← Table of contents
Het Esperanto in Twintig Lessen

Derde Les.

Reading edition

Naamvallen.

In onze taal onderscheidt men 4 naamvallen. Naar gelang van den dienst, dien het woord in den zin verricht, zegt men dat het voorkomt in den 1en, 2en, 3en of 4en naamval.

Zoo staat het onderwerp, wat in een zin datgene is, dat de handeling verricht, in den 1en naamval en het lijdend voorwerp, wat datgene is, dat de handeling, door het onderwerp verricht, lijdt of ondergaat, in den 4en naamval.

Deze 1e en 4e naamvalsvorm worden in het Esperanto gebruikt; de 2e en 3e naamval kunnen steeds omschreven worden, de 2e naamval door het voorzetsel de en de 3e naamval door het voorzetsel al.

Ook in ’t Nederlandsch kan de 2e naamval omschreven worden met van en de 3e naamval met aan.

Verder heeft een zin altijd een werkwoord (het gezegde) en kan hij ook verschillende bepalingen (van tijd, plaats, wijze enz.) hebben.

De 4 naamvallen, welke dus een zelfst.n.w. kan hebben, noemt men de verbuiging der zelfst. n.w.

Hieronder volgt voor elk der Nederlandsche geslachten een verbuiging:

Mannelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

1e. de vader la patro de vaders la patroj

2e. des vaders of van den vader de la patro der vaders of van de vaders de la patroj

3e. den vader of aan den vader al la patro den vaders of aan de vaders al la patroj

4e. den vader la patron de vaders la patrojn

Vrouwelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

1e. de moeder la patrino de moeders la patrinoj

2e. der moeder of van de moeder de la patrino der moeders of van de moeders de la patrinoj

3e. den moeder of aan de moeder al la patrino den moeders of aan de moeders al la patrinoj

4e. de moeder la patrinon de moeders la patrinojn

Onzijdig.

Enkelvoud. Meervoud.

1e. het kind la infano de kinderen la infanoj

2e. des kinds of van het kind de la infano der kinderen of van de kinderen de la infanoj

3e. het kind of aan het kind al la infano den kinderen of aan de kinderen al la infanoj

4e. het kind la infanon de kinderen la infanojn

Men kan elken zin gaan verdeelen—wat men ontleden noemt—in de bovenstaande naamvallen en bepalingen, bijv.: De zoon des vaders geeft den jongen een appel = La filo de la patro donas al la knabo pomon.

Deze zin wordt aldus ontleed: de zoon = la filo = onderwerp of 1e naamval; des vaders (van den vader) = de la patro (duidt op bezit van iets) = 2e naamval; geeft = donas (tegenwoordige tijd van ’t werkwoord geven) = gezegde; den jongen (aan den jongen) = al la knabo (overgang van ’n handeling op ’n anderen persoon) = 3e naamval; een appel = pomon = lijdend voorwerp of 4e naamval.

Bijstellingen.

In ’t Esperanto hebben bijstellingen denzelfden naamval als het zelfst. n.w. waarbij ze behooren, bijv.: Ik ga naar mijn vriend, den dokter = Mi iras al mia amiko, la kuracisto. Ik zie mijn vriend, den dokter = Mi vidas mian amikon, la kuraciston.

Wanneer men iemand aanspreekt, blijft de bijstelling in den 1en naamval, bijv.: Kom, ik wacht u, mijn lieve jongen = Venu, mi atendas vin, mia kara knabo.

Het lijdend voorwerp.

Aangezien in ’t Esperanto veel vrijheid wordt gelaten in den zinsbouw en het lidwoord la altijd onveranderd blijft, zou het kunnen gebeuren, dat men tenslotte niet meer wist wat onderwerp en wat voorwerp in ’n Esperanto-zin was.

Ter vermijding hiervan krijgt het voorwerp (4e naamval) wat we lijdend voorwerp noemen, omdat het de handeling lijdt of ondergaat, als uitgang de letter n.

Vertaalt men dus: De man slaat den jongen, dan kan men dit op de volgende manieren doen:

La viro batas la knabon, óf La viro la knabon batas, La knabon batas la viro, óf La knabon la viro batas.

Men verliest in deze 4 vertalingen noch het onderwerp noch het voorwerp uit het oog.

Moest men evenwel vertalen: La viro batas la knabo, òf La knabo batas la viro, dan kon in beide vertalingen zoowel de jongen als de man slaan.

Veelal wordt in ’t Esperanto de 3e naamval vertaald gelijk de 4e naamval en dus niet omschreven met het voorzetsel al, b.v.: Ik schrijf hem = Mi skribas lin of Mi skribas al li.

Dit is evenwel niet geoorloofd, wanneer er een lijdend voorwerp bij het werkwoord behoort. Alsdan moet de 3e naamval omschreven worden, b.v.: Ik schrijf hem een brief = Mi skribas al li leteron.

Achtervoegsels et en eg.

Et vormt verkleinwoorden, bijv.: knabo = jongen, knabeto = jongetje; filino = dochter, filineto = dochtertje; arbo = boom, arbeto = boompje; flugi = vliegen, flugeti = fladderen.

Eg vormt vergrootingen, bijv.: pluvo = regen, pluvego = stortregen; bela = schoon, belega = prachtig.

Het achtervoegsel eg bij zelfst. n.w. heeft ongeveer dezelfde beteekenis als in ’t Nederlandsch de uitdrukking zeer groot, bijv.: nazo = neus, nazego = zeer groote neus; kapo = hoofd, kapego = zeer groot hoofd.

N.B. In ’t Esperanto wordt de grootte in onderstaande volgorde en wijze uitgedrukt:

zeer groote boom = arbego, groote boom = granda arbo, boom = arbo;

kleine boom = malgranda arbo, zeer kleine boom of boompje = arbeto.

Leer van buiten:

korpo lichaam

haŭto huid (vel)

viando vleesch

parto deel

osto been (algem.)

sango bloed

kapo hoofd

haro haar

vizaĝo wezen (gelaat)

mieno gelaat (de trekken)

brovo wenkbrauw

frunto voorhoofd

okulo oog

orelo oor

vango wang

nazo neus

buŝo mond

lipo lip

dento tand

lango tong

rozo roos

rapida vlug

blanka wit

nigra zwart

bruna bruin

ruĝa rood

verda groen

flava geel

blua blauw

pala bleek

blinda blind

surda doof

havi hebben

rimarki bemerken

vidi zien

aŭdi hooren

aŭskulti luisteren

flari ruiken

gustumi proeven, smaken

iri gaan

diri zeggen

ke dat (voegw.)

se indien

aŭ of

nur slechts, maar

ofte dikwijls

tro te, te veel

eĉ zelfs (bijw.)

per door middel van, met

Vertaling:

Fileto, infaneto, hundego, birdeto, ĝardeneto, grandega, boneta, belega, malbelega, flugeti, oreleto, okulego.

Vertaal in Esperanto:

Dochtertje, hondje, zeer groote tuin, zeer goed, wimpers (oogharen), snor (lipharen), mondje, zeer groote tanden, zeer kleine tong, neusje.

Vertaling:

La avo estas surda. La vizaĝo de la fraŭlino estas pala; ŝi havas brunajn okulojn kaj ruĝajn harojn. La ĉevalo de la onklo estas granda kaj bruna, ĝi kuras tre bone. La vetero estas hodiaŭ malvarmega. Mi venas de la avo kaj mi nun iras al la frato. Kiu diras, ke la vetero estas bela? Kia birdo ne povas kanti? La bela birdeto, kiun la knabo havas, kantas belege. Mi aŭdas per la oreloj; mi flaras per la nazo. Malgrandaj infanoj havas nazetojn. Mi havas okulojn en la kapo.

Vertaal in Esperanto:

De oude grootvader en de jonge kleinzoon gaan naar de stad. De dochter van den buurman zingt prachtig. Het paard loopt zeer vlug. De kat en de hond zijn geen goede vrienden. Wij hebben prachtig witte, gele en roode rozen in den tuin. Wie loopt snel in den tuin? Het kleine meisje heeft bruine oogen en zwarte haren. Het kind bemerkt, dat het niet alleen is. De wangen van het meisje zijn rood. De zwarte oogen van dien man zijn leelijk. Wie heeft roode haren? Hij heeft bruine tanden in den mond. Hij is blind en kan ook niet loopen. De bek van het paard is zeer groot. Het bloed is in het lichaam en is rood. Op het gelaat ziet men de wenkbrauwen. Een deel van het lichaam bestaat uit (konsistas el) beenderen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings