Hoofdstuk XII De heiligen verdeelen de schatten.1
Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation
Hoofdstuk XII De heiligen verdeelen de schatten.1
De bard begint.
Neen, het is geen donder, noch is de aarde aan het schudden of de onstuimige Oceaan bezig tegen het strand te beuken.
Zie! de heiligen verdeelen onder elkaar de schatten des Hemels, van de Aarde en van de Zee; de Heilige Petrus en de Heilige Nicolaas, Johannes en Elias; onder hen is ook de Heilige Panthelias.
Plotseling nadert met langzame, sleepende schreden, Beata Maria; de tranen stroomen haar langs het bleeke gelaat.
“Lieve zuster” sprak de heilige Elias, “gij Beata Maria! Welk groot ongeluk heeft u getroffen, dat de tranen langs uw wangen stroomen?”
De Donderaar Elias gaf ten antwoord: “O, lieve zuster, gij Beata Maria. Wisch deze tranen af van uw lieftallig gelaat. Indien wij deze schatten hebben verdeeld, zullen wij naar den divan tot onzen Almachtigen Schepper gaan. Tot Hem willen wij bidden, dat Hij in Zijn oneindige genade ons de sleutels verleene der Zeven Hemelen, om die er mede te sluiten. Ik zal de wolken verzegelen, zoodat er geen droppel regen meer uit neervalt, noch stortregen, noch zachte dauw. Ook zullen de zilveren stralen der maan gedurende den nacht niet schijnen. Alzoo zal er gedurende drie volle jaren een ontzettende droogte heerschen en noch tarwe, noch wijn zal er groeien, ja, zelfs niet zooveel als er noodig is voor de Heilige Mis.”
Beata Maria was getroost en wischte de tranen weg van haar melkwit gelaat. En de heiligen gingen voort met het verdeelen der schatten: Petrus koos wijn en tarwe en de sleutels van het Hemelsche Rijk: Elias koos den bliksem en den donder; Panthelias de groote hitte; Johannes broederschap en koomschap, zoowel als het Heilige Kruis; Nicolaas koos de zeeën met de galeien er op.
De Gramschap van God.
Toen begaven allen zich naar den divan bij den Almachtige, tot Wien zij onophoudelijk baden, drie lichte dagen en drie duistere nachten lang. Zij baden en inderdaad hun gebeden werden verhoord: God gaf hun de sleutels van de Hemelen.
Zij sloten de Zeven Hemelen af en drukten zegels op de wolken en ziet, drie volle jaren viel er geen druppel regen, noch stortregen, noch zachte dauw. Het zilveren licht der maan scheen niet en er groeide geen wijn, noch ontsproot de tarwe in den verschroeiden grond, zelfs niet zooveel als noodig was voor de behoeften der Heilige Kerk.
Aanschouwt wat gebeurde! De zwarte aarde spleet; levenden werden er in verzwolgen—God zond een afgrijselijke plaag, die ouden en jongen wegmaaide, hen scheidende, die elkaar dierbaar waren. De weinigen, die dit overleefden, hadden bitter berouw en wendden zich tot God den Heer, in Wien zij waarachtig geloofden en Die hen nu zegende.
En Gods zegen, dien Hij dezen menschen gaf, is gebleven tot op dezen dag: er zou een zomer en een winter zijn, elk jaar een!
Zooals het lang geleden was, zoo is het ook nu. “Aangebeden God dat onze dankzeggingen U bereiken! Wat geschied is, dat het nooit weer geschiede.”