Hoofdstuk XIV. Folklore. (continued 2)
Joanna Petronella Wesselink-van Rossum translation
De prins aanvaardde zeer dankbaar de veer, nam afscheid en vertrok om zijn vijand te zoeken.
De derde zuster.
Na eenigen tijd kwam hij in een derde stad, waar hij op dezelfde wijze zijn derde zuster vond. Zij was getrouwd met den koning der valken, die hem ook vriendschappelijk welkom heette, en hem een veer gaf voor het geval, dat hij in nood mocht verkeeren.
De prins vindt zijn vrouw.
Na van de eene plaats naar de andere te zijn getrokken, vond hij eindelijk zijn vrouw in een hol. Toen zijn vrouw hem zag, riep zij uit: “Hoe ter wereld komt gij hier, beste man?” Hij vertelde haar, welke avonturen hij had beleefd en zei: “Laat ons samen vluchten, vrouw!” Maar zij antwoordde: “Hoe zouden wij kunnen vluchten; Bash Tchelik zal ons zeker inhalen: hij zou u dooden en en mij terug halen en straffen.” Toch overreedde de prins, die wist, dat hij drie levens had, zijn vrouw met hem te gaan.
Nauwelijks hadden zij den ingang van het hol bereikt, of Bash Tchelik hoorde hen vertrekken en snelde hen achterna. Na korten tijd bereikte hij hen, nam de prinses terug en zei verwijtend tegen den prins: “O prins, gij hebt uw vrouw gestolen! Dezen keer vergeef ik u, omdat ik mij herinner u drie levens te hebben toegestaan. Dus kunt gij gaan, maar als gij nog eens om uw vrouw hier durft komen, dan zal ik u dooden!” Daarop verdween Bash Tchelik met de prinses en liet haar echtgenoot in diep gepeins achter. Wat hij nu zou doen? Eindelijk besloot hij zijn geluk nog eens te proeven en toen hij weer bij het hol kwam, koos hij een oogenblik, waarop Bash Tchelik afwezig was en nam zijn vrouw weer mee. Maar weer bemerkte Bash Tchelik spoedig, dat zij vluchtten, en weer haalde hij hen na korten tijd in. Nu richtte hij zijn boog op den prins en zei: “Wat verkiest gij: geschoten te worden door dezen pijl of onthoofd door mijn zwaard?” De prins verzocht nog eens vergiffenis en Bash Tchelik schonk ze hem, waarbij hij zei: “Dezen keer vergeef ik u ook, maar wees ervan verzekerd, als gij nog eens durft te komen om uw vrouw te halen, dat ik u dan zonder genade dood.”
Toch beproefde de prins zijn geluk nog eens en na weer gegrepen te zijn door Bash Tchelik, verzocht hij nog eens om vergiffenis. Omdat hij hem uit eigen vrijen wil drie levens had gegeven luisterde Bash Tchelik naar zijn smeekbede, maar zei: “Wees gewaarschuwd, stel het eene leven, dat God u heeft gegeven, niet in de waagschaal!” Nu de prins inzag, dat hij tegen zulk een macht niets kon uitrichten, aanvaardde hij de terugreis, waarbij hij er voortdurend over peinsde, hoe hij ooit zijn vrouw uit de macht van Bash Tchelik zou kunnen bevrijden. Eensklaps schoot hem wat te binnen: hij herinnerde zich, wat zijn schoonbroers gezegd hadden, toen zij hem een veer uit hun gewaad hadden gegeven. Daarop besloot hij nog eens te gaan en te beproeven zijn vrouw te redden. “Indien ik in ongelegenheid kom,” dacht hij, “zal ik de veeren verbranden en mijn schoonbroers zullen mij te hulp komen.”
Daarop keerde de prins naar het hol van Bash Tchelik terug. Zijn vrouw was ten hoogste verbaasd hem te zien en riep uit: “Gij zijt uw leven dus moe, dat gij ten vierde male komt om mij!” Maar de prins liet zijn vrouw de veeren zien en verklaarde haar het nut er van en hij kreeg van haar gedaan, dat zij nog eens wilde beproeven met hem te vluchten. Nauwelijks hadden zij echter het hol verlaten, of Bash Tchelik stormde hen achterna roepende: “Sta stil, prins, gij kunt mij niet ontkomen!” De prins, die zag, dat zij in het grootste gevaar verkeerden, verbrandde haastig alle drie de veeren en toen Bash Tchelik met getrokken zwaard naderde om hem te dooden, o, welk een machtig wonder! Op datzelfde oogenblik kwam tot zijn hulp aanvliegen de drakenkoning met zijn leger draken, de koning der arenden met zijn wreede arenden en de valkenkoning met al zijn valken. Allen vielen verwoed op Bash Tchelik aan, maar ondanks de stroomen bloed, die vergoten werden, scheen Bash Tchelik onoverwinnelijk en eindelijk greep hij de prinses en vluchtte. Na den slag vonden de drie schoonbroeders den prins dood; zij besloten dadelijk hem tot het leven terug te roepen. Zij vroegen aan drie draken, wie van hen in den kortst mogelijken tijd eenig water uit den Jordaan kon brengen. De eerste zei: “Ik zou het in een half uur kunnen brengen!” De tweede verklaarde: “Ik zal het in tien minuten brengen!” De derde verzekerde: “Ik breng het in negen seconden!” Daarop zond de koning den derden draak en werkelijk hij gebruikte zijn vurige macht ten volle en keerde in negen seconden terug. De koning nam het genezende water, goot het op de gapende wonden van zijn schoonbroer en terwijl dit geschiedde, genazen de wonden en de prins sprong levend overeind.
De koningen gaven hem den volgenden raad: “Keer, nu gij van den dood zijt gered in vrede huiswaarts.” Maar de prins verzekerde, dat hij nog eens wilde beproeven zijn geliefde vrouw te redden. De koningen beproefden er hem van terug te houden; zeggende: “Ga niet, want gij zult verloren zijn, als gij het doet! Gij weet heel goed, dat gij nu slechts het eene leven hebt, dat God u gegeven heeft.” Maar de prins wilde niet luisteren. Daarop zeiden de koningen: “Als gij niet anders wilt, ga dan! Maar doe geen vergeefsche pogingen meer om met uw vrouw te vluchten! Laat uw vrouw aan Bash Tchelik vragen, waar zijn kracht schuilt. Kom ons dat vertellen, opdat wij u helpen kunnen hem te overwinnen.”
Het geheim van de kracht.
Dezen keer sloop de prins stil naar het hol en zei, zooals de koningen hem hadden aangeraden, tot zijn vrouw, dat zij Bash Tchelik moest vragen, waarin zijn kracht school. Toen Bash Tchelik dien avond thuis kwam, vroeg de prinses: “Ik bid u, vertel mij, waarin schuilt toch het geheim van uw kracht?” Toen Bash Tchelik dit hoorde, lachte hij en zei: “Mijn kracht ligt in mijn sabel!” De prinses knielde voor het zwaard en begon te bidden. Daarop barstte Bash Tchelik in nog luider gelach uit en riep: “O, dwaze vrouw! Mijn kracht ligt niet in mijn zwaard, maar in mijn pijl en boog!” Toen knielde de prinses voor den boog en de pijlen, doch Bash Tchelik schaterde van het lachen en riep uit: “O, dwaze vrouw! Mijn kracht schuilt noch in mijn boog noch in mijn pijlen! Maar vertel mij, wie heeft u gezegd mij te vragen, waarin mijn kracht schuilt? Indien uw echtgenoot leefde, zou ik kunnen vermoeden, dat hij het was, die het weten wilde!” Maar de prinses verzekerde, dat niemand haar had aangezet het te vragen en hij geloofde, wat zij zei.
Na eenigen tijd kwam de prins, en toen zijn vrouw hem zei, dat zij niets van Bash Tchelik te weten kon komen, zei hij: “Beproef het nog eens!” en ging heen.
Toen Bash Tchelik thuis kwam, vroeg de prinses weer naar het geheim van zijn kracht. Toen antwoordde hij: “Daar gij zooveel belang stelt in mijn kracht, zal ik u de waarheid vertellen.” En hij begon: “Ver van hier bevindt zich een hooge berg en in dien berg woont een vos; in de vos is een hart en in dat hart leeft een vogel; in dien vogel ligt al mijn kracht. Maar het is heel moeilijk den vos te vangen, want hij kan zich veranderen in alles, wat hij wil!”
Toen Bash Tchelik den volgenden morgen het hol verliet, kwam de prins en vernam het geheim van zijn vrouw. Toen ging hij regelrecht naar zijn schoonbroers, die, nadat zij het verhaal hadden gehoord, dadelijk met hem meegingen om den berg te vinden. Dit gelukte hen spoedig; zij lieten arenden los om den vos na te jagen, waarop de vos snel naar het meer liep en zich daar in een zes-vleugelige eend veranderde. Toen de valken de eend nazetten, vloog hij de wolken in. Hierop vervolgden de draken hem; de eend veranderde weer in een vos; de andere arenden omringden hem, en eindelijk werd hij gevangen.
Toen gaven de drie koningen bevel den vos open te snijden en zijn hart uit zijn lichaam te nemen. Toen dit gedaan was, werd er een groot vuur gemaakt en uit het hart van den vos namen zij een vogel, dien zij in het vuur wierpen en verbrandden.
Zoo kwam Bash Tchelik om; en zoo herkreeg de prins eindelijk zijn geliefde en trouwe gade.
De gouden appelboom en de negen pauwinnen.
Er was eens een koning, die drie zoons had. In den tuin van het paleis groeide een gouden appelboom, die in een en denzelfden nacht bloeide en rijpe vruchten droeg. Maar gedurende den nacht kwam een dief en plukte de gouden appelen, en niemand wist hem te ontdekken. Op zekeren dag overlegde de koning met zijn zoons en zei: “Het was mij heel wat waard, als ik wist, wat er met de vruchten van onzen appelboom gebeurt!” Daarop antwoordde de oudste zoon: “Ik zal vannacht onder den appelboom de wacht houden en zien, wie de vruchten plukt.”
Toen de avond daalde, legde de prins zich onder den appelboom om de wacht te houden; maar terwijl de appels rijpten, viel hij in slaap en ontwaakte niet voor den volgenden morgen, toen de appels verdwenen waren. Hij vertelde zijn vader, wat er was gebeurd, waarop zijn broeder, de tweede zoon, aanbood dien nacht de wacht te houden. Maar hij had niet meer succes dan zijn oudste broer.
Het was nu de beurt van zijn jongsten zoon om zijn geluk te beproeven en toen de nacht kwam, plaatste deze een bed onder den boom en legde zich neer om te slapen. Ongeveer middernacht werd hij wakker en keek op naar den boom. En zie! de appels rijpten juist en het geheele kasteel was verlicht door hun glans. Op dat oogenblik vlogen negen pauwinnen naar den boom en streken neer op de takken, waar acht harer gingen zitten om de vruchten te plukken. Maar de negende streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje veranderde. Zoo mooi was zij, dat men vergeefs naar haar gelijke zou zoeken door het geheele koninkrijk.

Streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje veranderde
De prins werd onmiddellijk doodelijk verliefd op zijn bezoekster en het mooie meisje was volstrekt niet onwillig om te blijven en met den jongeman te praten. Zoo verstreken een paar uren. Ten laatste zei het meisje, dat zij niet langer mocht blijven. Zij dankte de prins voor de appels, die haar zusters hadden geplukt; maar hij vroeg, of zij hem er althans een wilde geven om mee naar huis te nemen.
Het meisje glimlachte lieftallig en overhandigde hem twee appels, een voor hem zelf, den anderen voor zijn vader, den koning. Toen veranderde zij weer in een pauwin, voegde zich bij haar zusters en allen vlogen heen.
Den volgenden morgen bracht de prins de twee appels naar zijn vader. De koning, die zeer tevreden was, prees zijn zoon, en den volgenden nacht begaf de gelukkige prins zich evenals den vorigen keer naar den boom en ’s morgens bracht hij weer twee appels bij zijn vader. Toen dit verscheidene nachten gebeurd was, werden zijn twee broers jaloersch, omdat zij niet instaat waren geweest te doen, wat hij had gedaan. Toen bood een slechte, oude vrouw den ontevreden prinsen aan hun het geheim te openbaren. Den volgenden avond sloop de oude vrouw zachtjes onder het bed van den jongen prins en verborg zich daar. Spoedig daarop verscheen de prins en viel dadelijk evenals de vorige keeren in slaap. Toen het middernacht was, zie! streken de pauwinnen als gewoonlijk neer; acht gingen er op de takken van den appelboom zitten, maar de negende daalde neer op het bed van den prins en veranderde dadelijk in een meisje. Toen de oude vrouw deze vreemde gedaanteverwisseling zag, kroop zij zachtjes nader en sneed een lok van het haar van het meisje af, waarop dit dadelijk opstond en weer in een pauwin veranderde en met haar zusters verdween. Toen sprong de jonge prins op, verwonderd over het plotseling vertrek van zijn geliefde, en keek overal rond. Hij zag de oude vrouw, sleurde haar onder het bed vandaan en beval zijn knechts haar vast te binden aan de staarten van vier paarden en haar zoo te dooden.
Maar de pauwinnen kwamen nooit terug, tot groot verdriet van den prins, die luid weenend uiting gaf aan zijn smart.
Weenen beweegt geen enkelen berg, en eindelijk besloot de prins de wijde wereld in te gaan, om zijn liefste te vinden en niet terug te keeren, voordat hij haar had gevonden. Als een goed zoon vroeg hij toestemming aan zijn vader, die al zijn best deed, hem van dit gewaagde plan af te brengen en hem een veel mooiere bruid beloofde uit zijn uitgestrekt koninkrijk—want hij was er zeker van, dat elk meisje blij zou zijn zulk een dapperen prins te trouwen.
De prins gaat op onderzoek uit.
Maar al zijn vaderlijke raad was vergeefsch, zoodat de koning den prins tenslotte toestond te doen, wat zijn hart verlangde en de bedroefde prins vertrok slechts van een bediende vergezeld, om zijn liefste te zoeken. Nadat hij een langen tijd had gereisd, kwam hij eindelijk aan den oever van een groot meer, waarbij een prachtig kasteel stond, waarin een heel oude vrouw woonde, een koningin met haar eenige dochter. De prins vroeg de bejaarde koningin smeekend: “Ik bid u, grootmoeder, vertel mij, wat u weet van de negen gouden pauwinnen?” De koningin antwoordde: “O, mijn zoon, ik ken deze pauwinnen heel goed, want zij komen elken dag om twaalf uur naar dit meer om te baden. Maar deedt gij niet beter deze pauwinnen te vergeten en zoudt gij niet liever naar dit mooie meisje zien. Zij is mijn eenige dochter en zal mijn rijkdommen en schatten erven en gij kunt dan alles met haar deelen.” Maar de prins, die ongeduldig was om de pauwinnen te vinden, luisterde niet eens naar de koningin. Toen de oude dame zijn onverschilligheid zag, kocht zij zijn knecht om en gaf hem een blaasbalg, zeggende: “Ziet gij dit? Indien gij morgen naar het meer gaat, blaas dan stilletjes achter in den hals van uw meester, hij zal in slaap vallen en niet tegen de pauwinnen kunnen spreken.”
De ontrouwe knecht stemde er in toe om precies te doen, wat de koningin hem beval, en toen zij naar het meer gingen, maakte hij van de eerste gunstige gelegenheid gebruik om met den blaasbalg achter den hals van zijn armen heer te blazen, waarop de prins in een zoo diepen slaap viel, dat hij wel een doode geleek. Spoedig daarna vlogen de acht pauwinnen naar het meer, en de negende streek neer op het paard van den prins, omhelsde hem en sprak: “Ontwaak lieveling! Word wakker, geliefde! O, doe het!” Helaas, de arme prins bleef als dood. Toen verdwenen al de pauwinnen, nadat zij hadden gebaad.
Kort na haar vertrek ontwaakte de prins en vroeg aan zijn knecht: “Wat is er gebeurd? Zijn zij hier geweest?” De knecht antwoordde, dat zij er werkelijk waren geweest; dat acht harer in het meer hadden gebaad, terwijl de negende hem geliefkoosd en gekust had en beproefd had hem uit den slaap te wekken. Toen hij dit hoorde, was de prins zoo boos, dat hij er bijna toe gekomen was om zich zelf te dooden.
Den volgenden morgen gebeurde hetzelfde. Maar bij deze gelegenheid verzocht de pauwin aan den knecht den prins te zeggen, dat zij den volgenden dag voor het laatst zou terugkeeren. Toen de derde dag daagde, ging de prins weer naar het meer, en uit vrees weer in te slapen, galoppeerde hij langs den oever, in plaats van langzaam stapvoets te gaan. Maar zijn bedriegelijke knecht volgde hem dicht op de hielen en vond weer gelegenheid den blaasbalg te gebruiken, en weer viel de prins in slaap.
Kort daarna verschenen de pauwinnen; acht gingen zich als gewoonlijk baden, en de negende streek neer op het paard van den prins, en beproefde hem te wekken. Zij omhelsde hem en sprak aldus: “Word wakker, lieveling. Liefste, sta op! O, mijn ziel!” Maar haar pogingen waren vruchteloos; de prins sliep, alsof hij dood was. Toen sprak zij tot den knecht: “Als uw heer wakker wordt, zeg hem dan, dat hij den kop van den spijker moet afslaan; dan alleen zal hij in staat zijn mij weer te vinden.”
Na dit gezegd te hebben, verdween de pauwin met haar zusters en nauwelijks waren zij verdwenen, of de prins ontwaakte en vroeg aan zijn knecht: “Zijn zij er geweest?” En de boosaardige man antwoordde: “Ja; zij, die neerstreek op uw paard, gaf mij bevel u te zeggen, dat gij, indien gij haar terug wenscht te vinden, eerst den kop van den spijker af moet slaan.” Toen de prins dit hoorde, haalde hij zijn zwaard uit de scheede en sloeg zijn ontrouwen dienstknecht het hoofd af.
De prins zet zijn tocht voort.
Nu hervatte de prins zijn pelgrimstocht alleen en na lang reizen kwam hij aan een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, die hem gastvrij ontving. In den loop van het gesprek vroeg de prins aan zijn gastheer, of hij iets wist omtrent de negen pauwinnen. De kluizenaar antwoordde: “O, mijn zoon, gij zijt werkelijk gelukkig. God zelf heeft u den rechten weg gewezen. Van hier tot haar woning is het maar een halve dagreis; morgen zal ik u den weg wijzen.”
De prins stond den volgenden morgen heel vroeg op, maakte zich gereed voor de reis, dankte den kluizenaar voor het onderdak, dat hij hem gegeven had en vervolgde zijn weg volgens de aanwijzingen, die hem verstrekt werden. Hij kwam aan een groote poort en toen hij er door gegaan was, richtte hij zich naar rechts; tegen den middag zag hij eenige witte muren. Dat verheugde hem buitengewoon. Toen hij aan het kasteel kwam, vroeg hij den weg naar het paleis van de negen pauwinnen en voortgaande bereikte hij het spoedig. Hij werd natuurlijk aangeroepen door de wacht, zijn naam werd gevraagd en vanwaar hij kwam. Toen de koningin hoorde, dat hij gekomen was, was zij overstelpt van vreugde en in een meisje veranderend, snelde zij naar de poort en bracht den prins in het paleis.
Er werd feest gevierd, en een groote vreugde heerschte, toen later hun huwelijksvoltrekking werd gevierd, en na de bruiloft bleef de prins in het paleis en leefde daar in vrede.
Op zekeren dag ging de koningin vergezeld van een bediende in het park van het paleis wandelen; de prins bleef in het paleis. Vóór zij ging, gaf de koningin aan haar echtgenoot de sleutels van twaalf kelders, waarbij zij sprak: “gij moogt in al de kelders gaan op een na; ga onder geen voorwaarde in den twaalfden; ge moogt de deur zelfs niet openen.” De vraag, wat er toch wel in den twaalfden kelder zou kunnen zijn, begon den prins al spoedig te kwellen; en na den eenen kelder na den anderen te hebben geopend, stond hij aarzelend voor den twaalfden. Wie aarzelt, is verloren, en zoo stak de prins eindelijk den sleutel in het slot en het volgend oogenblik trad hij de verboden ruimte binnen. In het midden van den vloer stond een reusachtig vat met drie sterke ijzeren hoepels er omheen. Het spongat was open en daaruit klonk een gedempte stem, die zei: “Ik bid u, broeder, geef mij een dronk water, anders sterf ik van dorst!” De prins nam een glas water en goot het door het spongat; dadelijk daarop sprong een hoepel. Daarna sprak de stem weer: “O, broeder, geef mij meer water, opdat ik niet van dorst omkom!” De goedhartige prins ledigde een tweede glas in het vat en een tweede hoepel sprong onmiddellijk stuk. Weer smeekte de stem: “O, broeder, geef mij nog een derde glas! Ik verga nog van dorst!” De prins haastte zich aan den wensch van den onzichtbaren spreker te voldoen, en nadat hij voor den derden keer water gegeven had, barstte de derde hoepel. Het vat viel in stukken en een groote draak werkte er zich uit, stormde door de deur en vloog de lucht in. Spoedig daarna ontmoette hij de koningin, die op den terugweg naar het paleis was en hij voerde haar met zich mee. Vreeselijk ontdaan deelde de bediende den prins mee, wat gebeurd was en het nieuws trof hem als een donderslag.
Een oogenblik was de prins als waanzinnig, maar daarna werd hij kalmer en besloot zich opnieuw op weg te begeven, om zijn geliefde koningin te zoeken. Op zijn tochten kwam hij aan een rivier, en liep langs den oever; in een kleine holte zag hij een kleinen visch springen en moeite doen om er uit te komen.
Toen de visch den prins zag, smeekte hij met deerniswekkende stem: “Wees mijn broeder-in-God! Werp mij weer in de rivier; het kan zijn, dat de dag komt, waarop ik u van dienst kan zijn! Maar zorg er voor een schubbe van mij te nemen en als gij in nood verkeert, wrijf die dan zacht.” De prins nam den visch op, trok hem een schubbe uit en wierp het arme dier in het water; daarna wikkelde hij de schubbe zorgvuldig in zijn zakdoek.
Toen hij zijn weg vervolgde, zag hij een vos, die gevangen zat in een klem; het dier sprak hem aan en zei: “Wees mijn broeder-in-God! Bevrijd mij, bid ik u uit dezen wreeden klem, en ik zal u misschien nog eens van dienst zijn. Maar neem een haar van mijn staart en als gij in nood verkeert, wrijf dat dan zacht!” De prins nam een haar uit den staart van den vos en liet hem vrij. Hij trok verder en zag een wolf in een klem. En de wolf smeekte hem met deze woorden: “Wees mijn broeder-in-God en verlos mij! Het kan zijn, dat gij op zekeren dag mijn hulp noodig hebt; neem daarom een haar van mijn vacht en mocht gij ooit mijn hulp noodig hebben, dan hebt gij maar zacht te wrijven!” Ook dat deed de prins.
Hoe vermoeid hij ook was, de prins vervolgde zijn weg. Eenige dagen later bevond hij zich in de bergen. Daar ontmoette hij een man, tot wien hij zei: “O, mijn broeder-in-God! Kunt gij mij den weg wijzen naar het kasteel van den koning der draken?” Gelukkig had de man van dit kasteel gehoord en hij was instaat hem den weg te wijzen; hij lichtte den prins ook nauwkeurig in over den duur van de reis.
De prins vindt zijn vrouw.
De prins dankte den vreemdeling en vervolgde zijn weg met nieuwen moed, totdat hij aan de plaats kwam, waar de koning der draken woonde. Hij trad het kasteel stoutmoedig binnen en vond er zijn vrouw; nadat zij aan hun vreugde over de ontmoeting uiting hadden gegeven, overlegden zij, hoe zij zouden ontsnappen. Ten slotte namen zij vlugge paarden uit de stallen, maar nauwelijks waren zij op weg, of de draak kwam terug. Toen hij zag, dat de koningin ontsnapt was, overlegde hij met zijn strijdros: “Wat raad je mij aan? Zullen wij eerst eten en drinken, of zullen wij hen dadelijk achtervolgen!” Het paard antwoordde: “Laten we ons eerst verfrisschen, want we zullen hen stellig vangen.” Na den maaltijd steeg de draak te paard en binnen enkele minuten bereikten zij de vluchtelingen. Hij greep de koningin en sprak tot den prins: “Ga in vrede! Voor dezen keer vergeef ik u, omdat gij mij bevrijd hebt uit den kelder: maar waag het niet mijn pad nog eens te kruisen, want een tweeden keer zal ik u geen vergiffenis schenken.”
De arme prins aanvaardde treurig den terugweg, maar spoedig bemerkte hij, dat hij zonder zijn vrouw niet zou kunnen leven. Wat het ook kosten mocht, hij moest een tweede poging wagen om haar te redden. Hij keerde dus op zijn schreden terug en ging den tweeden dag het kasteel weer binnen en vond zijn vrouw badende in tranen. Het was duidelijk, dat zij een list te baat moesten nemen, indien zij wilden ontkomen aan de magische macht van den drakenkoning, en nadat zij over de vraag hadden nagedacht, zei de prins: “Als de draak vanavond thuis komt, vraag hem dan, vanwaar hij zijn paard kreeg; mogelijk ben ik in staat mij een paard te verschaffen, dat even vlug is: dan alleen zouden wij met kans op slagen een nieuwe poging om te ontvluchten kunnen wagen.” Met deze woorden verliet hij zijn vrouw. Toen de drakenkoning terugkeerde, begon de koningin hem te liefkoozen en genoegelijk met hem te babbelen; eindelijk zei zij: “Wat bewonder ik uw prachtig paard! Het is stellig geen gewoon ras! Waar hebt gij zulk een vlug ros gevonden?” En de drakenkoning antwoordde: “O, zijns gelijke kan niemand krijgen. In een zekeren berg woont een oude vrouw, die twaalf wonderpaarden in haar stallen heeft; het zou niemand gemakkelijk vallen uit te maken, welk het edelste is! In een hoek staat er echter een, dat oogenschijnlijk melaatsch is; maar het is feitelijk het beste van den geheelen stal en hij, die zich zijn meester mag noemen, kan hooger rijden zelfs dan de wolken. Mijn paard is een van die paarden. Eer iemand een er van kan krijgen, moet hij de oude vrouw drie dagen dienen. Zij heeft een merrie en een veulen, en wie haar knecht is, moet ze drie dagen en drie nachten verzorgen; indien hij erin slaagt ze te bewaken en ze aan de oude vrouw terug te brengen, mag hij een paard uit den stal kiezen. Maar indien de knecht niet goed op de merrie en het veulen past, dan schiet hij er het leven bij in.”
De oude vrouw en haar paarden.
Den volgenden morgen, toen de draak het kasteel had verlaten, kwam de prins en de koningin vertelde, wat zij had vernomen. Na een haastig afscheid van zijn vrouw begaf de prins zich met allen spoed naar den berg en nadat hij de vrouw had gevonden, sprak hij: “God helpe u, grootmoeder!”
En zij beantwoordde den groet: “Dat God ook u helpe, mijn zoon! Welke goede wind voerde u hierheen, en wat verlangt gij?” Hij antwoordde: “Ik zou u graag dienen!” Waarop de oude vrouw sprak: “Zeer goed, mijn zoon! Indien gij met goed gevolg drie dagen en drie nachten waakt over mijn merrie en haar veulen, dan zal ik u beloonen met een paard, dat gij zelf uit mijn stallen moogt kiezen; maar indien gij ze niet zorgvuldig bewaakt, dan moet ge sterven.”
Toen bracht zij den prins op het binnenplein, waar hij dicht bij elkaar vele staken in het rond zag staan en op elk der staken op een na zag hij een menschelijk hoofd. De eene staak riep voortdurend: “Geef mij een hoofd, o grootmoeder! Geef mij een hoofd!” De oude vrouw zei: “Dit zijn alle hoofden van hen, die mij hebben gediend; zij slaagden er niet in mijn merrie en haar veulen goed te bewaken; daarom moesten zij met hun hoofd betalen!” Maar de prins werd niet bang door hetgeen hij zag en hij nam de voorwaarde van de oude vrouw aan.
Toen de avond daalde, steeg hij op de merrie en reed op haar naar het weiland; het veulen volgde. Hij bleef op de merrie zitten, maar tegen middernacht dommelde hij wat in en viel eindelijk vast in slaap. Toen hij wakker werd, zag hij tot zijn groote ontsteltenis, dat hij op een boomstronk zat en den teugel van de merrie in zijn hand hield. Hij sprong er af en begon dadelijk naar het bedriegelijke dier te zoeken. Spoedig kwam hij aan een rivier; die herinnerde hem aan den kleinen visch en nadat hij de schubbe uit zijn zakdoek had genomen, begon hij haar zacht tusschen zijn vingers te wrijven en zie, onmiddellijk verscheen de visch en vroeg: “Wat scheelt er aan, mijn broeder-in-God?” De prins antwoordde: “Mijn merrie is gevlucht en ik weet niet, waar ik haar moet zoeken!” En de visch antwoordde: “Zie, hier is zij; zij heeft zich veranderd in een visch en haar veulen in een kleinen visch! Sla eens met den teugel op het water en roep: ‘Doora! Merrie van de oude vrouw!’ ”
De prins deed, wat hem werd gezegd en dadelijk kwamen de merrie en het veulen uit het water; hij deed de merrie den teugel weer aan, steeg te paard en reed naar huis; het jonge veulen draafde zijn moeder achterna. De oude vrouw bracht zonder een woord te spreken wat voedsel voor den prins en nam de merrie mee naar den stal, sloeg haar met een pook en zei: “Heb ik je niet gezegd je bij de visschen te voegen.” De merrie antwoordde: “Ik ben bij de visschen geweest, maar de visschen zijn zijn vrienden en zij hebben mij aan hem verraden.” Daarop zei de oude vrouw: “Vannacht gaat gij bij de vossen!”
Toen de avond daalde, steeg de prins weer op de merrie en reed naar het veld; het veulen volgde zijn moeder. Weer besloot hij in het zadel te blijven zitten en de wacht te houden, maar tegen middernacht werd hij weer overvallen door den slaap en weer merkte hij niet, wat er om hem gebeurde. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zie! Hij zat op een boomstronk en hield den teugel vast. Dit verontrustte hem zeer, en hij keek overal rond. Maar hoe hij ook zocht, hij kon geen spoor van de merrie en haar veulen vinden. Toen herinnerde hij zich zijn vriend den vos, en hij nam het haar van den vossestaart uit zijn zakdoek en hij wreef dat zacht tusschen zijn vingers.
Onmiddellijk stond de vos voor hem. “Wat scheelt er aan, mijn broeder-in-God?” vroeg hij. De prins klaagde over zijn ongeluk en zei, dat hij zijn merrie kwijt was en niet wist, hoe hij haar weer opvangen kon. De vos stelde hem spoedig gerust: “De merrie is bij ons; zij heeft zich veranderd in een vos en haar veulen in een jongen vos. Sla een keer met den teugel op den grond en roep: ‘Doora! Merrie van de oude vrouw!’ ” Hij deed aldus en zie! De merrie en het veulen verschenen voor hem. Hij deed haar den teugel aan, steeg op en toen hij thuiskwam, gaf de oude vrouw hem voedsel, bracht de merrie naar den stal en sloeg haar met den pook, terwijl zij zei: “Waarom heb je je niet in een vos veranderd, jij ongehoorzaam schepsel?” De merrie verzette zich echter en zei: “Ik heb mij in een vos veranderd; maar de vossen zijn zijn vrienden, daarom verraadden zij mij!” Hierop zei de oude vrouw: “Den volgenden keer ga je naar de wolven!”
Toen de avond viel, ging de prins op weg met de merrie, en weer herhaalde zich dezelfde geschiedenis. Den volgenden morgen zat hij weer op een boomstronk en nu riep hij den wolf. Deze zei: “De merrie van de oude vrouw is bij ons; zij heeft de gedaante van een wolvin aangenomen en het veulen die van een jong wolfje; sla den grond eens met den teugel en roep: ‘Doora! Merrie van de oude vrouw!’ ” De prins deed, wat de wolf hem aanried en de merrie verscheen weer voor hem met het veulen achter zich.
Hij steeg weer op en ging naar het huis van de oude vrouw. Bij zijn aankomst was zij bezig een maaltijd te bereiden. Nadat zij voedsel voor hem had neergezet, bracht zij de merrie naar den stal en sloeg haar met een pook. “Heb ik je niet gezegd naar de wolven te gaan, jij ellendig schepsel?” schold zij. Maar weer verzette de merrie zich en zei: “Ik ging naar de wolven, maar ook zij zijn zijn vrienden en zij hebben mij verraden!” Toen ging de vrouw terug naar het huis en de prins zei tegen haar: “Nu, grootmoeder, ik geloof, dat ik u eerlijk heb gediend; nu hoop ik, dat gij mij zult geven, wat gij mij beloofd hebt!” De oude vrouw antwoordde: “O, mijn zoon, waarlijk, een belofte moet men houden! Kom mee naar den stal; daar staan twaalf paarden; gij moogt daaruit het paard kiezen, dat u het best aanstaat.”
De keus van den prins.
Daarop zei de prins vastbesloten: “Wel, waarom zou ik lastig in mijn keus zijn? Geef mij het melaatsche paard, dat daar in den hoek staat.” De oude vrouw deed al haar best er hem van af te houden dat leelijke paard te nemen. Zij sprak: “Waarom zijt gij zoo dwaas een melaatschen knol te nemen, terwijl gij het mooiste paard kunt hebben?” Maar de prins bleef bij zijn keus: “Geef mij liever dat, hetwelk ik koos, zooals wij overeen gekomen zijn!”
Toen de oude vrouw zag, dat hij niet te overreden was, gaf zij toe, en de prins nam afscheid en voerde zijn paard mee. Toen zij aan een bosch kwamen, roskamde en verzorgde hij het paard en zijn huid glansde als zuiver goud. Daarna steeg hij op en het paard, dat als een vogel vloog, bracht hem in enkele seconden bij het kasteel van den drakenkoning.
De prins ging dadelijk binnen en begroette de koningin met de woorden: “Haast u, alles is gereed voor onze vlucht!” De koningin was gereed, en binnen enkele minuten spoedden zij zich heen, snel als de wind op den rug van het wondervolle paard.
Kort nadat zij waren vertrokken, kwam de drakenkoning thuis en toen hij bemerkte, dat de koningin weer verdwenen was, sprak hij de volgende woorden tegen zijn paard: “Wat zullen wij doen? Zullen wij ons eerst verfrisschen, of zullen wij de vluchtelingen dadelijk achtervolgen?”
Hierop antwoordde het paard: “Gij kunt doen, wat gij wilt, maar wij zullen hen nooit inhalen!”
