Dertiende Les.
Reading edition
Korelativoj.
De op achterin bijgevoegde tabel genoemde woordjes zijn verschillende soorten van voornaamwoorden of bijwoorden, die dienen als vragende v.n.w., bezittelijke v.n.w., vragende bijwoorden enz. Deze woordjes noemt men korelativoj.
De bovenste rij van de tabel, dus ia, io, iu, ie, ial, iam, iel, iom en ies noemt men de grondwoorden waarvan de andere gevormd worden. Ze worden in onbepaalde beteekenis gebruikt.
Die welke beginnen met k zijn vragend;
Die welke beginnen met t zijn aanwijzend;
Die welke beginnen met ĉ zijn alles omvattend;
Die welke beginnen met nen zijn ontkennend.
De korelativoj op ia en iu kunnen den meervoudsuitgang hebben, terwijl ia, iu, io en ie een n na zich kunnen krijgen.
Eenige korelativoj worden ook wel zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt, bijv.:
la kialo = het waarom; kioma = hoeveelste.
Korelativoj op ia en io.
Korelativoj op ia zijn bijvoeglijk en bepalen iets omtrent de hoedanigheid of de soort.
Ia = de een of andere, een zekere, eenigerlei, bijv.:
Ian tagon mi donos al vi la monon = De een of andere dag zal ik u het geld geven.
Li aĉetis iajn nuksojn = Hij kocht de een of andere soort noten.
Kia = welke, wat voor een, welke soort van, bijv.:
Kiajn nuksojn vi preferas? = Welke (soort van) noten verkiest gij?
Tia = zoodanig, dusdanig, dergelijk, zulk een, zulk een soort, bijv.:
Tia ĉapelo kostas kvin guldenojn = Zoo’n (zulk een) hoed kost vijf gulden.
Ĉia = elke soort van, iedere soort, elk, ieder, bijv.:
Ĉia persono bezonas monon = Elk mensch heeft geld noodig.
Nenia = geen enkele soort van, geen enkel, bijv.:
Li konas nenian floron = Hij kent geen enkele (soort van) bloem.
Korelativoj op io zijn zelfstandig en worden alleen voor zaken gebruikt. Ze hebben dan ook nooit een zelfst. n.w. achter zich.
Io = iets, het een of ander, bijv.:
Io kuŝis sur la tablo = Iets lag op de tafel.
Mi vidis ion = Ik zag iets.
Kio = wat? (vragend voornaamwoord) bijv.:
Kio povas manĝi? = Wat kan eten?
Kion vi vidas? = Wat ziet gij?
Tio = dat.
Tio estas bela = Dat is mooi.
Mi vidis tion = Ik zag dat.
Tio ĉi of ĉi tio = dit (in de nabijheid) bijv.:
Tio ĉi devas esti bona = Dit moet goed zijn.
Mi portos tion ĉi = Ik zal dit dragen.
Ĉio = alles, alle, elk ding, bijv.:
Ĉio estas en la butiko = Alles is in den winkel.
Li scias ĉion = Hij weet alles.
Nenio = niets, niet een enkel ding, bijv.:
Nenio falis = Niets viel.
Mi aŭdis nenion = Ik hoorde niets.
Achtervoegsels em en ebl.
Em(a) vormt woorden, die de neiging uitdrukken tot hetgeen het grondwoord (meestal een werkwoord) uitdrukt, of de gewoonte van de hoedanigheid, in het grondwoord gelegen, bijv.:
kredi = gelooven, kredema = lichtgeloovig.
mensogi = liegen, mensogema = leugenachtig.
babili = babbelen, babilema = babbelachtig.
Ebl(a) drukt de mogelijkheid uit van hetgeen het grondwoord (altijd een werkwoord) beduidt, bijv.:
vidi = zien, videbla = zichtbaar.
legi = lezen, legebla = leesbaar.
aŭdi = hooren, aŭdebla = hoorbaar.
Leer van buiten:
butono knoop
broso borstel
sapo zeep
juvelo juweel
rubando lint
galono boordsel
punto kant
kotono katoen
lano wol
silko zijde
veluro fluweel
arĝento zilver
oro goud
bastono stok
ombrelo regenscherm
magazeno magazijn
butiko winkel
bazaro bazar
lukso pracht
truo gat
speco soort
elefanto olifant
spongo spons
broĉo borstspeld
ringo ring
ĉeno ketting
galoŝo overschoen
ĉifono vod, lor
fadeno draad
difekta beschadigd
delikata fijn, teeder
eleganta sierlijk
simpla eenvoudig
falsa valsch, vervalscht
ebla mogelijk
aminda beminnelijk
sindona dienstwillig
kompreni begrijpen, verstaan
interesi aanbelangen
intenci voornemens zijn
preferi verkiezen
ŝanĝi ruilen, verwisselen
ĵuri zweren, eed doen
alia andere
cetera overige
kelka, kelke da eenige
multa, multe da veel
malmulta, malmulte da weinig
tuta gansch
kiu ajn wie het ook zij
Vertaling:
Eble, juvelisto, ĉenero, ĉifonisto, ĉifonujo, lana, kombilo, levilo, ĝentilaĵo, edziĝo, poŝhorloĝo, falsisto, legebla, kredema, kredebla, dormema, trinkebla, drinkema, pagebla, uzebla, preferebla.
Vertaal in Esperanto:
Zilvergeld, eenvoudigheid, jonge olifant, knoopsgat, school, leerling, schoolhoofd, onderwijzer, portefeuille, inktkoker, leerboek, leesboek, verstaanbaar, leerzaam, schrijver, werkzaam.
Vertaling:
Ĉu vi aŭdis jam ion pri tia afero? Ne, mi aŭdis ankoraŭ nenion, sed se mi aŭdos ion, mi sciigos tion al vi. Mi donos al vi ĉion, kion mi havas. Kiam (toen) mi estis en la urbo, mi vidis en la butiko de la juvelisto tiajn belajn ĉirkaŭmanojn, ke mi eniris la butikon, kaj volis scii, kion ili kostis, sed mi povis aĉeti nenian. Io estas sub la tablo. Estas tempo por ĉio. Kio estas tio ĉi, kion mi vidos? Nenio estas preta; tio estas malagrabla. Estis ia truo en mia poŝo, ĉar mi perdis mian monujon. Kia lukso estas en la salono de la riĉulo. En la butiko mi aĉetis pluvombrelon. Mi sciigis tion al vi. Donu ian fadenon al mi. Mi havas nenian arĝentmonon ĉe mi. Apud la silko kuŝas la kotona rubando.
Vertaal in Esperanto:
Iets ligt op de tafel. Hij hoorde iets. Een kat liep in de kamer. Een of andere vogel zat op den toren. Wat schoon is moet eenvoudig zijn. Dat, wat gebeurde, was goed. De arme knapen konden niets geven aan den armen grijsaard. Welke (wat voor soort) kant hebt gij aan uwe japon? Wat zegt gij? Welk meisje is ongelukkig? Dat is niet waar. Welke noten eet gij? Hij kent geen enkele soort menschen. In allerlei (soort) steden bevinden zich dergelijke menschen. Welken ouderdom hebt gij? Ik had iets gezien, maar ik wist niet wat. Ik zou dit gelezen hebben, maar ik had geen tijd. Neem de zeep uit het zeepbakje en wasch uwe handen. De ketting was van goud en de borstspeld van zilver. De gouden borstspeld is mooier dan de zilveren. Leg de borstel in de kast en knoop je jas toe.