Hoofdstuk XIV. Folklore. (continued 3)
Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation
De vergadering was natuurlijk maar al te blij zulk een wijs raadgever te hebben, die hen in staat stelde hun dankbaarheid te toonen aan hun heer. De Kumrekusha nam den vos onder zijn vleugels en vloog met hem weg; beiden waren even verlangend het plan uit te voeren en den ouden, opgeruimden trek weer terug te brengen op het gelaat van hun heer.
Toen de Kumrekusha bij den toren kwam, waarin de prinses woonde, zette hij den vos stilletjes neer onder de boomen, waar deze dadelijk in een mooie kat veranderde, die allerhande bevallige sprongen maakte onder het raam, waarvoor de prinses zat. Het vel van de kat was in de meest verschillende tinten gekleurd en het duurde niet lang, of de prinses merkte haar op en zond haar beide vrouwen naar beneden om haar te vangen en bij zich te brengen in den toren.
De twee kameniers kwamen in den tuin en riepen: “poesje, poesje!” met haar liefste stem; zij hielden haar brood en melk voor, maar boden het tevergeefs aan. De kat sprong vroolijk den tuin rond en wilde zich niet laten vangen.
Eindelijk werd de prinses, die er voor haar raam naar had staan kijken, ongeduldig. Zij ging zelf naar beneden den tuin in en zei bestraffend: “Ge maakt de kat bang; laat mij eens beproeven haar te vangen!” Toen zij de kat naderde, die zich nu gewillig scheen te laten pakken, daalde de Kumrekusha snel neer, greep de prinses bij het middel en droeg haar hoog in de lucht.
De verschrikte kameniers liepen naar den koning om hem te vertellen, wat er met de prinses was gebeurd; waarop de koning onmiddellijk al zijn hazewinden losliet om de kat te grijpen, die de oorzaak was geweest, dat de prinses ten tweede male werd weggevoerd. De honden volgden de kat kort op de hielen en waren op het punt haar te vangen, toen zij nog juist bijtijds een hol zag met een heel nauwe opening, dat een goede schuilplaats bood. Wel beproefden de honden haar te volgen en zij verwijdden de opening met hun pooten, maar alles was vergeefsch; na geruimen tijd verwoed te hebben geblaft, werden zij eindelijk moe en slopen beschaamd terug naar de stallen van den koning.
Toen al de hazewinden uit het gezicht waren, veranderde de kat zich weer in een vos, en rende rechtstreeks naar het kasteel, waar hij zijn jongen meester in de gelukkigste stemming aantrof, want de Kumrekusha had zijn mooie vrouw reeds teruggebracht.
De koning verklaart den oorlog aan de dieren.
De koning was buitengewoon boos, toen hij bemerkte, dat hij zijn dochter weer verloren had en wat vooral zijn woede opwekte, dat was het feit, dat zulke armzalige dieren als een vogel en een kat er ondanks al zijn voorzorgen in geslaagd waren haar weg te voeren. In zijn groote woede besloot hij dus een algemeenen oorlog aan de dieren te verklaren en hen geheel uit te roeien. Voor dit doel verzamelde hij een groot leger, en besloot het zelf aan te voeren. De plannen van den koning waren weldra door het geheele koninkrijk bekend. En ’t was naar aanleiding hiervan, dat de vos voor den derden keer al zijn vrienden bijeen riep—den beer, den wolf, den Kumrekusha, de muis, den mol en den haas—voor een groote vergadering.
Toen allen verzameld waren, sprak de vos hen aldus aan: “Mijn vrienden, de koning heeft ons den oorlog verklaard, en is van plan ons geheel uit te roeien. Het is nu onze plicht ons te verdedigen zoo goed als wij kunnen. Laat elk onzer zien, hoeveel dieren hij in staat is aan te monsteren. Hoeveel van uw broeders, beeroom, denkt gij te kunnen aanwerven om ons te helpen?”
De beer ging zoo snel hij kon op zijn achterpooten staan en riep uit: “Ik ben er zeker van er honderd te kunnen verzamelen.”
“En hoeveel van uw vrienden kunt gij bijeenbrengen, mijn goede wolf?” vroeg de vos nieuwsgierig.
“Ik kan op zijn minst vijfhonderd wolven meebrengen,” zei de wolf met een air van gewicht.
De vos knikte zeer voldaan, en vervolgde: “En wat kunt gij voor ons doen, beste meester haas?”
“Wel ik denk er ongeveer achthonderd te kunnen brengen,” zei de haas voorzichtig.
“En wat kunt gij doen, mijn lieve kleine muis?”
“O, ik breng zeker drieduizend muizen mee.”
“Dat is werkelijk heel goed!—En gij mijnheer mol?”
“Ik ben er zeker van er achtduizend te kunnen verzamelen.”
“En hoe groot is het aantal dat gij denkt te kunnen brengen, mijn groote vriend Kumrekusha?”
“Ik vrees niet meer dan twee of driehonderd op zijn hoogst,” zei de Kumrekusha treurig.
“Heel goed; gaat nu allen dadelijk uw vrienden verzamelen; indien gij er zooveel hebt bijeengebracht, als maar mogelijk is, zullen wij kunnen besluiten, hoe wij moeten handelen,” zei de vos; waarna de vergadering werd gesloten en de dieren zich in verschillende richtingen door het woud verspreidden.
Niet lang daarna werden ongewone geluiden gehoord in de nabijheid van het kasteel. De boomen schudden geweldig, en het gebrom der beren, en het korte, scherpe geblaf der wolven verbrak de gewone rust van het bosch. Het leger der dieren trok van alle kanten op de aangegeven plaats samen. Toen allen verzameld waren, gaf de vos in de volgende woorden een uiteenzetting van de plannen: “Als het leger van den koning den eersten nacht na den grooten opmarsch halt houdt om te rusten, dan moet gij, beren en wolven, u gereed houden om de paarden te dooden. Indien het leger desondanks toch verder gaat, dan moet gij, muizen, gereed zijn al de zadelriemen en gordels door te bijten, als de soldaten den tweeden nacht rusten, en gij, hazen, moet de koorden doorknagen waaraan de mannen het kanon voorttrekken. Indien de koning den tocht toch voortzet, moet gij, mollen, gedurende den derden nacht de aarde uitgraven onder den weg, dien zij den volgenden dag zullen nemen—en een greppel maken volle vijftien meter breed en twintig meter diep, rondom het kamp. Als het leger den volgenden morgen over den grond marcheert, die ondergraven is, moet gij, Kumrekusha’s zware steenen neer werpen, terwijl de aarde onder hun voeten bezwijkt.”
Het plan werd goedgekeurd en alle dieren gingen vlug heen, om de hun aangewezen taak uit te voeren.
Toen het leger van den koning ontwaakte na den eersten nacht van rust op den grooten marsch, merkten de soldaten tot hun groote ontsteltenis, dat al de paarden gedood waren. Dit treurige nieuws werd dadelijk aan den koning gemeld; maar hij zond eenvoudig om nieuwe paarden—en toen deze laat op den dag kwamen, vervolgden zij hun weg.
Den tweeden nacht kropen de muizen stilletjes het kamp binnen en knabbelden ijverig aan de zadels en aan de gordels der soldaten, terwijl de hazen even vlijtig knaagden aan de koorden, waaraan de manschappen het kanon voorttrokken.
Den volgenden morgen waren de soldaten hevig verschrikt, toen zij zagen, welk onheil de dieren hadden aangericht. Maar de koning kalmeerde hen en zond een boodschap naar de stad om nieuwe zadels en gordels. Toen die eindelijk gebracht waren, vervolgde hij vastbesloten zijn marsch, bezield met nog meer haat tegen deze aanmatigende en verachtelijke vijanden.
Den derden nacht, terwijl de soldaten sliepen, groeven de mollen onafgebroken door, teneinde een onderaardsche gracht te graven. Omstreeks middernacht liet de vos de beren aanrukken om de mollen te helpen en de ladingen zand weg te dragen.
Den volgenden morgen waren de soldaten opgetogen, toen zij merkten, dat er dien nacht geen nieuwe onheilen gesticht schenen en zij begaven zich met nieuwen moed op reis. Maar aan hun marsch kwam spoedig een einde, want weldra zakten de ruiters en de artillerie door den hollen bodem en toen de koning dit merkte, zei hij: “Laat ons terugkeeren. Ik zie, dat God zelf tegen ons is in dezen oorlog, die wij aan de dieren hebben verklaard. Ik geef alle pogingen op om mij over mijn dochter te wreken.”
Toen keerde het leger terug onder het gejuich der soldaten, maar de manschappen bemerkten tot hun groote verbazing en vrees, dat zij, onverschillig welke richting zij ook insloegen, steeds door den grond zakten. Om hun ontsteltenis nog grooter te maken lieten de kumrekusha’s nu zware steenen op hen neervallen, die hen geheel verpletterden. Op deze manier kwam de koning met zijn heele leger om.
Heel spoedig daarna ging de jonge edelman, die de dochter van den koning had getrouwd, naar de hoofdstad van den vijand, en nam bezit van het paleis van den koning; hij nam al zijn dieren mee; en daar leefden zij allen lang en gelukkig met elkaar.
De drie vrijers.
In een ver verwijderd land leefde lang geleden een koning, die maar een kind had—een buitengewoon mooie dochter. Velen dongen naar de hand van de prinses en onder hen waren drie jonge edellieden, van wie de koning veel hield. Daar de koning echter van alle drie evenveel hield, kon hij niet besluiten aan wien hij zijn dochter tot vrouw zou geven.—Op zekeren dag riep hij de drie jonge edellieden bij zich en sprak als volgt: “Gaat alle drie een reis door de wereld maken. Hij, die mij het merkwaardigste van zijn reis mee terugbrengt, zal mijn schoonzoon worden.”
De drie begaven zich dadelijk op weg, waarbij elk hunner een verschillende richting insloeg; elk der drie koos een ander land om merkwaardige dingen te zoeken.
Niet lang duurde het, of een der jonge edelen vond een prachtig tapijt, dat, wie er ook op ging zitten, snel door de lucht droeg.
Een der anderen vond een bewonderingswaardigen verrekijker, waardoor hij iedereen en alles op de wereld kon zien en zelfs het veelkleurige zand op den bodem van de groote, diepe zee.
De derde vond een wonderdadige zalf, die elke ziekte in de wereld kon genezen, en zelfs dooden tot het leven kon terugroepen.
Nu waren de edele reizigers ver van elkaar af, toen zij deze wonderlijke dingen vonden. Maar toen de jongeman, die den verrekijker had gevonden, er door keek, zag hij een van zijn vroegere vrienden en tegenwoordige medeminnaars met een tapijt op zijn schouder loopen en daarom begaf hij zich op weg om zich bij hem te voegen. Daar hij door zijn wonderlijken verrekijker altijd kon zien, waar de andere edelman was, kostte het hem niet veel moeite den ander te vinden en toen de twee elkaar hadden getroffen, gingen zij naast elkaar op het tapijt zitten en het droeg hen door de lucht, totdat ook de derde reiziger zich bij hen voegde. Op zekeren dag, toen ieder had verteld, welke merkwaardige dingen hij op reis had ontmoet, riep een hunner plotseling: “Laat ons nu eens zien, wat de mooie prinses doet en waar zij is.” Toen keek de edelman, die den verrekijker had gevonden, er doorheen, en zag tot zijn groote ontsteltenis en verslagenheid, dat de dochter des konings heel ziek lag en op het punt was te sterven.
Hij vertelde dit aan zijn twee vrienden en medeminnaars en ook zij stonden als van den donder getroffen door het slechte nieuws—totdat hij, die de zalf had gevonden, zich eensklaps de wonderdadige kracht van zijn middel herinnerde en uitriep: “Ik ben er zeker van, dat ik haar zou kunnen genezen, als ik het paleis maar spoedig genoeg bereikte!” Toen de edelman, die het merkwaardige tapijt had gevonden, dit hoorde, riep hij uit: “Laten we op mijn tapijt gaan zitten, en het zal ons snel naar het paleis van den koning brengen!”
Daarop gingen de drie edellieden op het tapijt zitten, dat zich onmiddellijk in de lucht verhief, en hen regelrecht naar het paleis droeg.
