Vierde Les.
Reading edition
Bezittelijke Voornaamwoorden.
De bezittelijke voornaamwoorden drukken, zooals de naam reeds aanduidt, een bepaling van een bezitting uit en worden gevormd van de persoonlijke voornaamwoorden door achtervoeging van a achter die v.n.w.
De uitgang a duidt tevens ook aan, dat ze een bijvoeglijk karakter hebben en dus bij zelfst. n.w. gebruikt worden. Het zijn: mia, cia, lia, ŝia, ĝia, nia, via en ilia.
Ze volgen ook, evenals de bijv. n.w., het zelfst. n.w. in meervouds- en voorwerpsuitgang.
Verder heeft men het bezittelijk bijv. v.n.w. sia, dat alleen dàn gebruikt wordt vóór het naamwoord, indien de bezitting aan het onderwerp van den zin toegekend wordt.
Voorbeelden:
De moeder vergeet haar boek (haar eigen) = La patrino forgesas sian libron.
De moeder vergeet haar boek (van haar dochter) = La patrino forgesas ŝian libron.
De man werkt in zijn tuin (zijn eigen) = La viro laboras en sia ĝardeno.
De man werkt in zijn tuin (van zijn zoon) = La viro laboras en lia ĝardeno.
De jongens spelen met hunne honden (hun eigen) = La knaboj ludas kun siaj hundoj.
De jongens spelen met hunne honden (van hun buren) = La knaboj ludas kun iliaj hundoj.
Zij ziet de kat en haar oogen (haar eigen) = Ŝi vidas la katon kaj siajn okulojn.
Zij ziet de kat en haar oogen (van de kat) = Ŝi vidas la katon kaj ĝiajn okulojn.
Men gebruikt dus sia alleen dàn, wanneer men in het Nederlandsch de woordjes zijn, haar, hun of hunne kan vervangen door zijn eigen, haar eigen, hun eigen of hunne eigene. In alle andere gevallen gebruikt men voor den 3en persoon:
lia voor mannelijk enkelv. persoonsnamen;
ŝia voor vrouwelijk enkelv. persoonsnamen;
ĝia voor dieren of zaken enkelvoud;
ilia voor alle gevallen voor het meervoud.
Men moet hierbij wel bedenken, dat sia steeds het onderwerp van denzelfden zin als bezitter aanwijst. Het mag dus niet gebruikt worden, als een deel van het onderwerp zelf of als het onderwerp van een anderen zin, bijv.:
De vader en zijn (eigen) zoon komen = La patro kaj lia filo venas. Hierbij is het een gedeelte van ’t onderwerp.
De vader is hier; zijn (eigen) zoon komt ook spoedig hier = La patro estas tie-ĉi; lia filo ankaŭ baldaŭ venos1 tie-ĉi. Hierbij is lia filo het onderwerp van een anderen zin en mag daarom niet met sia vertaald worden.
Vervolg voorwerps n.
Behalve het reeds genoemde lijdend voorwerp krijgen ook nog een n:
1e. De naam der plaats, naar welke de handeling gericht is, bijv.: Ik ga naar Brussel = Mi iras Bruselon.
Aanmerking: Het woord tagon wordt meestal weggelaten. Is deze bepaling van tijd of datum het onderwerp van ’n zin, dan vervalt natuurlijk de n, bijv.: La sesa tago de aprilo estos1 bela tago.
3e. De bepaling, die den duur eener handeling aanduidt, bijv.: Ik blijf drie dagen = Mi restas tri tagojn.
4e. De bepaling van maat, prijs of gewicht, bijv.: Het boek kost drie gulden = La libro kostas 3 guldenojn. De toren is 50 meter hoog = La turo estas alta 50 metrojn. Dat brood weegt 2 pond = Tiu pano pezas 2 funtojn.
Aanmerking: In deze 4 bovengenoemde gevallen is men evenwel niet verplicht den uitgang n te gebruiken, omdat deze uitdrukkingen door een voorzetsel kunnen omschreven worden en men na een voorzetsel geen n plaatst. Men kan dus ook zeggen:
1. Mi iras al Bruselo.
2. Li venos je ĵaŭdo. Li venos je la sesa de aprilo.
3. Mi restas dum tri tagoj.
4. La libro kostas po tri guldenoj. La turo estas alta je 50 metroj. Tiu pano pezas po 2 funtoj.
Alleen dàn voegt men na een voorzetsel een n achter het zelfst. n.w., als er in den zin eene beweging wordt aangeduid in de richting naar het doel en deze richting niet altijd dadelijk duidelijk is, bijv.: de kat springt op de tafel wordt vertaald: La kato saltas sur la tablo.
Nu heeft deze zin twee beteekenissen, n.l. dat de kat op de tafel is en daarop rondspringt, òf dat de kat van den grond op de tafel springt en dus in dezen zin een richting aanwezig is. Zonder de richtings n zou verwarring kunnen ontstaan en schrijft men dus voor het laatste geval: La kato saltas sur la tablon.
Alleen achter de voorzetsels al = naar en ĝis = tot wordt nimmer een richtings n geplaatst, aangezien deze voorzetsels reeds voldoende een richting aangeven.
Aangezien de voorzetsels de en el nooit eene richting náár iets kunnen aanduiden, worden zij ook nimmer door de richtings n gevolgd.
Achtervoegsels an en id.
An(o) duidt aan een bewoner, aanhanger, genoot of lid, bijv.: Parizo = Parijs, Parizano = Parijzenaar; Kristo = Christus, Kristano = Christen; domo = huis, domano = huisgenoot; klubo = klub, klubano = lid der klub.
Id(o) duidt den afstammeling of het jong aan, bijv.: reĝo = koning, reĝido = prins (vorstenzoon); ĉevalo = paard, ĉevalido = veulen; koko = haan, kokido = kuiken.
Leer van buiten:
mentono kin
kolo hals
membro lid
ŝultro schouder
brako arm
mano hand
fingro vinger
ungo nagel
laringo strottenhoofd
brusto borst
koro hart
flanko zijde
ventro buik
kruro been
genuo knie
piedo voet
sento zintuig (gevoel)
parolo spraak
voĉo stem
koloro kleur
princo prins
muta stom
lama lam
kripla kreupel
forta sterk
longa lang
vera waar
diversa verscheiden
multaj of
multe da veel
laŭte luid
dekstre rechts (bijw.)
palpi voelen, tasten
tuŝi raken
ridi lachen
kisi kussen
kredi gelooven
marŝi gaan (stappen)
unu een
du twee
kvin vijf
kiom (da) hoeveel
por teneinde, voor, om te
pro van, door, wegens
Vertaling:
Urbano, provincano, varmega, malvarmega, kapego, nazego, manego, vilaĝano, malforta, fortega, malrapida, mallonga, malvera, mallaŭte, rideti, ridegi, bovido, reĝido.
Vertaal in Esperanto:
Handje, klauw, poot, spreken, rechtsche, linksche, weinig, baard (wangharen), kalf, kuiken, veulen, prinses.
Vertaling:
La maljuna virino estas blinda kaj iras kun sia nepo. La avo skribas al siaj parencoj, ke ili devas veni. La vilaĝano iras al la urbo. La patrino parolas gaje kun sia amikino, kaj la infanoj ludas kontente kun la hundo kaj la kato. Nia korpo konsistas el la kapo, la trunko (romp) kaj la membroj. Ni havas du okulojn por vidi, unu nazon por flari, unu buŝon por paroli kaj du orelojn por aŭdi. En nia buŝo ni havas dentojn kaj langon. La birdego havas ungegojn. Ni havas la koron en la brusto, maldekstre. Tiu malfeliĉa knabo estas kripla, li ne bone povas marŝi. La koloro de miaj haroj estas nigra. La ruĝa koloro de la haroj ne ĉiam estas malbela. Sur la verda kampo kuras multaj ĉevaloj. La knabineto kuras rapide al sia patrino kaj kisas ŝin. La infanoj de la najbaro iras ofte al la urbo. Viaj vangoj estas ruĝaj; ĉu tio estas pro la malvarmo? La ŝtono havas multajn belegajn kolorojn. Kiom estas du kaj kvin?
Vertaal in Esperanto:
De zoon is met zijn vrienden in den tuin van den buurman. Ik geloof niet, dat de zoon van den buurman gelukkig is. Hij is bleek en zijn gelaat is droevig. De moeder leest en het jonge meisje luistert naar haar lieve stem. Wij hebben 4 ledematen: 2 armen en 2 beenen. Wij zien met de oogen en ruiken met den neus. Deze jongen kan niet spreken, hij is stom. Menschen, die niet kunnen spreken en ook niet kunnen hooren, zijn doofstom. De kleur van zijn wenkbrauwen is zwart en van zijn snor wit. Hunne grootouders zijn zeer oud. In den tuin groeien vele bloemen. Wij gaan den tuin in. De tante kust haar nichtje en het kindje schaterlacht. De blinde menschen kunnen lezen door middel van het gevoel. Haar oom en zijn vrouw (echtgenoote) spreken met mijn grootvader en zijn vriend. Mijn vriend is in den tuin, maar ik zie hem niet. Mijne moeder is eene vriendin van uwe tante.