Tiende Les.
Reading edition
Deelwoorden.
Deelwoorden zijn van werkwoorden afgeleid en stellen de werking voor als een voorbijgaande eigenschap of toestand.
De Nederlandsche taal heeft 2 deelwoorden en wel het tegenwoordig deelwoord, dat de werking of handeling voorstelt als nog voortdurende en het verleden deelwoord, dat de werking voorstelt als afgeloopen.
Het tegenw. deelwoord eindigt in ’t Nederlandsch op d en het verl. deelwoord begint meestal met ge, als: loopen, loopend, geloopen; leeren, leerend, geleerd; slaan, slaand, geslagen; zien, ziend, gezien; vernemen, vernemend, vernomen; begeeren, begeerend, begeerd.
’t Esperanto nu heeft, behalve een tegenw. en een verl. deelwoord, ook nog een toekomend deelwoord, wat wij omschrijven met het woord zullende vóór het werkwoord, bijv.: zullende loopen, zullende leeren, zullende slaan enz.
Verder worden deze 3 deelwoorden onderscheiden in bedrijvende en lijdende deelwoorden.
Bedrijvende deelwoorden hebben altijd betrekking op den persoon, die de werking verricht en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:
voor den tegenw. tijd de uitgang anta;
voor den verl. tijd de uitgang inta;
voor den toek. tijd de uitgang onta.
Lijdende deelwoorden hebben altijd betrekking op den persoon of de zaak, die de handeling lijdt of ondergaat en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:
voor den tegenw. tijd de uitgang ata;
voor den verl. tijd de uitgang ita;
voor den toek. tijd de uitgang ota.
Let wel op de overeenkomst van de uitgangen der deelwoorden met die van de reeds geleerde uitgangen der werkwoorden, n.l.:
tegenw. tijd uitg. as, tegenw. deelw. uitg. anta of ata;
verl. tijd uitg. is, verl. deelw. uitg. inta of ita;
toek. tijd uitg. os, toek. deelw. uitg. onta of ota.
Hieronder volgen de verschillende deelwoorden van het werkwoord bati met de Nederlandsche beteekenis:
bati = slaan;
batanta = slaande;
batinta = geslagen hebbende;
batonta = zullende slaan;
batata = geslagen wordende;
batita = geslagen zijnde;
batota = zullende geslagen worden.
Deelwoorden hebben den bijvoeglijken uitgang a als ze op zelfst. n.w. of voornaamwoorden betrekking hebben, bijv.:
la falanta ŝtono = de vallende steen;
la falinta ŝtono = de gevallen steen;
la falonta ŝtono = de steen, die vallen zal;
la batata knabo = de geslagen wordende jongen (de jongen, die geslagen wordt);
la batita knabo = de geslagen zijnde jongen (de jongen, die geslagen werd);
la batota knabo = de jongen, die geslagen zal worden.
Deelwoorden kunnen ook zelfst n.w. worden en krijgen dan den uitgang o. Deze zelfst. n.w. duiden tevens aan of de persoon, die genoemd wordt, bezig is de handeling te verrichten (anto), of hij de handeling reeds verricht heeft (into) of dat hij deze nog verrichten moet (onto). Voor den lijdenden vorm zijn deze uitgangen resp. ato, ito en oto, bijv.:
savanto = iemand die redt, dus ’n redder;
savinto = iemand die gered heeft;
savonto = iemand die zal redden;
savato = iemand die gered wordt;
savito = iemand die gered is;
savoto = iemand die gered zal worden.
Aanmerking: Men verwarre de beteekenis van den uitgang anto niet met dien van het achtervoegsel isto. Waar isto een beroep of een ambacht te kennen geeft, duidt anto slechts een persoon aan, die een werking of handeling verricht, zonder daarvan een beroep te maken.
Vergelijk: skribisto = beroepsschrijver, skribanto = iemand die schrijft; kantisto = beroepszanger, kantanto = iemand die zingt; hakisto = (hout)hakker van beroep, hakanto = iemand die hakt.
Verder kunnen deelwoorden bijwoordelijk gebruikt worden (met uitgang e) als ze te kennen moeten geven, dat de handeling, die ze uitdrukken, een andere handeling vergezelde, voorafging of volgde, bijv.:
La virino laboras kantante = de vrouw werkt (al) zingende (terwijl zij zingt).
Trovinte pomon, mi ĝin manĝis = Een appel gevonden hebbend, at ik hem op.
Skribonte mi prenis mian plumingon = Zullende schrijven nam ik mijn penhouder.
Vokate, la knabo estis en la ĝardeno = De knaap, geroepen wordende, was in den tuin. (Toen de knaap geroepen werd, was hij in den tuin).
Vokite, la knabo tuj venis = geroepen geworden zijnde, kwam de knaap dadelijk. (Toen de knaap geroepen geworden was, kwam hij dadelijk).
Vokote, la knabo estis jam en la ĉambro = Geroepen zullende worden, was de knaap reeds in de kamer. (Toen de knaap geroepen zou worden, was hij reeds in de kamer).
Wanneer achter de w.w. zien, hooren, voelen, vinden enz. (waarnemingswerkwoorden) in denzelfden volzin een ander werkwoord volgt, dat in den Nederl. zin in de onbepaalde wijs staat, moet dit in ’t Esperanto als deelwoord gebruikt worden, bijv.:
Ik zag het paard vallen = Mi vidis la ĉevalon falantan.
Wij hoorden hem spreken = Ni aŭdis lin parolantan.
Ik voel den regen vallen = Mi sentas la pluvon falantan.
Het brengt eenige moeilijkheid mede of achter dit deelwoord een n geplaatst moet worden of niet.
Neemt men nu eens het voorbeeld:
Ik zag het paard vallen.
Legt men nu den klemtoon op zàg, dan wil het zeggen:
Ik zàg het paard, dat viel.
Legt men den klemtoon op vàllen, dan wil het zeggen:
Ik zag dat het paard viél.
In de eerste beteekenis wordt het vertaald met een n, dus: Mi vidis la ĉevalon falantan, in de tweede beteekenis zonder n, dus: Mi vidis la ĉevalon falanta.
Zooals men dus ziet, wordt het deelwoord gebruikt met een n, wanneer het aangeeft den toestand, waarin, of de omstandigheid, waaronder de persoon of zaak verkeert. Zonder n, wanneer men speciaal de werking aan wil duiden, die de persoon of zaak verricht. Inplaats van het deelwoord zonder n mag men ook de onbepaalde wijs gebruiken. Bijv.: Ik zag hem loopen = Mi vidis lin kuranta, of Mi vidis lin kuri.
De beteekenis is dan dus: ik zag, dat hij liép.
Achtervoegsels ul en ad.
Ul(o) duidt personen aan die het kenmerk bezitten door het grondwoord uitgedrukt, bijv.:
juna = jong, junulo = jongeling.
maljuna = oud, maljunulo = grijsaard,
kontraŭ = tegen, kontraŭulo = tegenstander.
Somtijds heeft ulo ook betrekking op dieren en heel zelden op voorwerpen, bijv.:
piedo = voet, kvarpiedulo = viervoetig dier.
korno = hoorn, kornulo = hoorndier.
masto = mast, dumastulo = tweemaster.
Ad(i of o) drukt uit dat de werking niet als een voorbijgaande, maar als een voortdurende handeling of als een toestand moet worden gedacht, bijv.: paroli = spreken, paroladi = voortdurend spreken (redeneeren), parolado = redevoering; movi = bewegen, movadi = voortdurend bewegen, movado = beweging; progresi = vorderen, progresadi = voortdurend vorderen, progresado = vooruitgang.
Wanneer de onbepaalde wijs van een werkwoord in ’t Nederl. als een zelfst. n.w. gebruikt wordt, dan wordt dit gewoonlijk in ’t Esperanto vertaald door achter den stam van het werkwoord ado te plaatsen, bijv.: Het drinken van zuiver water is gezond = La trinkado de pura akvo estas saniga.
Leer van buiten:
pano brood
bulko broodje, kadetje
tritiko tarwe
faruno meel (bloem)
pasto deeg
supo soep
kapro geit
ŝinko ham
lardo spek
ansero gans
anaso eend
meleagro kalkoen
kuniklo konijn
leporo haas
fiŝo visch
besto dier, beest
haringo haring
salmo zalm
sardelo sardine
ezoko snoek
legomo groente
ŝanco kans
freŝa versch
ranca rans
franca fransch
flandra vlaamsch
mordi bijten
sorbi slorpen
soifi dorst hebben
drinki overmatig drinken
fumi rooken
baki bakken
boli koken
friti bakken (braden)
rosti roosteren
ĉasi jagen
ŝteli stelen
diferenci verschillen
tamen nochtans, evenwel
uzi gebruiken
tremi beven
verki schrijven (v. boeken)
Vertaling:
Junulo, maljunulo, junulino, belulino, feliĉulo, malfeliĉulo, blindulo, riĉulo, malriĉulo, avarulo, ĉasaĵo, terpomo, drinkejo, panisto, ŝtelisto, policejo, kantado, ridado, dormado, parolado, uzado.
Vertaal in Esperanto:
Lieveling, een doove, een slechtaard, jager, drank, drinkebroer, zoetigheid (iets zoets), een rooker, een schrijver, zanger, redder, dief, tarwekorrel, varkensvleesch.
Vertaling:
Mi manĝis la rostitan panon. El la junuloj de mia vilaĝo, la filo de la meblisto estas la plej bela. La maljunulo ekglitis, falis teren, kaj bela knabino helpis lin. La blindulo trovas la vojon per la palpo. Mi trovis lin dormantan sur la kanapo. Mi vidis sitelon starantan en la kuirejo. Mi vidis lin parolantan en la ĉambro. Salutante li foriris. Kiam mi skribas leteron, mi estas skribanto kaj kiam mi verkas libron, mi estas verkisto. Mi ne povis legi la skribitan leteron. La batota knabo estis en la ĝardeno. Mia en Roterdamo loĝanta amiko vizitos min morgaŭ. La konstruita domo estas tre bela. La konstruota domo estos tre alta. La seĝo staris antaŭ la fermita fenestro. Oni povas diri: “mi soifas” kaj ankaŭ “mi havas soifon”. Knabineto, tremanta pro malvarmo, kuris sur la strato. La parolonto venos en la urbon morgaŭ je la sepa vespere.
Vertaal in Esperanto:
Ik hoorde haar zingen (vertaal zingende) in den salon van mijne tante. Ik zie het kind spelen (vertaal spelende). De redder loopt met den geredde. Het brood in de broodbak is niet versch, het is oudbakken. Etende menschen spreken niet veel, slapende menschen spreken nog minder. Op de straat gekomen zijnde, zag ik een vrouw, weenende van de koude. Een bijtende hond. De beminnende moeder loopt met het beminde kind. Groetende kwam hij binnen. De jonge man en de jonge vrouw zijn op het veld, spelende met de kinderen. De ooms en tantes waren in den tuin en spraken over het mooie weder. Zingende kinderen zijn vroolijke kinderen. Brood is een voedsel voor mensch en dier. Hij zal veel geld geven aan de arme kinderen van de groote stad. Wie heeft den man zien loopen? Wie hoorde den jongen lachen? De redevoering was kort maar krachtig. Het voortdurend gezang van mijn buurman, den geheelen dag van den morgen tot den avond, is niet zeer aangenaam voor den hoorder.