De koning ontving hen dadelijk, maar zei treurig: “Het spijt mij voor u, want uw reizen zijn vergeefsch geweest. De prinses is helaas stervende; zij kan dus geen uwer trouwen!”
Maar de edelman, die de wonderdadige zalf bezat, zei eerbiedig: “Vrees niet, sire, de prinses zal niet sterven!” En na toestemming te hebben gekregen om het vertrek binnen te gaan, waar zij ziek lag, legde hij de zalf zoo, dat zij ze kon ruiken. Na enkele oogenblikken leefde de prinses weer op en toen haar kamenier een weinig van de zalf in haar hand had gewreven, herstelde zij zoo snel, dat zij zich na enkele dagen reeds beter voelde, dan voor haar ziekte.
De koning was zoo blij, dat zijn dochter hem uit den dood was teruggegeven, dat hij verzekerde, dat niemand haar zou trouwen dan de jonge edelman, wiens wonderdadige zalf haar had genezen.
De twist.
Maar nu ontstond er een groote twist tusschen de drie jonge edelen; hij, die de zalf had gevonden, verzekerde, dat de prinses gestorven zou zijn, als hij haar niet genezen had, en dat zij dan niemand zou hebben kunnen trouwen; de edelman, die den wonderbaren verrekijker had gevonden, verzekerde, dat zij zonder hem nooit zouden hebben geweten, dat de prinses stervende was en zijn vriend dan ook niet de zalf zou hebben gebracht om haar te genezen, terwijl de derde edelman hun bewees, dat zonder medewerking van zijn tapijt noch de zalf noch de verrekijker de prinses iets zou hebben geholpen, daar zij zulk een afstand op andere wijze niet intijds zouden hebben afgelegd om haar te redden.
Toen de koning van dezen twist hoorde, sprak hij tot hen: “Mijne heeren, uit hetgeen gij gezegd hebt, merk ik, dat het niet billijk zou zijn mijn dochter aan een uwer te geven; daarom verzoek ik u het denkbeeld om haar te trouwen geheel op te geven en weer vrienden te worden, zooals gij waart, voordat gij medeminnaars werdt.”
De drie jonge edelen zagen in, dat de koning geen beter besluit had kunnen nemen; daarom verlieten zij allen hun vaderland en begaven zich naar een verwijderde woestijn, waar zij als kluizenaars gingen leven. En de koning gaf de prinses aan een ander edelman.
Vele, vele jaren waren voorbij gegaan, sinds het huwelijk van de prinses, toen haar echtgenoot door haar vader naar een ver verwijderd land werd gezonden, waarmede hij in oorlog was gewikkeld. De edelman nam zijn vrouw, de prinses, met zich mee, daar het mogelijk was, dat hij genoodzaakt zou zijn heel lang weg te blijven. Nu gebeurde het, dat een hevige storm opstak, juist toen het schip, waarop de prinses en haar echtgenoot zich bevonden, een vreemde kust naderde, en toen de orkaan op zijn hevigst was, sloeg het schip tegen rotsen, en ging dadelijk onder. Allen aan boord kwamen in de golven om, uitgenomen de prinses, die zich stevig vasthield aan een boot en door wind en getij naar de kust werd gedreven. Dit was, naar het scheen, een onbewoond land, en toen zij een klein hol in een rots ontdekte, bleef zij daar en leefde er gedurende drie jaren; zij voedde zich met wilde grassen en vruchten. Elken dag zocht zij naar een weg om door het bosch, dat het hol omgaf, te ontkomen, maar zij kon er geen vinden. Op zekeren dag echter, toen zij zich verder dan gewoonlijk van het hol had verwijderd, kwam zij eensklaps bij een ander hol, dat tot haar groote verbazing door een kleine deur was afgesloten. Zij beproefde herhaaldelijk de deur te openen, want zij was voornemens daar den nacht door te brengen; maar al haar pogingen waren vruchteloos, zoo stevig was de deur gesloten.
Eindelijk echter riep een diepe stem van uit het hol: “Wie is daar aan de deur?”
Op het hooren van een menschelijke stem was de prinses zoo ontsteld, dat zij gedurende enkele oogenblikken niet kon antwoorden; toen zij zich hersteld had, zei zij: “Ik smeek u de deur voor mij te openen!” Onmiddellijk werd de deur van binnen geopend en zij zag tot haar schrik een ouden man met een dikken, grijzen baard, die tot aan zijn middel reikte en lange witte haren, die over zijn schouders golfden.
Wat de prinses het meest beangst maakte, was, dat zij hier, in dezelfde woestijn, waar zij drie jaar had gewoond zonder een levende ziel te ontmoeten, nu een man aantrof.
De kluizenaar en de prinses keken elkaar lang en ernstig aan zonder een woord te spreken. Eindelijk echter zei de oude man: “Zeg mij: zijt gij een engel of een dochter van deze wereld?”
Toen antwoordde de prinses: “Oude man, laat mij een oogenblik uitrusten en dan zal ik u mijn geheele geschiedenis vertellen, ook wat de oorzaak is, dat ik hier ben.”
De kluizenaar haalde eenige wilde peren te voorschijn, en toen de prinses er een paar van gebruikt had, begon zij hem te vertellen, wie zij was en hoe zij in deze woestijn kwam. Zij zei: “Ik ben de dochter van een koning, en eens, vele jaren geleden, hebben drie jonge edellieden van mijns vaders hof mij aan den koning ten huwelijk gevraagd. Nu was de koning dezen drie jongen mannen allen even genegen, zoodat hij niet graag een hunner leed deed; daarom zond hij ze heen om verre landen te doorreizen en beloofde hun, dat hij bij hun terugkomst een beslissing zou nemen.
“De drie edellieden bleven langen tijd weg; en terwijl zij nog ergens buitenslands waren, werd ik gevaarlijk ziek. Ik was op het punt te sterven, toen zij alle drie plotseling terugkeerden; een hunner bracht een wonderdadige zalf mee, die mij onmiddellijk genas; de twee anderen brachten even merkwaardige dingen mede—een tapijt, dat elk, die er zich op neerzette, door de lucht kon dragen, een verrekijker, waarmede men iedereen en alles in de wereld tot zelfs het zand op den bodem van de zee kon zien.”
De herkenning.
Zoover was de prinses met haar verhaal gekomen, toen de kluizenaar haar plotseling in de rede viel met de woorden: “Alles, wat daarna gebeurde, weet ik even goed als gij. Zie mij aan, dochter! Ik was een dier edellieden, die dongen naar uw hand en hier is de wonderbare verrekijker.” En de kluizenaar haalde, voordat hij verder ging, het instrument uit een nis in den wand van het hol te voorschijn.
“Mijn twee vrienden en medeminnaars kwamen met mij naar deze woestijn. Wij gingen echter dadelijk van elkaar en hebben elkaar nooit meer ontmoet. Ik weet niet, of zij nog leven of dood zijn, maar ik wil naar hen uitzien.”
De kluizenaar keek toen door zijn verrekijker en zag, dat de beide andere edellieden evenals hij leefden in holen in verschillende deelen van de woestijn. Nadat hij dit had ontdekt, nam hij de prinses bij de hand en voerde haar naar de andere kluizenaars. Toen allen hereend waren, vertelde de prinses haar avonturen, die zij had beleefd, sinds het vergaan van het schip, waarin haar echtgenoot omgekomen was en waarvan zij alleen werd gered.
Het deed de drie edele kluizenaars genoegen haar nog eens levend te zien; maar zij waren het er dadelijk over eens, dat zij haar naar den koning, haar vader, moesten terugzenden.
Zij gaven de prinses toen den wonderbaren verrekijker en de wonderdoende zalf en zetten haar op het wonderdadige tapijt, dat haar en haar schatten snel en veilig naar het paleis van haar vader bracht. En wat de drie edellieden betrof, zij bleven, steeds als kluizenaars levende, in de woestijn, met dit verschil echter, dat zij elkaar nu en dan bezochten, zoodat de jaren hen niet zoo lang en eentonig leken. Want zij hadden elkaar nog vele avonturen te vertellen.
De koning was buitengewoon blij, dat hij zijn eenig kind weer veilig terugzag en de prinses leefde vele jaren met haar vader; maar noch de koning noch de prinses konden de drie edelen geheel vergeten, die terwille van haar als kluizenaars leefden in de woestijn van een ver verwijderd land.
De droom van den koningszoon.
Er was eens een koning, die drie zoons had. Op zekeren avond, toen de jonge prinsen zich te slapen legden, zeide de koning tot hen, dat zij goed acht moesten geven op ’t geen zij droomden en dat zij hem den volgenden morgen hun droom moesten vertellen. Den volgenden morgen gingen de prinsen, zoodra zij ontwaakten, naar hun vader en toen de koning hen zag, vroeg hij den oudste:
“Nu, wat hebt gij gedroomd?”
De prins antwoordde: “Ik heb gedroomd, dat ik de erfgenaam van den troon was.”
En de tweede zei: “Ik droomde, dat ik de eerste onderdaan in het koninkrijk zou zijn.”
Toen sprak de jongste: “Ik droomde, dat ik mijn handen waschte en dat de prinsen, mijn broeders, de kom vasthielden, terwijl de koningin, mijn moeder, fijne handdoeken ophield, waaraan ik mijn handen zou kunnen afdrogen en Uwe Majesteit zelf schonk er water over heen uit een gouden emmer.”
De koning werd, toen hij dit hoorde, zeer vertoornd en riep uit: “Wat! ik—de koning—zou water schenken over de handen van mijn eigen zoon! Verwijder u onmiddellijk uit mijn paleis en uit mijn koninkrijk! Gij zijt niet langer mijn zoon.”
De arme, jonge prins deed al zijn best vrede met zijn vader te sluiten, en zei, dat hij toch werkelijk niet te laken was om hetgeen hij had gedroomd; maar de koning werd steeds woedender, en wierp eindelijk eigenhandig de prins uit het paleis.
Zoo was de prins genoodzaakt verschillende landen door te trekken, totdat hij op zekeren dag in een groot bosch een hol ontdekte, dat hij binnen ging om er in te rusten. Daar vond hij tot zijn groote verbazing en vreugde een grooten ketel vol maïs, die op het vuur stond te koken en daar hij buitengewoon hongerig was, bediende hij zich zelf van de maïs. Hij ging daarmede door, tot hij tot zijn ontsteltenis bemerkte, dat hij bijna al de maïs had opgegeten. Bevreesd, dat er onheil uit zou kunnen voortkomen, keek hij rond naar een plaats, waar hij zich zou kunnen verbergen. Op dat oogenblik ontstond een groot geraas aan den ingang van het hol, en hij had zich nauwelijks in een donkeren hoek teruggetrokken, of een blinde, oude man kwam binnen. Hij zat op een groote geit, terwijl hij een groot aantal geiten voor zich uitdreef.
De oude man reed regelrecht naar den ketel; toen hij bemerkte, dat bijna al de maïs er uit verdwenen was, vermoedde hij, dat er iemand in het hol moest zijn en tastend ging hij het hol rond, totdat hij den prins greep,
“Wie zijt gij?” vroeg hij boos en de prins antwoordde:
“Ik ben een arme zwerver, die de wereld doortrekt, een dak heb ik niet en ik smeek u mij gastvrijheid te verleenen.”
“Wel,” sprak de oude man, “waarom niet? Ik zal tenminste iemand hebben, die toezicht op mijn maïs houdt, als ik met mijn geiten in het bosch ben.”
Zoo leefden zij eenigen tijd te zamen; de prins bleef in het hol, om de maïs te koken, terwijl de oude man zijn geiten elken morgen het woud indreef.
Op zekeren dag zei de oude man echter tot den prins: “Ik vind, dat gij heden met de geiten moest uitgaan; ik zal thuis blijven bij de maïs.”
Hierin stemde de prins toe, daar hij er genoeg van had altijd rustig in het hol te blijven. Maar de oude man voegde er aan toe: “Vergeet een ding niet! Er zijn negen verschillende heuvels; gij kunt de geiten vrij op acht er van laten grazen, maar in geen geval moet gij naar den negenden gaan. Daar verblijven de veele en zij zullen u zeker de oogen uitsteken, evenals zij het mij hebben gedaan, indien gij het waagt op haar heuvel te komen.”
De prins dankte den ouden man voor zijn waarschuwing, steeg daarna op de groote geit en dreef de andere geiten voor zich uit naar buiten.
Voortdurend achter de geiten aanrijdend, deed hij achtereenvolgens alle acht heuvels aan en toen hij den laatsten bereikte, kon hij den negenden zien. Toen kon hij de verzoeking niet weerstaan dien op te gaan. Daarom zei hij tegen zich zelf: “Ik wil het er op wagen, wat er ook gebeure!”
De Prins en de veele.
Ternauwernood had hij zijn voet op den negenden heuvel gezet, of de veele omringden hem, en maakten zich gereed hem de oogen uit te steken. Op het laatste oogenblik viel hem echter een gelukkige gedachte in en hij riep haastig: “Lieve veele, waarom zoudt gij deze zonde op uw hoofd laden? Ik stel u voor de volgende afspraak te maken. Indien gij over een boom springt, dien ik daar neer zal leggen, moogt gij mij de oogen uitsteken, en ik zal er u niet om laken!”
De veele stemden hierin toe en de prins ging heen en haalde een grooten boom, dien hij bijna tot aan den wortel doormidden hieuw. Toen hij dit gedaan had, dreef hij er een wig in, om de twee helften van elkaar te houden. Nadat hij den stam weer rechtop had geplaatst, sprong hij er eerst over en zei toen tegen de veele: “Nu is het uw beurt. Laat eens zien, of gij over den boom kunt springen!”
Een veela beproefde er over te springen, maar toen zij tusschen de twee helften zweefde, sloeg de prins de wigge er uit, de stam sloot zich en hield de veela vast. Toen werden al de anderen bang en zij verzochten hem den stam te openen en haar zuster vrij te laten; op haar beurt beloofden zij, dat zij hem alles zouden geven, wat hij mocht vragen. Toen sprak de prins: “Ik verlang niets anders dan dat ik mijn oogen mag behouden en dat gij het gezicht teruggeeft aan den armen, ouden man.” De veele gaven hem nu een bosje kruiden, zeiden hem, dat hij dat op de oogen van den ouden man moest leggen, waarna hij het gezicht terug zou krijgen. De prins nam het kruid, opende den boom een weinig, zoodat de veela vrij kwam, en reed toen op de geit terug naar het hol, waarbij hij weer al de andere geiten voor zich uit dreef.
Toen hij thuiskwam, legde hij dadelijk het kruid op de oogen van den ouden man en oogenblikkelijk had deze tot zijn buitengewone verbazing en vreugde zijn gezicht terug.
Den volgenden morgen gaf de oude man, voordat hij op zijn geit uitreed, aan den prins de sleutels van acht kabinetjes, die in het hol waren; hij waarschuwde hem in geen geval het negende kabinet te openen, al hing de sleutel vlak tegenover de deur. Daarna vertrok hij, nadat hij den prins nog had opgedragen er goed voor te zorgen, dat de maïs voor het avondeten gereed kwam.
Toen hij alleen was gelaten in het hol, begon hij er over te peinzen, wat er toch wel in het negende kabinet zou kunnen zijn en eindelijk kon hij geen weerstand bieden aan de verzoeking den sleutel te nemen en de deur te openen om er een blik in te werpen.
Het gouden paard.
Wat was hij verbaasd, toen hij een gouden paard met een gouden hazewind naast zich zag en verder een gouden hen met gouden kuikens, die bezig waren gouden gierstkorrels op te pikken.
De jonge prins staarde er eenigen tijd naar en bewonderde hun schoonheid; toen sprak hij tot het gouden paard:
“Vriend, ik geloof, dat het beter is, dat wij deze plek verlaten, voordat de oude man terugkomt.”
“Heel best,” antwoordde het gouden paard. “Ik ben volkomen bereid heen te gaan, maar sla den goeden raad, dien ik u geven zal, niet in den wind. Ga zooveel linnen halen, als ge krijgen kunt om over de steenen bij den ingang van het hol te leggen; want als de oude man het gekletter van mijn hoeven hoort, zal hij u zeker dooden. Verder moet gij een kleinen steen meenemen, een druppel water en een schaar en op het oogenblik, dat ik u zeg, dat ge ze neer moet werpen, moet gij mij dadelijk gehoorzamen—anders zijt gij verloren.”
De prins deed alles, wat het gouden paard had bevolen, en na de gouden hen met de kuikens in den zak te hebben gedaan, nam hij dien onder zijn arm, steeg te paard en reed snel het hol uit, waarbij de gouden hazewind, dien hij aan een leeren riem meevoerde, hem volgde. Maar zoodra zij in de open lucht waren, hoorde de oude man, ofschoon hij ver weg op een verwijderden berg zijn geiten hoedde, het gekletter van de gouden hoeven en hij riep tegen zijn groote geit: “Zij zijn weggeloopen. Laten we hen dadelijk volgen.”
In merkwaardig korten tijd zat de oude man op zijn groote geit den prins dicht op de hielen. Toen zei het paard: “Werp uw kleinen steen neer!”
Op hetzelfde oogenblik, waarop de prins het steentje had neergeworpen, verhief zich een rotsige berg tusschen hem en den ouden man, en voordat de geit er overgeklommen was, had het gouden paard een heel stuk op de vervolgers gewonnen. Maar heel spoedig had de oude man hen weer ingehaald en toen riep het paard: “Werp den druppel water neer!”
De prins gehoorzaamde onmiddellijk en zag toen tot zijn verbazing, dat een breede rivier tusschen hem en zijn vervolger stroomde.
Het kostte den ouden man en zijn geit zooveel tijd om de rivier over te steken, dat de prins op zijn gouden paard hem ver voor kwam; maar desondanks duurde het niet lang, of het paard had de geit weer zoo dicht achter zich, dat het riep: “Werp de schaar neer!” En toen de geit er over liep, bezeerde zij ernstig haar pooten.
Toen de oude man dit zag, riep hij uit: “Nu ik merk, dat ik u niet kan inhalen, moogt gij houden, wat gij genomen hebt. Maar gij zult verstandig doen naar mijn raad te luisteren. De menschen zullen u zeker dooden om uw gouden paard; daarom deedt gij beter dadelijk een ezel te koopen, en met de huid uw paard te overdekken en doe hetzelfde met uw gouden hazewind.”
Toen hij dit gezegd had, wendde de oude man zich om en keerde terug naar zijn hol; de prins volgde zijn raad onmiddellijk op en bedekte zijn gouden paard met een ezelhuid en zijn gouden hazewind eveneens.
Na een lange reis kwam de prins onverwacht in het koninkrijk van zijn vader. Daar hoorde hij, dat de koning een gracht had laten graven, die driehonderd meter breed en vierhonderd meter diep was en dat hij had laten bekend maken, dat hij, die zijn paard er over kon laten springen, de prinses, zijn dochter, tot vrouw zou krijgen.
Bijna een geheel jaar was verloopen sedert de bekendmaking, maar tot nu toe had zich niemand aan den sprong gewaagd. Toen de prins dit hoorde, zei hij: “Ik zal er met mijn ezel en mijn hond over springen,” en hij sprong er over.
De koning was echter zeer boos, toen hij vernam, dat een armoedig gekleed man op een ezel den sprong over de breede gracht had durven doen, die zijn dapperste ridders had afgeschrikt; daarom liet hij den vermomden prins met zijn ezel en zijn hond in een van zijn diepste kerkers werpen.
Den volgenden morgen stuurde de koning een van zijn bedienden om te zien, of de man nog leefde, doch deze snelde zeer ontsteld naar hem terug en vertelde hem, dat hij in den kerker inplaats van een armen man met een ezel, een jongen, fraai uitgedoschten ridder, een gouden paard, een gouden hazewind en een gouden hen omringd door gouden kuikens, die gouden gierstkorrels van den grond oppikten, had aangetroffen. Toen sprak de koning: “Dat moet een machtig prins zijn.” Daarom gaf hij bevel aan de koningin en de prinsen, zijn zoons, om alles voor de ontvangst van den vreemdeling gereed te maken en te zorgen, dat hij zijn handen zou kunnen wasschen. Toen ging hij zelf naar beneden, naar den kerker en bracht den prins met veel plichtplegingen naar boven, waarmee hij de slechte behandeling, die de prins ondergaan had, weer wilde goedmaken. De koning zelf nam een gouden emmer vol water, en schonk het over de handen van den prins, terwijl de beide prinsen de kom vasthielden en de koningin fijne handdoeken ophield, waaraan hij zijn handen kon drogen.
Toen dit gedaan was, riep de jonge prins uit: “Nu is mijn droom vervuld,” en op eens herkenden zij hem en zij waren zeer blij hem weer in hun midden te zien.
De bijter gebeten.
Er was eens een oud man, die telkens, als hij hoorde, dat iemand zich er over beklaagde, dat hij zooveel zoons had, lachte en zei: “Ik wilde, dat het God behaagde mij honderd zoons te geven!”
Dit zei hij voor de grap; maar in den loop van den tijd kreeg hij inderdaad honderd zoons.
Hij had moeite genoeg om verschillende ambachten voor zijn zoons te vinden, maar toen zij eenmaal allen gevestigd waren, werkten zij ijverig en verdienden een overvloed van geld. Nu deed zich echter een nieuwe moeielijkheid voor. Op zekeren dag kwam de oudste zoon naar hem toe en zei: “Lieve vader, ik geloof, dat het meer dan tijd is, dat ik trouw.”
Ternauwernood had hij dit gezegd, of de tweede zoon kwam, en zei: “Beste vader, ik geloof, dat het hoog tijd is, dat u eens naar een vrouw voor mij uitziet.”
Een oogenblik later kwam de derde zoon en vroeg: “Lieve vader, vindt u niet, dat het hoog tijd is, dat u een vrouw voor mij zoekt?” Met dezelfde boodschap kwamen ook de vierde en de vijfde, tot het geheele honderdtal hetzelfde verzoek had gedaan. Allen wenschten te trouwen en verzochten hun vader zoo spoedig mogelijk een vrouw voor hen te zoeken.
De oude man was niet weinig in verlegenheid gebracht door deze verzoeken; hij zei evenwel tegen zijn zoons: “Heel goed, mijn zoons, ik heb er niets tegen, dat gij trouwt; ik vrees echter, dat het niet gemakkelijk zal gaan. Gij vraagt alle honderd een vrouw, en ik betwijfel, of er wel honderd huwbare meisjes in de vijftien dorpen van onze omgeving te vinden zijn.”
Maar hierop antwoordden de zoons: “Maak u daarover niet ongerust; bestijg uw paard en neem in uw zak een voldoend aantal verlovingskoeken mee. Gij moet ook een stok in uw hand nemen, waarin gij een inkerving maakt, telkens als gij een meisje ziet. Het komt er niet op aan, of zij mooi of leelijk, kreupel of blind is—maak een insnijding voor elk meisje, dat u ontmoet.”
De oude man zei: “Dat is heel verstandig gesproken, mijn zoons! Ik zal precies doen, wat gij mij gezegd hebt.”
Hij steeg dus te paard, nam een zak vol koeken op zijn schouders en een langen stok in zijn hand en vertrok om de omgeving af te zoeken naar meisjes, die zijn zoons zouden kunnen trouwen.
De oude man reisde van dorp tot dorp, een gansche maand lang en als hij een meisje zag, maakte hij een insnijding in zijn stok. Maar het verveelde hem toch en hij begon te tellen, hoeveel kerfjes hij reeds had. Toen hij ze zorgvuldig had geteld, telkens en telkens weer, om er zeker van te zijn, dat hij er geen had overgeslagen, kon hij het toch niet verder dan vierenzeventig brengen, zoodat er nog zesentwintig ontbraken om het honderdtal vol te maken. Maar hij was zoo afgemat door zijn reis van een maand, dat hij besloot naar huis terug te keeren. Onder het rijden zag hij een priester, die ossen voortdreef, welke voor een ploeg waren gespannen. De priester was, naar het scheen, over het een of ander zeer diep in gedachten verzonken. Nu was de oude man een beetje verbaasd, toen hij zag, dat de priester zijn eigen korenvelden ploegde, zonder dat hij zelfs een jongen had om hem te helpen; daarom riep hij hem toe: “Waarom bestuurt ge zelf uw ossen?” Maar de priester hief zelfs zijn hoofd niet op om te zien, wie hem riep; zoo was zijn aandacht in beslag genomen door zijn werk, het voortdrijven van zijn ossen en het sturen van zijn ploeg.
De oude man dacht, dat hij niet luid genoeg had gesproken, daarom riep hij nog eens zoo hard als hij kon: “Laat uw ossen een oogenblik stilstaan en vertel mij eens, waarom gij zelf bezig zijt met ploegen, en waarom geen jongen u helpt—en dat nog wel op een heiligendag!”
Nu antwoordde de priester—wien het zweet langs het gelaat liep, zoo hard werkte hij—knorrig: “Ik bezweer u bij uw ouden dag, laat mij met rust! Ik kan u mijn ongeluk niet vertellen.”
De honderd dochters.
Maar dit antwoord maakte den ouden man nog nieuwsgieriger en nog sterker drong hij er op aan te mogen hooren, waarom de priester op een heiligendag werkte. Eindelijk, toen het hem begon te vervelen, zuchtte de priester diep en zei: “Nu, als gij het wilt weten, ik ben de eenige man in mijn gezin. God heeft mij gezegend met honderd dochters?”
De oude man was overgelukkig, toen hij dit hoorde en riep vroolijk uit: “Dat komt goed uit! Het is precies, wat ik noodig heb, want ik heb honderd zoons, en daar gij honderd dochters hebt, kunnen wij vrienden worden!”
Zoodra de priester dit hoorde, werd hij vriendelijk en spraakzaam en noodigde den ouden man uit den nacht in zijn huis door te brengen. Hij liet zijn ploeg op den akker staan en dreef zijn ossen terug naar het dorp. Juist voor zij het huis bereikten, zei hij tegen den ouden man: “Ga zelf in huis, terwijl ik mijn ossen vastbind.”
Maar nauwelijks had de oude man het erf betreden, of de vrouw van den priester liep hard op hem toe met een dikken stok en riep: “Wij nebben geen brood genoeg voor onze honderd dochters en daarom kunnen wij geen bedelaars en ook geen bezoekers ontvangen,” en met deze woorden joeg ze hem weg.
Spoedig daarna kwam de priester uit de schuur en toen hij den ouden man op den weg voor het hek zag zitten, vroeg hij hem, waarom hij het huis niet was binnen gegaan, gelijk hij hem gezegd had.
Daarop antwoordde de oude man: “Ik ben naar binnen gegaan, maar uw vrouw joeg mij weg!”
Toen sprak de priester: “Wacht een oogenblik, totdat ik u kom halen.” Toen ging hij gauw het huis in, en schold zijn vrouw flink uit. Hij riep haar toe: “Wat hebt gij gedaan? Welk een mooie kans hebt gij daar bedorven! De man, die naar binnen kwam, moeten wij te vriend houden, want hij heeft honderd zoons, die onze dochters graag willen trouwen!”
Toen de vrouw dit hoorde, trok zij vlug een ander gewaad aan en maakte snel haar en hoofdtooi op. Daarna glimlachte zij heel lief, en heette met de grootst mogelijke voorkomendheid den ouden man welkom, toen haar man hem binnen bracht. Ja ze deed, alsof zij er zich niets meer van herinnerde, dat er iemand de deur uit was gejaagd. En daar de oude man voor alles verlangde de echtgenooten voor zijn zoons te vinden, deed hij ook, alsof hij niet wist, dat de glimlachende vrouw des huizes dezelfde was, die hem met een stok had weggejaagd. De oude man bracht dus den nacht in het huis door en den volgenden morgen vroeg hij den priester in allen vorm hem zijn honderd dochters voor zijn honderd zoons te geven. Daarop zei de priester, dat hij daartoe gaarne bereid was en er reeds met zijn dochters over gesproken had en dat ook zij bereid waren. Toen haalde de oude man de verlovingskoeken te voorschijn en legde ze naast zich neer op de tafel; en hij gaf elk meisje ook een stuk geld. Daarna gaf elk der verloofde meisjes hem voor dien zoon, met wien zij verloofd was, een klein geschenk mee. Deze geschenken deed de oude man in den zak, waarin de “verlovingskoeken” waren geweest. Daarna steeg hij te paard en reed vroolijk naar huis. Er heerschte groote vreugde in zijn gezin, toen men hoorde, hoe goed hij was geslaagd en dat hij werkelijk honderd meisjes had gevonden, die gereed en bereid waren uitgehuwelijkt te worden en dat deze honderd de dochters van een priester waren.
De zoons drongen er op aan, dat zonder dralen een begin zou worden gemaakt met de voorbereidselen tot het huwelijk en zij begonnen dadelijk de gasten te noodigen, die deel uit zouden maken van de huwelijksprocessie, welke zich naar het huis van den priester begeven en de bruiden thuis zou brengen.
Maar hier deed zich een andere moeielijkheid voor. De oude vader moest twee honderd geleiders voor de bruiden zoeken (voor elke bruid twee); honderd kooms; honderd starisvats; honderd chaious (hardloopende voetknechten, die voor de processie uitgaan) en drie honderd voïvodes (vaandeldragers); en bovendien een behoorlijk aantal andere gasten. Om deze allen te vinden, moest de vader drie jaar de omgeving afjagen; doch eindelijk waren ze gevonden en er werd een dag bepaald, waarop zij bij zijn huis zouden samenkomen om zich vandaar in processie naar het huis van den priester te begeven.
De huwelijksprocessie.
Op den bepaalden dag verzamelden zich al de genoodigde gasten bij het huis van den ouden man. Na veel geraas en verwarring, en na rijkelijk genoten te hebben van het feestmaal, stelde de huwelijksprocessie zich in beweging en begaf zich op weg naar het huis van den priester, waar de honderd bruiden zich al gereed gemaakt hadden voor haar vertrek naar haar nieuw tehuis.
Zoo groot was de verwarring bij het vertrek geweest, dat de oude man niet eens merkte, dat een van de honderd zoons ontbrak en hem in het geheel niet miste bij het groeten en praten en drinken, waartoe hij als vader van de bruidegoms verplicht was. Nu had deze jonge man zoo lang en hard gewerkt om zich gereed te maken voor den trouwdag, dat hij eerst wakker werd lang nadat de processie was vertrokken; iedereen scheen evenals zijn vader zooveel aan zijn hoofd te hebben, dat niemand hem miste.
De huwelijksprocessie kwam in goede orde aan het huis van den priester, waar reeds een feestmaal voor hen was aangericht. Na de noodige eer bewezen te hebben aan de vele goede dingen en nadat al de ceremonies vervuld waren, die bij zoo’n gelegenheid in acht genomen moeten worden, werden de honderd bruiden aan haar geleiders gegeven en de processie begaf zich op den terugweg naar het huis van den ouden man. Maar daar zij eerst vertrokken, toen het al vrij laat in den middag was, werd er besloten dat men den nacht ergens onderweg zou doorbrengen. Toen zij daarom aan een rivier kwamen, “de Ongelukkige” genaamd, stelden eenigen, daar het al donker was, voor aan den oever te overnachten en niet eerst de rivier over te steken. Anderen, die deel uitmaakten van de partij, bevalen echter met groote warmte aan de rivier over te steken en te kampeeren aan den anderen kant. Daartoe werd eindelijk na veel heen en weer praten besloten; de processie ging dus de brug over.
Maar juist toen de trouwpartij halverwege de brug was, bogen de beide leuningen naar elkaar toe en daardoor werden de menschen zoo dicht op elkaar gedrukt, dat zij nauwelijks ruimte hadden om adem te halen—laat staan om zich voor- of achteruit te bewegen.
De zwarte reus.
Gedurende eenigen tijd bleven zij zoo op elkaar gepakt staan; eenigen schreeuwden en scholden, anderen waren stil, omdat zij bang waren. Eindelijk verscheen een zwarte reus, die hen met vreeselijke stem toeschreeuwde:
“Wie zijt gij allen? Vanwaar komt gij? Waar gaat gij heen?”
De stoutmoedigsten onder hen antwoordden: “Wij gaan naar het huis van onzen vriend en brengen de honderd bruiden thuis van zijn honderd zoons; maar, helaas, wij hebben ons op deze brug gewaagd na het vallen van den avond en nu worden wij zoo tegen elkaar gedrukt, dat wij noch voor- noch achteruit kunnen.”
“En waar is uw oude vriend?” vroeg de zwarte reus.
Nu richtten aller oogen zich op den ouden man. Deze keek den reus aan, die onmiddellijk tegen hem zei: “Luister, oude man! Wilt gij mij geven, wat gij thuis vergeten hebt, als ik uw vrienden over de brug laat?”
De oude man dacht een oogenblik na, wat hij thuis vergeten kon hebben, maar hij kon zich niet voorstellen, dat dit iets bijzonders zou kunnen zijn, en daarbij hoorde hij van alle kanten het gekreun en gekerm van zijn gasten. Daarom antwoordde hij: “Nu, ik zal het u geven, als gij den stoet maar laat doorgaan.”
Toen zei de zwarte reus tot het gezelschap: “Gij hoort allen, wat hij heeft beloofd en gij zijt allen mijn getuigen bij de overeenkomst. Over drie dagen zal ik mijn prijs komen halen.”
Nadat hij dit gezegd had, maakte de reus de brug ruimer en de geheele processie ging er veilig over naar den anderen kant. De lust om den nacht in de open lucht te vertoeven, was den menschen echter ontgaan en zij gingen daarom zoo snel zij konden verder en vroeg in den morgen bereikten zij het huis van den ouden man.
Toen hij van het vreemde avontuur hoorde, dat hen was overkomen, begreep de oudste zoon, die thuis was gelaten, spoedig, hoe de zaak stond en hij ging naar zijn vader en zei: “O, vader, u heeft mij aan den zwarten reus verkocht!”
Toen was de oude man zeer bedroefd en verontrust; maar zijn vrienden troostten hem en zeiden: “Wees niet bang! Er zal niets van komen.”
De huwelijksplechtigheden zouden met grooten luister gevierd worden. Maar juist, toen het feest zijn hoogtepunt had bereikt, op den derden dag, verscheen de zwarte reus voor de deur en riep: “Nu, geef mij dadelijk, wat gij mij beloofd hebt.”
De oude man trad bevend naar voren en vroeg: “Wat verlangt gij?”
“Niets anders, dan wat gij mij hebt beloofd!” antwoordde de zwarte reus.
Daar hij zijn belofte niet mocht breken, was de oude man, hoezeer ’t hem ook smartte, genoodzaakt zijn oudsten zoon aan den reus over te geven, die daarop sprak: “Nu neem ik uw zoon mee, maar over drie jaren kunt gij naar de Ongelukkige rivier komen en hem weer meenemen.”
Na dit gezegd te hebben, verdween de zwarte reus, en voerde den jongeman met zich mee. Deze werd zijn leerjongen in zijn werkplaats, waar de reus het beroep van toovenaar uitoefende.
Vanaf dat oogenblik had de arme, oude man geen gelukkig oogenblik meer. Hij was altijd bedroefd en angstig en telde elk jaar en elke maand, en elke week en zelfs iederen dag, tot het ochtendgrauwen van den laatsten dag verkondigde, dat de drie jaren om waren. Toen nam hij een staf in zijn hand en haastte zich naar den oever van de Ongelukkige rivier. Zoodra hij de rivier bereikte, kwam de zwarte reus hem tegemoet en vroeg hem: “Waarvoor komt gij?”
De oude man antwoordde, dat hij kwam om zijn zoon mee naar huis te nemen, zooals zij overeengekomen waren. Daarop hield de reus hem een blad voor, waarop een musch, een tortelduif en een kwartel zaten en zei tegen den ouden man: “Als gij kunt zeggen, wie uw zoon is, dan kunt gij hem meenemen.”
De oude man keek aandachtig naar de drie vogels, en keek telkens weer, maar eindelijk was hij genoodzaakt te bekennen, dat hij niet wist, wie zijn zoon was. Zoo was hij genoodzaakt alleen terug te gaan en hij voelde zich nog veel rampzaliger dan te voren. Nauwelijks was hij echter halverwege zijn huis, of hij bedacht zich en ging terug naar de rivier met het voornemen om een van de vogels aan te wijzen, die hem, gelijk hij zich nu herinnerde strak had aangezien.
Toen hij de Ongelukkige rivier bereikte, kwam de reus hem weer tegemoet en weer hield hij hem een blad voor, waarop dezen keer een patrijs, een mees en een zanglijster zaten en hij sprak: “Nu, oude man, vertel, wie uw zoon is!”
De bezorgde vader keek elken vogel op de rij af oplettend aan, maar hij voelde zich nog onzekerder dan den vorigen keer en daarop ging hij bitter schreiend weer heen.
De oude vrouw.
Juist toen de oude man door een woud ging, dat zich tusschen de rivier de Ongelukkige en zijn huis uitstrekte, kwam een oude vrouw hem tegen en zei: “Wacht een oogenblik! Waar gaat gij zoo haastig heen? En waarom zijt gij zoo bedroefd?” De man was zoo diep in gedachten verzonken, dat hij in het eerst geen acht sloeg op de oude vrouw, maar zij volgde hem, en riep nog eens en herhaalde haar vraag met nog meer aandrang dan den eersten keer. Toen stond hij eindelijk stil en vertelde haar, welk een ontzettend ongeluk hem had getroffen. Toen de oude vrouw het geheele verhaal had gehoord, zei zij opgeruimd: “Wees niet terneergeslagen. Wees niet bang! Ga weer terug naar de rivier en als de reus de drie vogels weer brengt, kijk ze dan scherp in de oogen. Als gij ziet, dat een der vogels een traan in een zijner oogen heeft, grijp hem dan en houd dien vast; want dan heeft hij een menschelijke ziel.”
De oude man dankte haar hartelijk voor haar raad en ging voor den derden keer terug naar de Ongelukkige rivier. Weer verscheen de zwarte reus en hij keek heel vroolijk, toen hij een musch, een duif en een specht op zijn blad bracht en zei: “Vooruit, oude man, zeg maar, wie uw zoon is!” Toen keek de vader de vogels scherp in de oogen en hij zag, dat in het rechteroog van de duif een traan biggelde. Oogenblikkelijk greep hij den vogel stevig vast en sprak: “Dit is mijn zoon!” Het volgende oogenblik merkte hij, dat hij zijn oudsten zoon stevig bij den schouder hield en hij nam hem zingende en roepende van vreugde gauw mee naar huis, en gaf hem daar over aan zijn oudste schoondochter, de vrouw van zijn zoon.
Nu leefden zij allen eenigen tijd heel gelukkig met elkaar. Op zekeren dag zei de jonge man echter tegen zijn vader: “Als leerling in de werkplaats van den zwarten reus heb ik een groot aantal tooverkunsten geleerd. Nu ben ik van plan mij in een mooi paard te veranderen, en u moet mij naar de markt brengen en voor een goede som geld verkoopen. Maar denk er aan, dat u den halster niet erbij geeft.”
De vader deed gelijk zijn zoon hem had gezegd. Den volgenden marktdag ging hij naar de stad met een mooi paard, dat hij te koop aanbood. Veel koopers kwamen om hem heen staan om het paard te bewonderen en steeds grooter sommen geld boden zij er voor, zoodat de oude man eindelijk in staat was het dier voor twee duizend dukaten te verkoopen.
Toen hij het geld ontving, zorgde hij er goed voor den halster niet te verliezen en hij keerde naar huis terug, veel rijker dan hij ooit gedroomd had te zullen worden.
Eenige dagen later zond de man, die het paard gekocht had, het met een knecht naar de rivier om het te laten baden en terwijl het in het water was, rukte het paard zich los van den knecht en galloppeerde naar een naburig bosch. Daar nam het zijn ware gedaante weer aan en keerde terug naar het huis van zijn vader.
Na eenigen tijd zei de jonge man tot zijn vader: “Nu zal ik mij in een os veranderen; u kunt mij weer naar de markt brengen om mij te verkoopen; zorg er echter voor het koord, waaraan gij mij leidt, niet af te geven.”
Den volgenden marktdag ging de oude man dus naar de markt, en voerde een fraaien os aan een touw met zich mee. Spoedig vond hij een kooper, die tienmaal den gewonen prijs voor den os betaalde. De kooper vroeg ook om het touw om den os naar huis te leiden, maar de oude man zei:
“Wat hebt gij aan zoo’n oud ding? Gij deedt beter een nieuw te koopen!” en toen hij heenging, nam hij het touw mee.
Dien avond, toen de knechts van den kooper den os naar de weide dreven, liep hij weg, vluchtte naar het naaste bosch en na weer zijn menschelijke gedaante te hebben aangenomen, keerde hij terug naar het huis zijns vaders.
Aan den vooravond van den volgenden marktdag zei de jongeman tegen zijn vader: “Nu zal ik mij in een koe met gouden horens veranderen, en u kunt mij evenals de vorige keeren verkoopen, maar zorg er voor het koord niet af te geven.”
Den volgenden morgen veranderde hij zich in een koe; de oude man bracht ze naar de markt en kreeg er drie honderd kronen voor.
Maar de zwarte reus had gehoord, dat zijn vorige leerling veel geld maakte door het vak te beoefenen, dat hij hem had geleerd, en daar hij naijverig op hem was, maakte hij een einde aan de winsten van den jongeman.
De reus koopt de koe.
Daarom kwam hij den derden keer zelf naar de markt als kooper, en zoodra hij de mooie koe met de gouden horens zag, wist hij, dat dit niemand anders kon zijn dan zijn oud-leerling. Hij naderde dus den ouden man, en na hooger geboden te hebben dan de andere koopers, betaalde hij den prijs, dien hij geboden had. Dadelijk daarop greep hij het koord en trachtte het den verschrikten ouden man te ontrukken, die uitriep: “Ik heb u het touw niet verkocht, maar de koe!” en hij hield het touw met beide handen vast.
“O, neen!” zei de kooper, “volgens de wet en het gewoonterecht is het touw in den koop inbegrepen! Wie een koe koopt, koopt ook het koord, waaraan zij wordt geleid!” Eenige toeschouwers, die zich verbaasden en pret hadden, zeiden, dat dit volkomen juist was; daarom was de oude man wel verplicht het koord te geven.
De zwarte reus, die zeer voldaan was over zijn koop, nam de koe mee naar zijn kasteel, en nadat hij zware ijzers aan haar pooten had bevestigd, maakte hij haar vast in den kelder. Elken morgen gaf de reus wat water en hooi aan de koe, maar de ijzers maakte hij niet los.
Op zekeren avond gelukte het de koe toch zich uit de ijzeren ketenen te bevrijden; ze opende dadelijk de kelderdeur met haar horens en rende weg.
Den volgenden morgen ging de zwarte reus als gewoonlijk met water en hooi voor de koe den kelder in. Toen hij zag, dat de koe was weggeloopen, wierp hij het hooi neer en snelde weg om haar te achtervolgen.
Zoodra hij haar in het oog kreeg, veranderde hij zich in een wolf, die onder woedend gehuil op haar toesnelde; maar zijn knappe leerling veranderde zich dadelijk van een koe in een beer, waarop de reus de gedaante van een leeuw aannam; toen veranderde de beer zich in een tijger, en de leeuw veranderde in een krokodil, waarop de tijger zich weer in een musch veranderde. Hierop veranderde de reus zich van een krokodil in een havik en de leerling nam onmiddellijk de gedaante van een haas aan; toen de havik dit zag, veranderde hij in een hazewind. Toen veranderde de leerling van een haas in een valk en de hazewind werd een arend, waarop de leerling in een visch veranderde. Daarop veranderde de reus van een arend in een muis en dadelijk daarna liep de leerling hem als een kat achterna; nu wist de reus niets beters te doen dan zich in een hoop gierst te veranderen, waarop de leerling een hen met kuikens werd, die gretig al de gierst begonnen op te pikken, wat hun gelukte op een korrel na, juist die, waarin de meester zat; deze veranderde zich nu in een eekhoorn, maar onmiddellijk werd de leerling een havik; hij schoot op den eekhoorn neer en doodde hem.
Op deze wijze versloeg de leerling zijn meester, den zwarten reus en wreekte zich voor al het lijden, dat hij van hem had moeten verduren, toen hij het vak van toovenaar leerde.
Nadat hij den eekhoorn had gedood, nam de havik zijn eigen gedaante weer aan en de jonge man keerde vroolijk naar zijn vader terug, dien hij in den loop des tijds onmetelijk rijk maakte.
Het beroep dat niemand kent.
Lang geleden leefde er een arm menschenpaar, dat een zoon had. De oude man en zijn vrouw werkten heel hard om hun kind behoorlijk groot te kunnen brengen, en hoopten, dat hij op zijn beurt voor hen zou zorgen op hun ouden dag.
Maar toen de jongen volwassen was, zei hij tegen zijn ouders: “Nu ben ik een man en ik ben van plan te trouwen, daarom wensch ik, dat u dadelijk naar den koning gaat en hem vraagt mij zijn dochter tot vrouw te geven.” De verbaasde ouders berispten hem en zeiden: “Waar denk je aan? Wij hebben niets dan deze armoedige hut om ons te beschutten en ternauwernood genoeg brood om ons te voeden; wij durven niet eens in de nabijheid van den koning komen—noch minder hem te vragen je zijn dochter tot vrouw te geven.”
De zoon drong er echter op aan, dat zij zouden doen, wat hij verlangde en dreigde hen te zullen verlaten en de wereld in te gaan, indien zij niet voldeden aan zijn wensch. Daar zij merkten, dat het hem werkelijk ernst was met zijn verzoek, beloofden de ongelukkige ouders, dat zij zouden gaan, en ’s konings dochter voor hem als vrouw zouden vragen. Daarop maakte de moeder in tegenwoordigheid van haar zoon een huwelijkskoek en toen hij gereed was, deed zij hem in een zak, nam een staf in haar hand en ging regelrecht naar het paleis, waar de koning woonde. Daar verzochten de bedienden van den koning haar binnen te komen; zij brachten haar in de hal, waar de koning gewoon was arme lieden te ontvangen, die kwamen om aalmoezen te vragen en verzoekschriften aan te bieden.
De arme, oude vrouw stond in de hal verlegen en beschaamd om haar versleten, armoedige kleeren; zij zag er uit, of zij van steen was, totdat de koning vriendelijk tegen haar zei: “Wat verlangt gij van mij, moedertje?”
Maar zij dorst toch niet aan den koning te zeggen, waarom zij was gekomen; daarom stamelde zij in haar verlegenheid: “Niets, Uwe Majesteit.”
Daar moest de koning even om glimlachen en hij zei: “Misschien komt gij om een aalmoes te vragen?”
Toen zei de oude vrouw zeer verlegen: “Ja, Uwe Majesteit, alsjeblieft!”
Nu riep de koning zijn bedienden en gaf hun bevel de oude vrouw tien kronen te geven, wat zij deden. Nadat zij dit geld had gekregen, dankte zij Zijne Majesteit en keerde naar huis terug, bij zich zelf zeggende: “Ik wed, dat mijn zoon, als hij dit geld ziet, er niet meer over zal spreken van ons heen te gaan.”
Maar hierin had zij zich schromelijk vergist, want nauwelijks was zij de hut binnen gegaan of haar zoon kwam en vroeg ongeduldig: “Wel, moeder, heeft u gedaan, wat ik u heb gevraagd?”
Nu riep zij uit: “Geef dat dwaze denkbeeld nu eens en voor goed op, mijn zoon. Hoe kon je verwachten, dat ik den koning zijn dochter voor jou ten huwelijk zou vragen? Dat zou voor een rijk edelman nog een stoutmoedige daad zijn; hoe zouden wij dan aan zoo iets kunnen denken? Doch zie eens, wat een massa geld ik heb meegebracht. Nu kunt gij zelf naar een passende vrouw uitzien en zul je de dochter van den koning vergeten.”
Toen de jonge man zijn moeder zoo hoorde spreken, werd hij zeer boos en zei tegen haar: “Wat kan mij het geld van den koning schelen? Ik verlang zijn geld niet, maar ik eisch zijn dochter! Ik zie, dat u mij voor den gek houdt; ik ga u dus verlaten, ik zal gaan—waar mijn oogen mij heenleiden.”
De arme oude ouders baden en smeekten hem hen op hun ouden dag niet te verlaten, maar hij bezweek eerst voor hun aandrang, toen zij hem oprecht beloofden, dat de moeder den volgenden dag weer naar den koning zou gaan en hem nu werkelijk zou vragen zijn dochter aan hun zoon uit te huwelijken.
Daarop ging de oude vrouw den, volgenden morgen weer naar het paleis en de bedienden lieten haar in dezelfde hal, waar zij den vorigen keer was geweest. Toen de koning haar daar zag staan, vroeg hij: “Wat verlangt gij nu, moedertje?” Maar zij voelde zich zoo beschaamd, dat zij ternauwernood kon stamelen: “Niets, Uwe Majesteit.”
De koning, die veronderstelde, dat zij weer kwam bedelen, beval zijn bedienden haar ook dezen keer tien kronen te geven.
Met dit geld keerde de arme vrouw naar haar hut terug; baar zoon kwam haar reeds tegemoet en vroeg: “Wel moeder, dezen keer hoop ik, dat gij gedaan hebt, wat ik heb gevraagd?” Maar zij antwoordde: “Ach, mijn lieve zoon, laat ’s konings dochter met rust. Hoe kun je in ernst aan een huwelijk met haar denken? Zelfs al wilde zij je trouwen, waar is het huis, waarheen je haar zoudt brengen? Zwijg er dus over en neem dit geld, dat ik je heb meegebracht.”
Op het hooren van deze woorden was de zoon nog boozer dan te voren en hij zei scherp: “Daar ik zie, dat u mij met de dochter van den koning niet wilt laten trouwen, ga ik op staanden voet heen om nooit meer terug te keeren,” en hij snelde de hut uit. Zijn ouders liepen hem hard achterna en haalden hem eindelijk over om terug te keeren, door hem te bezweren, dat zijn moeder den volgenden morgen weer naar den koning zou gaan—en waarlijk en oprecht dezen keer Zijne Majesteit om zijn dochter zou vragen.
De jonge man stemde er dus in toe terug te keeren en tot den volgenden dag te wachten.
’s Morgens ging de moeder met een bezwaard hart naar het paleis en werd evenals te voren in tegenwoordigheid van den koning gebracht. Nu hij haar hier voor den derden keer zag, vroeg Zijne Majesteit ongeduldig: “Wat verlangt gij nu weer, oude vrouw?” En over het geheele lichaam bevende zei zij: “Om u te dienen, Uwe Majesteit—niets.” Toen riep de koning uit:
“Maar dat is onmogelijk. Iets moet gij verlangen. Zeg mij dadelijk de waarheid, indien gij aan uw leven gehecht zijt.” Daarop was de oude vrouw wel genoodzaakt het geheele verhaal aan den koning te doen; dat haar zoon den wensch koesterde de prinses te trouwen en haar had gedwongen den koning te gaan vragen hem zijn dochter tot vrouw te geven.
Toen de koning alles had gehoord, zei hij: “Wel, indien mijn dochter haar toestemming geeft, zal ik er niets tegen inbrengen.” Hij zei daarop tot zijn bedienden, dat zij de prinses moesten gaan halen. Toen zij kwam, vertelde hij haar alles en vroeg haar: “Zijt gij bereid den zoon van deze oude vrouw te trouwen?”
De voorwaarde.
De prinses antwoordde: “Waarom niet? Indien hij alleen maar eerst het beroep leert, dat niemand kent!” Daarop beval de koning aan zijn bedienden de arme vrouw geld te geven, die nu met een verlicht hart naar haar hut terugkeerde.
Zoodra zij binnen kwam, vroeg haar zoon: “Hebt u de toestemming?” En zij antwoordde: “Laat mij eerst wat op adem komen. Nu heb ik het werkelijk aan den koning gevraagd: maar het heeft je niet veel verder gebracht, want de prinses verzekert, dat zij je niet wil trouwen, tenzij je het beroep hebt geleerd, dat niemand kent!”
“O, dat doet er niets toe!” riep de zoon uit. “Nu ik de voorwaarde ken, komt alles in orde!” Den volgenden dag begaf de jongeman zich op reis. Hij trok de wereld in om den man te zoeken, die hem het beroep zou kunnen leeren, dat niemand kende. Op zekeren dag, toen hij heel moe was van het loopen en heel terneergeslagen ging hij op een gevallen boomstronk aan den kant van den weg zitten. Nadat hij zoo een poosje had gezeten, kwam er een vrouw naar hem toe, die vroeg: “waarom zijt gij zoo treurig, mijn vriend?” En hij antwoordde: “Waarom vraagt gij mij dat, als gij mij niet kunt helpen?” Maar zij vervolgde: “Vertel mij maar, wat er aan scheelt en misschien kan ik u helpen.” Daarop zei hij: “Nu, als gij het dan bepaald weten wilt, ik reis al geruimen tijd de wereld door om den meester te vinden, die mij het ambacht kan leeren, dat niemand kent.”
“O, is het anders niet,” riep de oude vrouw, “luister dan maar naar mij! Wees niet bang, ga recht het bosch in, dat voor u ligt en daar zult gij vinden, wat gij noodig hebt.”
De jonge man was heel blij, toen hij dit hoorde, stond dadelijk op en ging naar het bosch. Toen hij vrij ver het bosch in was gegaan, zag hij een groot kasteel en terwijl hij er naar stond te kijken en zich afvroeg, wie daar wel kon wonen, kwamen er vier reuzen uit naar buiten rennen, die hem met donderende stem vroegen: “Wenscht gij het ambacht te leeren, dat niemand kent?” Hij antwoordde: “Ja, dat is precies de reden, waarom ik hier kom.” Daarop namen zij hem mee in het kasteel.
Den volgenden morgen maakten de reuzen zich gereed om op de jacht te gaan en voordat zij vertrokken, zeiden zij tot hem: “Gij moogt in geen geval de eerste kamer bij de eetzaal binnengaan.” Nauwelijks echter waren de reuzen goed en wel uit het gezicht, of de jonge man begon aldus bij zich zelf te overleggen: “Ik zie heel goed in, dat ik ergens terecht ben gekomen, waar ik nooit levend vandaan raak; daarom kan ik even goed in de kamer gaan; voor mij blijft het hetzelfde, wat er ook van komt.” Daarom ging hij er heen, deed de deur een eindje open en gluurde naar binnen. Daar stond een gouden ezel, gebonden aan een gouden voederbak. Hij keek er een poosje naar en was juist op het punt de deur te sluiten, toen de ezel zei: “Kom binnen, neem den halster van mijn hoofd en steek hem stilletjes bij je. Hij zal je goede diensten kunnen bewijzen, als je hem maar weet te gebruiken.” Hij nam den halster dus en na de deur gesloten te hebben, verborg hij hem vlug onder zijn kleeren. Hij zat nog niet heel lang, of de reuzen kwamen terug. Zij vroegen hem dadelijk, of hij in de eerste kamer was geweest en hij antwoordde allesbehalve op zijn gemak: “Neen, ik ben er niet in geweest.” “Maar wij weten, dat gij er wel in zijt geweest,” zeiden de reuzen zeer vertoornd en zij namen groote stokken en sloegen hem zoo geweldig, dat hij ternauwernood op zijn voeten kon staan. Het was zijn geluk, dat hij den halster onder zijn kleeren om zijn middel had gewonden, anders zouden zij hem zeker doodgeslagen hebben.
Den volgenden dag maakten de reuzen zich weer gereed om op de jacht te gaan, maar voordat zij vertrokken, gaven zij hem opnieuw bevel in geen geval de tweede kamer binnen te gaan.
Bijna onmiddellijk na hun vertrek, werd hij zoo vreeselijk nieuwsgierig, wat er wel in de tweede kamer zou zijn, dat hij geen weerstand kon bieden aan de verzoeking om de deur te openen. Hij stond nog een oogenblik aarzelend voor de deur stil, maar bedacht toen: “Ik ben toch al meer dood dan levend; veel erger kan het toch niet worden!” Daarop opende hij de deur en keek naar binnen. Hij was zeer verbaasd, toen hij daar een heel mooi meisje zag, in louter goud en zilver gekleed, dat bezig was haar haar te kammen; in elke vlecht hechtte zij een grooten diamant. Hij bleef haar eenige oogenblikken bewonderen en stond juist op het punt de deur weer te sluiten, toen zij sprak: “Wacht even, jonge man. Neem dezen sleutel en zorg er voor hem goed te bewaren. Hij zal u eens te pas komen, als gij slechts weet, hoe gij hem gebruiken moet.” Toen kwam hij binnen om den sleutel van het meisje aan te nemen, waarna hij het vertrek verliet, de deur achter zich sloot en ging zitten op de plaats, waar hij gezeten had.
Hij had daar niet lang gezeten, of de reuzen kwamen terug van de jacht. Zoodra zij het huis binnen kwamen, namen zij groote stokken om hem te slaan, terwijl zij vroegen, of hij in de tweede kamer was geweest. Bevend van angst antwoordde hij: “Neen, dat ben ik niet!”
“Maar wij weten, dat het wel zoo is,” schreeuwden de reuzen hevig vertoornd en sloegen hem nog erger dan den eersten keer.
De derde kamer.
Den volgenden morgen, toen de reuzen als gewoonlijk ter jacht gingen, zeiden zij tegen hem: “Ga niet in de derde kamer, voor niets ter wereld; want als gij dat doet, dan zullen wij niet als de vorige keeren barmhartigheid met je betrachten! Dan kunt gij er op rekenen, dat wij je doodslaan!” Maar ternauwernood waren de reuzen uit het gezicht, of de jongeman zei tot zich zelf: “Het is waarschijnlijk, dat zij mij zullen dooden, of ik er binnenga of niet. Bovendien, al dooden zij mij niet, zij hebben mij toch al zoo erg geslagen, dat ik meer dood dan levend ben; ik zal dus in elk geval de derde kamer binnengaan.” Hij stond op en opende de derde kamer. Maar hoe ontstelde hij, toen hij zag, dat de kamer vol menschenhoofden was! Deze hoofden behoorden aan jonge mannen, die evenals hij gekomen waren om het beroep te leeren, dat niemand kent en die, na zich stipt aan de bevelen van de reuzen te hebben gehouden, toch door hen gedood waren.
De jongeman wendde zich snel om, teneinde zich te verwijderen, toen een der hoofden riep: “Wees niet bang, maar kom binnen!” Daarop ging hij de kamer in. Toen gaf het hoofd hem een ijzeren ketting en zei: “Pas goed op dezen ketting, want hij zal u van dienst zijn, indien gij er een goed gebruik van weet te maken!” Hij nam den ketting dus en toen hij de kamer verlaten had, sloot hij de deur.
Hij ging op zijn gewone plaats zitten om de komst der reuzen af te wachten. Onderwijl werd hij zeer bevreesd, want hij was er volkomen op voorbereid, dat zij hem zouden dooden.
Zoodra de reuzen thuis kwamen, namen zij hun stokken op en begonnen zij hem te slaan zonder zich zelfs een oogenblik den tijd te gunnen om hem een vraag te stellen. Zij sloegen hem zoo heftig, dat hij zoo goed als dood liggen bleef, daarna wierpen zij hem het huis uit en zeiden: “Ga nu heen, nu gij het beroep geleerd hebt, dat niemand kent.”
Nadat hij geruimen tijd gelegen had op de plek, waar zij hem hadden neergeworpen, en zich zeer pijnlijk en ellendig gevoelde, beproefde hij eindelijk zich te bewegen, waarbij hij tot zich zelf zei: “Nu, als zij mij werkelijk het ambacht geleerd hebben, dat niemand kent, dan kan ik terwille van ’s konings dochter met vreugde alle pijnen lijden—als ik haar maar win.”
Na geruimen tijd gereisd te hebben, kwam de jongeman aan het paleis van den koning, wiens dochter hij wenschte te trouwen. Toen hij het paleis zag, was hij buitengewoon treurig; hij herinnerde zich de woorden van de prinses, want ondanks al zijn rondreizen en lijden had hij geen ambacht geleerd, laat staan het beroep, “dat niemand kent.” Terwijl hij nog nadacht, wat hij het best zou kunnen doen, herinnerde hij zich eensklaps den halster, den sleutel en den ijzeren ketting, die hij, verborgen onder zijn kleeren, steeds mee had gedragen, sinds hij het kasteel van de vier reuzen had verlaten. Toen zei hij tot zich zelf: “Laat ik eens zien, wat deze dingen kunnen doen!” Hij nam den halster en sloeg er mee op den grond en onmiddellijk stond een mooi paard, fraai opgetuigd voor hem. Daarna sloeg hij de aarde met den ijzeren ketting en dadelijk verschenen een haas en een hazewind. De haas begon hard te loopen en de hazewind achtervolgde hem. Een oogenblik later herkende de jongeman zich zelf nauwelijks, want hij zag zich gekleed in een fraai jachtcostuum en hij zat op het paard en vervolgde den haas, die een richting insloeg, welke hem vlak onder het raam van ’s konings paleis moest voeren. Nu wilde het toeval, dat de koning juist voor een venster stond en naar buiten keek. Dadelijk zag hij den mooien hazewind, die den haas nazat, en het zeer mooie paard met een jager in schitterend jachtcostuum er op. De koning was zoo ingenomen met het voorkomen van het paard en den hazewind, dat hij eenige bedienden riep en hen den vreemdeling nazond om dezen uit te noodigen in het kasteel te komen. Maar toen de jongeman een aantal menschen roepende en schreeuwende achter zich hoorde, reed hij snel achter een dikken struik, waar hij even den halster en den ijzeren ketting schudde. In een ommezien waren het paard, de hazewind en de haas verdwenen en hij zat weer op den grond onder de boomen, gekleed in zijn oude, versleten kleeren. Intusschen waren de knechts van den koning naderbij gekomen en toen zij hem daar zagen zitten, vroegen zij hem, of hij een knappen jager op een mooi paard voorbij had zien komen.
Hij gaf hun ruw ten antwoord: “Neen: ik heb niemand voorbij zien komen, ik stel er ook geen belang in, wie er voorbij gaat!”
Toen vervolgden de dienaren van den koning hun weg en doorzochten het bosch, waarbij zij zoo hard riepen als zij konden, maar het was alles vergeefsch, zij zagen noch hoorden iets van den jager. Eindelijk gingen zij terug naar den koning en vertelden hem, dat het paard en de jager zoo buitengewoon hard reden, dat zij niets van hem bespeurd hadden in het bosch.
De zoon keert terug.
Nu besloot de jongeman naar de hut te gaan, waar zijn ouders woonden. Zij waren blij, toen zij hem terugzagen.
Den volgenden dag zei de zoon tegen zijn vader: “Nu vader, zal ik u toonen, wat ik heb geleerd. Ik zal mij zelf veranderen in een mooi paard en u moet mij naar de stad brengen en verkoopen, maar zorg er voor, dat u den halster niet weggeeft, anders moet ik altijd een paard blijven!” Hij veranderde zich onmiddellijk in een paard van buitengewone schoonheid, en heel hooge prijzen werden voor hem geboden; maar de oude man zette den prijs hooger en hooger bij elk bod. Het nieuws verspreidde zich snel door de stad, dat er een prachtig paard op de markt te koop was en eindelijk hoorde de koning zelf er van. Hij zond eenige bedienden om het paard voor hem te halen, zoodat hij het zou kunnen zien.
De oude man bracht het paard dadelijk voor het paleis en de koning kon, nadat hij het een poos bewonderd had, niet nalaten uit te roepen: “Op mijn woord, ofschoon ik een koning ben, heb ik nog nooit zoo’n mooi paard gezien, noch minder ooit op zoo’n beest gezeten!”
Toen vroeg hij den ouden man, of hij het hem wilde verkoopen. “Ik wil het heel graag aan Uwe Majesteit verkoopen”, zei de oude man, “maar alleen het paard, den halster niet.” Daarop lachte de koning en zei: “Wat zou ik met uw vuilen halster moeten doen? Voor zulk een paard wil ik een halster van goud laten maken!” Het paard werd nu voor zeer hoogen prijs aan den koning verkocht en de oude man keerde met het geld terug.
Den volgenden morgen heerschte er groote beweging en ontsteltenis in de koninklijke stallen, want het mooie paard was gedurende den nacht verdwenen. En op hetzelfde oogenblik, dat het paard zich uit de voeten had gemaakt, keerde de jongeman in de hut zijner ouders terug.
Een paar dagen later zei de jongeman tegen zijn vader: “Nu zal ik mij in een mooie kerk veranderen en niet ver van het koninklijk paleis gaan staan en als de koning het gebouw mocht willen koopen, dan kunt gij het hem verkoopen, maar zorg er voor den sleutel niet af te geven, anders moet ik altijd een kerk blijven!”
Toen de koning dien morgen opstond en naar zijn raam ging om uit te kijken, zag hij een mooie kerk, die hij tevoren nooit had gezien. Hij stuurde zijn knechts op onderzoek uit, en spoedig daarna kwamen zij terug en vertelden, dat “de kerk aan een ouden pelgrim behoorde, die zei, dat hij bereid was ze te verkoopen, indien de koning ze wenschte te koopen”.
Daarna liet de koning vragen voor welken prijs hij ze wilde verkoopen en de pelgrim antwoordde: “Ze is heel veel geld waard.”
Hooger geboden dan de koning.
Terwijl de knechts met den vader onderhandelden, naderde er een oude vrouw. Dit was dezelfde oude vrouw, die den jongeman naar het kasteel van de vier reuzen had gezonden; zij zelf was er ook geweest en had het ambacht geleerd, dat niemand kende. Daar zij dadelijk begreep, wat er aan de hand was, en zij er allerminst op gesteld was een mededinger in haar beroep toe te laten, besloot zij den jongeman onschadelijk te maken. Daarom bood zij steeds hooger dan de koning, en bood tenlaatste zulk een groote som baar geld, dat de man verbaasd en verlegen werd op het zien van al het geld, dat zij hem toonde. Hij nam haar bod dus aan, maar terwijl hij het geld telde, vergat hij geheel en al den sleutel. Eindelijk herinnerde hij zich, wat zijn zoon hem had gezegd, en, daar hij een onheil vreesde, liep hij de oude vrouw hard achterna en vroeg den sleutel terug. Maar de oude vrouw was niet te overreden den sleutel terug te geven. Ze zei, dat die bij de kerk behoorde, die zij had gekocht en betaald. Toen hij begon te merken, dat zij den sleutel in geen geval terug zou willen geven, werd de oude man hoe langer hoe meer bevreesd, dat zijn verzuim zijn zoon duur te staan zou komen. Daarom greep hij de oude vrouw bij haar hals en dwong haar den sleutel te laten vallen. Zij deed haar uiterste best hem weer terug te krijgen en terwijl zij en de oude man worstelden veranderde de sleutel in een duif en vloog weg hoog in de lucht over de tuinen van het paleis.
Toen de oude vrouw dat zag, veranderde zij zich in een havik en joeg de duif na. Maar juist toen de havik op haar neer wilde schieten, veranderde de duif in een mooi bouquet, dat in de handen van de dochter des konings viel, die juist in den tuin wandelde. Toen veranderde de havik weer in een oude vrouw, die naar de poort van het paleis ging. Dringend verzocht zij de prinses haar het bouquet te geven of althans een enkele bloem er uit.
Maar de prinses zei: “Neen! voor niets ter wereld! Deze bloemen vielen uit den hemel op mij neer.” Maar de oude vrouw was vast besloten een der bloemen te krijgen en ging daarom regelrecht naar den koning en smeekte hem zoo deerniswaardig, dat hij zijn dochter bevelen zou haar een bloem te geven, dat de koning, die meende dat de vrouw een der bloemen noodig had om van een ziekte te genezen, zijn dochter bij zich riep en beval er een aan de bedelaarster te geven.
Maar juist, toen de koning dit zei, veranderde het bouquet in een hoop gierst, die zich over den grond verspreidde. Toen veranderde de oude vrouw vlug in een hen met kuikens en begon gretig de korrels op te pikken. Maar eensklaps verdween de gierst en in de plaats er van stond een vos, die op de hen toesprong en haar doodde.
Daarna veranderde de vos in een jongeman, die aan den verbaasden koning en de prinses verklaarde, dat hij gekomen was om de hand van de prinses te vragen en dat hij de wereld rond was getrokken, tot hij iemand gevonden had, die hem het beroep, dat niemand kent, had geleerd.
Toen de koning en zijn dochter dit hoorden, verklaarden zij zich bereid de belofte te houden, die zij gegeven hadden.
Kort daarop trouwde de dochter van den koning den zoon der arme lieden. De koning liet voor de prinses en haar echtgenoot een paleis vlak bij het zijne bouwen. Daar woonden zij lang en kregen er een overvloed van kinderen en men zegt, dat eenige van hun afstammelingen nog leven, en dat die dikwijls naar de kerk gaan bidden, die altijd open moet blijven, omdat de sleutel er van veranderd is in een jonge man, die de dochter van den koning trouwde, nadat hij bewezen had aan de gestelde voorwaarden te kunnen voldoen en terwille van haar het beroep had geleerd, “dat niemand kent.”
De tweelingen met de gouden haren.
Lang, lang geleden leefde er een jonge koning, die heel graag zou trouwen, maar niet wist, waar hij het best deed naar een vrouw te zoeken.
Op zekeren avond, toen hij vermomd door de straten van zijn hoofdstad liep, wat hij dikwijls deed, stond hij stil om te luisteren bij een open raam, waar hij drie jonge meisjes vroolijk hoorde babbelen.
De meisjes spraken over het gerucht, dat den laatsten tijd de rondte door de stad deed, dat de koning van plan was spoedig te trouwen.
Een der meisjes riep uit: “Indien de koning mij wilde trouwen, dan zou ik hem een zoon geven, die de grootste held in de wereld zou zijn.”
Het tweede meisje sprak: “En als ik zijn vrouw zou zijn, dan zou ik hem twee zoons tegelijk geven—de tweelingen met het gouden haar.”
En het derde meisje verzekerde, dat zij, als de koning haar zou trouwen, hem een dochter zou geven, wier schoonheid door niemand ter wereld geëvenaard zou worden!
De jonge koning luisterde naar dit alles, dacht eenigen tijd na over haar woorden en beproefde vast te stellen, wie van de meisjes hij het best deed tot vrouw te nemen. Eindelijk besloot hij, dat zij het zijn zou, die gezegd had hem een tweeling met gouden haren te schenken.
Toen hij hiertoe besloten had, gaf hij bevel dadelijk de voorbereidselen tot zijn huwelijk te treffen en kort daarna, toen alles gereed was, trouwde hij het tweede van de drie meisjes.
Verscheidene maanden na zijn huwelijk kreeg de koning, die in oorlog was met naburige vorsten, bericht, dat zijn leger een nederlaag had geleden en dat het wenschelijk was, dat hij zich onverwijld naar het kamp spoedde. Hij verliet daarom zijn hoofdstad, liet de jonge koningin in zijn paleis achter met zijn stiefmoeder, en ging naar het leger.
Nu haatte de stiefmoeder van den koning haar schoondochter. Toen de jonge koningin haar bevalling voelde naderen, vertelde de oude koningin haar, dat het de gewoonte in de koninklijke familie was, dat de erfgenaam van den troon op een vliering geboren werd.
De jonge koningin, die niets wist van de gewoonten bij vorstelijke families, (behalve dan hetgeen zij gehoord of gezien had sinds haar huwelijk met den koning) geloofde onvoorwaardelijk, wat haar schoonmoeder haar vertelde, ofschoon zij het wel erg jammer vond haar mooie vertrekken te moeten verlaten voor een armoedige vlieringkamer.
Toen de tweelingen met de gouden haren geboren waren, beraamde de oude koningin het plan hen uit de wieg te stelen en twee leelijke, kleine honden in hun plaats te leggen. Zij liet de mooie tweelingjongetjes met de gouden haren levend begraven op een afgelegen plek in de tuinen van het paleis en zond daarna bericht aan den koning, dat de jonge koningin hem twee kleine honden had geschonken inplaats van de erfgenamen, waarop hij had gehoopt. De slechte stiefmoeder zei in haar brief aan den koning, dat zij zelf hierover niet verbaasd was, ofschoon zij zich zijn teleurstelling kon voorstellen en het haar om zijnentwil veel leed deed. Zij zelf had echter de jonge koningin er reeds lang van verdacht te groote vriendschap te koesteren voor kabouters en feeën en allerhande soorten booze geesten.
Toen de koning dezen brief ontving, werd hij vreeselijk woedend, omdat hij het jonge meisje alleen getrouwd had, daar zij hem beloofd had tweelingen met gouden haren als erfgenaam voor zijn troon te zullen schenken.
Hij zond bericht aan de oude koningin, dat zijn vrouw dadelijk in den vochtigsten kelder van het kasteel geworpen moest worden, een bevel, dat door de booze vrouw zonder verwijl werd uitgevoerd. Dientengevolge werd de arme, jonge koningin in een ellendigen, donkeren kerker onder het paleis op water en brood gevangen gezet.
De belofte van de jonge koningin.
Er was maar een heel klein gat in deze gevangenis—nauwelijks genoeg om licht en lucht door te laten. Toch wist de oude koningin gedaan te krijgen, dat een groot aantal menschen dit hol voorbij ging en ieder, die voorbij kwam, kreeg het bevel er naar te spuwen en de ongelukkige jonge koningin te beleedigen door haar toe te roepen: “Zijt gij werkelijk de koningin? Zijt gij het meisje, dat den koning bedroog teneinde koningin te worden? Waar zijn uw tweelingen met de gouden haren? Gij hebt den koning en uw vrienden bedrogen en nu hebben de heksen u misleid!”
Maar de jonge koning, ofschoon hij ontzettend boos was en gekweld werd door zijn groote teleurstelling, was tegelijk te bedroefd om naar zijn paleis te willen terugkeeren. Hij bleef dus negen jaren weg. Toen hij er eindelijk in toestemde om terug te keeren, werd zijn aandacht het eerst getrokken door twee mooie, jonge boomen in den tuin, precies gelijk van vorm en even groot.
Deze boomen hadden beide gouden bladeren en gouden bloesems en waren uit zich zelf gegroeid op de plaats, waar de stiefmoeder van den koning de twee jongetjes met de gouden haren, die zij uit de wieg gestolen had, had laten begraven.
De koning bewonderde deze boomen buitengewoon en hij kon er niet genoeg naar kijken. Maar dit stond de oude koningin volstrekt niet aan, want zij wist, dat de beide jonge prinsen begraven waren juist op de plaats, waar de boomen groeiden en zij was altijd bang, dat op de een of andere manier den koning ter oore zou komen, wat zij gedaan had. Zij hield zich daarom ziek en zei, dat zij er zeker van was te zullen sterven, tenzij haar stiefzoon bevel gaf de twee boomen met de gouden bladeren om te houwen en een bed voor haar te laten maken uit hun hout.
Daar de koning niet de schuld van haar dood wilde dragen, gaf hij bevel aan haar wensch gehoor te geven, ofschoon het hem zeer speet, dat hij zijn lievelingsboomen zou moeten missen. .
Een bed werd spoedig gemaakt van het hout der twee boomen en de oogenschijnlijk zieke, oude koningin werd er in gelegd, gelijk zij had verlangd. Zij was overgelukkig, dat de boomen met de gouden bladeren uit den tuin verdwenen waren, maar tegen middernacht werd zij wakker en kon zij den slaap niet meer vatten. Want het scheen haar toe, dat de planken, waarvan haar bed was gemaakt, met elkaar spraken!
“Hoe maakt gij het, mijn broeder?” En de andere plank antwoordde: “Dank je, ik maak het het heel goed; hoe maakt gij het?”
“O, best,” antwoordde de eerste plank; “maar ik zou wel willen weten, hoe het met onze arme moeder gaat in haar donkeren kerker! Misschien heeft zij honger en dorst!”
De booze, oude koningin kon den ganschen nacht geen oog meer dicht doen, toen zij dit gesprek tusschen de planken van haar bed had gehoord. Den volgenden morgen stond zij heel vroeg op en begaf zich naar den koning. Zij dankte hem, dat hij haar wenschen vervuld had en zei, dat zij zich al veel beter voelde, maar dat zij er zeker van was nooit geheel te zullen herstellen, tenzij de planken van haar nieuwe bed stuk gehakt werden en in het vuur werden geworpen. Het speet den koning ook de planken te moeten verliezen, die uit zijn twee lievelingsboomen waren gemaakt, maar hij kon niet weigeren alles te doen, wat tot een volkomen herstel van zijn stiefmoeder kon leiden.
Het nieuwe bed werd dus in stukken gehouwen en in het vuur geworpen. Maar terwijl de planken gloeiden en knetterden, vlogen twee vonken van het vuur op het binnenplein en het volgend oogenblik dartelden twee jonge lammeren met gouden vacht en gouden horens op het plein rond.
De koning bewonderde hen zeer en vroeg, wie ze daar gebracht had en aan wien ze behoorden. Hij stuurde zelfs een omroeper verscheidene keeren door de stad om den eigenaar van lammeren met een gouden vacht op te roepen voor den koning te verschijnen; maar niemand kwam, zoodat hij ten slotte van oordeel was, dat hij ze gerust als zijn eigendom kon beschouwen.
De koning droeg groote zorg voor deze twee mooie lammeren en gaf elken dag aanwijzingen omtrent hun voeding en verzorging; maar dit stond zijn stiefmoeder in het geheel niet aan. Zij kon zelfs niet naar de lammeren met de gouden vacht en de gouden horens kijken, zonder zich de tweelingen met de gouden haren te herinneren.
Na een poosje gaf zij dus weer voor gevaarlijk ziek te zijn en zei, dat zij er zeker van was, spoedig te zullen sterven, tenzij de twee lammeren gedood en hun vleesch voor haar gekookt zou worden.
De koning hield zelfs nog meer van zijn lammeren dan hij van zijn boomen met de gouden bladeren had gehouden, maar hij kon niet lang weerstand bieden aan de tranen en gebeden van de oude koningin, vooral niet nu zij zeer ziek scheen te zijn. De lammeren werden dus gedood en aan een knecht werd opgedragen hun gouden vacht naar de rivier te dragen en het bloed er goed uit te wasschen. Maar terwijl de bediende ze onder water hield, glipten zij op de een of andere manier uit zijn vingers en dreven met den stroom mede, die op deze plaats juist heel snel was. Nu gebeurde het, dat een eind stroomafwaarts een jager langs de rivier liep, en toen hij toevallig op het water keek, zag hij iets vreemds drijven. Hij stapte in de rivier en vischte er een doos uit, die hij mee naar huis nam en daar opende. Tot zijn onuitsprekelijke verbazing vond hij in de doos twee jongens met gouden haren. De jager had zelf geen kinderen; hij nam daarom de tweelingen aan, die hij uit het water had opgevischt, en bracht ze groot, alsof het zijn eigen zoons waren geweest. Toen de tweelingen waren opgegroeid tot knappe, jonge mannen, zei een hunner tot hun pleegvader: “Maak twee bedelaarspakken voor ons en laat ons de wereld rondreizen!” Maar de jager antwoordde: “Neen, ik zal een fijn pak kleeren voor ieder van u laten maken, zooals past voor twee jonge mannen van zoo edel voorkomen.” Toen echter de beide tweelingen er op aandrongen toch niet zooveel geld nutteloos uit te geven door mooie kleeren te koopen en hem vertelden, dat zij er op stonden als bedelaars de wereld in te gaan, deed de jager—die gewoon was zijn knappe pleegzoons hun zin te geven—wat zij verlangden en bestelde twee stellen kleeren, gelijk de bedelaars dragen. De twee zoons verkleedden zich toen als bedelaars, verborgen zoo goed als het ging hun mooie gouden haren en begaven zich toen op weg om in de wereld rond te zien. Zij namen een goussle mede en een cimbaal en voorzagen in hun levensonderhoud door zingen en spelen.
De zoons van den koning.
Zij hadden zoo eenigen tijd rondgereisd, toen zij aan het paleis van den koning kwamen. Daar het vrij laat in den middag was geworden, vroegen de jonge muzikanten verlof om den nacht in een van de bijgebouwen te mogen doorbrengen, daar zij arm waren en niemand in de stad kenden. De oude koningin, die juist op het binnenplein was, zag hen en zei scherp, toen zij hun verzoek hoorde, dat bedelaars niet toegelaten konden worden, in welk deel ook van het koninklijk paleis. De beide reizigers zeiden, dat zij hadden gehoopt voor hun logies te betalen met hun liederen en gezang, daar een hunner bij de goussle zong en de andere bij de cimbaal.
Maar hierdoor werd de oude koningin niet verteederd. Zij bleef er op aandringen, dat zij onmiddellijk heen zouden gaan. Gelukkig voor de beide broeders kwam de koning zelf op het plein, juist op het oogenblik, dat zijn stiefmoeder hen toornig gebood heen te gaan. Hij beval zijn bedienden dadelijk een slaapplaats voor de muzikanten in orde te brengen en de beide broers een goed avondmaal voor te zetten. Nadat zij hun avondeten gebruikt hadden, beval de koning hen in zijn tegenwoordigheid te brengen, opdat hij over hun bekwaamheden zou kunnen oordeelen, en misschien met hun gezang hem den avond zouden kunnen korten. Nadat de twee jonge mannen de ververschingen gebruikt hadden, die voor hen waren gereed gemaakt, voerde de bediende hen in tegenwoordigheid van den koning, en zij begonnen deze ballade te zingen:
“De mooie vogel, de zwaluw, bouwde zorgvuldig haar nest in het paleis van den koning. In het nest bracht zij twee van haar jongen groot. Een leelijke, zwarte vogel kwam echter naar het nest van de zwaluw, om haar geluk te verstoren en haar twee kleinen te dooden. En de leelijke, zwarte vogel slaagde er in het geluk van de arme, kleine zwaluw te vernietigen. Hoewel de kleinen nog jong en zwak waren en nog niet in staat om te vliegen, werden zij echter gered en zoodra zij opgegroeid waren en hun vleugels konden uitslaan, gingen zij naar het paleis, waar hun moeder, de aardige zwaluw, haar nest had gebouwd.”
Dit vreemde lied zongen de twee minstreelen zoo liefelijk, dat de koning er zeer door was bekoord en hun naar den zin van het lied vroeg.
Hierop namen de twee armelijk gekleede jonge mannen hun hoeden af, waardoor de prachtige lokken van hun gouden haar over hun schouders neervielen en het schijnsel der lampen er in weerkaatsten kon, zoodat de geheele zaal verlicht werd door hun glans. Toen traden zij naar voren en vertelden den koning, wat hen en hun moeder was gebeurd en zij overtuigden hem, dat zij werkelijk zijn eigen zoons waren.
De koning geraakte buiten zich zelf van woede, toen hij al de wreede dingen hoorde, die zijn stiefmoeder had bedreven en hij gaf bevel haar te verbranden. Daarna ging hij met de beide prinsen met de gouden haren naar den ellendigen kerker, waarin zijn ongelukkige vrouw zooveel jaren had gevangen gezeten en hij bracht haar terug in haar prachtig paleis. Toen zij daar haar zoons met de gouden haren terug zag en merkte hoeveel hun vader van hen hield, vergat zij spoedig haar lange jaren van ellende. Wat den koning betreft, hij voelde, dat hij nooit genoeg kon doen, om al het onrecht goed te maken, dat de koningin had geleden en een vergoeding te geven voor al de gevaren, waaraan zijn tweelingzoons blootgesteld waren geweest. Hij voelde, dat hij te gereedelijk al de verhalen van de oude koningin had geloofd, omdat hij nooit de moeite had genomen zich te overtuigen, of al de vreemde dingen, die zij verteld had, waarheid of leugen waren.
Na al deze zelfkwelling en verdriet en ellende kwam alles ten laatste weer goed. Nog lang mochten de koning met zijn vrouw en hun tweelingen met de gouden haren gelukkig samen leven.