← Table of contents
Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Register.

Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation

A.

Aanbidding. Van de zon en maan, vuur en bliksem, 28; van dieren, slangen, 29; van den draak, waarin de Zuidelijke Slaven verschilden met de Grieken, 29.

Adrianopel. Hetzelfde als Yedrenet, 124.

Adriatische Zee. Ivan Tzrnoyevitch zeilt over de—— naar Venetië, 135–143.

Adriatische kust. De Latijnen, Traciërs, Grieken en Albaneezen, door de Serviërs naar de—— gedreven, 9.

Agram. (Zagreb) Croaten vestigen in de zevende eeuw een bisdom te——, 21.

Albanië. Onderworpen door Doushan den Machtige, 13; George Kastriotovitch-Skandar-Beg strijdt voor de vrijheid van——, 15; Skadar, de hoofdstad van Noord——, 120.

Albaneezen, De. Door de Serviërs naar de Adriatische kust gedreven, 1; de boschgeesten gevreesd door——, 25; Arbanass een anderen naam voor——, 109.

Alexander. Onwaardige zoon van Milan; bestijgt den troon van Servië, 18; trouwt zijn vroegere maitresse, en wordt vermoord, 18.

Amouradh. Turksch Groot-Vizier; Prins Marko en——, 106–109.

Amouradh, Sultan, (bij verkorting Mourat) verslaat Knez Lazarus op de vlakte van Kossovo, 15; Vlah-Ali onafhankelijk van——, 122; verslagen door den Servischen held Voïvode Milosh, 173.

Anecdoten. Eenige populaire Servische—— 357–364; “De Heilige Petrus en het zand”, 357; “Waarom het Servische volk arm is”, 357; “De zigeuners en de edelman”, 357; “Waarom de priester verdronk”, 358; “De Era van de andere wereld”, 359; “Ieder moet een ambacht verstaan”, 361.

Anjou, Karel van. Prins Ourosh onderhield vriendschappelijke betrekkingen met het Fransche hof van——, 120.

Antivari. Ivan Tzrnoyevitch noodigt alle helden in de provincie—— op de bruiloft van zijn zoon, 139.

Apostelen. De Grieksche priesters en monniken bereiden den grond voor de groote Slavische——,35; Cyrillos en Methodius, de twee Slavische——, 35.

Appel, De. Een symbolische gave, die in Servië het meisje wordt aangeboden door den jongeman, die aanzoek doet om haar hand, 243.

“Appelboom, De gouden”. Een Servisch volksverhaal, 265–273.

Arbanass. Andere naam voor Albanië, 109.

Aartsengel Michael. De—— en de Dood, 37; Kolyivo wordt niet bereid voor den——, 46.

Athos, Berg. Vasso, de abt van den——, vindt het lijk van Marko, 119.

Avala. Een berg bij Belgrado, 177.

Azof, Zee van. De Serviërs leefden ten Noord-Oosten van de—— 9.

B.

“Badgnak”. De eikeboom, door de Serviërs met Kerstmis gebruikt, 51.

“Badgni Dan”. De Servische naam voor den dag voor Kerstmis, 51.

Bajazet. Zoon van Sultan Amouradh, 15.

Balcius. Gelatinizeerde vorm van Baux, 120; aan het hof te Napels veranderd in Balza, 120.

Balkan schiereiland. De vestiging der Serviërs in het——, 9.

Balkan Streken. Koninkrijken, die in de—— gelegen zijn, 9.

Balkan oorlog. De toewijding voor de gewonden van mevrouw C. H. Farnam gedurende den—— 61; verwijzing naar de wapenfeiten der Serviërs gedurende den——, 175.

Balkanstaten. Heldenverhalen uit de—— zijn de uitdrukking van de idealen, die het Servische ras bewaard heeft, 19; verklaring van het verval der oude aristocratie in de——, 21.

“Balkanstaten, de keizerin der”. Drama door koning Nicholas I Petrovitch van Montenegro, 135.

Balladen. Servische barden improviseeren——, waarin de daden van koning Nicholas I Petrovitch in Montenegro bezongen worden, 121; “Het huwelijk van Maximus Tzrnoyevitch”, de edelste en beroemdste Serviër, 135; het slot van de balladen der Servische en Montenegrijnsche barden, 183; historische aanteekening op de ballade “Het huwelijk van koning Voukashin”, 192; opmerking omtrent het thema van “De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch”, 193; “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194–195; drie Servische—— (1) “De bouw van Skadar” (scoetari), 197; (2) “De stiefzusters”, 204; (3) “De ontvoering van de schoone Iconia,” 208.

Balshitch. Nicholas I Petrovitch, koning van Montenegro, stamt af uit een zijlinie van——, 121.

Balza. Gelatinizeerde vorm van Balcius (Baux), 120.

Ban. De oorspronkelijke titel der regenten van Bosnië, 14.

Banaat. Een der Servische provincies in Oostenrijk-Hongarije, 9.

Banovitch Strahinya. De ballade, betrekking hebbende op——, een der schoonste, in de Middeleeuwen door barden gevonden, 120; historische data, 120–121; eenige Servische historici zijn de meening toegedaan, dat—— werkelijk de doorluchtige Strashimir Balshitch-Nemanyitch was, 120; —— geprezen als: “een valk zonder weerga”, 121; Dyogo, het trouwe paard van——, 121; Caraman, de onafscheidelijke hazewindhond van——, 121; —— bezoekt Youg Bogdan, 121, 122.

Banyska. (Heer van klein), titel, die een derwisch aan Banovitch Strahinya geeft, 123.

Barden. (1) Servische—— De Servische—— houden zich nu bezig met de heldendaden van helden in den tegenwoordigen tijd verricht te Monastir, Koumanovo, Perlep (Prilip), Scoetari (Skadar) enz., 176; het slot der balladen van—, 183; het woord “boek” wordt onveranderlijk door de—— van de veertiende eeuw gebruikt voor brief, 185.

(2) Montenegrijnsche——, het stereotiepe slot hunner balladen, 183.

Baardeloos. De verpersoonlijking van listigheid en verraderlijkheid in het Servische volksverhaal “Liegen voor een weddenschap”, 280.

Bash Tchelik. (Echt staal). Een Servisch volksverhaal 245–265; —— belooft drie levens aan den Prins; ontvoert de gade van zijn bevrijder, 255–257.

Basilius I, keizer. De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven tot het Christendom geschiedde door——, 34.

Batchka. Een van de Servische provincies in Oostenrijk-Hongarije; 9.

Baux, Des. Strashimir-Balshitch-Nemanyitch een afstammeling van de oude Provencaalsche familie——, 120; in vroegere geschriften is de naam gelatinizeerd tot Balcius; verondersteld wordt dat de Italiaansche Seigneurs des Baux, die door hun huwelijk met het koninklijk huis van Nemanyitch verbonden werden en die zich in de Servische landen neerzetten; later hun geslachtsnaam veranderden in Balsha of Balshitch, 120.

Baux, Hugues De. Een Fransch ridder, 39.

Bazar, Relya van. Een Servisch ridder; Bogdan de Bullebak en—— 88–89.

Beata Maria. De heilige Elias vraagt de redenen van haar groote smart, 194; de heilige Elias troost——, 195.

Bedevia. De merrie van den Moorschen hoofdman, 81; Sharatz en—— 81, 82, 83; de merrie van Bogdan den Bullebak, 88; naam van de merrie, die Ivan Tzrnoyevitch aan Milosh Obrenbegovitch schonk, 143; de merrie van voïvode Balatchko, 168.

Bedrog. Vook Brankovitch’s——, tegen Knez Lazar, 14.

Begrafenis-gebruiken. Beschrijving van—— onder de Slaven, Serviërs, etc., 31–33.

Belgrado. Zegevierende intocht van het Servische leger na den Balkanoorlog van 1912–13, in——, 175; een veela waarschuwt Stephanus en Demitrius Yakshitch voor den Turkschen aanslag op——, 177; Stephanus Yakshitch en Haykoona ontvluchten naar——, 183.

Berlijn. Op het beroemde congres van—— wordt de onafhankelijkheid erkend van Servië tijdens de regeering van Milan, 18.

Beroep, Een. “Ieder moet een ambacht verstaan.” Een Servische volksanecdote, 361–364.

“Beroep dat niemand kent, Het”. Een Servisch volksverhaal, 337–349.

Bertrandon de la Broquière, Chevalier hoorde in 1433 van de Grieken te Trajanopel, dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, 33.

Bind. Illyrische God; naar aanleiding van de overlevering betreffende den Prins Ivan Tzrnoyevitch, 31.

Bijgeloof. Der Serviërs en nationale gebruiken, 20–56.

“Bijter gebeten, De.” Een Servisch volksverhaal, 324–336; de honderd dochters in, 327; de huwelijksprocessie, 329; de Zwarte Reus in—— 330; de oude vrouw ontmoet den ouden man in een bosch bij de Ongelukkige rivier, 331; de Zwarte Reus koopt de koe, 335.

Blinden. In Servisch Hongarije zijn scholen voor——, waar nationale balladen worden geleerd, 59.

“Bochtchaluks.” Servische benaming van huwelijksgeschenken, 38.

Bodin, Koning. Zoon van Michaylo; ontvangt zijn titel van paus Gregorius VII, 11; herstelt het Servië van Tchaslav en voegt Bosnië aan zijn rijk, 11.

“Bogdan de Bullebak”. Marko en——, 88–89.

Bogdan, Youg. Bejaarde schoonvader van Banovitch, 121–122; kasteel in Kroushevatz de verblijfplaats van—— 121; een van zijn schoonzoons stamt in rechte lijn af van koning Nemanya, 121; Strahinya keert terug naar——, nadat hij Vlah-Ali heeft verslagen, 129.

Bogoumils. Protestanten van de Grieksch-Orthodoxe kerk, die zich later in Bosnië vestigden, 12.

“Bojitch”. Beteekent “de kleine god”, Servische naam voor Kerstfeest, 53.

Boshko Yougovitch. Een van Tsarina Militza’s negen broeders, 170; weigert om bij haar te blijven terwijl Tsaar Lazarus naar het slagveld van Kossovo vertrekt, 171.

Boshnyaks. Serviërs, die Bosnië bewonen; worden beschouwd als de meest typische Serviërs, 20.

Bosnië. Koning Bodin voegt—— bij zijn rijk, 11; Ban Koulin op den troon van—— geplaatst, 11; Stephanus Tomashevitch koning van——, 15; de onderwerping van—— was een voldongen feit in 1463; 15; de Padisha biedt Stephanus Yakshitch aan hem Groot-Vizier van—— te maken, indien hij het Heilige Kruis verzaakt, 179.

Bosnië en Herzegovina. Een van de koninkrijken in de Balkanstreken, 9; Servische tegenspoed op de vlakte van Kossovo, voornamelijk te wijten aan de ongehoorzaamheid der Servische Heeren uit——, 175.

Bowring, Sir John. Aanhaling van drie gedichten uit zijn “Servian popular Poetry”, 197–210.

Boyana. rivier, waaraan de vesting van Skadar ligt, 185, 197.

Brankovitch, Dyourary. Neef van Vook Brankovitch, 15; dood van—— 15.

Brankovitch Vook (Wolf). Verraadt Prins Lazarus, 15; dood van——, 15; tsarina Militza en de dood van—, 173; —— wordt door de barden verantwoordelijk gesteld voor de groote ramp, die het Servische leger op de vlakte van Kossovo trof, 174.

Bregovo, stad; Marko en Milosh te——, 106.

Bruid. De—— wordt in Servië door een harer broeders aan haar bruigom geschonken, 246.

Bulgarije. Een provincie van Servië onder Stephanus Detchanski, 13; oorlog tusschen—— en Servië, 18; Shishman, koning van——, 96.

Bulgaren. Serviërs een gemakkelijke prooi voor de aanvallen der—— 9.

Bullebak, De. Bijnaam voor Bogdan, 88–90; Albaneesche naam voor——, Kessedjiya, 109; zijn dood op den top van den berg Katchanik, 116.

Byzantijnen. De Serviërs onderworpen door de——, 10; christendom diep wortel geschoten bij de——, 21; Peroon, de Russische god van den Donder, 21.

Byzantijnsche Keizerrijk. Verovert Bulgarije en Rashka, 10; Doushan de Machtige verovert bijna het geheele—,13; Prins Ourosh beproeft een verdrag tot stand te brengen tusschen de Serviërs en Franschen om het—— te verdeelen, 120.

C.

Caraman. De hazewindhond van Banovitch, 121, 122; —— staat Banovitch bij tegen Vlah-Ali, 128.

Christendom. Bekeering van heidensche Servische stammen tot het——, 9; Heidendom en—— van de Zuid-Slavische volken, 21; een aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom overgegaan, 21; een nieuw—— in Rusland door toovenaars ondermijnd, 30; het symbool van het—— is het kruis, 32; verbreiding van het—— 33; Moraviërs bekeerd tot het—— 35; het bijgeloof in de Balkanstaten sterker dan het——, 35.

Christenen. Verwijzing naar veldslagen tusschen Turken en——, 13; ellende van de—— onder het Turksch bestuur, 16; kwade geesten en——, 25; Prins Maximus en Yovan Obrenbegovitch gebruikt in den strijd tegen de——, 150; pogingen van Ottomaansche staatslieden om ontevreden—— afvallig te maken van hun rechtmatige heeren, 84.

Christus. Evangelie van—— vertaald in het Servisch door Cyrillos en Methodius, 9.

Cinderella. Zie Pepelyouga en Marra, 222–225.

Congres van Berlijn. Het beroemde—— erkende de onafhankelijkheid van Servië gedurende de regeering van Milan, 18, 19; maakt melding van een der ringen van Veela, 23.

Constantinopel. Veroverd door kruisvaarders, 12; doode lichamen verbrand gedurende het beleg van—— 31; Cyrillos, een professor in de philosophie aan de universiteit van het Keizerlijk Paleis te——, 35; de Turksche naam voor—— is Istamboel. 75.

Courtenay, Huis van. Helene, echtgenoote van Ourosh, een Fransche prinses uit het——, 120.

Croatië. Een der Oostenrijk-Hongaarsche provincies, 9.

Croaten. In de zevende eeuw bekeerd tot het Christendom, 21.

Cyrillos. Methodius en——, de zoogenaamde Slavische apostelen, die het Evangelie van Christus vertaalden in de oude Slavische taal 9–35.

D.

Daden. “Goede daden zijn onvergankelijk”. Het Servische volksverhaal, 288.

Daedalus. In Servische balladen met keizer Trajanus verward, 33.

Dalmatiërs. Een zeevarend volk, dat alleen den Heiligen Nicolaas aanbidt, 55.

Danitza. De morgenster; de verschijning van—— drijft den Zmay van Yastrebatz op de vlucht, 131; —— in “De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch”, 177.

Danskringen. (Vrzino kollo). De veele en haar——, 23; de—— op den berg Kom in Montenegro, genaamd Vilino Kollo, 23.

Daybog. (De Zonnegod) De Russische naam is Daszbog—— letterlijk “Geef, o God!” 22; voor de Serviërs de verpersoonlijking van zonneschijn, leven en voorspoed, 22; bij de Zuid-Slavische stammen geen overblijfselen gevonden van—— 22; Kerstfeest en—— 53.

Dessimir. Koning Vukashins trouwe dienstknecht——, 198.

“Dever”. De geleider van de Servische bruid, 41.

Diascevastes. De geleerde——uit het tijdperk van Pisistratus, 58.

Dieren. De koning verklaart den oorlog aan de——; in het Servische volksverhaal “Dieren als vrienden en vijanden”, 309, 310.

“Dieren als vrienden en als vijanden”. Een Servisch volksverhaal, 302–304.

Dieren, De——raad. In het Servische volksverhaal “Dieren als vrienden en als vijanden”, 304, 306.

Dieren, De koning van de. Held in een Servisch volksverhaal, 228.

Dieren, Taal der——. Een Servisch volksverhaal over de——, 227.

Diocletianus, keizer. Verwijzingen in Zuid-Slavische legenden naar——, 33.

“Divan”. Wordt in Servië elke vergadering van een regeeringslichaam genoemd. In de ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten” beteekent—— Laatste Oordeel. 195.

Djelat, (de beul). Stephanus Yakshitch dreigt met den——, 180.

Dobrivoy. Knecht van Theodorus van Staletch, 209.

Dochters. De honderd dochters in het Servische volksverhaal: “De bijter gebeten”, 327.

“Doda” of “Dodola”. Godsdienstige plechtigheid in verband met de lievelingsgoden van den Regen, 55.

Don, De Rivier. De Serviërs woonden aan de oevers van den—— 9.

Donau. Wordt verhaald hoe Sharatz over de—— zwemt, 92; Marko verdrinkt een deel van Voutcha’s leger in de——, 93.

Donderaar, De. Naam van Elias, 104.

Dood. Feest ter eere van den—— gedurende den vastentijd, 56; de aartsengel Michael en de——, 37.

Dourmitor. De berg——, 185.

Doushan, De Machtige. Onttroont zijn vader, Stephanus Detchanski, 13; vampieren en de code van—— 28; de trouweloosheid van Voukashin tegenover—, 64; —— werd tot zijn laatsten snik bijgestaan door aartsbisschop Nedelyko, 70; het huwelijk van——, 151–169; —— stuurt Theodorus zijn kanselier naar koning Michael van Ledyen, 151; —— dingt naar de hand van prinses Roksanda, 151; de twee voïnovitsch Voukashin en Petrashin, neven van——, 152; Milosh, de schaapherder voegt zich bij de huwelijksprocessie van——, 156; de vier proeven door Milosh den schaapherder ondernomen om prinses Roksanda te winnen, 160–166; herinnering aan de ontworsteling der Serviërs tegen hun Turksche onderdrukkers, waardoor het rijk bijna even uitgestrekt werd als onder——, 176.

Dragomir. Djoupan van Trebinye, vader van Stephen Voïslav, 10.

Dragoutin. Zoon van Ourosh den Groote; onttroont zijn vader en wordt koning van Servië, 12; schenkt bij zijn leven den troon aan zijn broer Miloutin, 12; neemt den titel aan van koning van Sirmië, 12; staat zijn troon af aan zijn broeder Miloutin, 12.

“Droom van den koningszoon, De.” Een Servisch volksverhaal, 318–324.

Ducaydin, Vlakte van. Als leengoed gegeven aan Mehmed-Bey Obrenbegovitch, 150.

Duivels, (dyavo). Als heidensche goden beschouwd, 19.

Dyogo. Trouw paard van Banovitch, 121, 122, 123; —— stelt Banovitch in staat aan Vlah-Ali’s speer te ontkomen, 127.

E.

Elias, St. (Elijah). Servische boeren gelooven, dat de god Peroon nog leeft in den persoon van——, 13; Kolyivo wordt niet bereid voor——, 46; genoemd in de Servische ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194,195; den bliksem en den donder gekozen door——, 195.

Era. De naam, die gegeven wordt aan de boeren van het district Ouzitze (West-Servië); zij worden als zeer listig en sluw beschouwd, en zouden de Ieren van Servië genoemd kunnen worden, 359; “De Era van de andere wereld”. Een Servische populaire anecdote, 359–361.

Europa. De Turk bijna verdreven uit—— onder de roemrijke regeering van Koning Peter I, 19.

Evangelie. De Slavische vertaling van het—— geeft den naam Acharobnitzi aan de drie Heilige Koningen, 30; Cyrillos vertaalt het Evangelie, 35.

F.

Farnham, mevrouw C. H. Haar belangstelling in het boek van Vouk over Servische nationale gedichten, 61.

Feest. Het Slava——, 45, 46.

Folklore. Verhalen van Servische——, 211–226; “De Ram met de gouden vacht”, 211–218; “Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde”, 218–222; “Pepelyouga”, 222–227; “De taal der dieren”, 227–333; “De stiefmoeder en haar stiefdochter”, 233–239; “Recht en onrecht”, 238–240; “Wie weinig vraagt, ontvangt veel”, 241–244; Bash Tchelik (Echt staal), 245–264; “De gouden appelboom en negen pauwinnen”. 265–280; “Het vogelmeisje”, 278–280; “Liegen om een weddenschap”, 280–284; “Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar”, 284–288; “Goede daden zijn onvergankelijk”, 288; “Hem, wien God helpt kan niemand kwaad doen”, 297–301; “Dieren als vrienden en als vijanden”, 302–312; “De drie vijvers”, 313–318; “De droom van den koningszoon”, 318–323; “De bijter gebeten”, 324–327; “Het beroep, dat niemand kent”, 337–348; “De tweelingen met de gouden haren”, 349–356.

Franken. De Serviërs een gemakkelijke prooi van de——, 10.

Fransche Prinses; Helene echtgenoote van Ourosh een——, 120; Hof van Karel van Anjou en prins Ourosh, 120; Ourosh tracht een verbond tot stand te brengen tusschen de Serviërs en de Franschen, 120.

G.

Galicië. De Serviërs leefden als een patriarchaal volk in het land, dat nu bekend is als——, 9.

Geesten.—— Goede en Kwade. Het Servische geloof in——, 25–28.

Gebruiken, Begrafenis. Beschrijving van begrafenisgewoonten bij de Slaven, Serviërs enz., 31.

Gebruiken, nationale. De voornaamste van de—— der Serviërs; het huwelijk, 37–45; Slava (Krsno Ime), 35–57.

Gebruiken, Servische. Bijgeloof en nationale gebruiken, 20–57; een broeder geeft de bruid aan haar bruigom, 246.

George’s Dag, St. Servische naam Dyourdyev Dan. Vreemde tooverkunsten uitgeoefend op——, 56.

God. De Veele geloofden in—— en den Heiligen Johannes, 24; de sleutels van den hemel aan de Heiligen gegeven door——, 196; de gramschap van——, 195; “Hem, wien God helpt kan niemand kwaad doen”, een Servisch volksverhaal, 297–301 etc.

Goden. Peroon, de God van den Donder, 21; Volos, de god van het vee, 22; Daybog, de zonnegod, 22–23.

Godsdienstige ceremoniën bij de offers gebruikt, De. Juiste terminologie van—— door vertalingen van Grieksche heiligen-legenden, 30; het brengen van menschenoffers bij de Russen, Poolsche Slaven, Serviërs enz., 31.

“Goede daden zijn onvergankelijk”. Een Servisch volksverhaal, 288.

Goethe. Een van Vouh’s nationale balladen werd vertaald door——, 58.

Goletch. De berg van——; de derwisch verzekert, dat hij Banovitch Strahinya zelfs zou herkennen op den top van den——, 123; Banovitch Strahinya rijdt naar den berg——, 125.

Colouban. De knecht van tsaar Lazarus, die tsarina Militza ondersteunt, 171, 172.

Gooslar. Een Servische nationale bard, 54–67.

“Gorsky Viyenatz”. (“De bergkrans”.) Het meesterwerk van den Servischen dichter Peter Petrovitch, 60.

“Goussle”. Een primitief instrument met een snaar, dat in elk Servisch huis wordt gevonden, 60; in den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten 1912–13 werd de—— gebruikt bij het voordragen van de heldendichten vooral van die, welke op Marko betrekking hebben 67.

Goyko, Voïvode. De opvolging in het keizerrijk betwist door——, 69–74.

Gramschap. God’s—— in de Servische Ballade “De Heiligen verdeelen de schatten”,—— 195.

Gregorius VII, Paus. Geeft Michaylo den koningstitel.

Grieken, De. Door de Serviërs gedreven naar de Adriatische kust 9.

Grieksche Nimfen. De Veele vergeleken met——, 23.

Groote Mogendheden, De. Nicholas I Petrovitch van Montenegro werd genoodzaakt Skadar te ontruimen door——, 121.

H.

Haan, De. Oordeel van den haan over den man die de gave bezat de taal der dieren te verstaan, 233.

“Hadjis.” Turksche naam voor pelgrims, 110.

“Haïdooks”. Roofridders; heldendaden van—— bezongen door beroepsbarden, 59.

Haykoona. Dochter van den vizier van Novi Bazar, 181; Stephanus Yakshitch weigert het “water der vergetelheid” hem aangeboden door——, 181 182; ——bekent haar oprechte liefde voor Stephanus Yakshitch en stelt hem in staat te ontvluchten, 182, 183.

Heidendom. Godsdienst en—— 21–57; slechts ten deele verdwenen uit de Balkanstaten, 35.

Heksen. Vrouwelijke kwade geesten, die onverzoenlijk vijandig zijn aan mannen en kinderen, 26, 27; de oude—, in het Servische volksverhaal “Het Vogelmeisje”, 278, 280.

Helden. De aandacht van Servische barden is nu gevestigd op de heldendaden van moderne—te Monastir, Koumanovo, Periep (Prilip), Scoetari (Skadar) enz. 176.

Helene. Een Fransche prinses uit het huis Courtenay, echtgenoote van prins Ourosh, 120.

Helene, Koningin. Moeder van Prins Marko, de Servische troubadours noemen haar Yevrossima (Euphrosyne), 63.

Hemel. De Heiligen verdeelen de schatten des——, 194–196; de sleutels der—— door God aan de Heiligen gegeven, 196; de Heiligen sluiten de zeven Hemelen, 196.

Heraclius, Keizer. Staat provincies af aan de Serviërs, 9; de Serviërs namen het christelijk geloof aan onder de regeering van—— 34.

Herzegovina. De onderwerping voltooid in 1482, 15; koning Voukashin zendt een boek (brief) naar——, 183.

“Hodja”. Turksche naam voor priester, 110–180.

Homerus genoemd, 58.

Hongarije. Duizenden Servische families vertrokken naar Hongarije onder het tiranniek Turksch bestuur, 16.

Hoossein. De vertrouwde dienstknecht van den Vizier van Novi Bazar, 180.

Horea Margi. Zou de hoofdstad zijn van den staat, dien de Serviërs in de negende eeuw stichtten, 10.

Huwelijk. De huwelijksgebruiken in Servië, 37–44.

Huwelijksschatting. Prins Marko schaft de—— af, - 84–88.

I.

“Ich, Itch of Ic”. De eigenaardige uitgang van de meeste Servische familienamen, 120.

Iconia Dochter van Prins Miloutin; Theodorus van Stalatch ontvoert——, 208–210; verloofd met George Irene, voor Sredoi, 209.

“Iconia, De ontvoering van de schoone” Een Servische nationale ballade uit Sir John Bowrings Servian Popular Poetry, 208–210.

Ieren. Van Servië; de boeren van het district Ouzitze (West-Servië) zouden genoemd kunnen worden de——, 359

Ilias, De. Verwezen naar den——, 58.

Indië. Beata Maria vertelt aan den Heilige Elias van haar terugkomst uit——, 194.

Irene, George. Iconia beloofd aan—— voor Sredoi, 209.

Islam. De Serviërs onder Turksch bestuur gedwongen den—— te omhelzen, 16; Maximus Tzrnoyevitch dreigt den—— te omhelzen, 150; Stephanus Yakshitch weigert het geloof van den—— te omhelzen, 182, 183.

Issaya. De dienaar van den abt Vasso, 119.

Istamboel. Turksche naam voor Constantinopel, 75, De Moorsche hoofdman vraagt de dochter van den Sultan van——, 74–88, Moussa Kessedjiya te——, 109; Prins Maximus dreigt naar—— te zullen gaan teneinde den Islam te omhelzen, 150.

Istrië. Een van de provincies van Oostenrijk-Hongarije, 9.

Ivanbegovitch, Scander-Beg. Turksche naam voor Prins Maximus Tzrnoyevitch, 150.

Ivan Kosantchitch. Zie Kosantchitch.

Ivan Tzrnoyevitch (zie Tzrnotchitch). Overlevering betreffende de rivier van Tzrnoyevitch en—3.

J.

Jagers. Prins Marko en de Turksche —, 106, 109.

Jezus, de Heer. Stephanus Yakshitch verkiest zijn leven te verliezen voor—liever dan een Turk te worden, 180; gaf zijn belofte van trouw aan prinses Haykoona in den naam van—, 183.

Johannes, de Heilige. De Veele geloofden in—, 24; de prinses doet een beroep op Prins Marko in den naam van—, 78; de Veela Ranyoylo doet een beroep op Marko in den naam van—, 106; in de Servische ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194; broederschap en koomschap gekozen door—, 195;—in “Recht en Onrecht”. Een Servisch volksverhaal, 238, 239.

K.

Kadi. Ottomaansch rechter, 180.

Kami (of bileg). Zoo werden in de Middeleeuwen grafsteenen genoemd, nog in grooten getale in Herzegovina, Dalmatië enz. gevonden, nu stetyak of mramor genoemd, 32.

Kanonnen. Krgno en Zelenko, de twee beroemde—van Ivan Tzrnoyevitch, 141.

Karadtisch, Vouk Stephanovitch. Zie Vouk Stephanovitch Karadgitch.

Karageorgevitch, Alexander Zoon van Karageorge Petrovitch, 17.

Karavallahia, het land. Milosh de Schaapherder moet zeggen, dat hij komt uit—, 156.

Kastriotovitch-Skander-Beg. George. Een Albaneesch hoofdman, die met succes streed voor de vrijheid van Albanië, 15.

Katchanik. Marko rijdtnaar de engte van—teneinde Moussa te ontmoeten; de dood van Moussa, den Bullebak, op den berg—, 116.

Kerk, de. De Grieksche—, waartoe alle Serviërs, ook de bewoners van Montenegro, Macedonië, enz. behooren, 33; de—in de Servische ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194.

Kerstmis. Servische gewoonten met—, 50—54.

“Kessedjiya”. Vechter of Bullebak. De bijnaam van een Albaneesch roofridder, Moussa, die opstond tegen den sultan, 109.

Keystut. Broeder van den Groot-hertog Olgerd; zijn begrafenis was het laatst vermelde voorbeeld van een heidensche begrafenis, 32.

Klissoura. De Huwelijksprocessie van tsaar Doushan bereikt—, 158; de strijd om Koulash te—, 159, 160.

Knez. Prins, 14.

Koe. De zwarte reus koopt de Koe; beschreven in het Servische Volksverhaal “De Bijter gebeten”, 324.

“Kolatch” een koek, die gegeten wordt op heiligdagen, 46.

“Kollo”. De Servische nationale dansen, 45, 56.

Kollo, Vrzino. Naam gegeven aan den kring, waarbinnen de Veele dansten, 23.

“Kolyivo”. Iets dat gedood is met het mes; de Slava koek, 46.

“Koom”, De hoofdgetuige bij Servische huwelijken, 41; Beata Maria klaagt over een broeder-koom, die valsche getuigenis aflegt, 194, 195.

Koopinovo. Een dorp op de vlakte van Sirmië, waarin Zmay—Despoot Vook leefde, 131.

Kosantchitch, Ivan. Generaal Voutcha en—, 91—96.

Kossovo. Vouks nationale gedichten blijven stilstaan bij den roem van het Middeleeuwsche Servische rijk, die verloren ging op het noodlottig slagveld van—, 59; de droom van de Sultana over—, 76; Marko en het meisje uit—, 84—88; Marko, Relya en Milosh rijden uit van—, 88; Banovitch hoort dat horden Turken gekampeerd zijn op de vlakte van—, 121; Banovitch valt de Turken aan op de vlakte van—, 121—129; de huwelijksprocessie van tsaar Doushan rijdt over de vlakte van—, 153; Milosh neemt afscheid van tsaar Doushan midden op de vlakte van—, 169; tsaar Lazarus levert een slag op de vlakte van—, 170,171; dood van tsaar Lazarus op de vlakte van—, 172,173; historische aanteekening over den Ottomaanschen invloed op de boerenbevolking van Bosnië en Herzegovina ten tijde (1389) van den slag van—, 184.

Koulash. Paard van Petroshin Voïnovitch, bereden door Milosh den schaapherder toen hij zich voegde bij de huwelijksprocessie van tsaar Doushan, 155, 156; de wondervolle sprong van—bewonderd door Voutché van Dyakovitza, Yanko van Nestopolyé en anderen, 158; het gevecht om—te Klissoura, 158, 159, 160.

Koulim Ban. Geplaatst op den troon van Bosnië, 11.

Koumanovo. Vermaard slagveld, waarop in 1913 meer Turken omkwamen dan vijf eeuwen geleden Serviërs, 175.

“Kraly”. Servische naam voor Koning, 197.

“Krgno” en “Zelenko”. De twee vermaarde kanonnen van Ivan Pzrnoyevitch, 141.

Kroushevatz. I. Kasteel in—; residentie van Youg Bogdan, 121; II Kasteel in—de residentie van Tsaar Lazarus, 131; Tsaar Lazarus verzoekt den Zmay-despoot Vook te komen naar—— 132; III. de hoofdstad van het uitgestrekte Servische rijk gedurende de regeering van tsaar Hrebélianovitch ten tijde van den beroemden veldslag van Kossovo (A.D. 1389), 171; Boshko Yougovitch verzekert dat hij, al hij kreeg hij——, niet van Kossovo wilde wegblijven, 171.

Kroushevo. Een vlakte, waarover de Zmay Yastrebatz vliegt naar den toren van de tsarina, 131; de Zmay-despoot bereikt——, 132.

Kustandil. Veele-kring tusschen Vranya en—— genoemd bij het verdrag van Berlijn 23.

L.

Lale. De populaire naam voor Serviërs, die in Batchka en Banaat wonen, 157.

Latijnen, De. Door de Serviërs gedreven naar de Adriatische kust, 9.

Lazarus Knez Verkoren tot heerscher over Servië, 14; sluit een verbond met Ban Tvrtko tegen de Turken, 14; verslagen door Sultan Amourath, 14.

Lazarus Tsaar. De tsarina Militza vertelt aan—— van de omhelzingen van haar minnaar, den Zmay van Yastrebatz, 130–134; de Zmay Despoot Vook in de tarwevelden van—— 132,

Lazarus, I. Van Bethani. Gedichten op de opstanding van——, 56. II. Tsaar——. De tsarina Militza en—— 170–176; zijn vertrek naar het slagveld van Kossovo, 170, 171; zijn roemvolle dood, 173, 174; historische aanteekening over—— 174, 176; wat tsaar—— verloor herwon Koning Peter I, 176.

Ledyen. Tsaar Doushan stuurt Theodorus naar Koning Michael van——, 151; Milosh de Schaapherder vervolgt den kampioen van den Venetiaanschen koning tot aan de poorten van——, 162; Milosh rijdt om de tweede proef te volbrengen naar de weide van——, 164; aan Voïvode Balatchko wordt opgedragen Milosh te bevechten door den koning van Ledyen, 168.

Legenden. De invloed op Zuid-Slavische volken van Grieksch-Oostersche en Christelijke mythen en——, 21; vele elementen uit de Grieksche en Romeinsche legenden gingen in die der Zuid-Slavische over, 33.

Liefde. Lado, oy, Lado-leh, refrein, dat waarschijnlijk de naam is van de oude Slavische godheid der liefde, 56.

Liefde. De—— van de zuster voor haar broer is spreekwoordelijk in Servië, 170.

“Liegen om een weddenschap”. Een Servisch volksverhaal, 280–284.

M.

Macedonië. Een van de provincies van de Balkanstreken, 9.

Magyaren. Prins Marko en de——, 94–96.

Marko Krazyevitch. Riep zich zelf tot koning van de Serviërs uit; oudste zoon van koning Voukashin, 13–61; helpt de Turken tegen de Christenen, 14; gesneuveld in den slag van Rovina, 14; begiftigd met bovenmenschelijke kracht; hem werd door een veela een wonderbaar paard, Sharatz, geschonken, 24; zijn gasten op zijn Slavadag, 50; de goussle en de heldenfeiten van——, 61; koningin Helene moeder van——, 63; volgens de traditie zoon van een veela en een Zmay, 63; de meest geliefde der Servische helden, 63, 64; deugden van——, 64; de traditie verheerlijkt hem als de getrouwe verdediger van prins Ourosh, 65; Serviërs gelooven, dat hij zal terugkeeren om het Middeleeuwsche keizerrijk te herstellen, 67; zijn verschijning bij den slag van Prilip (1912) 68, 69; zegt aan wien het keizerrijk zal behooren, 69, 70; vervloekt door zijn vader, 73; de Moor en——, 74–76; de Sultana droomt over——, 76; de huwelijksbelasting vernietigd door——, 84–85; Bogdan de Bullebak en——, 88–90; generaal Voutcha en——, 91–92; huwelijksprocessie van——, 96–102; de Moorsche prinses en——, 102–103; de veela Raviyoyla en——, 104–105; de Turksche jagers en——, 106–107; Moussa Kessedjiya en——, 109–111; de dood van——, 116–117.

Marra. Andere naam voor Pepelyouga (asschepoester), 224–227.

Maximus Tzrnoyevitch. Zie Tzrnoyevitsch.

Mehmed. Turksch groot-vizier; Vlah-Ali onafhankelijk van——, 122.

Meisje, dat wijzer is dan de tsaar, Het. Een Servisch volksverhaal, 284–285.

Methodius. Cyrillos en—— de zoogenaamde Slavische apostelen, die het Evangelie van Christus vertaalden in de oude Slavische taal, 9–35.

Michael. Koning van Ledyen, vader van prinses Roksanda; tsaar Doushan dingt naar de hand van Roksanda, 151; Theodorus doet den tsaar verslag van zijn zending aan den koning van Ledyen, 152–153.

Michael, Aartsengel. De dood en——, 37; kolyivo wordt niet bereid voor——, 46.

Michaylo. Zoon van Stephanus Voïslav; krijgt den titel van koning van den paus Gregorius VII, 2; koning Bodin zoon van——, 3.

Michel. (Servisch Mihaylo). Zoon van Milosh Obrenovitch; volgt zijn vader op als vorst van Servië, 17.

Michael III, keizer. Zending van Cyrillos en Methodius naar——, 35.

Middeleeuwen. “Banovitch Strahinya” een van de schoonste balladen, door Servische barden, gedurende de——, 120.

Mijatovitch, Mevrouw C. Servische Folklore van——, 302.

Milan. Volgt zijn neef Michael op als vorst van Servië, 18; oorlog van 1876–78 tegen Turkije door——, 18; erkenning van de onafhankelijkheid van Servië door het Congres van Berlijn gedurende de regeering van——, 18; zijn afstand van den troon, 18.

Milan van Toplitza. Generaal Voutcha en——, 91–95.

Militchevitch. Een beroemd Servisch ethnograaf vertelt een gebeurtenis, waar een resnik (priester) gebeden leest uit de apocriefe boeken van Peronius, 28.

Militza, Tsarina. De Zmay van Yastrebatz en de——, 130–134; misleidt den Zmay, 131; herkent Zmay-Despoot Vook, 132; Tsaar Lazarus en de——, 170–176; als haar negen broeders Yougovitchs tsaar Lazarus naar den strijd op de vlakte van Kossovo zullen vergezellen, smeekt——, dat een harer broers bij haar moge blijven, 171; gedragen door Golouban, 172; nieuws van den slag wordt door twee raven gebracht aan——, 172,173; het sterven van Lazarus en haar broeders beschreven door Miloutin, 173, 174.

Milosh Obilitch. Sultan Amouradh sterft door de hand van——, 173.

Milosh Obrenbegovitch, Voïvode. Ivan Tzrnoyevitch noodigt—— uit om stari-svat te zijn bij het huwelijk van zijn zoon, 139, 150; Maximus Tzrnoyevitch verslaat——, 159; Yovan Obrenbegovitch, broer van——, 150.

Milosh Obrenovitch. Slaagt er in de autonomie van de provincie Belgrado te herstellen, 17; gedwongen afstand te doen van den troon, 17; weer hersteld door de Skoupshtina, 18; zijn dood, 18; Michael zoon van——, 18.

Milosh van Potzerye. Een Servisch ridder; Bogdan de Bullebak en——, 88–91; generaal Voutcha en——, 91–96; de Veela Raviyoyla en——, 104–106.

Milosh, Schaapherder De. De moeder van de beide Voïnovitchs raadt hen aan te sturen om——, 154; zijn ontmoeting met zijn beide broers, 154; voegt zich bij de huwelijksprocessie van tsaar Doushan, 156; berijdt het paard Koulash, 156, 157; zijn strijd om Koulash, 159,160; hij neemt de eerste proef op zich teneinde Roksanda voor tsaar Doushan te winnen, 160, 163; de tweede proef ondernomen door——, 163, 165; slaagt in de derde proef 164, 165; slaagt in de vierde proef door prinses Roksanda aan te wijzen, 165–167; zijn strijd met Balatchko, verslagen door——, 169; maakt zich bekend aan tsaar Doushan, 169.

Milosh, Voïvode. De Veela Raviyoyla wondt——, 24; de groote Servische held, die den Turkschen sultan Amouradh I verslaat, 173.

Miloutin. I. Dragoutin, zijn broer koning van Servië trekt zich terug ten gunste van——, 5; een van de merkwaardigste afstammelingen van Nemanya, 5; Stephanus Datchanski zoon van——, 5; II. dienstknecht van prins Lazarus; deelt tsarina Militza den dood mede van tsaar Lazarus en haar negen broers op de vlakte van Kossovo, 173–174; III. Vorst van Ressava; Iconia dochter van——, 208–210.

Minister. De verraderlijke—— in het Servische volksverhaal “Goede daden zijn onvergankelijk,” 288.

Mirotch. Prins Marko en Milosh van Potzerye rijden over den berg Mirotch, 104.

Mis, de Heilige. In de Servische ballade “De Heiligen verdeelen de schatten”, 195.

Miyatovich M. Chedo. Persoonlijk vriend van koning Alexander, 18.

Mohammed. De vizier van Tyoopria neemt op zich Stephanus Yakshitch het geloof van—te doen aannemen, 179.

Moldavië. Vele adellijke Servische families zoeken bescherming bij de christenvorsten van—, 18.

Momchilo. Koningin Helene, zuster van den vermetelen ridder—, 63.

Momtchilo, Voïvode. Vidossava de eenzame gade van—,185; Yaboutchilo het paard van—, 186—187; koning Voukashin trekt met een leger op tegen—, 186; de vreemde droom van—, 189; loopt in den val, 189; zijn dapper gevecht, 189; Yevrossima beproeft te vergeefs—te redden, 190; de dood van—, 190; zijn kasteel geplunderd, 192.

Montenegro. Nooit onderworpen door de Turken, 16; geloof in—dat elk huis zijn beschermgeest heeft, 25; geloof in vampiers in—, 28; Nicholas I Petrovitch koning van—, 121; “Het huwelijk van Maximus Tzrnoyevitch” de bron van het drama “De keizerin van de Balkanstaten”, door den koning van—, 135; Vladika Danilo Petrovitch, oom van den tegenwoordigen koning van—die het eerst den titel van erfelijk vorst aannam, 183; enkele voorbeelden van verraad in—, 183.

Moor, De. Huwelijksbelasting opgelegd door—, 84—88.

Moorsch Hoofdman, Een. Prins Marko en—, 74—84.

Morava. De rivier—, 10; Theodorus van Stalatch te—, 208.

Moraviërs. Hun bekeering tot het Christendom, 35.

Moussa Arbanass. Zie Moussa Kessedjiya.

Moussa Kessedjiya. Prins Marko en——, 106–116.

Mouyo. Zijn welvaren in de Andere Wereld beschreven in de Servische populaire anecdote “De Era van de Andere Wereld”, 359–361.

Mrnyavtchevitch, Drie broeders. Die Skadar (Scoetari) bouwden 197.

Muzelman, Geloof van den. De vizier van Tyoopria beproeft Stephanus Yakshitch te bekeeren tot het——, 179.

Mythen. Invloed op Zuid-Slavische volken door de Grieksch-Oostersche mythen en christelijke legenden, 21.

Mythologie. Reuzen (djins) komen voor in den cyclus van Middeleeuwsche mythen uit de Bulgaarsche, Croatische en Sloveensche mythologie, 33.

N.

Napels. Prins Ourosh onderhoudt vriendschappelijke betrekkingen met het Fransche hof van Karel van Anjou in—— 120.

Naturalisme. Werd bij de Serviërs langzaam en gestadig verdreven door de leerstellingen van den grooten Meester, 35.

Natuur. De aanbidding der—— bij de Zuid-Slavische rassen is niet grondig bestudeerd, 21; zij is nog niet geheel uit de Balkanstaten verdwenen, 36.

Nedelyko. Aartsbisschop. Koning Voukashin ontbiedt—— naar de vlakte van Kossovo——, 69.

“Neimar”. Beteekent architect, 203.

Nemagnitch. De roemrijke dynastie van——, 62.

Nemanya, Stephanus. Groot-djoupan; tot Hertog van Servië verheven door den Byzantijnschen keizer, 11; Stephanus, tweede zoon van——, 4; een van de schoonzoons van Youg Bogdan is een afstammeling in rechte lijn van—— 121.

Nestopolyé, Yanko van. Het paard van Milosh den schaapherder bewonderd door——, 15.

Nicholas I Petrovitch. Koning van Montenegro, stamt uit een zijlinie van Balshitch af; werd door de Groote Mogendheden genoodzaakt Skadar te ontruimen, 121; Servische barden improviseeren balladen om de daden te verheerlijken van—— 121; bron waardoor hij geïnspireerd werd voor zijn drama “De Keizerin van de Balkanstaten”, 135.

Nicholas, Heilige. De macht om den Oceaan te beheerschen wordt door de Serviërs toegeschreven aan——, 55; genoemd in de Servische ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194; de zeeën met de galeien er op worden gekozen door——, 195.

Nieuwe Herberg. Prins Marko ondergebracht in de—— ten einde zijn krachten te verzamelen voor het duel met Moussa, 112.

Nish. Buitengewone toewijding aan de Heiligen beoefend te——, 50.

Novak. Een beroemd wapensmid, 112; maakt een zwaard voor Prins Marko, 113.

Novi Bazak. De pasha van——, een van de leiders in den aanval op Belgrado, 177–184; de vizier van Tyoopria wil Stephanus Yakshitch aanstellen als vizier van——, 180; het leven van Stephanus Yakshitch gered door den vizier van——, 180.

O.

Obrenbegovitch, Mehmed-Bey. Turksche naam voor Yovan Obrenbegovitch, 150.

Obrenbegovitch III, vorst Michaël. De Servische legende. “Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde”, aan Vouk Stephanovitch Karadgitch medegedeeld door——, 218.

Obugagn Greb. Naam op het graf van den landvoogd Obuganitch in Konavla, 33.

Odyssee. Genoemd, 58.

Ognyena Maria. (Maria de Vlammende). Servische boeren gelooven, dat zij de zuster is van den God Peroon (St. Elias), 22.

Ongelukkige, Rivier de. Genoemd in het Servische Volksverhaal “De bijter gebeten”. 330.

Onsterfelijkheid. De Serviërs gelooven aan de voorbeschikking en de——, 25.

Oossood. Een Veela, die het lot van Servische kinderen voorspelt, 24.

Oostenrijk. Oorlog tusschen Servië en Bulgarije aangestookt door——, 18.

Ottomaansche inval. Ourosh en zijn edelen effenden den weg voor den——, 13.

Ottomaansche krijgsoversten. De geschiedenis der Middeleeuwen bevat vele voorbeelden van ontevredenen, die werktuigen werden in handen van——, 174, 175.

Ottomaansche staatslieden. Historische aanteekening omtrent pogingen van sluwe—— om de ontevredenen aan de hoven der Christen-vorsten hun trouw aan hun rechtmatige heeren te doen breken, 184.

Oud Servië. Een der provincies in de Balkanstreken, 9.

Ouglesha. De erfenis van het keizerrijk betwist door——, 69–72.

Ourosh. Zoon van Doushan den Machtige, 13; de trouweloosheid van Voukashin tegenover—, 64; de opvolging in het keizerrijk betwist door——, 69–72; Marko gezegend door——, 74.

Ourosh de Groote. Onttroont zijn broeder Vladislav, 12; onttroond door zijn zoon Dragoutin, 12.

Ourosh, Prins. Behoorde tot de dynastie Nemanya, 120; Helene (een prinses van het huis de Courtenay) echtgenoote van——, 120; onderhield vriendschappelijke betrekkingen met het Fransche hof van Karel van Anjou in Napels 120.

Ourvinian, De Berg. De dood van Prins Marko op—— 116–119.

P.

Paard. Sharatz het bewonderenswaardige paard van Prins Marko, 24, 61, 65–71, 72, 79; Koulash, het paard van Prins Voïnovitch, 155, 156, 157, 158; Bedevia, naam van het paard van den Moorschen hoofdman, 82; Dyogo, de naam van het trouwe paard van Banovitch, 121, 122, 126; Bedevia, naam van het paard van Milosh Obrenbegovitch, 143; Zdral, naam van het paard van Ivan Izrnoyevitch, 136, 141, 143; Bedevia, het paard van Voïvode Balatchko, 168; de oude vrouw en haar——, in het Servische volksverhaal “De gouden appelboom en de negen pauwinnen”, 265–280; het gouden——, in het Servische volksverhaal “De Droom van den koningszoon”, 318.

Padisha (Sultan). Marko vreest dat zijn vijanden hem zullen belasteren bij——, 108; Vlah-Ali, de rebel van den——, 122; Stephanus Yakshitch gebracht voor den——, 178; Stephanus Yakshitch in verzoeking gebracht het Heilige Kruis te verzaken, 179.

Palmzondag. Servische feestelijkheden op——, 56.

Panthelias, de Heilige. Wordt genoemd in de Servische ballade “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 195; groote hitte gekozen door——, 195.

Paul, Een der broers in de Servische ballade “De Stiefzusters”, 204–208.

Paus. Stephanus Tomashevitch krijgt geen hulp van den——, 15.

Pauwinnen, De Negen. Een Servisch volksverhaal, 265–277.

“Paviljoen, noch in den hemel, noch op de aarde, Een.” Een Servische legende, 218–222.

Pepelyouga. (Asschepoester). Een Servische legende, 222–227; Marra als——, 222–226.

Peroon. De Russische God van den Donder, 21; naam, bewaard in het dorp “Peroon” en in de plant “Peroonika”, 21, 22.

Peter I, Koning. Zoon van Alexander Karageorgevitch; zijn roemrijke regeering, 18; George Petrovitch grootvader van——, 175; keizerrijk verloren door Tsaar Lazarus, herwonnen onder——, 176.

Peter II. Aartsbisschop van Montenegro, tracht het geloof in Vampiers uit te roeien, 28.

Petrovitch, George. Karageorge (Zwarte George) is de Turksche naam. Een begaafd Serviër; leidde een goed geslaagden algemeenen opstand tegen de Turken in 1804, 17, 175; wreed vermoord op bevel van Milosh, 18.

Petrovitch, Nicholas I. Zie Nicholas.

Petrovitch, Peter. De populaire Servische dichter; zijn meesterwerk, Gorsky Viyenatz (“De Bergkrans”), 60.

Petrovitch, Vladiko Danilo. Oom van den tegenwoordigen koning van Montenegro; nam het eerst den titel aan van erfelijk vorst, 183.

Petrus, Heilige De. Wordt genoemd in de ballade. “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194; wijn, tarwe en de sleutels van het Hemelsche Rijk gekozen door——, 195; “de Heilige Petrus en het Zand”, een Servische populaire anecdote, 357.

Pinksterdagen, De. Servische feestelijkheden gedurende——, 56.

Pirlitor. Piritor. De witte stad tegenover den berg Dourmitor, de muren van het kasteel, zegt men, bestaan nog in Herzegovina, 185; Vidossava gestraft voor het kasteel——, 191.

Pisistratus, Tijdperk van——. De geleerde Diascevastes van——, 58.

Pleiaden. In het Servisch Sedmoro Bratye (de zeven broeders), 29.

Podgoritza. De vijfhonderd man van——, 141.

Poëzie, Epische. De Servische nationale——, 58–62.

Pogatcha. De Servische huwelijkskoek, 43.

Polaznik. Een Servisch bezoeker, 54.

Poretch. Het district van——; Marko en Milosh komen te——, 106.

Porphyrogenetus Constantijn. Volgens—— namen de Serviërs op twee verschillende tijdstippen het christendom aan, 34.

Potzerye, Milosh van. Bogdan de Bullebak en——, 88–89; Generaal Voutcha en——, 91; de veela Raviyoyla en——, 104.

Priepolyé. Een jongeling van—— bewondert het paard, Koulosh, van Milosh den Schaapherder, 168.

“Priester, Waarom de—— Verdronk”. Een Servische populaire ballade, 358.

Prilip. Servisch geloof, dat Prins Marko slaapt in het kasteel te——, de verschijning van Prins Marko bij den slag van—— in November 1912, 68; aartsbisschop Nedelyko zendt een boodschap naar Prins Marko te——, 70; de droom van de Sultana over——, 76; Milosh stuurt een boodschap naar——, 92; Marko neemt Voutcha en Velimir gevangen in——, 92, 93.

Prisrend. Theodorus komt te—— en doet verslag aan tsaar Doushan over zijn zending, 152–153; tsaar Doushan komt terug te——, 169.

Ptolemeus. De oude Grieksche aardrijkskundige—— beschrijft de Serviërs, 9.

R.

Rado. De architect (Neimar), die Skadar bouwt, 197–204.

Radool. Een van de broeders in de Servische balladen “De stiefzusters”, 204–208.

Radoslav. Zoon van Stephanus wordt koning van Servië; onttroond door zijn broeder Vladislav, 12.

Radoul-bey. De heer, bij wien Milosh-de-Schaapherder gediend heeft, naar men veronderstelt, 156.

Ragusa. Vele adellijke Servische families zochten een veilige plaats in——, 16.

Ram met de gouden vacht, De. Een Servisch volksverhaal, 211–218.

Rashka. Naam van den onafhankelijken staat, dien Djoupan Vlastimir beproefde te vormen, 10; tsaar Siméon drong—— binnen om Djoupan Tchaslav te ondersteunen, 10; overmeesterd door het Byzantijnsche rijk, 10.

Ratislav, Vorst. Cyrillos en Methodius worden met een zending naar keizer Michael II gezonden door——, 35.

Raviyoyla, Veela. Prins Marko doodt bijna de——, 24; naturalisme en de Serviërs, 35; het verhaal van Prins Marko en——, 104–106.

Reizen. De drie—— van den goeden zoon in het Servische volksverhaal: “Goede daden zijn onvergankelijk”, 288–296.

Relya van Bazar. Een Servisch ridder; Bogdan de Bullebak en——, 88.

Renaissance. De Servische dichters van Ragusa maken vaak melding gedurende de—— van elfen en dryaden als “Veele”, 23.

“Resnik”. Een eigennaam in Servië enz. die beteekent “degeen, die zoekt naar waarheid”, 30.

Ressava. Theodorus van Stalatch loopt langs de rivier—— en ziet Iconia, 208, 209.

Reuzen.—— In het Servisch Djins genoemd: in het Turksch Div, De—— in de Bulgaarsche en Croatische mythologie komen voor in den cyclus der middeleeuwsche mythen, -33; de negen—— in het Servische volksverhaal “Bash Tchelik”, -255–265; de Zwarte—— in het Servische volksverhaal “De Bijter gebeten”, -324; de—— in het Servische volksverhaal “Het beroep dat niemand kent”, -337.

Roemenië. Slag van Rovina in——, 14.

Roksanda, Prinses. Dochter van koning Michael van Ledyen; tsaar Doushan vraagt de hand van——, 151; de vier proeven ondernomen door Milosh de Schaapherder voor tsaar Doushan om—— te winnen, 160–167.

Ronceval. Vergelijking tusschen den Franschen troubadour, die het verhaal deed van den slag bij—— en den bard, die het huwelijk van koning Voukashin beschreef, 192.

Rovino. Marko gesneuveld in den slag van——, 14.

Russen. Begrafenisgewoonten bij de——, 31, 32.

S.

Salonica. De Slavische apostelen van—— Cyrillos en Methodius, 35.

Samodreza. Witte kerk van—— op de vlakte van Kossovo, 69; Marko door Voukashin gejaagd rondom de kerk van——, 73.

Sava. Jongste zoon van den Groot Djoupan Stephanus Nemanya, 12; wordt de eerste Servische aartsbisschop, 12.

Schatten. “De Heiligen verdeelen de Schatten”, 194–196.

Scoetari. Moderne naam voor Skadar. Sir John Bowring en het teeken op de muren van—— een aanwijzing voor het ontstaan van het verhaal omtrent het inmetselen van de vrouw van Goïko, 204.

Servian popular Poetry. Drie gedichten uit Sir John Bowrings——, 197–210.

Servië. Een van de koninkrijken in de Balkanstreken, 9; geregeerd door een dynastie, die gesticht werd door Groot Djoupan Stephanus Nemanya, 11; Stephanus neemt den titel aan van koning van——, 12; Bulgarije een provincie van——, 13; Doushan de Machtige, tsaar van——, 13; Knez Lazarus verkozen tot regent van——, 14; in 1813 werd—— weer onder het juk gebracht, 17; het congres van Berlijn erkent de onafhankelijkheid van——, 18; een schoonheid als van prinses Roksanda werd in—— niet gevonden, 152; de liefde van een zuster voor haar broer is spreekwoordelijk in——, 107.

Serviërs. De komst der——, 9; Prins Ourosh tracht een verdrag tot stand te brengen tusschen de Franschen en de——, 120; Galicië bezet door—— voor hun invasie in het Balkanschiereiland, 9; Ptolemeus beschrijft——, toen zij aan de oevers van den Don leefden, 9; Heraclius staat provincies af aan de——, 9; een gemakkelijke prooi voor de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, 10; doen een poging in de negende eeuw om een staat te stichten aan de oevers van de Morava, 10; onderlinge strijd verhinderde dat de—— een machtige politieke eenheid vormden, 11; Kerk, Sava wordt het hoofd der Grieksche kerk; wordt de eerste aartsbisschop van de——, 12; landen door de Turken bezet, 13; worstelingen tusschen de Turken en——, 15; eindnederlaag der——, 16; verhuizing van—— naar Hongarije, 16; bijgeloof en nationale gebruiken, 20–57; vermengd met de oorspronkelijke bevolking van het Balkanschiereiland, 20; de Boshnyaks gaan door voor de——, die het type het zuiverst bewaard hebben, 20; barden, de veele verheerlijkt door——, 23; nationale gebruiken van de——, 37–57; Servische nationale epische poëzie “Banovitch Strahinya” een van de schoonste balladen samengesteld door onbekende barden gedurende de Middeleeuwen, 120; het vertrek der—— van Ledyen, prinses Roksanda meevoerende, 167; waarom het Servische volk arm is. Een Servische populaire anecdote, 357.

Shar. De berg, waar Milosh de Schaapherder met zijn kudde vertoefde, 154.

Sharatz (bontgevlekt). Het wonderbare strijdros van Marko, 24–61; verhaal hoe Marko in het bezit kwam van het paard——, 65–68; afwisselend Sharin of Sharo, 66; Marko besteeg—— en reed naar de vlakte van Kossovo, 72; gereed den Moor te bevechten, 79; rijdt naar Istamboel, 79; Bedevia en——, 82; Marko berijdt—— bij zijn gevecht met den Moor ten einde een einde te maken aan de huwelijksschatting—, 85–88; hoe Marko Bogdan den Bullebak ontsnapte op——, 89; Marko valt generaal Voutcha aan op——, 93–96; Marko snelt heen van de Moorsche prinses op——, 103; de veela Raviyoyla ingehaald door, 105, 106; Marko vervolgt den Groot-Vizier op——, 108; Marko rijdt heen op—— om Moussa te ontmoeten, 113; Marko keert zegevierend terug bij den Sultan te Istamboel op——, 116; Marko doodt en begraaft——, 118, 119.

Shishman, Koning. Marko en de dochter van——, 76–97.

Siméon. Een Bulgaarsch tsaar; Rashka overrompeld door——, 10.

Sirmië I. Een van de koninkrijken van de Balkanstreken, 9; Dragoutin koning van——, 12. II. Een vlakte, waarin het dorp Koopinovo ligt, waar de Zmay-Despoot Vook woonde, 131.

Sitnitza. Strahinya meent de hut van Vlah-Ali te zien van de oevers van de——, 123; Banovitch gaat de rivier—— over, 125; Ban Strahinya’s dood bij het riviertje——, 174.

Skadar of Skadra. Tegenwoordige naam Scoetari; geboorteplaats van Prins Marko, 63; de hoofdstad van Noord-Albanië, waar Strashimir Balshitch-Nemanyitch regeerde (1360–1370), 120; de hoofdstad van Zeta (Montenegro), 120; naam ontleend aan het Italiaansche Scodra, Scoetari, 197; behoorde sinds onheugelijke tijden aan de Serviërs, 197; Servische ballade “Het Bouwen van——”, 197, 208; aan de rivier Boyana, 184.

Skoupshtina. (De Nationale Vergadering). Milosh op den troon hersteld door——, 18; de—— kiest koning Peter I.

Slava. Ook Krsno Ime, 45–50.

Slaven, De. Evangelie van Christus vertaald voor de—— door Cyrillos en Methodius, 9; Cyrillos en Methodius twee apostelen van de——, 34; verklaring hoe de Ottomaansche generaals de—— der Balkanstaten onderwierpen, 175.

Slavische rassen. Heidendom en godsdienst van——, 21–57; invloed van Grieksch-Oostersche mythen en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke legenden en apocriefe geschriften over Slavische rassen, 21; overblijfselen van afgoden gevonden, die den Zonnegod “Daybog” voorstellen, 22.

Sleutels, van het hemelsche rijk gekozen door Petrus, 195; de—— van de hemelen door God aan de heiligen gegeven, 196.

Sredoi. Een bloedverwant van George Irene; Iconia beloofd aan—— van Irene, 200.

“Staal, Echt”. Het Servisch Volksverhaal van “Bash Tchelik” of——, 245–265.

Stalatch. Een bouwvallige vesting aan de oevers van de rivier Morava, 208; Theodorus van——, 208.

Stamboel. De geschiedenis der Middeleeuwen van Servië bevat menig voorbeeld van ontevredenen die naar—— gaan en werktuigen worden van Ottomaansche generaals, 175; terugkomt van den Vizier van Tyoopria te——, 179.

Stephanus. Tweede zoon van den Groot Djoupan Stephan Nemanya, 11; bij de abdicatie van zijn vader neemt hij den titel aan van Koning van Servië;——, 12; Radoslav, zoon van,—— 12.

Stephanus Detchanski. Zoon van Miloutin; door de overwinning van Velbouzd onderwerpt hij geheel Bulgarije aan zijn macht——, 13; onttroond door Doushan——, 13.

Stephanus Strematz. De beroemde Servische romanschrijver——, en Slava gebruiken——, 50.

Stephanus Tomashevitch. Koning van Bosnië——, 15.

“Stiefmoeder en haar Stiefdochter, De”. Een Servisch Volksverhaal—, 233–238.

“Stiefzusters De”. Een Servische ballade uit Sir John Bowring’s “Servian popular poetry”, 204–208.

Stoyan en Stoyana. Tweelingen, die men wilde trachten in te sluiten in de vesting van Skadar, 197–204.

Strahiyna, Ban. Tsarina Militza bij den dood van——, 174.

Strahinya, Banovitch. Servische barden improviseeren ballades om de geschiedenis te verhalen van Nikolaas I Petrovitch, op dezelfde wijze als hun voorvaderen de heldendaden berichtten van——, 120; Vlah-Ali doet een aanval op het kasteel en neemt de vrouw van gevangen——, 120–129; verslaat Vlah-Ali en keert terug naar Kroushevatz, 129.

Strashimir Balshitch-Nemanyitch volgens sommige Servische geschiedkundigen identiek met Banovitch Strahinya——, 120; een afstammeling van de oude provençaalsche familie des Baux——, 120; regeerde met twee broeders te zamen te Skadar, de hoofdstad van Noordelijk Albanië (1360–1370)——, 120.

“Svati” (of Svatoyi). Een Servische uitdrukking, bruiloftsgasten——, 38.

Svetchar, Het hoofd van het huisgezin op Slavadag——, 45–47.

Svetopluk, Prins. Cyrillos en Methodius, aan wie een zending aan keizer Michaël door—— werd opgedragen, 35.

T.

Taal der Dieren’. Een Servisch Volksverhaal over, 227.

Tarra. De rivier, 185.

Tchardack. Turksche naam van een toren, voorzien van balcons, 130.

Tchaslav. De djoupan van een Servischen stam; eischt Rashka op, 10; verovert ook, Zetta, Trebinye, Neretva en Housa, 10.

Tekiye. Kerk te——, 95.

Theodorus. Kanselier van tsaar Doushan; gezonden om de hand te vragen van Roksanda, dochter van koning Michael van Ledyen, 150; doet verslag van zijn zending, 152, 153; niet instaat de vierde proef te doen teneinde prinses Roksanda te winnen, 166.

Theodorus van Stalatch. Held in de Servische ballade. “De ontvoering van de schoone Iconia”, 208–210; Dobrivoy diensknecht van——, 209.

Thile. Verkorting van Yaboutchilo. Het paard van Voïvode Momtchilo, 185–190.

Timok. Rivier—Marko en Milosh gaan over de——, 106.

Traciërs, De. Door de Serviërs naar de Adriatische kust gedreven, 9.

Toasten. De Slava en——, 48.

Toovenaars. (tcharobnitzi) die de heidensche ceremoniën leidden, 30.

Toovertapijt. Beschreven in het Servische volksverhaal “Dieren als vrienden en als vijanden”, 302–312.

Toplitza, Milan van. Generaal Voutcha en——, 91–96.

Trajanus, Keizer. In de Balkanstaten vaak verward met den Griekschen koning Midas, 33; in de Servische legenden ook met Duedalus, 27.

Travnik. De Stad——, 179.

“Tsaar, Het Meisje wijzer dan de”. Een Servisch volksverhaal, 284–288.

Turken. Strijd tusschen christenen en——, 15; worsteling tusschen Serviërs en——, 15; bijna uit Europa verdreven onder de roemrijke regeering van koning Peter I; verafschuwd door de veele, 24; nederlaag der—— op de slagvelden van Koumanovo, Monastir, Prilip, Prisrend, Kirk-Kilisse en Scoetari, 58; ontmoeting met de op het slagveld van Kossovo, 122–123; Prins Maximus en Yovan Obrenbegovitch worden——, 150; Belgrado aangevallen door een groote bende——, 177; Stephanus Yakshitch weerstaat de verzoeking—— te worden, 179–182; historische aanteekening, de sluwe pogingen van—— om ontevredenen tot ontrouw aan hun rechtmatige heeren te verleiden, 184.

Turksch bestuur. Ellende onder het——, 16, 17.

Turksche gruwelen. Hun toppunt bereikt in het einde van de achttiende eeuw, 10.

Turksche jagers, De, Prins Marko en——, 106–108.

Tvrtko Ban. Verbond van Knez Lazarus en—— tegen de Turken, 14.

“Tweelingen met de gouden haren”. Een Servisch volksverhaal, 349.

Tyoopria. I. Vizier van—; een van de leiders van den aanval op Belgrado, 177—183; Stephanus Yakshitch als gevangene voor—geleid 178; voorkomendheid van den—voor Stephanus Yakshitch, 178, 180; zijn terugkeer in triomf te Stamboel, 178; zijn wensch Stephanus Yakshitch tot vizier van Novi Bazar te maken, 180. II. kasteel van—; de vizier van Tyoopria biedt aan Stephanus Yakshitch gevangen te houden in—, 179.

Tyouprilitch, Groot Vizier. Onderneemt een veldtochttegen Moussa, 109, 110; Moussa neemt—gevangen en zendt hem gebonden naar Istamboel terug, 110; geeft den Sultan den raad om Prins Marko te sturen, 110.

Tyoopriya. Vroeger Horea Margi, 10.

Tzechin. Een gouden muntstuk, ongeveer 12 gulden waard, 238.

Triganen. Servische naam voor Zigeuners, 42.

Tzrnoyevitchi van. Zeilt over de Adriatische zee naar Venetië om een vrouw voor zijn zoon Maximus te zoeken, 135; zeilt naar Zablak 136; Zdral, paard van—, 35; noodigt Voïvode Milosh Obrenbegovitch uit stari-svat te zijn bij het huwelijk van zijn zoon, 139— 150; noodigt ook kapitein Yovan voor het huwelijk van zijn zoon, 139; Krgno en Zelenko, twee vermaarde kanonnen, 141.

Tzrnoyevitch Maximus. Het huwelijk van—135—141; zoon van Ivan Tzrnoyevitch; 135; bezocht door de pokken, 136; Yovan ziet in een droom, dat een vallende toren—treft, 140; Milosh Obrenbegovitch verslagen door—,149. Scoetari aan de rivier Boyana door den Sultan geschonken aan —, 150.

U.

Uglesha-Voïvode. De tweede van de drie broers, die Skadar (Scoetari) bouwden, 196—204.

V.

Valk, De. Banovitch, bijgenaamd— “zonder weerga”, 121.

Vampiers. Het geloof in—heerscht in alle Balkanstaten, 27, 28.

Varadin, Vesting. Kanonnen van— teeken van de overwinning van—, 91. Prins Marko op de vlakte van, 92, 93, Marko stuurt Voutcha en Velimir naar—, 96.

Vasso. De igouman (abt) van den berg Athos; vindt het lijk van Marko en betreurt zijn dood, 119; Issaya, de knecht van—, 119.

Vassoy, Land van. Momtchilo droomt, dat een nevelwolk van het —den berg Dourmitor omhulde, 181.

Veela. Marko met bovenmenschelijke kracht begiftigd door een—, 24; door een—werd hem Sharatz geschonken, 24; twist tusschen Marko en Raviyoyla, een— 24; Oossood, een—die het lot van Servische kinderen voorzegde, 24; Raviyoyla en Marko, 104—106; Marko roept hulp in van zijn zuster-in-God de—, 115; Marko hoort de—roepen van den top van den berg Ourvinia, 116, 117.

Veele of Vile (enkelvoud Veela of Vila) vrouwelijke godheden van lageren rang in het Servisch bijgeloof de νύμφαι en ποταμί van den Griekschen historieschrijver Procopius, 23; Stephanus Yakshitch en de—, 176; de vesting Skadra en de—, 197; de prins en de—in het Servisch volksverhaal “De droom van den koningszoon”, 318—324.

Velbouzd. Vermaarde slag van, 12.

Veless. De stad—ontleent haar naam aan den Russischen god van het vee: Volos, 22.

Velessnitza. Een dorp aan de beneden Donau; naam ontleend aan den Russischen god van het vee, Volos, 22.

Velimir. Zoon van den opperbevelhebber Voutcha, Marko en—93, 94.

Venetiaansch Koning. De vier proeven, die door den—aan tsaar Doushan worden opgelegd, om prinses Roksanda te winnen, 160–167.

Venetiaansch Land. Tsaar Doushan reist naar het—, 153.

Venetianen, De. Hun sluwheid van oudsher bekend, 153, 154.

Venetië. Maximus Tzrnoyevitch’ huwelijk en—, 141–144.

Venetië, Doge van. Marko noodigt als koom de—, 98–102; Ivan Tzrnoyevitch vraagt de dochter van den—ten huwelijk voor zijn zoon Maximus, 135–141.

Verheven Porte. Milosh door de—als erfelijk vorst erkend, 17.

Vidal, Pierre. Een Fransch troubadour; Donna Azalair de Baux, zijn patrones, 39.

Vidin, De Pasha van. Een van de leiders van den aanval op Belgrado, 177–184.

Vidossava. De eenzame gade van Voïvode Momtchilo; een brief in het geheim gezonden naar koning Voukashin, i85; het verraad van—186; vernietigt de vleugels van het paard Yaboutchilo, 187; haar straf—, 191.

Vijanden. “Dieren als vrienden en als—”, een Servisch volksverhaal, 302–312.

Vilindar. Vasso, de abt van den berg Athos rijdt naar de witte kerk van—, 119; Prins Marko’s lijk begraven in de witte kerk van—, 119.

Vladika. Beteekent in het Servisch “bisschop”—, 183.

Vladislav. Radoslav onttroond door,—12; Ourosh de Groote onttroont—, 12.

Vlah-Ali. Een hooghartig hoofdman, die Strahinya’s kasteel aanvalt en zijn vrouw gevangen neemt, 124—129; onafhankelijk van den Groot-Vizier Mehmed en van Sultan Amourath—, 122; Strahinya valt—aan, 122–129; wordt verslagen door Banovitch—, 129.

Vlastela (Vergadering van Edelen). Doushan de Machtige uitgeroepen tot Tsaar van Servië in overleg met—, 13.

Vlastimir, Djoupan (Groot). Tracht een onafhankelijken Staat te vormen—, 11.

Vo of Voll. Beteekent “os”, 22. (Zie Volos).

Voïnovitch, Milosh, Prins. Identiek met Milosh de Herder—, 168–169.

Voïnovitch, Petrashin. Neef van Tsaar Doushan—, 151; Doushan zweert—te zullen ophangen, 153; Milosh de Herder, broeder van—, 154–155.

Voïnovitch, Voukashin. Neef van Tsaar Doushan,—152; Doushan zweert—te zullen ophangen, 153; Milosh de Herder, broeder van—I54—I55.

Voïslav, Stephen. Regent van Zetta, zoon van Dragomir, verklaart zijn onafhankelijkheid en eigent zich Zahoumlye (Herzegowina) toe,—11.

Voïvode. Komt als adellijke titel overeen met het Engelsche “Duke”—, 15.

Voïvode, Balatchko De. De strijd met Milosh de Herder, 167–169; Milosh verslaat—, 169.

“Vogelmeisje”. Een Servisch Volksverhaal—, 284–288.

Volos. De Russische God van het vee; de wortel van het woord komt voor in het Servische woord vo of voll, (“os”)—, 22.

Vook, Zmay—DESPOOT. De Zmay van Yastrebatz en, 132—134; vrees voor Zmay van Yastrebatz van—, 131—; dorp Koopinovo in de vlakte van Sirmië, zijn verblijfplaats, —131; zijn gevecht met den Zmay van Yastrebatz—, 132—133; de Zmay verslagen door—, 133; regeerde over Sirmië —, 133.

Voorbeschikking. De Serviërs gelooven in onsterfelijkheid en—, 24.

Vouk Stephanowitch-Karadgitch. Servisch nationaal dichter—, 58—59; hoort van een Servischen bard de ballade van “Het huwelijk van koning Voukashin”, 192; maakt melding van het geloof van het Servische volk, dat er geen vesting kan worden opgebouwd, zonder dat er een menschelijk wezen ingemetseld wordt—, 204; de Servische legende: “Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde”, door prins Michel Obrenovitch III toegeschreven aan—, 218.

Voukashin, Koning. Verslagen door Ourosh aan den oever der rivier Maritza—, 18; Prins Marko, zoon van—, 63; Servische ballades zingen van—, 64; de trouweloosheid van—, tegenover keizer Doushan,64;—betwist de opvolging in het keizerrijk, 69—73; vervloekt Marko—,74; het huwelijk van—, 185—193; leenman van keizer Doushan, den Machtigen, 185; schrijft een boek (briet) aan Vidossava en zendt het naar Herzegovina, 185; op raad van Vidossava verzamelt hij een groote strijdmacht en trekt op naar Herzegovina, tegen Momtchilo, 187—192; zijn smart over den dood van Momtchilo—, 191; huwt Yevrossima; Marko en Andreas worden geschonken aan, 192; historische aanteekening over—, 192—193.

Voutcha, Generaal. Prins Marko en—, 91—96.

Voutché van Dyakovitza. Bewondert het paard Koulash—, 158.

Voutchitrn, Kasteel van. Tsaar Doushan zweert zijn neven, de Voïnovitchs te zullen hangen aan de poorten van het—, 153; Tsaar Doushan’s huwelijksprocessie nam haar weg langs de muren van—, 153; Milosh neemt afscheid van Tsaar Doushan, teneinde terug te keeren naar het—, 169.

Vrienden, “Dieren als Vijanden en als”. Een Servisch Volksverhaal —, 302—312.

Vrijers, de drie. Servisch volksverhaal, —313—324.

Vrzino (of Vilino) Kollo. Dansringen van de Veele—, 23.

Vukashin Kraly. De oudste der drie broeders, die Skadar (Scutari) bouwden, 197—204.

W.

Walachije. Vele adellijke Servische families zoeken een toevlucht bij de Christelijke vorsten van—, 16.

“Weddingschap, Liegen om een”. Een Servisch volksverhaal, 280—284.

Weenen. Vouk Stephanovitch Karadgitch’s eerste verzameling van Servische nationale gedichten, uitgegeven te—, 58.

Y.

Yaboutchilo (verkort Tchile). Het paard van Voïvode Momtchilo, 186—190; Momtchilo doet verwijten aan—, 189.

Yahorika. Demitrius Yakshitch rust bij de rivier—, 178.

Yakshitch, Demetrius. Broeder van Stephanus Yakshitch; de waarschuwing der Veela aan—177; zijn berouw bij de rivier Yahorika, 178.

Yakshitch, Stephanus. De gevangenschap en het huwelijk van— (een ballade van Montenegro), 177—184; Demetrius, de broeder van—, 177; de waarschuwing der Veela aan—, 177; gevangen genomen en in de tegenwoordigheid gebracht van den Vizier van Tyoopria—, 178; gevoerd in de tegenwoordigheid van den machtigen Padisha—, 178; de Padisha tracht hem het Heilige Kruis te doen verzaken—, 179; wijst het “water der vergetelheid” af, hem door Haykoona aangeboden—, 181—182; Haykoona bekent haar oprechte liefde voor—en stelt hem in staat te ontvluchten, 182— 183.

Yanissaries. De Pasha van Novi Bazar heeft voor den aanval op Belgrado twintig duizend woestaards verzameld, 177.

Yanko van Nestopolyé. Bewondert het paard Koulash, 158.

Yastrebatz, De Zmay van. De Tsarina Militza en—, 130—134; zijn vrees voor den Zmay-Despoot Vook, 131; Vook verslaat—, 132–133.

Yedrenet. Andere naam voor Adrianopel. Prins Marko ontvangen door den Sultan te—, 108—109.

Yelitza. Zuster van Paul en Radool, in de Servische ballade “De Stiefzusters”, 204—208.

Yesdimir. De bejaarde broeder van den doge van Venetië, 144.

Yevrossima (Euphrosyne) I. Naam van koningin Helene, moeder van prins Marko, 63—68. II. Zuster van Voïvode Momtchilo, 186; tracht te vergeefs haar broeder Momtchilo te redden—, 190; Koning Voukashin huwt—aan wien zij Marko en Andreas schenkt—, 192; historische aanteekening over—, 192—193.

Youg Bogdan. Bejaarde schoonvader van Banovitch—, 121; bezocht door Banovitch—, 121—122; kasteel in Kroushevatz het verblijf van—, 121; Strahinya keert terug naar—, nadat hij Vlah-Ali verslagen heeft—, 129; Tsarina Militza bij den dood van—, 174.

Yougovitchs, I. De negen schoonbroeders van Strahinya; Strahinya staat hen niet toe hun zuster te dooden, 129. II. De negen broeders van Tsarina Militza—, 170–174.

Yovan, Kapitein. Ivan Tzrnoyevitch noodigt—uit, bij het huwelijk van zijn zoon—, 139—141.

Yovan Obrenbegovitch. Broeder van Milos Obrenbegovitch—, 150; ontmoet prins Maximus—, 150; Turksche naam is Mehmed-Bey Obrenbegovitch—, 150; de vlakte van Ducadyin als leengoed gegeven aan—, 150.

Yovo. Jonge zoon van Goïko—, 203—204.

Z.

Zablak. Ivan Tzrnoyevitch zeilt naar—, 136; bruiloftsgasten uitgenoodigd door Ivan Tzrnoyevitch, slaan hun tenten op in de vlakte van—, 140; Yovan ziet in een droom, dat het vuur de schoone hoofdstad—verwoest, 140; Milosh zal Maximus’ bruid geleiden naar—, 142—145.

Zadrooga. Servische familievereenigingen —, 20—21.

Zagoryé. Berg waarop Milosh de Herder zich voegt bij den bruiloftsstoet van Tsaar Doushan—, 156.

Zagreb (Agram). Croaten hadden reeds in de elfde eeuw een bisdom gesticht te—21.

Zahoumlye. (Herzegowina). In bezit genomen door Stephen Voïslav —, 10.

Zand. “St. Petrus en het”—, Een Servische volksanecdote, 357.

Zdral. Paard van Ivan Tzrnoyevitch —, 136—141—143.

Zee. De Heiligen verdeelen de schatten der—, 194—196.

“Zelenko” en “Krgno”. De twee beroemde kanonnen van Ivan Tzrnoyevitch—, 141.

Zemlyitch, Styepan. Vergezelt den doge van Venetië, die optreedt als Marko’s koom—, 98—101.

Zeta of Skadar de hoofdstad van het Montenegro van de modernetijden, 120—121.

Zetina. Wateren van—, beroerd door de uitbarsting van Ivan Tzrnoyevitch’ kanonnen—, 141.

Zigeuners. In het Servisch Tziganen 358; “De Edelman en de”—, een Servische Volksanecdote; het stelen en verkoopen van paarden hun voornaamste bezigheid, 358.

Zmay. Het Servische woord voor draak—, 130; de—van Yastrebatz, en de Tsarina Militza, 130.

Zondag. De Veela weigert te helpen bij gevechten op—, 24, 115.

Zonnegod. De heiden offert in Servië aan den—, 53.

Zuidelijke Slaven. In ’t begin schoot het Christelijk geloof niet diep wortel bij de—, 34; het leven van—, doorweven van bijgeloof, 36—57; nationale gebruiken van—, 37—57; beteekenis op fresco’s, het duel voorstellende tusschen Marko en Moussa op de gevels der herbergen in de dorpen der—, 109.

Zwaard. Novak maakt een beroemd —, voor prins Marko, 112.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings