← Table of contents
Het Esperanto in Twintig Lessen

Eerste Les.

Reading edition

Het Lidwoord.

Het eenige lidwoord in ’t Esperanto is la, onverschillig voor welk geslacht of getal: la patro = de vader, la patrino = de moeder, la infano = het kind, la patroj = de vaders.

Ons onbepaald lidwoord een (’n) blijft onvertaald, dus: een of ’n vader = patro, een of ’n kind = infano.

Aanmerking: In gedichten ter verkrijging van de dichtmaat en soms wel in de schrijftaal, wordt ook wel l’ gebruikt, doch in het laatste geval maar alléén na voorzetsels met een klinker op ’t eind.

Het Zelfstandig Naamwoord.

Een zelfstandig naamwoord (z.n.w.) is de naam van een werkelijke zelfstandigheid of van datgene, wat als een zelfstandigheid wordt voorgesteld.

Al zulke woorden eindigen in ’t Esperanto op o, als: tablo = tafel, patro = vader, rimedo = middel, espero = hoop.

Het meervoud wordt gevormd door toevoeging van j achter den uitgang o, als tabloj = tafels, patroj = vaders, rimedoj = middelen, infanoj = kinderen.

Het Bijvoeglijk Naamwoord.

Het bijvoeglijk naamwoord (bijv. n.w.) drukt een hoedanigheid of een kenmerk van een zelfstandigheid uit en gaat in ’t Esperanto altijd uit op a.

Het krijgt tevens dezelfde uitgangen als het z.n.w., bijv.: bona patro = een goed vader, bonaj patroj = goede vaders, bela arbo = een mooie boom, belaj arboj = mooie boomen.

Het Werkwoord.

Een werkwoord (w.w.) is een woord, dat ’n werking, handeling enz. uitdrukt, als: loopen, ontvangen, schrijven.

Wij liepen komt van loopen. Hij ontving komt van ontvangen. Hij had geschreven komt van schrijven.

Deze vormen loopen, ontvangen, schrijven, waarbij alleen de werking wordt uitgedrukt, zonder dat feitelijk eene werking verricht wordt, noemt men de onbepaalde wijs van ’n werkwoord. Deze onbepaalde wijs gaat in het Esperanto altijd uit op i.

De tegenwoordige tijd der aantoonende wijs (welke later zal verklaard worden) eindigt voor alle personen, zoowel enkel- als meervoud, op as, bijv.: la knabo batas = de knaap slaat, la knaboj batas = de knapen slaan.

Het Bijwoord.

Zooals een bijv. n.w. een bijzonderheid aanduidt van een zelfst. n.w., zoo duidt een bijwoord ’n bijzonderheid aan van ’n werkwoord en gaat altijd uit op e.

Het heeft niet, zooals een bijv. n.w., een meervoudsuitgang, bijv.: kanti = zingen, bele kanti = mooi zingen, kuri = loopen, rapide kuri = vlug loopen.

Een bijwoord kan ook een bepaling zijn van ’n bijv. n.w. of van een ander bijwoord, doch nooit van ’n zelfst. n.w., bijv.; even mooi zingen = same bele kanti.

Woordvorming.

Het Esperanto bestaat uit ± 2000 stamwoorden, welke voor het meerendeel zijn genomen uit de moderne talen, en waarvan de andere woorden gevormd worden.

Voor de woordvorming bedient men zich in ’t Esperanto van voor- en achtervoegsels. In iedere les zullen hiervan een paar behandeld worden. Als eersten volgen hier:

Het voorvoegsel mal- en het achtervoegsel -in.

Mal drukt uit het tegenovergestelde van wat het stamwoord zegt, bijv.: bona = goed, malbona = slecht; bela = mooi, malbela = leelijk; juna = jong, maljuna = oud; amiko = vriend, malamiko = vijand.

In(o) duidt het vrouwelijk geslacht aan van het stamwoord, bijv.: patro = vader, patrino = moeder, frato = broeder, fratino = zuster.

Leer de volgende woordjes van buiten:

familio familie

avo grootvader

patro vader

filo zoon

frato broeder

nepo kleinzoon

onklo oom

nevo neef (kind v. broer of zuster)

kuzo neef (kind v. oom of tante)

fianĉo verloofde

edzo echtgenoot

viro man

homo mensch

sinjoro mijnheer, heer

knabo knaap, jongen

fraŭlo jongman

infano kind

parenco bloedverwant

societo gezelschap

amiko vriend

najbaro buurman

servisto dienaar, bediende, knecht

azeno ezel

granda groot

bona goed

juna jong

gaja vroolijk

feliĉa gelukkig

kontenta tevreden

esti zijn

povi kunnen

legi lezen

skribi schrijven

devi moeten

veni komen

kanti zingen

ludi spelen

kuri loopen

al naar, aan

en in

sur op

sub onder

de van

kun met

dum gedurende, terwijl

kaj en

Vertaling:

Patrino, filino, fraŭlino, avino, nepino, onklino, edzino, virino, patroj, filoj, infanoj, patra, patrina, infana, malkontenta.

Vertaal in Esperanto:

Verloofde (vr.), oud, slecht, mevrouw, leelijk, nicht, juffrouw, droevig, tante, meisje, buurvrouw, ongelukkig, klein.

Vertaling:

La edzo legas, la edzino skribas. La infano ludas kaj kuras. La kuzino kantas bele. La bona patrino. La fraŭlino skribas al la amikino. La amikino estas malgaja. La juna fraŭlino ludas kun la infanoj de la najbaro. La knabo estas malkontenta. La avo skribas al la amiko. La avo kuras. La juna infano estas malgranda. La amiko skribas bele. La maljuna viro estas malfeliĉa. La malbona najbaro kuras kun la juna infano de la nevo. En la familio estas maljuna avo kaj juna knabino. La feliĉaj knaboj kantas, dum la malgajaj amikoj skribas.

Vertaal in Esperanto:

De knaap speelt. De jonge vriendin zingt. De goede tante leest. De juffrouw schrijft. Het kind is tevreden. De nicht speelt en de neef zingt. De vader schrijft aan den zoon. De zuster van de vriendin. De tante van den buurman. De goede grootmoeder van het jonge kind. De broeder van den jongen buurman is gelukkig. De familie is groot. De vader is gelukkig en tevreden. De vrouw zingt vroolijk, terwijl de man schrijft. De bloedverwanten komen. Het kleine meisje loopt naar de moeder. De dochter van den buurman is een tevreden en gelukkig kind. Een man en eene vrouw zijn menschen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings