heel Ding! Elk Melk: Dorst! Borst. Meer Kindren Rijk: Zeer Hinder- lijk. Dan Man Vroeg Kroeg.„ ’k Blijf Laat”. ’t Wijf Kwaad. ’t Wijf, ’t Kijft; Man Later: Kan Water Op Kop. Ziet Haar Boos, Vliedt Naar Soos. Hij Praat Zij Slaat, Bijt, Smijt, Mist Vaak; Is ’t Raak, Dan Hard, Man Smart. Zij Vloekt. Hij Zoekt (Laf!) Vond, Vlonder: Af- Grond Onder. Zegt: (Slecht!) „Ga Mee! Ja?” „Nee”. „Nou, Kom!” Vrouw (Dom!) „Goed”. Doet. „Ga Voor”. „Ja, Hoor” Gil...... Stort! Stil...... Vort...... ...... ...... ...... Hij Blij!

7. RUST-RIJM.

Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozing Gorter’s „Mei”, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:

„...Van ijs in zee, een oud gebaard man, die Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie...”

Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit is het rijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgende Ballade als ’t ware van zelf uit de vulpen:

DE RIDDER VAN GRANADA.

(Vrij naar Schiller)

Er leefd’ in overouden tijd In ’t land van Granada, Zijn vorst in trouwen dienst gewijd, Een wakkre ridderkna. De koning had den jonker lief, En jacht, en sport, en spel Werd bloot voor ’s gunstelinge gerief Ten Hove ingestel. Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak, Door bode en klokgelui, Genood tot ’t griezelig kijkvermaak Rondom den leeuwenkui. Eens op een dag zijn maagd en borst, En ridders, rij aan rij, Verzameld bij den ouden vorst, In ’t lustpark van ’t palei; Rondom den diepen leeuwenkuil, Die dreigend gaapt benee: Hier ’t jolig juichen — daar ’t gehuil Van tijger en van lee. Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroed Met grage blikken na; En d’ oude vorst schertst welgemoed: „’t Is beter hier, dan da!” De jonge ridder zit naast háár — De jonkvrouw, trotsch van zin, Maar ’t schoonste van de maagdenschaar, En fel van hem bemin. Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor; Hij schijnt wat schuw, wat bleu; Dan vat hij moed, en als-maar-door, Ruischt zijn verliefd gekeu. Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij: „Mint gij mij waarlijk zoo? Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!” Dan roept z’ op luiden too: „Wie uwer mint mij sterk genoeg, Dat hij uit louter min Deez’ zijden handschoen, dien ik droeg, Mij weerbrengt van daargin?” Mèt werpt zij fluks den handschoen af; Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” — — „Wie waagt zich in dit levend graf?...” Het denkbeeld is afschu. Zij ziet haar fellen minnaar aan Met hoonend killen lach: Kies — d’ arme heeft den blik verstaan — Mijn liefd’ — of mijn verach! Daar ziet de schare, stom van schrik, Vervuld van ’t naadrend wee, Hoe hij met somber-strakken blik Zich naar den kuil begee. Snel daalt hij in de diepte neer...... Loopt op de beesten toe...... En — brengt den handschoen veilig weer, Met gruwbre heldenmoe. Nu groet den Ridder Onversaagd Een donderend hoera! Maar hij — hij werpt der snoode maagd Den handschoen...... in ’t gela! „Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw, Mijn declaratie zóó! Ik was verliefd op je, maar nou — Wat mij betreft — val doo!”

8. RIJM-RIJM.

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost, De eerste bezitter van het woud en van de rots”. (Van Looy in de Gids)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langs Hun boorden varend, den oranje glans.” (Gorter’s Mei)

„Van licht in licht, lichtwenteling — ’t Is nachtdood, morgenkentering.” (Van Eeden, Ellen)

„O, Moeder in den hemel! Wees Gij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!” (Hofdijk, Reynouts’ tocht.)

’t Is waar, er hapert iets aan deze rijmen. Maar werkelijke poëzie kijkt zoo nauw niet. Wellicht zal de oplettende lezer ook in de volgende Ballade hier en daar een rijm aantreffen, dat niet volkomen correct is; maar wij wenschen ons in dit opzicht een zekere vrijheid voor te behouden.

BALLADE.

I. De zomerzonne zonk ter kimme, Een rose diskos, goud-omstraald; Het was het uur der zoete minne, Waarin Natuur tot kozen maant. De vogel staakt zijn blijde tonen, Het schuchter haasken, op zijn kalmst, Zit midden op den weg te droomen, De schuwe eekhoorn kent geen angst. O, Mensch, geniet en zet u neder, Wisch van uw brauw de drupplen zweets, Hier vindt gij reine rust en vrede Voor moede ziel en matten geest. Wat zoekt g’ in drukke stede-straten ’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren? Ontvlied den maalstroom van vermaken, En luister naar der Stilte stem. II. Wie draaft daar door de lommerlanen, Langs lindengroen en beukenbruin, Als om een vlucht’ling t’ achterhalen, Zijn rennend ros besmeurd met schuim? Het is de ridderknaap Renaldo. Hij toomt zijn klepper. Als verstard, Zoo staat zijn ros, op zijn commando. Renaldo springt ter aard, en wacht. Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar; Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaart En voor hem staat — zijn lief, Amanda, Ster zijner droomen, struische maagd! Een blik, een blos, een zucht, een snikken, Een liefdedronken minnezwijm.... „Geliefde!” lispelen 2 paar lippen, „Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!” III. Een brave blonde boerenjongen, Feiko, een vrome, vrije Fries, Had eens Amanda’s hart gewonnen, Amanda had haar Feiko lief. De zaak kreeg vasten vorm, natuurlijk, Toen beider min bestendig bleek, En alles was al klaar voor ’t huw’lijk, Ja zelfs hun uitzet was gereed. Toen kwam Renaldo. Zacht maar zeker, Lokt hij het lijsterk’ in zijn net; Geen kamerspin verstaat het beter De vlieg te vangen in zijn web. Renaldo schiet zijn scherpste pijlen, Dringt d’armen Feiko van zijn plaats, Hij weet Amanda te verleiden: Zijn lage list gelukt op ’t laatst...... IV. Op dezen minnezwang’ren avend Keert Feiko huiswaarts door het bosch; ’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend, Zingt hij van „haar”, uit volle borst. Het dalend duister deert hem weinig, Hij heeft een goed pistool op zak, Want roovers maken ’t woud onveilig, En loeren langs ’t verlaten pad. Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen? Een schijnbeeld, dat de schemer schiep? Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover...... Neen, goden! Hij vergist zich niet: Hij hoort de sissekussen snerpen, De booswicht lispt Amanda’s naam...... Daar staan ze, bij de blanke berken, In ’t schijnsel van de zilvren maan! V. Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade, Hij staat verslagen en verstomd, Zijn adem stokt, zijn oogen stare’, Hij blijft genageld aan den grond. Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen, Hij drukt het aan de slaap, en zucht...... Wel wil hij ’t weeë leven laten, Maar deinst nog voor de daad terug...... „Amanda,” snikt hij, „was dàt edel? Amanda, had ik dàt verdiend......?” Hij wankelt, heft den blik ten hemel...... Een schot — hij ligt ter aard, ontzield. — — — — — — — — — ’t Is zeker treurig. Maar geen wonder. Leer dus uit Feiko’s levensloop: Richt op je voorhoofd geen revolver, Want als het afgaat, ben je dood.

9. LOFRIJM OP DE PRIKKEL-IDYLLEN.[3]

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen, Hoewel ik gewoonlijk meer houd van bedillen, Een ieder zijn meug heeft, en smaken verschillen, Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen. En hun, die hun tijd en hun duiten verspillen Aan al die dolzinnige drama-paskwillen, Aan Holmessen, Carters en Buffalo-Billen, Die rillend genieten, genietende rillen, Niet ophouden kunnen, al zouden ze willen, Er stapels van koopen, te zwaar om te tillen, Hun roep ik het toe: leest de Prikkel-Idyllen! Of zijt ge soms een van die stiekeme stillen, Die leest in ’t geniep van het levendig villen, Van moorden, van branden, van snikken, van gillen, Van ’t rammelend rif, van het graf, van het kille, Van zuchten zoo zachte, van schreeuwen zoo schrille, Dat ieder, die ’t leest als een riet staat te trillen, Van oogen die puilen, van wonden die lillen, Van gruwzame ouders, die kinderen drillen In ’t listig vermommen met pruiken en brillen — Leest, leest, en geneest door de Prikkel-Idyllen! Zoo zeker als hoest door laurier of camillen, En alles geneest door de Holloway-pillen, Zoo vindt gij uw heil bij de Prikkel-Idyllen!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings