Hoofdstuk XIV. Folklore.
Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation
De ram met de gouden vacht.
Eens ging een jager naar de bergen om te jagen, en daar kwam hem een ram met een gouden vacht tegemoet. De jager nam zijn geweer om hem te schieten, maar de ram snelde op hem toe en voordat de jager kon schieten, stootte de ram hem met zijn horens en hij viel dood neer. Eenige dagen later vonden zijn vrienden zijn lijk; zij wisten niet, wie hem gedood had; zij namen het lijk mee naar huis en begroeven het. De vrouw van den jager hing het geweer tegen den muur van haar hut. Toen haar zoon opgroeide, vroeg hij haar verlof om het te nemen en ermee op jacht te gaan. Zij wilde het echter niet toestaan, en zei: “Nooit mag je mij weer om dit geweer vragen. Het redde het leven van je vader niet en ik zou niet willen, dat het ook de oorzaak van jou dood werd!”
Op zekeren dag nam de jongeling het geweer stilletjes weg en ging ermee het bosch in om te jagen. Heel spoedig kwam dezelfde ram uit het dichte kreupelhout aansnellen en zei: “Ik heb uw vader gedood; nu is het uw beurt!” Dit verschrikte den jongeman en onder den uitroep: “God helpe mij!” haalde hij den haan van zijn geweer over en zie! de ram viel dood neer.
De jongeling was buitengewoon blij, dat hij den ram met de gouden vacht gedood had, zoo was er geen tweede in het geheele land. Hij ontdeed den ram van zijn huid en droeg de vacht naar huis,—zeer prat ging hij op zijn dapperheid. Gaandeweg verspreidde het nieuws zich over het land, totdat het ’t hof bereikte en de koning den jeugdigen jager beval hem de vacht van den ram te brengen, opdat hij er zich van overtuigen kon welke soorten van beesten er in zijn bosschen werden gevonden. Toen de jongeling de vacht bij den koning bracht, zei deze tot hem: “Vraag wat gij wilt voor deze vacht, en ik zal u geven, wat gij vraagt!” Maar de jongeling antwoordde: “ik zou haar voor niets ter wereld willen verkoopen.”
Toevallig was de eerste minister een oom van den jeugdigen jager, maar hij was zijn vriend niet; integendeel hij was zijn grootste vijand. Daarom zei hij tegen den koning: “Daar hij u de huid niet wil verkoopen, moet gij hem iets opdragen, wat bepaald onmogelijk is!” De koning riep den jongeman weer bij zich en beval hem een wijngaard te planten en over zeven dagen den nieuwen wijn van den eersten oogst te brengen.
De jongeling begon te schreien en smeekte om ontheven te worden van deze onmogelijk te vervullen opdracht; maar de koning bleef bij hetgeen hij bevolen had en zei:
“Indien gij over zeven dagen mijn bevel niet hebt uitgevoerd, dan zal uw hoofd worden afgeslagen!”
De jongeling vindt hulp.
Nog steeds schreiende begaf de jongeling zich naar huis en vertelde zijn moeder alles, wat bij zijn bezoek aan den koning was voorgevallen en zij antwoordde: “Heb ik je niet gezegd, mijn zoon, dat het geweer je het leven zou kosten?”
In diepe smart en verwarring verliet de jongeman het dorp en liep een heel eind het bosch in. Eensklaps stond een meisje voor hem, dat hem vroeg: “Waarom weent gij, mijn broeder?” En hij antwoordde boos:

Waarom weent gij, mijn broeder?
“Vervolg uw weg! Gij kunt mij niet helpen!” Daarom liep hij verder, maar het meisje volgde hem en verzocht hem nogmaals haar de oorzaak van zijn tranen te zeggen, “want misschien,” voegde zij er aan toe, “is het mogelijk, dat ik u helpen kan.”
Toen stond hij stil en zei: “Ik zal het u vertellen, maar ik weet, dat God alleen mij kan helpen.” Toen vertelde hij haar alles, wat er met hem was gebeurd en welke taak hem was opgedragen. Toen zij het verhaal had gehoord, zei zij: “Wees niet bevreesd, mijn broeder, maar ga naar den koning en vraag hem, waar hij wenscht, dat de wijngaard zal geplant worden en laat dien dan aanleggen in volkomen rechte lijnen. Daarna moet gij een zak nemen met een takje thijm erin; leg u dan te slapen op de plaats, waar de wijngaard zal moeten komen en gij zult zien, dat hij binnen zeven dagen rijpe druiven zal dragen.”
Hij keerde naar huis terug en vertelde zijn moeder, wat het meisje, dat hij had ontmoet, gezegd had, en welke belachelijke dingen hij zou moeten doen. Maar zijn moeder zei ernstig: “Ga, ga, mijn zoon, doe zooals het meisje zegt; in elk geval kun je er niet slechter aan toe worden dan je nu bent.”
Hij ging dus naar den koning, gelijk het meisje hem had gezegd, en de koning gaf hem de aanwijzing, die hij verlangde. Toch was hij nog altijd treurig, toen hij zich met zijn tak thijm neerlegde op de aangewezen plek.
Toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij, dat de wijnstokken al geplant waren; den tweeden morgen waren zij bedekt met bladeren; en op den zevenden dag droegen zij rijpe druiven. Niettegenstaande de voorspelling van het meisje, was hij verbaasd rijpe druiven te zien in een tijd van het jaar, waarin zij nergens te vinden waren; maar hij plukte ze, perste wijn, en bovendien nam hij een mand vol rijpe vruchten mede naar den koning.
De tweede taak.
Toen hij het paleis bereikte, stond de koning en zijn geheele hofhouding verbaasd. De eerste minister zei: “Wij moeten hem iets opdragen, dat absoluut onmogelijk is!” en hij gaf den koning den raad den jongeling te bevelen—een kasteel te bouwen van de slagtanden van olifanten.
Toen hij deze onvervulbare opdracht vernomen had, ging de jongeling weenende naar huis, en vertelde zijn moeder, wat er gebeurd was en voegde er aan toe: “Dit moeder, is volkomen onmogelijk!” Maar weer gaf zijn moeder hem raad en zei: “Ga, mijn jongen, het dorp uit, misschien ontmoet je het meisje weer!”
De jongeling gehoorzaamde, en werkelijk, zoodra hij de plaats bereikte, waar hij den vorigen keer het meisje had ontmoet, stond zij weer voor hem en zei: “Dit zal ook gemakkelijk gaan; maar ga eerst naar den koning en vraag hem een schip met driehonderd vaten wijn en evenveel kruiken brandewijn en ook twintig timmerlieden. Dan gaat ge naar die en die plaats tusschen twee bergen; ge damt daar de beek af, en giet er al den wijn en den brandewijn in. De olifanten zullen op die plaats komen om water te drinken en zij zullen dronken op den grond vallen. Dan moeten uw timmerlieden dadelijk de slagtanden afzagen en die naar de plaats brengen, waar de koning zijn kasteel gebouwd wil hebben. Daar moogt gij u te slapen leggen en binnen zeven dagen zal het kasteel gereed zijn.”
Toen de jongeman dit gehoord had, spoedde hij zich naar huis, en vertelde zijn moeder alles, wat het meisje hem gezegd had. De moeder was vol vertrouwen en raadde haar zoon aan te doen, wat het meisje hem had voorgeschreven. Hij ging dus naar den koning en verzocht hem om het schip, de driehonderd vaten wijn en brandewijn en ook om de twintig timmerlieden; en de koning gaf hem alles, wat hij verlangde. Daarna ging hij naar de plek, die het meisje hem had aangewezen en deed alles, wat zij hem had aangeraden. En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had, dronken en vielen daarna bedwelmd neer. De timmerlieden hieuwen de ontelbare slagtanden af, brachten die naar de aangewezen plaats en begonnen te bouwen en binnen zeven dagen was het kasteel gereed. Toen de koning dit zag, was hij weer verbaasd en zei tot zijn eersten minister: “Wat moet ik nu met hem doen? Het is geen gewone jongeman! God alleen weet, wie hij is!” Daarop antwoordde de ambtenaar: “Geef hem nog een opdracht en als het hem gelukt ook die ten uitvoer te brengen, dan heeft hij bewezen een bovennatuurlijk wezen te zijn.”

En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had
De derde taak.
Opnieuw gaf hij den koning raad. Deze riep den jongeman en zei tot hem, dat hij hem uit zeker koninkrijk een prinses moest brengen, die daar in een zeker kasteel woonde. “Indien gij haar niet bij mij brengt, zult gij zekerlijk uw leven verliezen!” Toen de jongeman dit hoorde, ging hij regelrecht naar zijn moeder en noemde haar zijn nieuwe taak, waarop zijn moeder hem den raad gaf zijne vriendin, het meisje, nog eens op te zoeken. Hij spoedde zich naar de plek buiten het dorp, naar de plaats, waar hij de vorige keeren haar ontmoet had en toen hij er aankwam, verscheen zij weer. Zij luisterde aandachtig naar het verhaal van het laatste bezoek, dat de jongeman aan het hof had gebracht en zei toen: “Ga naar den koning en vraag hem om een galei; in de galei moeten twintig winkels worden gemaakt, elk met verschillende koopwaren; in elken winkel moet ook een knappe jongeman zijn om de waren te verkoopen. Op uw reis zult gij een man ontmoeten, die een arend draagt; gij moet zijn arend koopen en er den prijs voor betalen, dien hij vraagt. Dan zult gij een tweeden man ontmoeten, die in zijn net een karper met gouden schubben draagt; gij moet, het koste wat het kost, den karper koopen. De derde man, dien gij zult ontmoeten, zal een duif dragen, die gij ook moet koopen. Dan moet gij een veer uit den staart van den arend, een schub van den karper, en een veer van den linkervleugel van de duif nemen—en dan de dieren hun vrijheid geven. Indien gij het verre land bereikt en bij het kasteel zijt, waar de prinses woont, dan moet gij alle winkels openen en elken jongeman bevelen bij zijn deur te gaan staan. En de meisjes, die naar den oever komen om water te halen, zullen zeker zeggen, dat zij nooit te voren een schip gezien hebben, dat met zulke wonderbare en mooie voorwerpen beladen was. Het nieuws zal ook de prinses bereiken, die dadelijk aan haar vader toestemming zal vragen, om de galei te gaan bekijken. Als zij aan boord komt met haar hofdames, moet gij het gezelschap van den eenen winkel naar den anderen brengen, en de mooiste koopwaren, die gij hebt, voor haar uitspreiden; aldus moet gij haar afleiden en bezighouden en aan boord van uw galei houden, tot het avond wordt. Dan moet gij plotseling onder zeil gaan; het zal dan zoo donker zijn, dat uw vertrek niet opgemerkt wordt. De prinses zal een lievelingsvogel op haar schouder hebben en als zij bemerkt, dat de galei wegzeilt, zal zij de vogel loslaten en hij zal naar het paleis vliegen met een bericht aan haar vader, waarin zij hem meldt, wat haar is overkomen. Als gij ziet, dat de vogel is weggevlogen, moet gij de veer van den arend verbranden; de arend zal verschijnen en indien gij hem beveelt den vogel te vangen, dan zal hij dat onmiddellijk doen. Daarna zal de prinses een kiezelsteen in de zee werpen en oogenblikkelijk zal het schip stil liggen. Daarop moet gij dadelijk de schubbe van den karper verbranden; de karper zal naar u toekomen en gij moet hem bevelen den kiezelsteen te zoeken en op te slikken. Zoodra dat gedaan is, zal de galei weer verder zeilen. Dan zult gij eenigen tijd in vrede uw weg kunnen vervolgen; maar als gij een bepaalde plek tusschen twee bergen bereikt, zal uw galei plotseling versteenen en gij zult u zeer verontrusten. Dan zal de prinses u bevelen haar wat levenswater te brengen, waarop gij de veer van de duif moet verbranden, en als de vogel verschijnt moet gij haar een klein fleschje geven, waarin zij u den levenselixer zal brengen. Dan kan uw galei weer verder zeilen en gij zult zonder verdere avonturen met de prinses thuis komen.”
De jongeling keerde terug bij zijn moeder en zij raadde hem aan te doen, zooals het meisje hem had voorgeschreven. Hij begaf zich dus naar den koning en vroeg om de dingen, die hij noodig had voor zijn onderneming, en weer gaf de koning hem alles, waarom hij vroeg.
Op zijn reis ging het juist, zooals het meisje voorspeld had en hij slaagde er in de prinses in triomf thuis te brengen. De koning zag vanaf het balkon, waar hij zich met zijn eersten minister bevond, de galei terugkeeren en de eerste minister zei: “Nu moet u hem werkelijk dooden, zoodra hij landt; anders zult u hem nooit weer kwijt raken!”
Toen de galei de haven bereikte, stapte de prinses met haar hofdames het eerst aan land; daarna volgden de knappe jonge mannen, die de waren te koop hadden aangeboden en eindelijk de jongeman zelf. De koning had zijn beul bevolen zich gereed te houden, en zoodra de jongeman aan land stapte, werd hij door de dienaren van den koning gegrepen en zijn hoofd werd afgekapt.
De koning was van plan de schoone prinses te trouwen—en zoodra hij haar zag, naderde hij haar met complimenten en vleierijen. Maar de prinses wilde niet naar zijn honigzoete woorden luisteren; zij wendde zich af en vroeg: “waar is de jongeman, die mij geschaakt heeft en die zooveel deed om mij hier te brengen?”
En toen zij zag, dat zijn hoofd was afgeslagen, nam zij onmiddellijk de kleine flesch en goot wat van den inhoud over het lichaam en zie! de jongeman stond volmaakt gezond op. Toen de koning en zijn minister dit wonder aanschouwden, zei de laatste: “Deze jongeman moet nu wijzer zijn dan ooit, want was hij niet gestorven—en is hij niet tot het leven teruggekeerd?” Waarop de koning, die verlangend was te weten, of het inderdaad waar was, dat hij, die, na uit den dood weer verrezen te zijn, alle dingen wist, den beul beval hem zelf het hoofd af te houwen, waarbij hij er op rekende, dat de prinses hem tot het leven zou terugroepen door de kracht van haar wonderdoend levenswater.
Maar toen het hoofd van den koning afgehouwen was, wilde de prinses er niet van hooren hem het leven terug te schenken; integendeel: zij schreef dadelijk aan haar vader, wien zij vertelde, dat zij een groote liefde had opgevat voor den jongeman en dat het haar innigste wensch was hem te trouwen. Zij verhaalde haar vader alles, wat er gebeurd was. Haar vader antwoordde, dat hij de keuze zijner dochter goedkeurde en hij deelde den eersten minister mee, dat hij hem en zijn volk den oorlog zou verklaren, indien zij den jongeman niet tot hun vorst zouden uitroepen. De mannen van dat land zagen onmiddellijk in, dat dit niet anders dan rechtvaardig zou zijn en zoo werd de jongeman koning. Hij huwde de schoone prinses en gaf groote landgoederen en titels aan al de knappe jongelieden, die hem bij zijn expeditie hadden geholpen.
Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en een dochter had. De laatste werd in een kooi bewaakt, want hij had haar lief, zooals hij zijn eigen oogen lief had. Toen het meisje opgroeide, verzocht zij haar vader een avond te mogen uitgaan met haar broeders, en de tsaar stond haar verzoek toe.
Nauwelijks had zij het paleis verlaten of een draak vloog naar omlaag, greep de prinses en verdween, ondanks het verweer van haar broeders, in de wolken. De prinsen haastten zich hun vader te vertellen, wat er was gebeurd, en zij smeekten hem hun zuster te mogen gaan zoeken.
Daarop gaf hun ongelukkige vader elk hunner een paard en een volledige uitrusting voor een lange reis, en zij begaven zich op weg om haar te zoeken. Toen zij lang gereisd hadden, zagen zij in de verte een paviljoen, dat noch in den hemel, noch op aarde was, maar dat er midden tusschenin hing. Toen zij er vlak onder waren, kwamen zij op het denkbeeld, dat hun zuster zich daar wel kon bevinden en zij begonnen te overwegen, hoe zij het ’t best zouden kunnen bereiken. Eindelijk besloten zij, dat een hunner zijn paard zou dooden, de huid in reepen snijden, daarvan een riem maken, en na het eene eind aan een pijl te hebben bevestigd, den riem met den pijl omhoog te schieten, en dat wel zóó krachtig, dat de pijlspits diep in het geraamte van het paviljoen zou boren, waarna zij in de gelegenheid zouden zijn om naar boven te klimmen. De twee jongere broers stelden den oudsten voor, dat hij zijn paard zou dooden, maar hij weigerde. De tweede wilde het zijne evenmin ten offer brengen; toen doodde de jongste, ziende dat er niets anders op zat, zijn paard, sneed de huid tot een langen riem, bevestigde een eind aan zijn pijl en schoot regelrecht omhoog naar het paviljoen, waar de pijl stevig bleef zitten.
Den volgenden dag moesten zij uitmaken, wie langs den riem omhoog zou klimmen; weer weigerden de twee oudste broers en zoo viel het den jongsten ten deel dit waagstuk te ondernemen. Daar hij zeer vlug was, bereikte hij weldra het paviljoen; hij dwaalde van de eene kamer naar de andere en kwam eindelijk in een vertrek, waar hij zijn zuster zag zitten met den kop van den slapenden draak op haar knie. Toen de prinses haar broer zag, was zij buitengewoon bang voor zijn leven en zij smeekte hem te vluchten, voordat de draak zou ontwaken.
De prins doodt den draak.
Maar de moedige jongeman kon niet doen, wat zijn zuster van hem verlangde. Hij greep zijn knots en sloeg den draak op den kop. Het monster wees met een van zijn klauwen, naar de plek waar hij geraakt was en zei tegen het meisje: “Hier heeft mij iets gebeten!” Weer hief de prins zijn knots op en hij gaf weer een slag op het hoofd van den draak; maar blijkbaar had dit op den draak niet den minsten invloed, want hij wees weer onverschillig naar de plek, zeggende: “Weer heeft mij iets gebeten!”
De jonge prins was op het punt voor den derden keer toe te slaan, toen zijn zuster op een plek wees, waar de draak een doodelijke wond kon krijgen en zijn knots op de aangewezen plek richtende, sloeg hij toe en de draak bezweek onmiddellijk. De prinses maakte zich dadelijk vrij van het hoofd van den draak, snelde vlug naar haar broer om hem een kus te geven en verlangde er toen naar hem de verschillende kamers te toonen.
Eerst bracht zij hem naar een kamer, waar een zwart paard stond, vastgebonden in een stal en gedekt met een zadel en een harnas met zilveren versierselen. Daarna bracht zij hem naar een tweede kamer, waar zij een wit paard vonden, ook geheel opgetuigd, maar zijn harnachement was van zuiver goud. Daarna bracht zij hem in een derde kamer, waar een mooi Arabisch paard stond, welks zadel, stijgbeugels en teugels bezet waren met kostbare steenen.
Vervolgens bracht de prinses haar broer naar een kamer, waar op een gouden tabouret een meisje zat, dat bezig was te borduren met gouden draden. Vandaar bracht zij hem in een tweede vertrek, waar een meisje gouden draden spon. Tenlaatste gingen zij een derde kamer binnen, waar een meisje parelen zat te rijgen, en voor haar op een gouden schaal zat een gouden hen met haar kuikens de parelen te sorteeren.
Nadat hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd, ging de prins weer terug naar de kamer, waar hij den dooden draak had achter gelaten en wierp het lijk op de aarde; alleen reeds op het zien van het lijk van den draak, geraakten de twee oudste broeders buiten zich zelf van schrik. Daarna liet de prins zijn zuster langzaam omlaag en op haar volgden de drie meisjes met haar werk. Terwijl hij daarmee bezig was, riep hij iets tegen zijn broers en hij maakte gebaren—om hun te beduiden, aan wien ieder der meisjes zou behooren. Hij behield voor zich zelf haar, die bezig was geweest met het rijgen der parelen en hij vergat ook de gouden hen en de kuikens niet.
De trouweloosheid van de broeders.
Zijn broeders, die den jeugdigen prins zijn heldenmoed benijdden en jaloersch waren op zijn gelukkig geslaagde heldenfeiten, maakten zich nu schuldig aan een laaghartige daad. Zij sneden den riem door, opdat hij de aarde niet zou kunnen bereiken, en haastig braken zij op, waarbij zij hun zuster en de geheele buit meenamen.
Op hun weg naar huis ontmoetten zij een schaapherder, die zijn schapen hoedde en hem haalden zij over zich te vermommen en zich voor hun jongsten broeder uit te geven, terwijl zij aan hun zuster en haar drie maagden bevel gaven het geheim strikt te bewaren.
Er verliep eenige tijd; toen vernam de jongste prins, dat zijn broeders en de vermomde herder op het punt stonden de drie meisjes te trouwen. Deze mededeeling scheen letterlijk juist te zijn, want op den dag, waarop zijn oudste broer zou trouwen, besteeg hij het zwarte paard, vloog omlaag en steeg af vlak voor de kerk. Daar wachtte hij het oogenblik af, waarop de stoet naar buiten zou komen en toen zijn broer te paard zou stijgen, naderde hij snel, hief zijn knots op en gaf hem een hevigen slag, zoodat hij op hetzelfde oogenblik neerviel. Toen besteeg de jonge prins het zwarte paard weer en werd onmiddellijk weer naar het geheimzinnige paviljoen teruggevoerd.
Op den trouwdag van zijn tweeden broer werd het heldenfeit nu op het witte paard herhaald, zonder dat iemand er eenig vermoeden van had, wie die vreemde aanvaller was.
Nu kwam de beurt aan den herder. Op den dag van diens huwelijk met het derde meisje besteeg de jonge prins het Arabische ros, stapte af op het kerkplein, juist op het oogenblik, dat de trouwstoet op het punt stond terug te keeren. Dezen keer sloeg hij den bruidegom zoo hevig op zijn hoofd, dat hij dood neerviel. De gasten stegen gezwind van hun paard en omringden den prins, die geen poging deed te ontsnappen, maar zich bekend maakte als de derde zoon van hun tsaar. Hij vertelde hun, dat de voorgewende prins, die hij naar de andere wereld had gezonden, slechts een gewoon herder was, en dat zijn broeders hem uit naijver in het betooverde paviljoen hadden gelaten, waar hij zijn zuster gevonden en den draak gedood had. Alles, wat hij zei, werd dadelijk bevestigd door zijn zuster en de drie meisjes. Toen de tsaar dit vernam, was hij zeer vertoornd op zijn twee oudste zoons en hij verbande hen voor altijd uit zijn paleis. En wat zijn dapperen jongsten zoon betrof, hij liet hem met het derde meisje huwen en wees hem aan als de erfgenaam van den troon en van alles, wat hij bezat.

En daar zag hij zijn zuster zitten, met den kop van den slapenden draak op haar knie
Pepelyouga.
Op een hooggelegen weiland, bij een onmetelijk diepen afgrond waren eenige meisjes bezig met spinnen, terwijl zij haar vee hoedden, toen een oude, vreemd uitziende man met een witten baard, die hem tot aan den gordel reikte, naderde en tot haar sprak: “O, schoone meisjes, neemt u in acht voor den afgrond, want indien een uwer haar spoel van de klip zou laten vallen, dan zou haar moeder op hetzelfde oogenblik in een koe veranderen!”
Na dit gezegd te hebben, verdween de oude man en de meisjes, die onthutst waren door zijn woorden, naderden, terwijl zij het vreemde geval bespraken, het ravijn tot dicht bij den rand; eensklaps was hun belangstelling voor de diepe kloof gewekt. Zij gluurden nieuwsgierig over den rand, als verwachtten zij iets ongewoons te zullen zien, totdat eensklaps de mooiste van haar allen haar spoel uit haar hand liet vallen, en voor dat zij die weer kon grijpen, viel zij van rots tot rots in de diepte onder haar. Toen zij dien avond thuis kwam, bevond zij, wat zij reeds gevreesd had, dat de voorspelling bewaarheid was, want haar moeder stond, veranderd in een koe, voor de deur.
Korten tijd daarna hertrouwde haar vader. Zijn nieuwe vrouw was een weduwe en bracht een eigen dochter in haar nieuw tehuis. Dit meisje was door de natuur allesbehalve begunstigd, en de moeder begon onmiddellijk haat te koesteren tegen haar stiefdochter om haar goed uiterlijk. Zij verbood haar voortaan haar gelaat te wasschen, haar haar te kammen of van kleeren te verwisselen en op alle mogelijke manieren trachtte zij haar ongelukkig te maken.
Op zekeren dag gaf zij haar een zak vol hennep, zeggende: “Indien gij dit niet spint, en zorgt dat het van avond tot een mooi kluwen geworden is, behoeft gij niet thuis te komen, want dan ben ik van plan u te dooden.”
Het arme meisje was diep terneergeslagen; zij liep achter het vee, onderwijl met ijver spinnende, maar op het middaguur, toen het vee zich neerlegde om te rusten, zag zij, dat zij nog slechts heel weinig gevorderd was en zij begon bitter te weenen.
Nu werd haar moeder dagelijks met het andere vee naar de weide gedreven en toen zij de tranen van haar dochter zag, kwam zij nader en vroeg, waarom zij schreide, waarop het meisje haar alles vertelde. Toen troostte de koe haar dochter met de woorden: “Mijn lief kind, wees getroost! Laat mij de hennep in mijn mond nemen en ze kauwen; ze zal als een draad uit mijn oor komen. Je hebt niets anders te doen dan het einde te nemen en het op een klos te winden.”
Dit gebeurde; de hennep was weldra gesponnen en toen het meisje ze ’s avonds aan haar stiefmoeder gaf, was deze ten hoogste verbaasd.
Den volgenden morgen beval de vrouw het meisje op ruwen toon een nog grooteren zak hennep te spinnen en toen het meisje, dank zij haar moeders hulp alles spon en opwond, gaf haar stiefmoeder haar den volgenden dag tweemaal zooveel om te Spinnen. Desondanks bracht het meisje ’s avonds zelfs die ongewone hoeveelheid goed gesponnen thuis, waaruit de stiefmoeder opmaakte, dat zij niet alleen spon, maar dat andere meisjes, haar vriendinnen, haar hielpen. Daarom zond zij den volgenden morgen haar eigen dochter om het meisje te bespieden en haar te vertellen, wat zij zou zien. Het meisje merkte spoedig, dat de koe de arme wees hielp door de hennep te kauwen, terwijl deze niets anders te doen had, dan de draad op een klos te winden. Zij snelde naar huis en vertelde haar moeder, wat zij had gezien. Deze drong er toen op aan, dat haar man bevel zou geven die bijzondere koe te slachten. Eerst aarzelde haar echtgenoot, maar daar zijn vrouw meer en meer aandrong, besloot hij te doen, wat zij verlangde.
De belofte.
Toen zij hoorde, wat besloten was, schreide de stiefdochter meer dan ooit en toen haar moeder vroeg, wat er aan scheelde, vertelde zij haar onder tranen wat er zou gebeuren. Daarop zei de koe tot haar dochter: “Wisch uw tranen af en schrei niet meer. Indien zij mij slachten, moet gij er alleen maar voor zorgen, dat ge niets van mijn vleesch eet, en na den maaltijd zorgvuldig mijn beenderen verzamelt. Begraaf die achter het huis onder een steen; mocht gij ooit hulp noodig hebben, kom dan naar mijn graf en daar zult gij vinden, wat gij zoekt.”
De koe werd gedood, en toen het vleesch werd opgediend, weigerde het arme meisje er van te eten; zij wendde voor, dat zij geen honger had; na den maaltijd verzamelde zij met groote zorg de beenderen en begroef die op de plek, die door haar moeder was aangewezen.
De naam van het meisje was Marra, maar daar zij het ruwste huiswerk moest doen, zooals waterdragen, wasschen en vegen werd zij door haar stiefmoeder en stiefzuster “Pepelyouga” (asschepoester) genoemd.
Op zekeren Zondag, toen de stiefmoeder en stiefzuster zich gekleed hadden om naar de kerk te gaan, strooide de vrouw door het huis een mandvol gierst en zei: “Luister, Pepelyouga; zoo gij al de gierst niet hebt opgeraapt en zoo het eten niet gereed is, als wij uit de kerk komen, dan zal ik je dooden!”
Toen zij vertrokken waren, begon het arme meisje te schreien. Zij dacht: “wat het eten betreft, dat kan ik gemakkelijk gereed maken, maar hoe zou het mogelijk zijn, al de gierst op te rapen?” Maar op hetzelfde oogenblik dacht zij aan de woorden van de koe: indien ge ooit hulp noodig hebt, kom dan slechts naar mijn graf achter het huis en daar zult gij onmiddellijk vinden, wat gij zoekt. Dadelijk snelde zij naar buiten, en toen zij het graf naderde, zie! een koffer lag wijd geopend op het graf, en daarin waren prachtige gewaden en alles wat noodig was voor het toilet eener dame. Twee duiven zaten op het deksel van den koffer, en toen het meisje nader kwam, zeiden zij tegen haar: “Marra, neem het gewaad, dat ge het mooist vindt, uit den koffer, kleed je en ga naar de kerk; en wat de gierst en het werk betreft, daar zullen wij op toezien en zorgen, dat alles in orde is!”
Marra gaat naar de kerk.
Marra had geen tweede uitnoodiging noodig; zij nam het eerste zijden kleed, dat haar hand aanraakte, kleedde zich en ging naar de kerk, waar haar komst groot opzien baarde. Iedereen, mannen zoowel als vrouwen, bewonderden haar schoonheid en de dure kleeren, maar zij vroegen elkaar vergeefs, wie zij was en van waar zij kwam. Er was toevallig dien dag een prins in de kerk en ook hij bewonderde het schoone meisje.
Juist voor de dienst was afgeloopen, sloop het meisje de kerk uit en snelde naar huis, deed haar kleeren uit en legde ze weer in den koffer, die zich onmiddellijk sloot en onzichtbaar werd. Daarna spoedde zij zich naar de keuken en bemerkte, dat het middagmaal gereed was en de gierst verzameld in de mand. Spoedig daarop kwam haar stiefmoeder met haar dochter terug en zij waren er verbaasd over, dat de gierst opgeraapt en de maaltijd gereed en al het overige werk ook klaar was. De wensch om het geheim te kennen, kwelde de stiefmoeder nu geweldig.
Den volgenden Zondag gebeurde alles als te voren, behalve, dat het meisje een zilveren kleed in de koffer vond en de prins haar nog meer bewonderde, zoozeer, dat hij niet in staat was ook maar een oogenblik zijn oogen van haar af te wenden. Op den derden Zondag maakten moeder en dochter zich weer gereed naar de kerk te gaan en nadat zij de gierst weer had neergestrooid, herhaalde zij haar vorige bedreigingen. Zoodra zij vertrokken waren, liep het meisje regelrecht naar het graf harer moeder, waar zij evenals bij de vorige gelegenheid de open koffer en dezelfde twee duiven vond. Dezen keer vond zij een gewaad van gouden kant. Zij kleedde er zich haastig in en ging naar de kerk, waar zij nog meer dan te voren door allen werd bewonderd. Wat de zoon van den tsaar betrof, hij was dezen keer gekomen met het voornemen haar niet uit het oog te verliezen, maar haar te volgen en te zien, waar zij heenging. Toen de dienst dus ten einde liep, en het meisje stil als te voren vertrok, volgde de verliefde prins haar. Marra spoedde zich voort, want zij had niet al te veel tijd en onder het loopen, verloor zij een van haar gouden muiltjes. Zij was te gehaast om stil te staan en het op te rapen. Maar de prins, die het meisje uit het oog had verloren, zag het muiltje en stak het in zijn zak. Marra deed haar gouden gewaad uit, toen zij thuis kwam, borg het op in den koffer en spoedde zich naar het huis.

Marra deed haar gouden gewaad uit
De Prins zoekt het mooie meisje.
De prins besloot nu van huis tot huis te gaan, het geheele rijk van zijn vader door, om de eigenares van het muiltje te vinden, en alle mooie meisjes uit te noodigen het gouden muiltje aan te passen. Maar helaas, zijn pogingen schenen tot mislukking gedoemd; voor eenige meisjes was het muiltje te lang, voor anderen te kort en voor weer anderen te nauw. Er was er niet een, wien het paste.
Op zijn tocht van de eene deur naar de andere kwam de prins eindelijk aan het huis van Marra’s vader. De stiefmoeder had hem verwacht en had haar stiefdochter onder een grooten voedertrog op het erf verborgen. Toen de prins haar vroeg, of zij dochters had, antwoordde zij, dat zij er maar een had en zij bracht haar dochter bij hem. De prins verzocht het meisje het muiltje te passen, maar hoe zij ook wrong, er was zelfs geen ruimte genoeg voor haar teenen! Daarop vroeg de prins, of het waar was, dat er geen ander meisje in het huis was, en de stiefmoeder antwoordde, dat dit werkelijk waar was.
Op hetzelfde oogenblik vloog een haan op den voedertrog en kraaide krachtig: “Kook-oo-ryeh-koooo! Hier is zij onder dezen trog!”
De stiefmoeder riep woedend uit: “Sst—! Ga heen! Dat een arend je grijpe en met je wegvliege!” De nieuwsgierigheid van den prins was gewekt; hij liep naar den trog, tilde dien op, en, tot zijn groote verbazing zag hij daar het meisje, dat hij driemaal in de kerk had gezien, gekleed in hetzelfde gouden gewaad, dat zij den laatsten keer had gedragen, en met slechts een muiltje aan.
Toen de prins het meisje herkende, was hij buiten zich zelf van vreugde. Snel paste hij het muiltje aan haar sierlijken voet; het paste haar niet alleen uitstekend, maar vormde een paar met dat, hetwelk zij reeds aan haar linkervoet had. Hij tilde haar teeder op en geleidde haar naar zijn paleis. Later verwierf hij haar liefde en zij leefden gelukkig samen.
De taal der dieren.
Hoeveel overeenstemming er is in de folklore van verschillende volken wordt op zeldzame wijze geïllustreerd door het volgend verhaal, dat een treffende gelijkenis vertoont met een verhaal, dat ook bij de negers van West-Afrika algemeen bekend is. Daarin wordt door den Koning der Dieren aan den held als gunst toegestaan de taal der dieren te verstaan; hij ontvangt daarbij de waarschuwing, dat hij zal sterven, zoodra hij aan iemand het bezit van deze gave openbaart. De gave, die hem verleend is, maakt hem tot een rijk man; hij lacht om een gesprek tusschen dieren, die hij beluistert; zijn vrouw vraagt hem, waarom hij lacht. Tot op dit punt zijn de beide verhalen aan elkaar gelijk, maar in het West-Afrikaansche verhaal openbaart de man het geheim en boet zijn overtreding met den dood; terwijl het Servische slot veel minder tragisch is, zooals wij zullen zien.
Een rijk landbouwer had een schaapherder, die hem een groot aantal jaren trouw en eerlijk had gediend. Op zekeren dag, toen hij zijn schapen door een bosch naar de weide leidde, hoorde hij een sissend geluid en hij vroeg zich verbaasd af, wat het kon zijn. Aandachtig luisterend liep hij steeds dichter naar de plaats, van waar het geluid kwam; en nu zag hij, dat het bosch in brand stond en dat het gesis werd uitgestooten door een slang, die door vlammen was omringd. De herder keek toe, wat het arme schepsel zou doen in haar nood en toen de slang den schaapherder zag, riep ze te midden der vlammen uit: “O, herder, ik smeek u, red mij uit dit vuur!” De herder stak haar zijn staf toe en de slang kronkelde zich snel om den stok, om zijn arm en verder tot zijn schouders en rondom zijn hals.

De slang kronkelde zich snel om zijn arm
Toen de herder besefte, wat er gebeurde, werd hij aangegrepen door afschuw, en riep uit: “Wat zijt gij van plan te doen, gij ondankbaar schepsel! Heb ik je leven gered, om het mijne te verliezen?” En de slang antwoordde hem: “Wees niet bang, mijn redder! Maar breng mij naar het huis van mijn vader! Mijn vader is de koning van de slangenwereld.”
De herder beproefde de slang te bewegen medelijden met hem te hebben en smeekte hem te willen verontschuldigen; want hij kon zijn schapen niet verlaten.
Daarop zei de slang tot hem: “Wees gerust, mijn vriend! Maak u niet bezorgd over uw schapen; er zal niets met ze gebeuren, maar haast u nu naar het huis van mijn vader!” De herder ging dus met de slang om zijn hals door het bosch, totdat zij aan een grot kwamen, waarvan de ingang door slangenlichamen werd bedekt. Toen zij bij de poort kwamen, siste de gids van den herder tegen haar dienaressen, waarop al de slangen onmiddellijk uit elkaar gingen, en een weg voor den herder open lieten, die er zonder eenig letsel te bekomen doorging. Toen zei de slang tegen haar redder: “Als wij voor mijn vader verschijnen, zal hij u zeker als belooning voor uw vriendelijkheid jegens mij alles geven, wat gij wenscht: goud, zilver en kostbare steenen; maar niets van dat alles moet gij aannemen. Ik zou u aanraden te vragen de taal der dieren te leeren verstaan. Hij zal zich ongetwijfeld tegen uw wensch verzetten, maar eindelijk zal hij toegeven.”
Zij traden nu de vertrekken van den koning binnen, die blijkbaar aanmerkelijk verlicht vroeg: “Mijn dochter, waar zijt gij al dien tijd geweest?”
Het reptiel vertelde toen alles van den brand in het bosch en van de vriendelijkheid van den schaapherder, die zijn leven had gered. Nu richtte de slangenkoning zich aangedaan tot den herder: “Welke belooning mag ik u geven, omdat gij het leven van mijn dochter hebt gered?”
De herder antwoordde: “Ik wensch niets dan de macht om de taal der dieren te kunnen spreken en te begrijpen.” Maar de vorst zei: “Dat is niets voor u, want indien ik u die macht gaf, en gij zoudt het geheim aan een ander mededeelen, dan zoudt gij onmiddellijk sterven. Kies daarom iets anders.”
Maar de herder bleef volhouden. “Indien gij mij wilt beloonen, schenk mij dan de gave om de taal der dieren te verstaan; indien gij mijn wensch niet wilt vervullen, dan hebben wij niets meer met elkaar te bespreken; ik zeg u vaarwel!”
En werkelijk wendde hij zich om teneinde weg te gaan. Maar de koning, die zag, dat hij volharden zou bij zijn besluit, hield hem terug en riep uit: “Kom hier, mijn vriend! Daar gij zoo vurig verlangt de taal der dieren te begrijpen, zal die gave u niet onthouden worden; open uw mond!”
De herder gehoorzaamde, en de slangenkoning blies in zijn mond en zei: “Blaas nu in mijn mond!” De herder deed wat hem gezegd werd, en de slangenkoning blies een tweeden keer in den mond van den herder. Toen sprak hij: “Nu bezit gij de taal der dieren. Ga in vrede; maar zorg er goed voor, dat gij uw geheim niet aan een ander meedeelt, anders zult gij op hetzelfde oogenblik sterven!”
De herder nam afscheid van zijn vrienden en toen hij door het bosch terugging, hoorde en verstond hij alles, wat de vogels en planten en andere levende schepsels tegen elkaar zeiden. Toen hij zijn kudde bereikte en al zijn schapen in veiligheid vond, zooals hem was beloofd, legde hij zich neer op het gras om te rusten.
De begraven Schat.
Ternauwernood had hij zich neergevlijd, of twee raven streken neer op een boom en begonnen samen te praten. “Indien deze schaapherder wist, wat er zich op de plek bevindt, waar dat zwarte schaap ligt, dan zou hij zeker de aarde opgraven, en hij zou het hol ontdekken, dat vol zilver en goud is.”
De herder ging dadelijk naar zijn heer en vertelde hem, wat hij wist van den begraven schat. Deze reed met een kar naar de aangegeven plaats, groef diep in de aarde en zie! hij vond een hol vol zilver en goud. Dat alles laadde hij op zijn kar en bracht den schat naar huis. Deze heer was een eerlijk en edelmoedig man en hij gaf den geheelen schat aan zijn herder, zeggende: “Neem dit, mijn zoon; het was aan u, dat God het gaf! Ik zou je aanraden, een huis te bouwen, te trouwen en met dit geld de een of andere goede zaak te beginnen.”
De herder deed, zooals zijn vriendelijke heer hem had aangeraden en gaandeweg verdubbelde zijn rijkdom en hij werd de rijkste man niet alleen in zijn dorp, maar in het geheele gewest. Nu nam hij zelf schaapherders in dienst en vee- en zwijnenhoeders om zijn groote kudden te verzorgen. Op zekeren dag, juist voor Kerstmis, zei hij tegen zijn vrouw: “Maak wijn en eetwaren gereed, want morgen zullen wij naar onze hoeven gaan en onze knechts onthalen.” Zijn vrouw deed gelijk hij bevolen had en den volgenden dag gingen zij naar hun hoeven en de heer sprak tot zijn mannen: “Komt nu allen, en eet en drinkt te zamen; wat de schapen betreft, ik zelf zal vannacht voor ze zorgen.”
Zoo ging de vriendelijke man zijn schapen hoeden. Omstreeks middernacht begonnen de wolven te huilen en zijn honden blaften uitdagend. De wolven zeiden in hun eigen taal tegen de honden: “Kunnen wij komen en de schapen dooden? Er zal genoeg zijn ook voor u.” Daarop antwoordden de honden in hun eigen taal: “O zeker, kom toch, wij wenschen ook een feestmaal!” Maar onder de honden was een heel oude, die maar twee tanden over had. Dat trouwe dier blafte verwoed tegen de wolven: “Naar den duivel met jelui allemaal! Zoolang ik deze twee tanden heb, zult gij de schapen van mijn heer niet aanraken!” En hun meester hoorde en begreep alles, wat zij zeiden. Den volgenden morgen beval hij zijn knechts al de honden, behalve den ouden, te dooden. De knechts smeekten hun meester dit niet te doen. Zij zeiden: “Beste meester, het is zonde hen te dooden!”
Maar de heer gedoogde geen tegenspraak en beval streng: “Doet, zooals ik bevolen heb!” Daarna stegen hij en zijn vrouw te paard en zij begaven zich op weg naar huis; hij op een hengst en zij op een merrie. Op de reis bleef de merrie wat achter den hengst. Deze hinnikte en zei: “Haast je wat, waarom treuzel je zoo?” En de merrie antwoordde: “Voor jou is het niet moeilijk—jij draagt alleen je heer, en ik draag een tirannieke vrouw, wier bevelen een last voor het geheele huishouden zijn!”
De lastige vrouw.
Toen hij dit hoorde, keerde de heer zich om en barstte in lachen uit. Zijn vrouw merkte zijn plotselinge vroolijkheid op, gaf haar merrie de sporen en toen zij haar echtgenoot had bereikt, vroeg zij hem, waarom hij had gelachen. Hij antwoordde: “Er was geen bepaalde reden voor; ik lachte maar zoo—” Maar de vrouw was niet tevreden met dit antwoord, en liet haar man niet met rust. Tevergeefs beproefde hij er zich af te maken met de woorden:
“Vraag mij niet langer; als ik je de ware reden zeg, waarom ik heb gelachen, dan moet ik dadelijk sterven!”
Maar zij geloofde haar man niet, en hoe vaker hij weigerde het haar te vertellen, des te hardnekkiger drong zij er op aan, dat hij het zou doen, totdat de arme man eindelijk ten einde raad was door haar aandringen.
Zoodra zij thuis waren, beval de man een doodkist gereed te maken en toen die gereed en voor de huisdeur was geplaatst, zei hij tegen zijn vrouw: “Ik zal in deze kist gaan liggen, want op hetzelfde oogenblik, waarop ik je vertel, waarom ik lachte, zal ik sterven.” Hij ging dus in de kist liggen, en toen hij nog een laatsten blik in het rond wierp, zag hij zijn getrouwe hond van de akkers komen. Het arme dier liep op de doodkist van zijn meester toe en ging huilende van verdriet naast zijn hoofd zitten. Toen zijn heer dit zag, vroeg hij zijn vrouw den hond eten te geven. De vrouw bracht brood en gaf het aan den hond, die er niet naar taalde, nog minder er van at. Het stuk brood trok echter een haan aan, die naderbij kwam en er van begon te pikken. De hond verweet hem dit en zei: “Jij onverzadigbaar schepsel! Je denkt aan niets dan aan eten en je ziet niet, dat onze beste heer op het punt staat te sterven!”
Op deze bestraffing antwoordde de haan: “Laat hem dood gaan, als hij zoo’n dwaas man is! Ik heb een honderdtal vrouwen en ik verzamel haar allen rondom een graankorrel, dien ik gevonden heb, en als zij allen bijeen zijn, eet ik hem zelf op! Mocht een harer daar geen genoegen mee nemen, dan pik ik naar haar; maar hij, de dwaas, is niet in staat een vrouw te regeeren.”
Hierop sprong de man uit de kist, nam een stok en riep tot zijn vrouw: “Kom in huis, vrouw, en ik zal je vertellen, waarom ik heb gelachen!”
Toen zij zag, wat de bedoeling van haar man was, verzocht zijn vrouw hem van zijn voornemen af te zien en beloofde nooit meer nieuwsgierig te zijn of te beproeven zich in zijn zaken te mengen.
De stiefmoeder en haar stiefdochter.
Er was eens een meisje, dat met haar stiefmoeder samen woonde. De vrouw haatte haar stiefdochter buitengewoon, daar zij mooier was dan haar eigen dochter, die zij mee had gebracht naar het huis. Zij deed haar uiterste best de eigen vader van het arme meisje tegen haar op te zetten en dit deed zij met zulk een goeden uitslag, dat hij weldra zijn eigen kind begon uit te schelden, ja zelfs te haten.
Op zekeren dag zei de vrouw tegen haar echtgenoot: “Wij moeten je dochter wegsturen. Zij moet de wereld ingaan om zelf haar fortuin te zoeken!” En hij antwoordde: “Hoe kunnen wij het arme meisje wegzenden? Waar zou zij alleen heen moeten?” Maar de slechte stiefmoeder antwoordde: “Morgen moet je ver met haar de bosschen ingaan, haar daar achter laten, en je dan naar huis spoeden—anders wil ik niet langer bij je wonen.”
Eindelijk gaf de ongelukkige vader toe en zei: “Maak tenminste wat voor het meisje klaar, opdat zij niet van honger omkomt.”
Daarom bakte de stiefmoeder een koek en gaf dien den volgenden morgen, toen zij met haar vader het huis verliet, aan het meisje mee. De man en zijn dochter stapten voort, totdat zij midden in het bosch waren, en toen sloop de vader weg en keerde naar huis terug.
Den geheelen dag dwaalde het meisje in het bosch rond om een pad te zoeken, maar zij kon er geen vinden. Het werd intusschen steeds donkerder en eindelijk klom zij in een boom; zij vreesde door het een of andere wilde dier verslonden te worden, indien zij gedurende den nacht op den grond bleef. En werkelijk den ganschen nacht huilden de wolven zoo bloeddorstig onder den boom, dat het arme meisje in haar zenuwachtigen angst bijna was gevallen.
Den volgenden morgen klom zij weer naar beneden en dwaalde weer rond om een weg te vinden, maar hoe verder zij liep, des te dichter werd het bosch; er scheen geen einde aan te zijn. Toen het weer donker werd, keek zij rond naar een anderen geschikten boom, waarin zij tusschen de takken veilig den nacht zou kunnen doorbrengen. Maar eensklaps zag zij een lichtglans door de duisternis. Zij meende, dat het misschien een woning kon zijn en liep er heen. En werkelijk, zij kwam spoedig aan een groot, mooi huis; de deuren stonden open. Zij ging binnen en zag veel sierlijke kamers; in een er van stond een groote tafel met brandende lichten er op. Zij dacht, dat dit een woning van roovers moest zijn, maar zij was hoegenaamd niet bang. Want zij zei tegen zich zelf: “Alleen rijke menschen behoeven bang voor roovers te zijn; ik, een arm, eenvoudig meisje, behoef voor niets te vreezen; ik zal hun zeggen, dat ik graag voor hen wil werken, als zij mij iets te eten willen geven.”
Een vreemde woning.
Eensklaps hoorde zij een luid gebrul, en schrok geweldig, toen zij een leeuw zag naderen. Het groote dier kwispelde echter zoo vriendelijk met zijn staart, en het keek zoo goedaardig uit zijn oogen, dat haar moed weer terugkeerde en zij hem een stuk koek gaf, wat de leeuw opat; daarna lekte hij haar hand. Dit bewijs van dankbaarheid stelde het meisje volkomen gerust; zij streelde den leeuw zacht en gaf hem nog meer van haar koek.
Eensklaps hoorde het meisje een heftig gekletter van wapenen en zij viel bijna flauw, toen zij een schepsel in een berenhuid de kamer zag binnenkomen. De haan, de hond, de kat en de leeuw snelden het tegemoet en sprongen er omheen, waarbij zij hun uiterste best deden om te toonen, hoe verheugd zij waren. Zij, arm kind, kon niet anders denken dan dat dit vreemde gedrocht een wreed schepsel was en zij verwachtte niet anders dan dat het haar zou bespringen en verslinden. Maar het monster wierp zijn berenhuid van zijn hoofd en schouders en plotseling glinsterde de geheele kamer van de pracht van zijn gouden gewaden. Het meisje verloor bijna haar bezinning, toen zij een knap man met edel voorkomen voor zich zag. Hij naderde haar en zei: “Wees niet bevreesd! Ik ben geen woestaard, ik ben de zoon van den tsaar; en als ik op de jacht ga, dan kom ik gewoonlijk vermomd hier in deze berenhuid, opdat de menschen mij niet herkennen. Behalve gij, weet niemand, dat ik een man ben; de menschen denken, dat ik een geest ben en ontvluchten mij. Niemand durft dit huis voorbij gaan, nog minder er binnen treden, want het is bekend, dat ik er woon. Gij zijt de eerste, die het gewaagd hebt, binnen te komen, waarschijnlijk wist gij, dat ik geen geest ben?”
Daarop vertelde het meisje den prins alles van haar slechte stiefmoeder en verzekerde, dat zij niets van deze woning wist, noch wie er in woonde. Toen de jonge prins, bewogen van verontwaardiging en medelijden haar verhaal had gehoord, zei hij: “Uw stiefmoeder haatte u, maar God had u lief. Ik heb u ook zeer lief, en indien gij voelt, dat gij mijn liefde zoudt kunnen beantwoorden, zou ik u willen trouwen—wilt gij mijn vrouw zijn?” “Ja”, antwoordde het meisje.
Den volgenden morgen nam de prins het meisje mee naar het paleis van zijn vader en zij werden getrouwd. Na een poosje verzocht de vrouw van den prins toestemming om haar vader te mogen bezoeken. De prins stond het haar gaarne toe en gekleed in een mooie, met goud geborduurde japon ging zij naar haar oude tehuis. Haar vader was afwezig en haar moeder vreesde, zoodra zij haar zag komen, dat zij kwam om zich te wreken. Daarom snelde zij haar tegemoet en zei: “Ziet gij nu, dat ik u den weg van het geluk op gezonden heb?” De stiefdochter omhelsde de vrouw en kuste haar; zij omhelsde haar stiefzuster ook. Daarna nam zij plaats en wachtte op de terugkomst van haar vader. Daar hij echter niet kwam, was zij eindelijk wel genoodzaakt, hoe ongaarne ook, heen te gaan zonder hem te hebben gezien. Toen zij vertrok, gaf zij veel geld aan haar stiefmoeder, maar toen zij op eenigen afstand bas, balde de ondankbare vrouw toch haar vuist naar haar en mompelde: “Wacht maar, jij vervloekt schepsel, je zult de eenige niet zijn, die zoo sierlijk gekleed gaat; ik zal mijn eigen dochter denzelfden weg opzenden!”
De naijver van de stiefmoeder.
De man kwam niet terug voor laat in den avond. Toen ging zijn vrouw hem tegemoet en zei: “Luister man! Ik ben van plan ook mijn eigen dochter de wereld in te zenden, opdat ook zij haar fortuin kan zoeken; want jou dochter kwam heden terug om ons te bezoeken en zie! zij schitterde van al het goud.”
De man zuchtte en gaf zijn toestemming.
Den volgenden morgen bakte de vrouw voor haar dochter verscheidene koeken, ook gaf zij haar wat gebraden vleesch mee en zond haar met haar vader het bosch in. De ongelukkige vader geleidde haar—evenals hij het zijn eigen dochter had gedaan—naar het diepst van het bosch, sloop toen weg, en liet haar alleen. Toen het meisje zag, dat haar vader verdwenen was, wandelde zij langzaam voort door het woud, totdat zij de poort van hetzelfde huis bereikte, waarin haar stiefzuster het geluk had gevonden. Zij trad binnen, sloot de deur en besloot ze voor niemand te openen. Daarna nam zij een koek uit haar tasch en begon haar maal. Intusschen kwamen de haan, de hond en de kat binnen en begonnen om haar heen te springen, hopende dat zij hun iets te eten zou geven; maar zij riep boos uit: “Maakt, dat je weg komt, leelijke dieven! Ik heb ternauwernood genoeg voor mijzelf; ik wil jelui niets geven!” En toen begon zij hen te slaan, waarop de hond jankte. De leeuw, die het jammeren van zijn vriend hoorde, sprong woedend toe en doodde het onvriendelijke meisje.
Den volgenden morgen reed de prins met zijn echtgenoote uit om te gaan jagen. Zij kwamen aan het huis en zagen, wat er gebeurd was en toen de prinses haar stiefzuster aan haar kleeren herkende, nam zij het verscheurde gewaad bijeen en bracht het naar de woning van haar vader. Dezen keer vond zij haar vader thuis en hij was werkelijk heel gelukkig, toen hij vernam, dat zijn lieve dochter getrouwd was met een knappen prins. Maar toen hij hoorde, wat de dochter van zijn vrouw was overkomen, was hij werkelijk bedroefd en riep uit: “Haar moeder heeft haar straf verdiend van Gods hand, omdat zij je zonder reden haatte. Zij is bij de put, ik zal er heen gaan en haar het droeve nieuws vertellen.”
Toen zijn vrouw hoorde, wat er gebeurd was, zei zij: “O, man, ik kan het niet verdragen je dochter te zien; laten wij haar en den zoon van den tsaar dooden! Doe het, of ik zal dadelijk in de put springen!”
De man antwoordde verontwaardigd: “Nu, spring dan! Ik zal mijn eigen kind niet vermoorden!”
En de slechte vrouw zei: “Als je haar niet kunt dooden, goed,—maar het is mij onmogelijk haar weer te zien!” Daarop sprong zij in de put en was dood.
Recht en onrecht.
De jongere broer nam het goud en zijn paard en na een oogenblik nagedacht te hebben zei hij: “God zij geprezen! Hoeveel van het geheele koninkrijk is mijn deel geworden!”
Eenigen tijd later ontmoetten de beide broers elkaar bij toeval op een weg, en de jongste begroette den oudste aldus: “God helpe u, broeder!” En de oudste antwoordde: “Dat God u een ongeluk zende! Waarom roept gij steeds Gods naam aan tegen mij? Onrecht is beter dan recht.”
Daarop antwoordde de goede broeder: “Ik wed, dat onrecht niet beter is dan recht!”
Zij wedden om honderd tzechins en kwamen overeen de beslissing aan den eersten voorbijganger, die zij zouden ontmoeten, over te laten. Na een poosje gereden te hebben, ontmoetten zij Satan, die zich als een monnik had verkleed en zij verzochten hem in hun geschil te beslissen. Satan antwoordde onmiddellijk, dat onrecht beter was dan recht; daarmee verloor de rechtvaardige broeder honderd tzechins. Toen gingen zij opnieuw een weddenschap aan voor dezelfde som, en vervolgens een derde; en telkens besliste de Duivel—elken keer verschillend vermomd—voor het onrecht. Ten slotte verloor de goede broeder zelfs zijn paard; maar hij was volstrekt niet overtuigd en dacht na. “Wel! ik heb al mijn tzechins verloren, dat is waar, maar ik heb mijn oogen nog en dezen keer zal ik om mijn oogen wedden.” Zoo gingen zij de weddenschap nog eens aan; de onrechtvaardige broer wachtte echter niet eens op de uitspraak van een ander, maar nam zijn ponjaard, en stak zijn broer de oogen uit, zeggende: “Laat het recht u nu maar helpen, nu gij geen oogen meer hebt!”
De arme jongeling zei tegen zijn wreeden broeder: “Ik heb mijn oogen verloren terwille van Gods rechtvaardigheid, maar ik verzoek u, mijn broeder, mij wat water in een kom te geven, opdat ik mijn wonden kan wasschen en mij onder een pijnboom bij de bron te brengen!”
De onrechtvaardige broer deed, wat hem werd verzocht en vertrok toen.
Het genezende water.
De ongelukkige jongeling bleef tot diep in den nacht onbewegelijk zitten, toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden en hij een harer tegen haar zusters hoorde zeggen: “Zusters, weet gij, dat de prinses lijdende is aan melaatschheid en de koning, haar vader, al de beroemde geneesheeren heeft geraadpleegd, maar geen enkele haar kan redden? Maar als de koning de genezende kracht van dit water kende, zou hij er zeker een weinig van nemen en zijn dochter er in baden. Dan zou zij volkomen herstellen.”

Toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden
Toen de hanen begonnen te kraaien, verdwenen de veele; de prins kroop naar de bron, om de wonderbare hoedanigheden van het water te onderzoeken. Hij bette er zijn oogen mee en zie! Zijn gezicht was onmiddellijk teruggekeerd. Daarna vulde hij zijn kom met het water en spoedde zich naar den koning, wiens dochter lijdende was aan melaatschheid. Toen hij aan het paleis kwam, zei hij tegen de wachthebbende officieren, dat hij de prinses kon genezen in een dag en een nacht. De officieren deelden het den koning mede, die dadelijk toestond, dat hij zijn middel beproefde. En de prinses was genezen. Dit stemde den koning zoo gelukkig, dat hij de helft van zijn koninkrijk aan den jongen prins afstond en hem ook zijn dochter tot vrouw gaf. Zoo werd de rechtvaardige broeder de schoonzoon van den koning en zijn staatsraad.
Het nieuws van deze groote gebeurtenis verspreidde zich over het koninkrijk en kwam ten slotte ook den onrechtvaardigen prins ter oore. Hij dacht, dat zijn broer zijn geluk onder den pijnboom moest hebben gevonden; hij ging daar dus ook zijn geluk beproeven. Daar aangekomen doorstak hij zijn eigen oogen. Laat in den avond kwamen de veele baden en de prins hoorde met verbazing, hoe zij spraken over het herstel der prinses. “Iemand moet ons bespied hebben,” zei een harer, “toen wij spraken over de hoedanigheden, die dit water bezit. Misschien slaat ook nu iemand ons gade. Laten we eens rond zien!” Toen zij onder den pijnboom kwamen, vonden zij den jongeman, die zijn geluk was komen zoeken en zij scheurden hem onmiddellijk in vieren.
En aldus kreeg de slechte prins de straf voor zijn onrechtvaardigheid.
Wie weinig vraagt, ontvangt veel.
Er leefden eens drie broers, die in plaats van groote bezittingen slechts een pereboom hun eigendom konden noemen. Om de beurt zouden zij bij den boom de wacht houden, terwijl de twee anderen zich verhuurden om te werken. Op zekeren nacht zond God zijn engel om te zien, hoe de broeders het maakten, en, indien zij in moeilijkheden verkeerden, hun toestand te verbeteren. De engel kwam vermomd als een bedelaar en toen hij een der broeders aantrof, die de wacht hield bij den boom, verzocht hij om een peer. De jongeman nam een paar vruchten, die tot zijn eigen deel van den boom benoorden, overhandigde ze aan den bedelaar en zei: “Neem deze peren van mijn deel van den boom; die, welke aan mijn broeders behooren, kan ik u niet geven.” De engel nam de vruchten, dankte den jongeman en verdween.
Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden broeder om over de vruchten te waken, en weer kwam de engel in de gedaante van een bedelaar en vroeg om een peer. Deze broer gaf ook van zijn eigen deel van den boom, zeggende: “Neem deze; zij zijn van mij, maar van die, welke aan mijn broeders behooren, durf ik niet te geven.”
De engel nam de vruchten dankbaar aan en verdween.
De derde broer had een gelijke ervaring.
Toen de vierde dag kwam, vermomde de engel zich als een monnik en kwam heel vroeg, opdat hij de drie broers thuis zou kunnen vinden, en zei tegen de jongelieden: “Komt met mij mede, ik zal u een beter leven geven!” Zonder verdere vragen te stellen gehoorzaamden zij hem.
Weldra kwamen zij aan een rivier, waardoor het water hevig stroomde en de engel vroeg aan den oudsten broer: “Wat wenscht gij te bezitten?” Hij antwoordde: “Ik zou willen, dat al dit water in wijn veranderde en dat het mij toebehoorde!” De engel maakte het teeken des kruises met zijn stok en zie! Wijn stroomde in plaats van water en op hetzelfde oogenblik werden op de oevers van het stroompje verscheidene tonnen zichtbaar en er verschenen mannen, die ze met wijn vulden; in een woord: er was een heel dorp ontstaan. Daarna wendde de engel zich weer tot den jongeman en zei: “Hier is wat gij verlangdet, vaarwel!” En hij vervolgde zijn reis met de anderen. De drie liepen voort, totdat zij aan een veld kwamen, waarop een groot aantal duiven rondliepen, en de engel vroeg aan den tweeden broer: “Nu, en wat zoudt gij wenschen te bezitten?” En hij antwoordde: “Ik zou wenschen, dat de duiven in schapen veranderden en dat die mij toebehoorden!” Weer maakte de engel het teeken des kruises in de lucht, en zie! Schapen in plaats van duiven bedekten het veld. Plotseling verrezen er vele melkhuizen; meisjes waren bezig de schapen te melken, anderen schonken de melk over en weer anderen maakten room. Er was ook een slachthuis, waar mannen bezig waren; enkelen sneden het vleesch in groote stukken, anderen wogen het en weer anderen verkochten het en namen er het geld voor in ontvangst. Daarna sprak de engel: “Hier is alles, wat gij verlangdet; vaarwel!”
Nu ging de engel verder met den jongsten broer, en nadat hij het veld over was gegaan, vroeg hij: “Wat verlangt gij te bezitten?” De jonge man antwoordde: “Ik zou mij tot den gelukkigsten man rekenen, indien God zoo genadig was mij een vrouw te schenken van zuiver christelijk bloed!”
Daarop antwoordde de engel: “O, dat is nog al moeilijk; er zijn maar drie zulke vrouwen in de geheele wereld en twee van haar zijn getrouwd. De jongste, dat is waar, is een jong meisje, maar reeds dingen twee jonge mannen naar haar hand.”
Toen de volgende morgen daagde, zie! hingen er druiven in groote trossen aan den wijnstok, die aan den armen man was toegewezen. Daarom kon de tsaar zijn dochter niet weigeren aan den jongsten broeder. Na het huwelijk leidde de engel het jonge paar naar het bosch, waar hij beiden een vol jaar alleen liet.
De Engel keert terug.
Toen zond God opnieuw zijn engel, zeggende: “Daal neer naar de aarde en zie, hoe deze armen nu leven; indien zij in ellende verkeeren, moet gij hen helpen en hun toestand verbeteren!”
De engel gehoorzaamde onmiddellijk en weer als bedelaar verkleed, ging hij eerst naar den oudsten broer. Hij vroeg hem om een glas wijn. Maar de rijke man weigerde: “Indien ik iedereen een glas wijn zou moeten geven, zou er niets voor mij overblijven!”
Hierop maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en onmiddellijk stroomde er weer water door de rivier evenals te voren. Toen wendde hij zich tot den man en zei: “Dit was niet voor u, keer terug naar den pereboom, en ga voort met dien te bewaken!”
Daarna ging de engel naar den tweeden broer, wiens velden bedekt waren met schapen en vroeg hem om een plak kaas, maar de rijke man weigerde, zeggende: “Indien ik iedereen een plak kaas zou moeten geven, dan zou er geen voor mij overblijven!” Weer maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en zie! Al de schapen veranderden onmiddellijk in duiven, die weer wegvlogen. Toen sprak hij tot den tweeden broer: “Dit was stellig niet voor u; ga naar den pereboom en houd daarbij weer de wacht!”
Eindelijk ging de engel naar den jongsten broeder om te zien, hoe hij het maakte en vond hem met zijn vrouw in het bosch, waar hij leefde als een arm man in een hut. Hij verzocht de hut te mogen binnen komen en daar den nacht te mogen doorbrengen. Zij heetten hem hartelijk welkom, maar zeiden hem, dat zij hem niet zoo’n goed onderkomen konden verschaffen, als zij zouden wenschen. “Wij zijn,” zoo voegden zij er aan toe, “heel arme menschen.” Waarop de engel antwoordde: “Spreek zoo niet; ik zal heel tevreden zijn met hetgeen gij hebt!”
Zij vroegen zich af, wat zij zouden doen, want er was geen koren in de hut, waar zij goed brood van konden bakken. Gewoonlijk maalden zij boomschors fijn en bakten dat in den oven. Zulk brood bereidde de vrouw nu voor haar gast en zette het in den oven om te bakken. Even later ging zij naar haar baksel kijken, en was aangenaam verrast, toen zij een echt brood zag liggen.
Toen het paar dit wonder zag, hieven zij hun handen ten hemel en zeiden: “Wij danken u, o God! dat wij nu in staat zijn onzen gast te onthalen!” Nadat zij hun gast het brood hadden voorgezet, brachten zij een kom water en zie! Toen zij dronken, zagen zij, dat het wijn was.
Toen maakte de engel nog eens het teeken des kruises met zijn stok over de hut, en daarop verrees onmiddellijk op de plek een prachtig paleis, dat een overvloed van alles bevatte. Daarop zegende de engel het paar en verdween. De nederige en godvreezende man en vrouw leefden daar verder gelukkig.

Daarop verrees onmiddellijk op die plek een prachtig paleis
Bash Tchelik of echt staal.
Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en drie dochters had. Toen ouderdom hem overviel en het stervensuur voor hem sloeg, riep hij zijn kinderen tot zich en hij beval zijn zoons, dat zij hun zusters zouden geven aan den eersten, die naar haar hand mochten dingen. “Doet, zooals ik ulieden zeg,” voegde de stervende tsaar er aan toe, “of vreest mijn vloek!”
Kort nadat de tsaar gestorven was, werd er op zekeren nacht heftig op de poort van het paleis geklopt, zoodat het geheele gebouw schudde; een geweldig gebulder, gegil en geblaas werd vernomen; het scheen, alsof het paleis gebeukt werd door een hevigen orkaan. Al de hovelingen werden aangegrepen door een onuitsprekelijke vrees en eensklaps werd een stem van buiten gehoord: “O, prinsen, opent de deur!” Daarop riep de oudste broeder uit: “Doe niet open!” De tweede broer voegde er aan toe: “Doe voor niets ter wereld open!” Maar de jongste broeder zei: “Ik moet de deur openen!” En hij sprong naar de deur en wierp die open. Toen hij het gedaan had, kwam er iets binnen, maar de broeders konden slechts een helder licht zien, waaruit deze dringende woorden hen toeklonken: “Ik ben gekomen om uw oudste zuster ten huwelijk te vragen en haar terstond mee te nemen; want ik heb geen tijd te verliezen; evenmin zal ik een tweeden keer kunnen komen om haar te vragen! Antwoordt snel. Wilt gij haar geven of niet? Dat is het, wat ik wil weten.”
De oudste broeder antwoordde: “Ik wil haar niet geven. Ik kan u niet zien, ik weet niet wie gij zijt, en evenmin vanwaar gij komt. Vanavond is het voor het eerst, dat ik uw stem heb gehoord en gij dringt er op aan mijn zuster dadelijk mede te nemen. Ik zou niet eens weten, waar ik mijn zuster nu en dan zou kunnen bezoeken!”
De tweede broer zei eveneens: “Ik geef mijn toestemming niet, dat gij mijn zuster vannacht met u meevoert!”
Op het oogenblik, waarop de prinses den drempel overging, viel ieder in het paleis van ontsteltenis op den grond, zoo ontzettend waren de bliksemschichten en zoo luid de donderslagen. Het geheele gebouw schudde, alsof het zou instorten. Maar de storm ging voorbij en de dag brak aan. Dien morgen werd er vlijtig gezocht, of er eenig spoor gevonden kon worden van den vreemden bezoeker of van den weg, dien hij was gegaan; maar helaas, alle pogingen waren vruchteloos.
Den volgenden nacht omstreeks denzelfden tijd werd een gelijk geraas rondom het paleis vernomen en een stem aan de deur riep uit: “O, prinsen, doet de deur open!”
Door vrees aangegrepen dorsten zij niet ongehoorzaam te zijn. Toen sprak de meedoogenlooze stem weer: “Geef mij uw tweede zuster, ik ben gekomen, om haar ten huwelijk te vragen!”
De oudste broer verzette zich: “Ik wil mijn toestemming niet geven!” De tweede broer zei eveneens: “Ik wil mijn zuster niet weggeven!” Maar de jongste was bereid. “Ik zal haar geven!” zei hij. “Zijt gij reeds vergeten, wat onze vader bevolen heeft in het uur van zijn dood?”
Daarop nam de jongste prins zijn zuster bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren bezoeker, zeggende: “Neem haar, dat zij trouw en gehoorzaam zij!” Zoo vertrok de bezoeker met de prinses en den volgenden dag was er geen spoor meer van haar te vinden.
Den derden nacht op hetzelfde uur trilde de aarde en het paleis schudde op zijn grondvesten, zoo geweldig was de beroering in het rond. Weer werd een geheimzinnige stem van buiten gehoord. De prinsen openden de deur en weer trad een onzichtbare gast binnen en zei: “Ik kom uw jongste zuster ten huwelijk vragen!” De twee oudste broers riepen gelijktijdig uit: “Wij willen onze zuster niet in den nacht geven; wij moeten weten, aan wien wij haar geven, zoodat wij haar kunnen bezoeken, als wij het wenschen!” Maar weer riep de jongste broer uit: “Ik zal haar geven, als gij het niet wilt! Zijt gij dan vergeten, wat onze vader ons heeft gezegd? Zoolang is het nog niet geleden!” Met deze woorden nam hij het meisje bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren gast, zeggende: “Neem haar mee! En dat zij u vreugde en geluk geve!”
De prinsen begeven zich op weg.
Den volgenden morgen bespraken de broers het lot van hun zusters en smart vervulde hun hart. “Groote God!” zeiden zij, “welk een geweldig wonder! Wij weten niet, welk lot onze zusters te beurt is gevallen; noch weten wij, waarheen zij zijn gegaan, noch met wien zij zijn getrouwd!” Eindelijk besloten zij hun geliefde zusters te gaan zoeken en na de noodige toebereidselen voor de reis te hebben getroffen, begaven zij zich op weg voor het onderzoek.
Zij reisden enkele dagen en verdwaalden toen in een dicht woud, waar zij een geheelen dag ronddoolden. Toen de duisternis viel, kwamen zij overeen den nacht door te brengen op een plaats, waar zij water konden vinden. Toen zij dus aan een meer kwamen, besloten zij daar te overnachten en zij gingen zitten om wat te eten. Toen zij op het punt stonden zich te slapen te leggen, stelde de oudste broer voor, dat de anderen zouden slapen, en hij de wacht zou houden. De twee jongere broers gingen dus slapen, terwijl hij de wacht hield.
Te middernacht kwam het water in hevige beroering en hij, die de wacht hield, was vervuld van schrik, toen hij uit het midden van het water iets naar zich toe zag bewegen. Toen het nader kwam, zag hij, dat het een monsterachtige krokodil was met twee reusachtige ooren. Het monster viel den prins met al zijn kracht aan, maar de dappere prins ving het op de punt van zijn zwaard op en kliefde snel zijn kop doormidden. Daarna hieuw hij het de ooren af en borg die in zijn tasch; maar het lijk wierp hij terug in het meer. Spoedig daarop brak de morgen aan, maar de twee jongere broeders sliepen rustig door, onbewust van den heldenmoed van hun broer.
Op gepasten tijd wekte de prins de jongemannen en zonder te zeggen, wat er gebeurd was, raadde hij aan de reis te vervolgen. Zij reisden den geheelen dag en weer verdwaalden zij in een dicht bosch; zij besloten den nacht bij een klein meer door te brengen en legden snel een vuur aan. Nadat zij hadden gegeten, zeide de tweede broer: “Vannacht zult gij beiden slapen en ik zal waken.” En zoo sliepen de oudste en de jongste broer, terwijl de tweede de wacht hield.
Eensklaps begon het water in het meer te bewegen en zie! Een krokodil met twee koppen verscheen en snelde verwoed op de drie broeders toe. Maar de tweede broeder was geen lafaard; hij gaf het monster een ontzettenden slag met zijn glinsterend zwaard, en de krokodil viel dood neer. Toen hieuw de prins het de vier ooren af, deed ze in zijn tasch en wierp het afzichtelijke lijk in het meer. De twee slapende broeders wisten van dit alles niets en sliepen, totdat de zon opging. De dappere prins riep uit: “Staat op, broeders, het is hoog tijd!” Zij stonden onmiddellijk op en maakten zich gereed verder te gaan, zonder te weten waarheen.
Een groote vrees vervulde hun hart, toen zij bemerkten, dat zij zich in een vreeselijke woestijn bevonden; hier dwaalden zij drie lange dagen rond, en toen hun voedsel op was, dachten zij niet anders, dan dat zij van honger zouden omkomen in dit vreemde land, dat van een onmetelijke uitgestrektheid scheen te zijn. Toen richtten zij hun vurige gebeden tot den Almachtige en baden Hem, dat het Hem mocht behagen hun uitkomst te geven en zie! Eindelijk zagen zij een uitgestrekt watervlak. Groot was nu hun vreugde; zij overlegden samen en kwamen overeen, dat zij den nacht zouden doorbrengen aan den oever van dat meer.
Nadat zij hun dorst hadden gelescht, legden zij een helder vuur aan en toen het uur voor slapen aanbrak, stelde de jongste broer voor: “Heden nacht is het mijn beurt, gij beiden gaat slapen en ik zal waken!” Zoo gingen de beide oudste broers slapen en de jongste bleef wakker; scherp keek hij rond en dikwijls wierp hij een blik over het meer. Tegen middernacht bemerkte hij beweging in het water, en terwijl hij verbaasd toekeek, werd het meer zoo onstuimig, dat een golf over den oever sloeg en het vuur bijna uitdoofde. Het volgend oogenblik verscheen een afschuwelijke krokodil met drie koppen. Deze snelde verwoed op de broeders toe, blijkbaar van plan hen te verslinden. Maar de jongste prins was niet minder dapper dan zijn twee broers; hij trok zijn zwaard uit de scheede en toen het monster met wijd opengesperde kaken op hem toe kwam, gaf hij het achtereenvolgens drie ontzettende slagen, waarmee hij de drie koppen afhieuw. Daarna sneed hij de zes ooren af, deed die in zijn tasch en wierp het lijk en de koppen in het meer.
De negen reuzen.
Ondertusschen was het vuur uitgedoofd en daar er niets was om opnieuw vuur, te maken en de prins zijn broers niet wilde wekken, ging hij een eindje de woestijn in, in de hoop eenige brandstof te zullen vinden, maar helaas hij zocht vergeefs. Hij klom op een rots en zag eindelijk den gloed van een vuur. Daar het scheen, dat het vuur niet heel ver weg was, besloot hij er heen te gaan, om brandende stukken hout te halen, waarmee hij zijn eigen vuur weer zou kunnen aansteken. Hij daalde dus van de rots af en spoedde zich een poos door de woestijn. Eindelijk kwam hij aan een hol, waar hij negen reuzen rondom een groot vuur zag zitten. Zij roosterden twee mannen aan het spit, een aan elken kant. Op het vuur stond een ketel vol met ledematen van menschen.
Toen de prins dit zag, werd hij aangegrepen door afschuw, en graag zou hij weer weggesneld zijn, maar het was te laat. Hij begroette de reuzen dus met deze woorden: “Goeden avond, makkers, ik heb u al geruimen tijd gezocht!” Zij heetten hem vriendschappelijk welkom en beantwoordden zijn groet aldus: “Dat God u helpe, daar gij een onzer zijt!” De slimme prins zei: “Wel, ik zal altijd een trouw vriend van u blijven en zou mijn leven voor u willen geven!”
“Wel”, riep een der reuzen, “daar gij van plan zijt u bij ons te voegen, zijt gij ongetwijfeld bereid menschenvleesch te eten en met ons mee te gaan, als wij uit gaan om buit te zoeken?”
Daarop antwoordde de zoon van den tsaar: “Zeer zeker! Ik ben bereid alles te doen, wat gij doet.” Toen de reuzen dit hoorden, zeiden zij: “Dan is het goed! Kom bij ons zitten!” Toen nam het geheele gezelschap plaats rondom het vuur en zij begonnen het vleesch uit den ketel te halen en te eten. De zoon van den tsaar deed alsof hij at, maar hij misleidde hen handig, want inplaats van het op te eten, wierp hij het vleesch achter zich.
Na het avondeten riepen de reuzen: “Laat ons nu op de jacht gaan, want wij moeten morgen ook wat te eten hebben!” Zij begaven zich dus alle negen op weg; de prins was de tiende van het gezelschap. “Ga met ons mee”, zeiden de reuzen tegen den prins, “wij zullen naar een naburige stad gaan, waar een tsaar woont: want uit die stad hebben wij reeds verscheidene jaren ons voedsel gehaald!” Toen zij aan de plaats kwamen, rooiden de reuzen twee pijnboomen. Bij den muur van de stad gekomen, plaatsten zij een boom er tegenaan en bevalen den prins: “Ga boven op den muur staan, dan zullen wij u den tweeden boom aanreiken, dien gij aan den anderen kant tegen den muur moet zetten, zoodat wij langs den stam in de stad kunnen neerdalen.”
De prins gehoorzaamde, en, toen hij boven op den muur was, zei hij: “Ik weet niet, hoe ik het moet doen, ik ben niet bekend in deze plaats en zie geen kans den boom over den muur te werpen; laat alsjeblieft een van allen naar boven komen en mij wijzen, hoe ik het moet doen!” Daarop klom een der reuzen naar boven, greep den top van den boom en wierp den stam over den muur, terwijl hij den hoogsten tak in zijn handen hield. De prins benutte dit oogenblik om zijn zwaard te trekken, en zonder dat zij, die beneden stonden, het merkten, sloeg hij met een slag het hoofd van den reus af en wierp zijn lijk over den muur. Toen zei hij tegen de anderen: “Komt nu een voor een naar boven, opdat ik u in de stad kan neerlaten, zooals ik het onzen eersten makker heb gedaan.” De reuzen, die niets kwaads vermoedden, klommen den een na den ander naar boven en de prins hieuw hen een voor een het hoofd af, totdat hij ze alle negen had gedood. Daarna daalde hij langzaam neer langs den pijnboom en bereikte den grond binnen den stadsmuur.
Toen hij door de straten liep, was hij verbaasd geen levende ziel daar aan te treffen; de geheele stad scheen verlaten! Daarom zei hij tot zich zelf: “Deze leelijke reuzen moeten al de inwoners van deze stad hebben vernietigd!”
De slapende prinses.
Hij bleef doorloopen en zag eindelijk een zeer hoogen toren; door een van de luchtgaten scheen licht. Hij opende de deur en liep recht door naar de kamer, vanwaar hij meende, dat het licht kwam. Ze was allerprachtigst versierd met goud en fluweel en op een luisterrijke rustbank lag een meisje te slapen. Het meisje was buitengewoon mooi en nadat de prins zich eenige oogenblikken in haar aanblik verlustigd had, ontstelde hij hevig op het zien van een slang tegen den muur; ze bewoog haar afschuwelijken kop, klaarblijkelijk met de bedoeling het meisje op haar voorhoofd tusschen de oogen te raken. Maar de prins snelde vlug naar voren met zijn getrokken ponjaard en doorboorde den kop van de slang, zoodat die tegen den muur werd genageld, waarbij hij uitriep: “Dat God geve, dat mijn ponjaard door niemand uit den muur getrokken kan worden dan door mij!” Daarna snelde hij heen, klom den muur van den stad weer over, juist zooals hij was gekomen. Hij nam een brandend stuk hout uit het vuur en spoedde zich naar de plaats, waar hij zijn broers had achtergelaten en waar hij hen nog slapende vond. Hij legde opnieuw een vuur aan. Intusschen was de zon opgekomen; hij wekte zijn broers en onmiddellijk zetten zij hun reis voort. Dienzelfden dag kwamen zij aan den weg, die naar de stad voerde, waarvan wij gehoord hebben. Het was de gewoonte van den tsaar, die in de stad woonde, elken morgen naar buiten te wandelen, waarbij hij telkens de groote slachting weer door de reuzen onder zijn volk aangericht, bejammerde. Zijn grootste angst was, dat zijn eenige dochter hun eens ten prooi zou vallen. Op dezen dag wandelde hij ongewoon vroeg door de straten, die alle geheel verlaten waren. Na een poosje kwam hij aan een deel van den stadsmuur, waartegen de pijnboom van de reuzen leunde. Hij ging er heen en ontwaarde, dat de lijken van de negen reuzen, de ontzettende vijanden van zijn volk, alle met afgehouwen hoofd op den grond lagen. Toen de tsaar dit wonder zag, was hij buitengewoon gelukkig en het volk verzamelde zich weldra om hem heen en bad God een gelukkig en lang leven te geven aan den held, die de reuzen had gedood. Op datzelfde oogenblik kwamen de bedienden van het kasteel aansnellen en deelden den tsaar mede, dat een slang bijna den dood van zijn dochter had veroorzaakt. Toen hij dit vernam, spoedde hij zich naar zijn dochter en toen hij haar kamer binnen kwam, was hij verbaasd een afschuwelijke groote slang tegen den muur genageld te zien. Hij beproefde dadelijk den ponjaard er uit te trekken, maar hij was er niet toe instaat.

Ontstelde hij hevig op het zien van de slang tegen den muur
Daarop vaardigde de tsaar een proclamatie uit door het geheele rijk, waarin hij mededeelde, dat de held, die de negen reuzen gedood en de slang doorstoken had, indien hij naar het vorstelijk paleis kwam, kostbare geschenken en de dochter van den tsaar ten huwelijk zou ontvangen. De inhoud van de proclamatie was snel door het geheele rijk bekend en op bevel van den tsaar werd in elke herberg langs de hoofdwegen een beambte op wacht geplaatst, die aan elken reiziger moest vragen, of hij ook iets wist van den held, die de negen reuzen had gedood. Indien iemand inlichtingen kon geven, moest hij onmiddellijk voor den tsaar verschijnen en vertellen, wat hij wist, en dan zou hij beloond worden. De bevelen van den tsaar werden letterlijk uitgevoerd.
De drie prinsen, die hun zusters zochten, brachten eens den nacht door in een van de herbergen van dat land en na het avondeten begonnen zij een levendig gesprek met den herbergier, in den loop waarvan de snoevende waard pochte op zijn heldendaden en eindelijk aan de prinsen vroeg: “Vertel mij nu eens, welke heldenfeiten gij, jongemannen verricht hebt!”
Daarop begon de oudste broer aldus: “Toen mijn broeders en ik ons op weg begaven om onze zusters te zoeken, besloten wij den eersten nacht door te brengen aan de oevers van een meer midden in een uitgestrekt bosch. Op mijn voorstel gingen mijn broers slapen, terwijl ik de wacht hield. Zoodra zij ingeslapen waren, rees een ontzettende krokodil uit het meer op om mijn broeders te verslinden, maar ik ontving hem met de punt van mijn zwaard en hieuw zijn kop van zijn lichaam: indien gij het niet gelooft, hier zijn de ooren van het monster!” Bij deze woorden haalde de oudste broer de ooren van den krokodil uit zijn tasch en legde ze op de tafel.
Toen de tweede broer dit hoorde, zei hij: “En ik hield den tweeden nacht de wacht, mijn broeders, terwijl gij sliept; en uit het meer verrees een krokodil met twee koppen. Ik snelde er met mijn zwaard heen en hieuw de twee koppen af! Indien gij mij niet gelooft, ziet! Hier zijn de vier ooren van het monster!” Bij deze woorden haalde hij de ooren uit zijn tasch en lei ze voor hen op de tafel, tot groote verbazing van zijn toehoorders.
De held gevonden.
Maar de jongste broeder zweeg. De waard zei tegen hem: “Op mijn woord, jongeman, uw broeders zijn waarlijk helden. Laat eens hooren, of gij ook het een of ander heldenfeit hebt verricht?”
Toen begon de jongste broer te vertellen: “Ik heb ook een kleinigheid gedaan. Toen wij den derden nacht aan de oevers van een meer kwamen in een woestijn, om daar den nacht door te brengen, gingt gij, mijn broeders, rusten, en ik bleef wakker om de wacht te houden. Tegen middernacht werd het meer zeer onstuimig, en een krokodil met drie koppen stormde er uit met de bedoeling u te verslinden; maar ik ontving hem op de punt van mijn zwaard en het gelukte mij het monster de koppen af te slaan. Indien gij mij niet gelooft, ziet: hier zijn de zes ooren van het monster!” Dit verbaasde zelfs zijn broeders en de jongeman vervolgde: “Intusschen was ons vuur uitgedoofd en ging ik brandstof zoeken. Door de woestijn dwalende ontmoette ik negen reuzen.…..” en zoo ging hij voort hen zijn verwonderlijke daden te vertellen. Toen het verhaal geëindigd was, haastte de herbergier zich naar den tsaar, aan wien hij alles vertelde. Deze gaf hem geld en beval de broeders voor te brengen. Toen zij verschenen, vroeg de tsaar aan den jongsten prins: “Zijt gij het waarlijk, die al deze wonderen in mijn stad hebt gedaan en het leven van mijn eenige dochter hebt gered?”
“Ja, o, koning!” antwoordde de prins. Daarop gaf de tsaar, vervuld van groote vreugde en dankbaarheid zijn dochter ten huwelijk aan den dapperen prins en benoemde hem tot zijn eersten minister. Wat zijn broeders betrof, de tsaar sprak hen aldus aan: “Indien gij bij uw broer verlangt te blijven, dan zal ik echtgenooten voor u zoeken, en kasteelen voor u laten bouwen!”
Maar de twee broers dankten den koning en vertelden, dat zij reeds getrouwd waren en dat zij het zoeken naar hun verloren zusters wilden voortzetten.
De tsaar keurde dit besluit goed en nadat hij hun twee muilezels beladen met goud had gegeven, namen de twee broers afscheid en vertrokken zij. Spoedig begon de jongste broer aan zijn drie zusters te denken. Het zou hem leed hebben gedaan zijn vrouw te moeten verlaten om haar te gaan zoeken, en bovendien wilde de tsaar niet toestaan, dat hij het hof verliet. Maar de prins kwijnde langzaam weg door het verdriet over zijn zusters.
Op zekeren dag ging de tsaar op de jacht en zei tegen den prins: “Blijf in het paleis en neem deze negen sleutels en houd ze in uw zak. Gij kunt drie of vier kamers met deze sleutels openen; daar zult gij onmetelijke schatten aan goud, zilver en edelgesteenten vinden. Ja, indien ge het verlangt, kunt gij zelfs de acht kamers openen, maar waag het niet de negende open te sluiten. Indien gij dat deedt, dan zou het u slecht vergaan!”
Bash Tchelik.
Zoodra de tsaar het paleis had verlaten, begon de jonge prins de deuren van al de acht kamers te openen, de een na de ander, en waarlijk, hij vond veel goud, zilver en andere kostbare dingen. Eindelijk kwam hij aan de negende kamer en redeneerde bij zich zelf: “Ik heb veel buitengewone avonturen overleefd, nooit werd ik door iets verrast; waarom zou ik bang zijn mij in deze kamer te wagen?”
Na deze woorden opende hij de deur, en wat denkt gij, dat hij daar zag? In het midden van de kamer stond een vreemde man, wiens beenen tot aan zijn knieën in het ijzer zaten en zijn armen tot aan zijn ellebogen; in de vier hoeken der kamer waren kettingen bevestigd aan dikke balken en al de kettingen kwamen samen in een ring, die om den hals van den man zat, zoodat hij niet de minste beweging kon maken. Voor hem was een fontein, waaruit het water door een gouden pijp naar een gouden bassin stroomde. Naast hem stond een gouden kroes, ingelegd met kostbare steenen. Hoe sterk de man ook verlangde om van het water te drinken, hij kon zich niet ver genoeg bewegen om den kroes te bereiken. Toen de prins dit alles zag, was hij werkelijk verbaasd en ging terug; maar de man kreunde: “In ’s hemelsnaam, kom bij mij!”
De prins naderde en de man zei: “Doe een goede daad! Geef mij nu een beker water en wees er van verzekerd, dat ik u beloonen zal met nog een leven!”
De prins dacht bij zich zelf: “Is er iets beters, dan twee levens te bezitten?” Hij nam dus den kroes, vulde dien met water, en overhandigde hem aan den man, die gretig dronk. Toen vroeg de prins hem: “Zeg mij nu, hoe gij heet?” De man antwoordde: “Mijn naam is Bash Tchelik (Echt Staal).” De prins maakte een beweging naar de deur, maar weer smeekte de man hem: “Geef mij nog een kroes water en ik zal er u een tweede leven bij geven!” De prins dacht: “Nu, als hij mij een tweede leven geeft, dan zal ik er met het mijne mee drie hebben! Dat zal wonderbaarlijk zijn!” Daarom vulde hij opnieuw den kroes en overhandigde dien aan den vreemden gevangene, die hem gulzig ledigde. De prins wendde zich naar de deur, maar de man riep uit: “O, held, ga niet heen! Kom een oogenblik terug! Nu gij twee goede daden hebt gedaan, doe nu ook een derde en als belooning zal ik u een derde leven geven. Neem dezen kroes, vul dien met water en giet het over mijn hoofd!”
De prins zag geen enkele reden om dit te weigeren; hij vulde den kom met water, en goot het over het hoofd van den man. Nauwelijks had hij dit gedaan, of Bash Tchelik verbrak den ijzeren band om zijn hals, sprong snel als een bliksemschicht op en zie! hij had vleugels. Hij stormde naar de deur, voordat de verbaasde prins een beweging kon maken en nadat hij de dochter van den tsaar gegrepen had, de vrouw van zijn bevrijder, vloog hij de lucht in en verdween.
Toen de tsaar van de jacht terug kwam, vertelde zijn schoonzoon hem alles, wat er gebeurd was en de tsaar was werkelijk zeer bedroefd en riep uit: “Waarom hebt gij dit gedaan? Heb ik u niet gezegd de negende kamer niet te openen?” De prins antwoordde nederig: “Wees niet boos, ik zal Bash Tchelik gaan opzoeken, want ik wil mijn vrouw gaan halen.” Maar de tsaar ontraadde het hem, en zei: “Ga niet, voor niets ter wereld! Gij kent dezen man niet; het heeft mij menig leger gekost, voordat het mij gelukte hem gevangen te nemen. Blijf in vrede, waar gij zijt, en ik zal een nog betere vrouw voor u zoeken dan mijn dochter was, en wees er van verzekerd, dat ik u zal blijven liefhebben als mijn eigen zoon!” Maar de prins wilde niet luisteren naar den raad van zijn schoonvader; hij nam geld voor de reis mee, zadelde een paard en ging Bash Tchelik opzoeken.
De prins vindt zijn zuster.
Na eenigen tijd kwam de jonge man aan een stad. Voor het raam van een kasteel riep een meisje: “O prins, stijg van uw paard en kom naar onze binnenplaats!” De prins deed, wat hem verzocht werd; het meisje ontmoette hem op het plein en hij was ten hoogste verbaasd in haar zijn oudste zuster te herkennen. Zij omhelsden en kusten elkaar en zijn zuster zei: “Kom binnen, mijn broer.” Toen zij binnen waren, vroeg de prins aan zijn zuster, wie haar echtgenoot was en zij antwoordde: “Ik ben getrouwd met den koning der draken en hij heeft er een eed op gedaan, dat hij mijn broers zal dooden, zoodra hij hen ontmoet. Daarom zal ik je verbergen en hem eerst vragen, wat hij zou doen, indien je voor hem verscheen. Mocht hij zeggen, dat hij je geen kwaad zal doen, dan alleen zal ik hem van je tegenwoordigheid verwittigen.” Toen verborg zij haar broer en zijn paard. Tegen den avond vloog de draak naar huis en het heele huis straalde van licht. Zoodra hij binnen was, riep hij zijn vrouw. “Lieve, ik ruik menschenvleesch. Zeg mij dadelijk, wie hier is!” Zij antwoordde: “Er is niemand!” Maar de draak zei: “Dat is onmogelijk!” Toen vroeg zijn vrouw hem: “Antwoord mij naar waarheid: zoudt gij mijn broeders kwaad doen, indien een van hen hier zou komen, om mij te bezoeken?” En de koning der draken antwoordde: “Uw oudsten en uw tweeden broer zou ik slachten en braden, maar uw jongsten broer zou ik geen kwaad doen.”
Toen zei zij: “Mijn jongste broer, uw schoonbroer, is hier.” Daarop sprak de koning: “Laat hem binnen komen.” En toen de prins verscheen, strekte de koning zijn armen uit, omhelsde zijn schoonbroer en sprak: “Welkom, o broeder!” En de prins antwoordde: “Ik hoop, dat gij wel vaart!” Daarna vertelden zij elkaar al hun avonturen van het begin tot het einde en zetten zich aan het avondeten.
Eindelijk vertelde de prins zijn schoonbroer, dat hij Bash Tchelik zocht. De draak gaf hem dezen raad: “Ga niet verder! Ik zal u een en ander van hem vertellen; den dag, waarop hij uit zijn gevangenis ontsnapte, had ik met vijf duizend van mijn draken een ontmoeting met hem en na een hevig gevecht ontsnapte hij zegevierend. Gij ziet dus, dat er al heel weinig hoop voor u alleen is om hem te overmeesteren. Daarom raad ik u als vriend uw plan te laten varen en in vrede naar huis te keeren; indien gij geld noodig hebt, zal ik u geven, wat gij verlangt.”
Maar de prins antwoordde: “Ik dank u zeer voor al uw goede wenken en raadgevingen, maar ik kan niet anders doen dan Bash Tchelik gaan zoeken!” En hij dacht, “waarom zou ik het niet doen, daar ik drie levens te verliezen heb?”
Toen de koning der draken zag, dat hij hem niet kon overreden, gaf hij hem een veer, die hij droeg en sprak: “Neem deze veer en als gij ooit mijn hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal dadelijk met mijn geheele strijdmacht tot u komen.” De prins nam de veer dankbaar aan, en begaf zich weer op weg om Bash Tchelik te zoeken.
De tweede zuster.
Na een tijd gereisd te hebben kwam hij weer aan een stad; hij reed onder den toren van een prachtig kasteel, toen een raam werd geopend en hij een stem hoorde roepen:
“Stijg van uw paard, o prins, en kom naar onze binnenplaats.” De prins gaf onmiddellijk gehoor aan de uitnoodiging en toen hij het paleis binnenging, was hij ten hoogste verbaasd zijn tweede zuster te zien, die zich in zijn armen wierp en tranen stortte van vreugde. Daarna bracht zij haar broer in haar particulier vertrek en hij vroeg haar: “Met wien zijt gij getrouwd, lieve zuster?”
En zij antwoordde: “Mijn echtgenoot is de koning der arenden.” Toen de koning terugkeerde, verwelkomde zijn liefhebbende vrouw hem, maar hij riep dadelijk uit: “Wie is de vermetele man, die nu in mijn kasteel is? Zeg het mij onmiddellijk!” Zij loog en zei: “Niemand!” Toen begonnen zij aan het avondeten en de prinses vroeg aan haar echtgenoot: “Zeg mij naar waarheid: zoudt gij mijn broers kwaad doen, indien een van hen hier zou durven komen, om mij te bezoeken?” En de koning der arenden antwoordde: “Wat uw oudsten en uw tweeden broer betreft, ik verzeker u, dat ik hen zou dooden; maar uw derden broer zou ik welkom heeten en helpen zooveel ik kon.” Toen vatte zij moed en vertelde hem: “Mijn jongste broer, uw schoonbroeder, is hier om mij te bezoeken!” Daarop beval de koning aan zijn bedienden den prins bij hem te brengen en toen de bedienden gehoorzaamden en de prins verscheen, stond hij op en omhelsde en kuste zijn schoonbroeder en zei: “Welkom, mijn lieve schoonbroeder!” En de prins, getroffen door zijn vriendelijkheid, sprak zeer hoffelijk: “Dank u, mijn broeder! Ik hoop, dat het u goed gaat!” De koning verzocht hem dadelijk plaats te nemen aan tafel en na het avondeten vertelde de prins zijn wonderlijke avonturen en eindigde met te vertellen, dat hij Bash Tchelik zocht. Toen hij dit hoorde, raadde de koning der arenden hem zoo ernstig mogelijk zijn gewaagd plan af en voegde er aan toe: “Laat dien duivel met rust! Ik zou u aanraden hier te blijven; gij zult alles, wat gij verlangt, in mijn kasteel vinden.” Maar de vermetele prins wilde geen oogenblik naar dezen raad luisteren en den volgenden morgen maakte hij zich gereed om zijn reis te vervolgen en Bash Tchelik te zoeken. Toen plukte de koning, ziende dat het besluit van zijn schoonbroeder onwankelbaar was, een mooie veer uit zijn gewaad, overhandigde die aan zijn schoonbroer en zei: “Neem deze veer, o broeder, en indien gij ooit hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal u dadelijk te hulp komen met mijn geheele leger.”