Negende Les.
Reading edition
Trappen van vergelijking.
Men kan personen, voorwerpen, enz. met elkaar vergelijken en dan kan men hebben:
1e. dat de personen enz. aan elkaar gelijk zijn. Men noemt dit de vergelijking van gelijkheid en drukt dit in ’t Esperanto uit door de woorden tiel ... kiel = (even) zoo ... als, bijv.: Li estas tiel granda kiel mi = Hij is (even) zoo groot als ik.
Verder kan men de volgende vergelijkingen nog hebben: Zulk een groot huis als dit is, heb ik nog nooit gezien = Tian grandan domon, kia estas tiu ĉi, mi ankoraŭ neniam vidis. Drink zooveel water als gij wilt = Trinku tiom da akvo, kiom vi volas.
2e. dat een persoon enz. een eigenschap in meerdere of mindere mate bezit dan een ander.
Men noemt dit de vergelijking van ongelijkheid of de vergrootende trap, welke wordt gevormd door de woorden pli ... ol = meer ... dan, en malpli ... ol = minder ... dan; bijv.; Hij is grooter (meer groot) dan ik = Li estas pli granda ol mi. Hij is minder groot dan ik = Li estas malpli granda ol mi. Zegt men evenwel: Hij is kleiner dan ik, dan vertaalt men: Hij is meer klein dan ik = Li estas pli malgranda ol mi.
3e. dat een persoon enz. onder een aantal een eigenschap in de hoogste mate bezit, of wel een eigenschap bezit, die de eigenschappen van een aantal anderen overtreft. Dit noemt men de overtreffende trap en wel de betrekkelijk overtreffende trap, omdat die slechts betrekking heeft op een bepaald aantal en wordt gevormd door de woordjes la plej ... el = het meest ... van, of la malplej ... el = het minst ... van; bijv.: Mijn broeder is de grootste van ons = Mia frato estas la plej granda el ni.
Zooals men ziet moeten hiervoor minstens 3 personen, voorwerpen enz. zijn, anders zou men kunnen volstaan met den vergrootenden trap. Wordt dus in ’t Hollandsch de overtreffende trap gebruikt en heeft de vergelijking plaats tusschen 2 personen of zaken, dan wordt in het Esperanto steeds de vergrootende trap gebruikt, bijv.:
Van mijn twee broeders is Piet de grootste = El miaj du fratoj Petro estas la pli granda.
Indien de overtreffende trap een bijwoordelijke beteekenis heeft, dan wordt ’t lidwoord het niet vertaald, bijv.:
Hij schrijft het mooist = Li skribas plej bele.
De volstrekt overtreffende trap wordt gevormd door middel van de woorden tre (zeer) en kiel eble plej = zoo ... mogelijk, bijv.: Mia fratino estas tre bela = Mijne zuster is zeer mooi. Mia frato kuras kiel eble plej rapide = Mijn broeder loopt zoo vlug mogelijk.
Achtervoegsels ing en uj.
Ing(o) duidt het voorwerp aan, waarin men gewoonlijk de zaak, door het grondwoord uitgedrukt, steekt of plaatst. Woorden op ingo vormen die voorwerpen, welke slechts één ding tegelijk, en dan nog maar voor een gedeelte, kunnen bevatten, bijv.: plumo = pen, plumingo = penhouder; kandelo = kaars, kandelingo = blaker, kandelaar; fingro = vinger, fingringo = vingerhoed.
Uj(o) duidt het voorwerp aan, dat datgene inhoudt of draagt, door het stamwoord uitgedrukt, bijv.: sukero = suiker, sukerujo = suikerpot; plumo = pen, plumujo = pennedoosje; pomo = appel, pomujo = appelboom; Belgo = Belg, Belgujo = België.
Aanmerking: Bij namen van boomen gebruikt men ook wel het woord arbo, bijv.: appelboom = pomujo of pomarbo; pereboom = pirujo of pirarbo.
Bij de vorming van landsnamen gebruikt men ook veel het woord lando, bijv.: België = Belgujo of Belglando; Frankrijk = Francujo of Franclando.
Alléén Holland, Groenland, IJsland en Finland moeten worden vertaald Holando, Grenlando, Islando en Finlando, en daarom ook Hollander, Groenlander, IJslander en Finlander door Holandano, Grenlandano, Islandano en Finlandano.
Leer van buiten:
botelo flesch
karafo karaf
korko kurk
glaso glas
kaliko beker, kelk
taso kop
barelo vat, ton
vazo vaas
kuvo kuip
sitelo emmer
skatolo doos
sako zak
lampo lamp
lanterno lantaarn
kandelo kaars
horloĝo uurwerk
martelo hamer
najlo spijker
pinglo speld
ŝraŭbo schroef
ligno hout
karbo kool (brandstof)
gaso gas
alumeto lucifer
porko varken
ŝafo schaap
pano brood
salo zout
ovo ei
sukero suiker
pipro peper
bombono lekkernij
butero boter
cigaro sigaar
cigaredo sigaret
lerta behendig
estimata geacht
tuta geheel
sata verzadigd
dolĉa zoet
avara gierig
porti dragen
komenci beginnen
fini eindigen
difekti beschadigen
ekbruligi ontsteken, aansteken, aanmaken
estingi uitdooven
bezoni noodig hebben
peti verzoeken
deziri begeeren, wenschen, verlangen
respekti eerbiedigen
saluti groeten
trinki drinken
nutri voeden
perdi verliezen
precipe vooral
sufiĉe genoeg
cetere overigens
subite schielijk, plotseling
nu nu, wel
ve helaas
Vertaling:
Karbujo, panujo, supujo, ovingo, ovujo, pirujo, bombonujo, sukerujo, salujo, piprujo, buterujo, cigaringo, cigarujo, malfreŝa, malsata, malavara, ovaĵo, ŝafaĵo, ŝafidaĵo, sukeraĵo, porkido, trinkaĵo, dolĉaĵo, nutraĵo, salero, korktirilo, lignejo, karbero, lerteco, mallerta, lavvazo, skatoleto.
Vertaal in Esperanto:
Varkenshok, kolenhok, kolenbak, houtloods, suikergoed, bakker, vaderland, kandelaar, vingerhoed, appelboom, sigarettenpijpje, honger, varkensvleesch, haardos, jager, stijgbeugel (voor den voet), geldbeurs.
Vertaling:
En la komenco de la printempo la tago estas tiel longa kiel la nokto. Somere la tago estas pli longa ol la nokto, do la nokto estas malpli longa ol la tago. La 21a de junio estas la plej longa tago. Vi estas granda, via frato estas pli granda ol vi, sed mi estas la plej granda el ni. Mi kuris rapide, mia frato kuris pli rapide kaj mia amiko kuris kiel eble plej rapide. Du homoj povas pli multe fari ol unu. Mi metis la panon en la panujon. La manĝilaro estas jam sur la tablo, ankaŭ la salujo, la piprujo kaj la buterujo. Ĉu vi havas vian cigarujon ĉe vi? Mi volis fumi sed mi vidas ke mi ne havas cigarojn ĉe mi. Ĉu ne estas ankoraŭ tempo por la tagmanĝo? Mi estas tre malsata, mi manĝos pli ol hieraŭ. Ni tagmanĝos hodiaŭ je duono de la sesa. La kuvo estas pli granda ol la sitelo. La domo de mia frato estas la plej alta el ĉiuj domoj en la strato.
Vertaal in Esperanto:
Zij zette de flesch en het glas op de tafel. Deze tafel is grooter dan die van mijn broeder. Dit gebouw is hoog, de kerk is hooger, maar de toren is het hoogst. Van mijne broeders ben ik de grootste. Wat loopt het snelst? Ik verlangde den hamer en hij gaf mij de tang. Zoudt gij mij uw mes willen geven, want het is scherper dan het mijne. Het weêr was zoo slecht, dat ik niet kon komen. Zij schrijft mooi, uw zuster schrijft minder mooi, maar uwe vriendin schrijft het minst mooi. Gij loopt vlugger dan uw zuster. De jager ging in den vroegen morgen het bosch in. Ik heb mijn geldbeurs verloren. Ik schroefde het deksel van de kist. Gisteren was het weder schooner dan nu. Geef mij dien vingerhoed. Ik heb hem niet gezien. Hij ging in de houtloods en nam hout mee om het fornuis aan te maken. Ik waschte mijn handen beter dan gij. Het paard loopt het vlugst. Wanneer hebben wij den laatsten dag van de maand?