Toen hij dit hoorde, wierp de drakenkoning zich dadelijk op zijn paard en in een oogenblik waren zij weg. Na een poosje keek de prins om en zag den drakenkoning op eenigen afstand achter zich. Hij zette zijn paard aan, maar dit zei: “Wees niet bevreesd. Het is volstrekt niet noodig harder te loopen.” De drakenkoning naderde meer en meer; zoo dichtbij kwam hij, dat zijn paard in staat was met zijn broeder te spreken. “O, lieve broeder, ga wat langzamer, ik smeek het u, anders zal ik omkomen, zoo houd ik het niet uit!” Maar het paard van den prins antwoordde: “Neen, waarom zijt gij ook zoo dwaas dat monster te dragen? Werp uw hoeven in de hoogte en gooi hem tegen een rots, en kom dan met mij mee!” Bij deze woorden schudde het paard van den drakenkoning den kop, kromde den rug en sloeg de hoeven zoo verwoed omhoog, dat zijn ruiter tegen een rots werd geworpen en dood liggen bleef. Toen het dit zag, stond het paard van den prins stil. Zijn broeder kwam aandraven en daar steeg de koningin toen op. Zoo kwamen zij gelukkig in haar eigen land, waar zij in grooten voorspoed verder leefden en regeerden.
Het vogelmeisje.
Er was eens een koning, die een eenigen zoon had, dien hij, toen hij opgegroeid was, uitzond om een geschikte vrouw te zoeken. De prins begaf zich op reis; maar ofschoon hij de geheele wereld rondreisde, slaagde hij er niet in een bruid te vinden. Ten slotte, toen zijn beurs en zijn geduld uitgeput waren, besloot hij te sterven en opdat er geen spoor van hem zou achterblijven, klom hij op een hoogen berg met het voornemen zich van den top naar beneden te werpen. Hij was op het punt zich van den hoogsten top te storten, toen een stem deze geheimzinnige woorden uitte: “Wacht! wacht! O man! Dood u zelf niet, voor de driehonderdvijfenzestig in een jaar om zijn!”
De prins beproefde tevergeefs te ontdekken, vanwaar de stem kwam. Daar hij niemand zag, vroeg hij: “Wie zijt gij, die tegen mij spreekt? Laat u zien! Indien gij wist, hoe groot mijn verdriet is, dan zoudt gij mij zeker niet trachten te weerhouden!” Daarop verscheen een oud man, met haren zoo wit als sneeuw en hij zei tot den ongelukkigen prins: “Ik weet heel goed, hoe gij lijdt; luister naar mij. Ziet gij gindschen hoogen heuvel?” De zoon van den koning antwoordde: “Ja stellig.” “Heel goed,” vervolgde de oude man, “daar zit dag en nacht op een en dezelfde plek, op den top van dien heuvel, een oude vrouw met gouden haren; zij houdt een vogel op haar schoot. Hij, die dien vogel kan bemachtigen, is de gelukkigste man op aarde. Maar indien gij uw geluk wilt beproeven, moet gij omzichtig te werk gaan; gij moet de oude vrouw stilletjes naderen en voordat zij u ziet, moet gij haar bij de haren vatten. Indien zij u ziet, voordat gij haar gegrepen hebt, dan verandert gij oogenblikkelijk in een steen, gelijk al met zoo vele jonge mannen gebeurd is, die gij daar in den vorm van blokken marmer zult zien staan!”
De oude heks.
Toen de prins deze woorden hoorde, dacht hij na. “Het is mij alles om het even; ik zal gaan en als ik er in slaag haar te grijpen, des te beter voor mij; en mocht zij mij zien, voordat ik haar grijp, dan kan ik toch niet meer dan sterven, wat ik toch reeds van plan was te doen.” Hij dankte dus den ouden man en ging opgeruimd verder om zijn geluk te beproeven. Weldra beklom hij den anderen heuvel en zag de oude vrouw, die hij van achteren heel behoedzaam naderde. Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den vogel, dat de prins heel dicht bij kon komen zonder opgemerkt te worden. Toen sprong hij plotseling naar voren en greep haar bij de gouden haren. Hierop begon zij zoo hard te gillen, dat de berg, als door een aardbeving bewogen, schudde. Maar de moedige prins hield haar stevig vast. Toen riep de oude vrouw uit: “Laat mij los, en vraag, wat gij maar wenscht!” En de prins antwoordde: “Ik zal u loslaten, indien gij mij dien vogel geeft, en indien gij dadelijk al de jonge mannen weer in het leven terugroept, die gij hebt betooverd.” De oude vrouw was genoodzaakt zijn eisch in te willigen en zij gaf den vogel. Daarna blies zij van haar lippen een blauwen wind naar de versteende gestalten, waardoor zij onmiddellijk weer levende menschen werden. De edele prins kuste den vogel in zijn handen van blijdschap, waarop deze in een buitengewoon mooi meisje veranderde, dat de toovenares naar het scheen behekst had, om jonge mannen tot zich te lokken en een afschuwelijk lot te bereiden.

Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den vogel
De prins was zoo ingenomen met zijn gezellin, dat hij onmiddellijk verliefd op haar werd. Toen zij van de plaats weggingen, gaf het meisje hem een stok, waarmee hij, naar zij zei, alles zou kunnen doen, wat hij wenschte. Dadelijk verlangde de prins de middelen te bezitten om te reizen, zooals het een prins en zijn verloofde betaamt; hij sloeg met den stok op een rots en onmiddellijk stroomde er een vloed van goudstukken uit, waarvan zij zooveel namen, als zij voor de reis noodig hadden. Toen zij aan een rivier kwamen, raakte de prins het water aan met zijn stok en een pad ontstond, waarover zij droogvoets konden gaan. Een eindje verder werden zij aangevallen door een troep wolven, maar de prins verdedigde zijn bruid met zijn stok en een voor een veranderden de wolven in mieren.
En nog veel meer avonturen beleefden zij. Eindelijk bereikten zij veilig het huis van den prins. Toen trouwden zij en leefden verder gelukkig.
Liegen om een weddenschap.
Toen de jongen eindelijk aan een molen kwam, was hij dus teleurgesteld daar een baardeloos man aan te treffen.
“God zegene u, Baardelooze!” groette de jongen.
“Dat God u helpe!” antwoordde de molenaar.
“Mag ik mijn koren hier malen?” vroeg de jongen.
“Ja, waarom niet?” antwoordde de man zonder baard, “mijn koren zal spoedig gemalen zijn, dan kunt gij dat van u malen, zoolang gij wilt.”
Maar de jongen herinnerde zich de waarschuwing van zijn vader, verliet dezen molen, en ging naar een anderen, verder de beek op. Baardeloos nam echter wat graan, koos een korteren weg, zoodat hij den tweeden molen het eerst bereikte en begon ook daar zijn koren te malen. Toen de jongen er aankwam en zag, dat de molenaar weer een baardeloos man was, haastte hij zich naar een derden molen; maar weer spoedde Baardeloos er zich heen langs een korter pad en kwam er voor den jongen aan. Hetzelfde herhaalde zich bij den vierden molen, zoodat de jongen tot de gevolgtrekking kwam, dat alle molenaars mannen zonder baard waren. Hij zette daarom zijn zak neer en wachtte tot het koren van Baardeloos gemalen was op zijn beurt. Toen al zijn koren gemalen was, zei Baardeloos: “Luister, mijn jongen! Laten wij een brood bakken van uw koren.”
De jongen had het bevel van zijn vader niet vergeten om zich niet in te laten met molenaars zonder baard, maar toen hij geen voorwendsel vond om het verzoek af te wijzen nam hij het voorstel aan. Nu nam Baardeloos al het meel, vermengde het met water, dat de jongen hem bracht, en maakte aldus een heel groot brood. Daarna stookten zij den oven en bakten het brood, dat zij, toen het gereed was, tegen den muur plaatsten.
Toen zei de molenaar: “Luister, mijn jongen! Indien wij dit brood nu met ons tweeën deelden, zou er voor ieder van ons te weinig zijn. Laten wij elkaar daarom verhalen vertellen en wie den grootsten leugen vertelt, zal het geheele brood voor zich alleen hebben.”
De jongen dacht een oogenblik na, en daar hij geen anderen uitweg zag, nam hij den voorslag aan en zei: “Heel goed, maar gij moet beginnen.”
Toen vertelde Baardeloos verschillende verhalen, totdat hij geheel uitgeput was. Toen zei de jongen: “Wel, mijn waarde Baardeloos, het is jammer, dat u in het geheel niets meer weet, want wat gij gezegd hebt, is werkelijk niets; luister maar, en ik zal u de volle waarheid vertellen.”
Het verhaal van den jongen.
“In mijn jonge dagen, toen ik een oud man was, bezaten wij vele bijenkorven; ik placht de bijen elken morgen te tellen; dat was makkelijk genoeg, maar wat ik nooit kon klaar spelen, dat was het tellen van de bijenkorven. Nu, op zekeren morgen, toen ik de bijen telde, was ik ten hoogste verbaasd, toen ik merkte, dat de beste bij ontbrak. Ik zadelde daarom een haan, steeg er op, en begaf mij op weg om mijn bij te zoeken. Ik vond eindelijk haar spoor bij het zeestrand en zag, dat zij de zee over gestoken was. Ik besloot haar te volgen. Toen ik het water over was, bemerkte ik, dat een boer de bij had gevangen; hij ploegde met haar zijn land en was voornemens er gierst op te zaaien. Ik riep toen: ‘Dat is mijn bij! Hoe komt gij er aan?’ En de ploeger antwoordde: ‘Broeder, indien dit werkelijk uw bij is, kom dan hier en neem haar!’ Ik ging er dus heen en hij gaf mij mijn bij terug en een zak vol gierst bovendien voor de diensten, die mijn bij hem had bewezen. Ik nam den zak op mijn rug en legde het zadel van den haan op de bij. Daarna steeg ik op en leidde den haan achter mij aan, opdat die wat zou kunnen uitrusten. Toen ik de zee weer overstak, ging een van de koorden van mijn zak los en al de gierst stroomde in het water. Toen ik den overkant had bereikt, was het reeds nacht. Daarom stapte ik af en liet de bij los om te kunnen grazen; wat den haan betreft, hem maakte ik dicht bij mij vast en gaf hem wat hooi. Daarna legde ik mij te slapen. Hoe groot was mijn verbazing, toen ik den volgenden morgen opstond, en zag, dat wolven gedurende den nacht mijn bij hadden verslonden, en de honig over de vallei verspreid lag; het was een laag, die tot de knieën reikte en tot aan de enkels op de heuvels. Ik wist me geen raad om den honig te verzamelen. Toen herinnerde ik mij, dat ik een kleinen bijl bij mij had. Ik ging dus naar de bosschen om een dier te vangen, teneinde een zak van zijn huid te maken. Toen ik het bosch bereikte, zag ik twee herten op een poot dansen; ik haalde mijn bijl te voorschijn, kapte hun eenigen poot af en greep ze beiden. Van deze twee herten stroopte ik drie huiden af, maakte van elk een zak en verzamelde daar al den honig in. Daarna laadde ik de zakken op den haan en begaf mij weer op weg om thuis te komen. Toen ik thuis kwam, merkte ik, dat mijn vader pas geboren was en ik kreeg bevel naar den hemel te gaan om wat heilig water te halen. Ik wist niet, hoe ik daar komen moest, maar toen ik over het geval nadacht, herinnerde ik mij de gierst, die in de zee was gevallen. Ik ging naar de plaats terug en zag, dat het koren tot aan den hemel was gegroeid, want de plaats, waar het gevallen was, was nogal vochtig. Ik klom dus langs een van de stengels omhoog. Toen ik den hemel bereikt had, was de gierst intusschen rijp geworden en een engel oogstte het graan, bakte er een brood van en at dat op met wat warme melk. Ik groette hem en zei: ‘God zegene u!’ De engel antwoordde: ‘Dat God u helpe!’ en hij gaf mij wat heilig water. Op mijn terugweg bemerkte ik, dat het hevig had geregend en de zee zoo hoog was gestegen, dat ze mijn gierst had meegevoerd! Ik maakte mij bezorgd en vroeg mezelf af, hoe ik nu weer op de aarde terug zou komen. Eindelijk herinnerde ik mij, dat ik lang haar had; het was zoo lang, dat het tot den grond reikte, als ik rechtop stond; als ik zat, kwam het tot mijn ooren. Nu, ik nam mijn mes en sneed het eene haar na het andere af en bond ze aan elkaar, terwijl ik er langs naar beneden ging. De duisternis overviel mij echter, voordat ik den grond bereikte en ik besloot daarom een grooten knoop te leggen en daarop den nacht door te brengen! Maar wat moest ik beginnen zonder vuur? De tondeldoos had ik bij mij, maar ik had geen hout. Plotseling herinnerde ik mij, dat ik in mijn vestjeszakje een naainaald had. Ik vond ze, spleet ze doormidden en maakte een groot vuur, dat mij heerlijk verwarmde. Toen legde ik mij te slapen. Terwijl ik sliep, zengde ongelukkigerwijs de vlam het haar, en hals over kop viel ik op den grond, en daar zonk ik tot aan mijn gordel in de aarde. Ik liep overal rond om te zien, hoe ik er uit zou kunnen komen en toen ik merkte, dat ik stevig ingegraven zat, liep ik hard naar huis om een spade te halen. Ik kwam terug en groef mij zelf uit. Zoodra ik bevrijd was, nam ik het heilige water weer op en ging naar huis. Toen ik aankwam, waren er maaiers aan het werk op het veld. Het was zoo’n warme dag, dat ik vreesde, dat de menschen zouden doodbranden en riep hen toe: ‘Waarom brengt gij onze merrie niet hier, die twee dagreizen lang is, en een halven dag breed en op wier rug groote wilgenboomen groeien; zij zou wat schaduw kunnen geven op de plaats, waar gij werkt?’ Mijn vader, die dit hoorde, bracht snel de merrie en de maaiers werkten nu in de schaduw voort. Toen nam ik een kruik, om water te halen. Bij de put gekomen zag ik, dat het water bevroren was. Daarom nam ik mijn hoofd af en brak het ijs stuk, vulde de kruik en bracht het water bij de maaiers. Toen zij mij zagen, vroegen zij mij: ‘Waar is uw hoofd?’ Ik hief mijn hand op, en tot mijn groote verbazing zat mijn hoofd niet op mijn schouders. Toen eerst bedacht ik, dat ik het bij de put had laten liggen. Ik ging dadelijk terug, maar bemerkte, dat een vos mij voor was geweest en bezig was mijn hoofd te verslinden. Ik naderde langzaam en gaf het beest een zoo krachtigen schop, dat het van angst een klein boekje liet vallen. Dit raapte ik op, opende het en vond er deze woorden in geschreven: ‘Het geheele brood is voor u, en Baardeloos zal er niets van meehebben!’ ”

Het heele brood is voor u
Met deze woorden nam de jongen het brood en maakte zich uit de voeten. Wat Baardeloos betreft, hij was sprakeloos van verbazing en bleef den jongen met open mond nastaren.
Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar.
Lang geleden leefde er een oude man, die in een armoedige hut woonde. Hij bezat slechts een ding in de wereld en dat was een dochter, die zoo verstandig was, dat zij zelfs haar ouden vader kon onderrichten.
Op zekeren dag ging de man naar den tsaar om te bedelen en de tsaar, verbaasd over zijn beschaafde manieren, vroeg hem, wie hem geleerd had zoo goed te spreken. Hij vertelde den tsaar, waar hij woonde en dat het zijn dochter was, die hem geleerd had zoo welsprekend te zijn.
“En van wie ontving uw dochter haar onderricht?” vroeg de tsaar.
“God en onze armoede hebben haar zoo wijsgemaakt,” antwoordde de arme man.
Daarop gaf de tsaar hem dertig eieren en zei: “Breng deze aan uw dochter en beveel haar er kuikens uit te voorschijn te doen komen. Indien zij dit met goed gevolg volbrengt, zal ik haar rijke geschenken geven, maar indien zij faalt, zult gij gemarteld worden.”
De arme man ging weenende terug naar zijn hut en vertelde alles aan zijn dochter. Het meisje zag dadelijk, dat de eieren, die de tsaar gezonden had, gekookt waren, en verzocht haar vader zich ter ruste te leggen, terwijl zij overlegde, wat haar te doen stond. Toen de oude man sliep, vulde het meisje een pot met water en kookte eenige boonen.
Den volgenden morgen wekte zij haar vader en verzocht hem een paar ossen voor den ploeg te spannen en langs den weg te gaan ploegen, waar de tsaar voorbij zou komen. “Als gij hem ziet komen”, zei zij, “neem dan een handvol boonen, en terwijl gij zaait moet gij roepen: ‘Gaat voort, ossen, en dat God geve, dat de gekookte boonen ontkiemen!’ Als de tsaar dan vraagt: ‘Hoe kunt gij van gekookte boonen vruchten verwachten?’ Moet gij hem antwoorden: ‘Evengoed als men van gekookte eieren kuikens kan krijgen!’ ”
De oude man deed, zooals zijn dochter hem zei en ging heen om te ploegen. Toen hij den tsaar zag, nam hij een handvol boonen en riep uit: “Gaat voort, ossen! En dat God geve, dat de gekookte boonen ontkiemen!”
Toen de tsaar dit hoorde, liet hij zijn rijtuig stilstaan en zei tegen den man: “Maar arme man, hoe kunt gij verwachten, dat gekookte boonen vrucht dragen?”
“Even goed als gekookte eieren kuikens kunnen voortbrengen,” antwoordde de op het oog eenvoudige, arme man.
De tsaar lachte en ging verder, maar hij had den ouden man herkend en vermoedde, dat zijn dochter hem het antwoord in den mond had gegeven. Hij zond daarom dienaren uit om den boer in zijn tegenwoordigheid te brengen. Toen de oude man kwam, gaf de tsaar hem een bos vlas en zei: “Neem dit en maak daarvan al de zeilen, die noodig zijn voor een schip; indien gij het niet doet, zult gij uw leven verliezen.”
De arme man nam het vlas met de grootste vrees aan en ging in tranen badende naar huis om zijn dochter te vertellen, welke nieuwe opdracht hij gekregen had. Dit verstandige meisje stelde hem gerust en zei, dat hij maar kalm moest zijn en dat zij wel een plan zou beramen. Den volgenden morgen gaf zij haar vader een klein stukje hout en verzocht hem er mede naar den tsaar te gaan met het verzoek daarvan al de noodige werktuigen om te spinnen en te weven te laten maken, opdat hij in staat zou zijn het bevel van Zijne Majesteit uit te voeren. De oude man gehoorzaamde en toen de tsaar het buitengewone verzoek hoorde, was hij ten hoogste verbaasd over de schranderheid van het meisje, en om niet door haar overtroffen te worden, nam hij een klein glas, zeggende: “Neem dit kleine glas mee naar uw dochter en zeg haar, dat zij er de zee mee moet ledigen, zoodat er droog land komt, waar nu zee is.”
De oude man ging met een bezwaard hart naar huis, om dit aan zijn dochter te vertellen. Maar het meisje stelde hem weer gerust, en den volgenden morgen gaf zij hem een pond werk, zeggende: “Breng dit naar den tsaar en zeg, dat ik de zee zal droog maken, indien hij met dit werk de bronnen van alle rivieren verstopt.”
De tsaar stuurt om het meisje.
De vader ging terug naar den tsaar en zei hem, wat zijn dochter had voorgezegd en de tsaar, die nu inzag, dat het meisje verstandiger was dan hij zelf, gaf bevel, dat zij voor hem gebracht zou worden. Toen zij verscheen, vroeg de tsaar haar: “Kunt gij raden, wat op den grootsten afstand gehoord kan worden?” En het meisje antwoordde: “Uwe Majesteit, er zijn twee dingen: de donder en de leugen kunnen op den grootsten afstand gehoord worden!”
De verbaasde tsaar greep naar zijn baard, en zich tot zijn hovelingen wendende, riep hij uit: “Raadt eens, wat mijn baard waard is?” Eenigen zeiden zooveel, weer anderen zooveel; maar het meisje zei tegen den tsaar, dat geen van zijn hovelingen goed had geraden. “De baard van Uwe Majesteit is evenveel waard als drie zomerregens,” zei zij. De tsaar, die verbaasder dan ooit was, zei: “Het meisje heeft goed geraden!”
Toen vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden, want “ik heb u lief” zei hij. Het meisje was verliefd geworden op den tsaar; zij neeg diep voor hem en sprak: “Gij doorluchtige Majesteit! Laat het zijn, gelijk gij verlangt! Maar ik verzoek Uwe Majesteit eigenhandig op een stuk perkament te schrijven, dat zoo Uwe Majesteit zelf of een uwer hovelingen ontevreden op mij is en ik dientengevolge uit uw paleis verbannen zou worden, het mij toegestaan is dat mee te nemen, waar ik het meest van houd.”
De tsaar stemde daar met vreugde in toe, schreef de verklaring en hechtte er zijn zegel aan.
Eenige jaren gingen gelukkig voorbij, maar er kwam eindelijk een dag, waarop de tsaar zich beleedigd voelde door de tsarina en hij sprak toornig: “Gij zult mijn vrouw niet langer zijn; ik beveel u het paleis te verlaten!”
De tsarina antwoordde gehoorzaam: “O, zeer doorluchtige tsaar, ik zal gehoorzamen; sta mij toe nog een nacht in het paleis te vertoeven en morgen zal ik vertrekken.”
Hierin stemde de tsaar toe.
Dien avond mengde de tsarina eenige kruiden in den wijn en gaf den beker aan den tsaar, terwijl zij zei: “Drink, o zeer roemruchtige tsaar! En wees vol moed! Ik zal heengaan, maar geloof mij, ik zal gelukkiger zijn dan toen ik u den eersten keer ontmoette!”
Nadat de tsaar had gedronken, viel hij in slaap. Toen zette de tsarina, die een koets in gereedheid had gehouden, den tsaar er in en voerde hem weg naar de hut van haar vader.
Toen de tsaar den volgenden morgen wakker werd en zag, dat hij in een hut was, riep hij uit: “Wie bracht mij hierheen?”
“Ik deed het,” antwoordde de tsarina.
De tsaar werd boos en zei: “Hoe hebt gij dat durven doen? Heb ik u niet gezegd, dat gij niet langer mijn vrouw zijt?”
In plaats van te antwoorden, haalde de tsarina het perkament te voorschijn en hij stond met stomheid geslagen.

Hij kon geen woord uitbrengen
Toen sprak de tsarina: “Zooals gij ziet, gij hebt mij beloofd, dat ik, indien ge mij uit het paleis bandet, mee mocht nemen, wat mij het liefste was!”
Toen hij dit hoorde, keerde de liefde van den tsaar voor zijn gade terug; hij nam haar in zijn armen en samen keerden zij naar het paleis terug.
Goede daden zijn onvergankelijk.
Er leefden eens een man en een vrouw, die een zoon hadden. Toen de jongen opgroeide, deden zijn ouders hun best hem een goede opvoeding te geven, die hem van nut zou zijn in zijn verdere leven. Hij was een goede, kalme jongen en bovenal vreesde hij God. Nadat hij zijn studiën voltooid had, vertrouwde zijn vader hem een galei toe, die beladen was met verschillende goederen, waarmee hij handel kon drijven in verre landen. Zoodoende zou hij de steun van zijn ouders worden op hun ouden dag.
De eerste reis.
Op zijn eerste reis ontmoette hij op zekeren dag een Turksch schip, waarin hij hoorde schreien. Hij riep de zeelieden op het Turksche schip toe: “Ik bid u, zeg mij, waarom er zoo’n verdriet aan boord van uw schip is!” En zij antwoordden: “Wij hebben veel slaven, die in verschillende deelen der wereld gevangen zijn genomen en die wij geketend hebben. Zij zijn het, die schreien en jammeren.” Daarop zei de jongeman: “Ik verzoek u, o broeders, vraagt aan uw kapitein, of hij mij wil toestaan de slaven te koopen voor een som geld?” De zeelieden riepen hun kapitein, die bereid was te onderhandelen en ten slotte gaf de jongeman zijn schip met de geheele lading aan den Turk in ruil voor zijn schip met slaven.
De jongeman vroeg aan elken slaaf, vanwaar hij kwam; hij gaf aan allen de vrijheid terug en zei, dat ieder naar zijn eigen land mocht terugkeeren.
Onder de slaven was een oude vrouw, die een zeer mooi meisje aan den arm hield. Toen hij vroeg, vanwaar zij kwamen, antwoordde de oude vrouw schreiende: “Wij komen van een veraf gelegen land. Dit jonge meisje is de eenige dochter van den tsaar; ik heb haar groot gebracht van haar kindsheid af. Op een ongelukkigen dag wandelde zij in de tuinen van het paleis en dwaalde af naar een eenzame plek, waar drie vervloekte Turken haar zagen en grepen. Zij begon te gillen en ik, die toevallig in de nabijheid was, snelde toe, om haar te helpen, maar helaas, ik kon haar niet redden en de Turken voerden ons beiden mee en brachten ons aan boord van deze galei.” Toen smeekten de goede verzorgster en het schoone meisje den jongeman, daar zij den weg naar hun eigen land niet kenden en ook de middelen om terug te keeren niet bezaten, haar met zich mee te nemen. En hiertoe was hij bereid; ja, hij was dadelijk verliefd geworden op de prinses, en nu trouwde hij het arme meisje, dat geen tehuis had, en keerde met haar en de oude vrouw naar huis terug.
Bij hun aankomst vroeg zijn vader, waar zijn galei en de lading was en hij vertelde hem, hoe hij de slaven had vrijgekocht en hun de vrijheid had hergeven. “Dit meisje” zei hij, “is de dochter van een tsaar, en deze oude vrouw is haar verzorgster; daar zij niet naar haar land konden terugkeeren, nam ik haar mee en ik heb het meisje getrouwd.” Daarover was zijn vader zeer verstoord, en hij zei: “O, dwaze zoon, wat hebt gij gedaan? Waarom hebt gij zoo dom zonder mijn toestemming over mijn eigendom beschikt?” En hij joeg hem het huis uit.
Gelukkig voor den jongeman bood een goede buurman hem gastvrijheid aan—en ook zijn vrouw en haar oude verzorgster; hij woonde langen tijd in de buurt, en poogde telkens, geholpen door zijn moeder en vele vrienden zijn vader te bewegen hem vergiffenis te schenken.
De tweede reis.
Na eenigen tijd liet zijn vader zich vermurwen en ontving zijn zoon weer in zijn huis met zijn jonge vrouw en haar verzorgster. Spoedig daarna kocht hij een tweede galei, grooter en mooier dan de eerste en laadde die vol koopwaren, waarmede zijn zoon groote winsten zou kunnen behalen, indien hij het tenminste verstandig aanlegde.
De jongeman zeilde weg met dit nieuwe schip; hij liet zijn vrouw en haar verzorgster in de woning zijner ouders achter en spoedig kwam hij aan een stad, waar hij een droevig schouwspel zag. Hij zag soldaten bezig arme boeren te grijpen en in de gevangenis te werpen en hij vroeg: “Waarom, broeders, zijt gij zoo wreed tegen deze arme lieden?” En de soldaten antwoordden: “Omdat zij de belasting aan den tsaar niet hebben betaald.” De jongeman ging dadelijk naar den officier en zei: “Zeg mij asjeblieft, hoeveel deze arme lieden betalen moeten.” De officier noemde hem de verschuldigde som en zonder aarzeling verkocht de jongeman zijn schip met lading en al en voldeed de schulden van al de gevangenen. Nu keerde hij naar huis terug, en voor zijn vader neerknielende, verhaalde hij, wat er gebeurd was en bad om zijn vergiffenis.
Maar dezen keer was de woede van zijn vader buitengewoon en hij joeg hem zijn huis uit.
Wat kon de ongelukkige zoon doen in dit nieuwe verdriet? Hoe kon hij bedelen, hij, wiens ouders zoo welgesteld waren? Weer wendden oude vrienden der familie hun invloed bij zijn vader aan en drongen er op aan, dat hij medelijden zou hebben met zijn zoon en hem weer ontvangen, “want”, zeiden zij, “het is zeker, dat zijn lijden hem verstandiger heeft gemaakt en dat hij nooit meer zoo dwaas zal doen.” Eindelijk zwichtte zijn vader, nam hem weer in huis en rustte een derde galei uit, veel grooter en mooier dan de eerste twee.
De derde reis.
De jonge man was meer dan blij met zijn geluk en het portret van zijn geliefde vrouw liet hij op het roer van zijn schip schilderen en dat van de oude verzorgster op den achtersteven.
Nadat al de toebereidselen voor zijn reis getroffen waren, nam hij afscheid van zijn ouders, zijn vrouw en de andere leden van de familie en lichtte het anker. Nadat hij eenigen tijd gezeild had, kwam hij aan een groote stad, waar een tsaar woonde; hij liet het anker vallen en kanonschoten lossen, om de stad te begroeten. Tegen den avond zond de tsaar een van zijn ministers uit, om te hooren, wie de vreemdeling was en vanwaar hij kwam en hem mede te deelen, dat zijn heer den volgenden morgen om negen uur een bezoek aan de galei zou brengen. De minister was verbaasd op het roer het portret te zien van de keizerlijke prinses, die hem, toen zij nog een kind was, door den tsaar ten huwelijk was beloofd—en op den achtersteven dat van de oude verzorgster; hij maakte echter geen opmerking en vertelde niemand, wat hij had gezien. Om negen uur den volgenden morgen kwam de tsaar aan boord van de galei in gezelschap van zijn ministers, en toen hij al pratende met den kapitein op het dek heen en weer liep, zag ook hij het portret van het meisje, dat op het roer geschilderd was en dat van de oude vrouw op den achtersteven en hij herkende dadelijk de trekken van zijn eenige dochter en haar verzorgster, die door de Turken gevangen genomen waren. Dadelijk koesterde hij de hoop, dat zijn geliefd kind nog leefde en gezond was, maar hij was zoo aangedaan, dat hij er niet over spreken dorst. Hij beheerschte zich zooveel mogelijk en noodigde den kapitein uit dien middag om twee uur in zijn paleis te komen; hij was voornemens hem dan te ondervragen en hoopte, dat zijn hartewensch vervuld zou worden.
Precies om twee uur verscheen de kapitein in het paleis en de tsaar begon hem dadelijk op omslachtige manier te ondervragen over het meisje, wier portret hij op het roer van zijn galei had gezien. Was zij een van zijn bloedverwanten en zoo ja, in welken graad? Hij was ook nieuwsgierig naar de oude vrouw, wier portret op den achtersteven was geschilderd.
De jonge kapitein giste dadelijk, dat de tsaar de vader moest zijn van zijn vrouw, en hij vertelde hem woord voor woord al zijn avonturen, waarbij hij niet verzuimde mee te deelen, dat hij, toen hij hoorde, dat het jonge meisje en haar verzorgster den weg naar haar land vergeten waren, medelijden met haar had gehad en later het meisje had getrouwd. Toen de tsaar dit hoorde, riep hij uit: “Dat meisje is mijn eenig kind en de oude vrouw haar verzorgster; spoed u en breng mijn dochter hier, opdat ik haar nog eens zie, voordat ik sterf. Breng uw ouders en uw geheele familie ook hier; uw vader zal mijn broeder zijn en uw moeder mijn zuster, want gij zijt mijn zoon en de erfgenaam van mijn kroon. Ga en verkoop al uw bezittingen en kom, opdat wij gelukkig samen in mijn paleis kunnen leven!” Toen riep hij de tsarina, zijn vrouw, en al zijn ministers, opdat zij het heugelijk nieuws zouden hooren, en er heerschte groote vreugde aan het hof.
Daarna gaf de tsaar den kapitein een prachtig schip en verzocht hem zijn eigen galei achter te laten. De jongeman was natuurlijk heel dankbaar, maar hij zei: “O, doorluchtige tsaar! Mijn ouders zullen mij niet gelooven, indien gij mij niet een van uw ministers als getuige meegeeft.” Daarop gaf de tsaar als zijn metgezel voor de reis den minister mee, wien hij zijn dochter ten huwelijk had beloofd.
De vader van den kapitein was zeer verbaasd zijn zoon zoo spoedig te zien terugkeeren en met zulk een prachtig schip. Toen vertelde de jongeman aan zijn vader en de anderen alles, wat hem was overkomen en de keizerlijke minister bevestigde zijn woorden. Toen de prinses den minister zag, riep zij blijde uit: “Ja waarlijk, alles wat hij gezegd heeft, is waar; dit is de minister van mijn vader, die mijn bruigom had moeten worden.” Toen verkochten de man en zijn familie al hun eigendommen en gingen aan boord van het schip.
De verraderlijke minister.
Nu was de minister een slecht man, en hij beraamde een plan om den jongen echtgenoot der prinses te dooden, opdat hij haar zou kunnen trouwen en eens tsaar worden. Op een avond, toen de jongeman zich op het dek bevond, voegde hij zich bij hem om met hem te praten. De kapitein had een rein geweten, en dacht aan geen kwaad, zoodat hij geheel onvoorbereid was, toen de minister hem greep en over boord wierp. Het schip zeilde snel; het was onmogelijk het in te halen en hij bleef hoe langer hoe meer achter. Het was nog een geluk, dat het dicht bij het land gebeurde en hij spoedig door de golven op het strand geworpen werd. Maar helaas! Dit land was slechts een kale, onbewoonde rots.
Intusschen was de minister terug geslopen naar zijn hut en toen den volgenden morgen gemerkt werd, dat de kapitein verdwenen was, begonnen allen te weenen en te jammeren, en vermoedden, dat hij in den nacht over boord was gevallen en verdronken. Zijn familie was ontroostbaar, vooral zijn vrouw, die hem zeer lief had. Toen zij aan het paleis van den tsaar kwamen en vertelden, dat de jonge man verdronken was, rouwde het geheele hof met hen.
Gedurende vijftien dagen was de ongelukkige schoonzoon van den tsaar veroordeeld tot hongerlijden; hij kon zich alleen voeden met het schaarsche gras, dat op het rotsige eilandje groeide. Zijn huid werd gebruind door de felle zon, en zijn kleeren werden vuil en kwamen vol scheuren, zoodat niemand hem herkend zou hebben. Op den ochtend van den vijftienden dag had hij het geluk een ouden man op het strand te zien, die op een stok leunde en bezig was met visschen. Hij riep den ouden man dadelijk aan en smeekte hem hulp te verleenen om van de rots af te komen. De oude visscher zei: “Ik zal u helpen, als gij mij wilt betalen!” “Hoe kan ik u betalen; ik heb slechts deze havelooze plunje en niets meer?”
“O, wat dat betreft,” antwoordde de oude man, “gij kunt een schuldbekentenis schrijven en onderteekenen, waarbij gij mij belooft de helft te zullen geven van hetgeen gij ooit zult bezitten.” Deze belofte deed de jongeman met vreugde. Toen haalde de oude man schrijfgereedschap te voorschijn en de jongeman onderteekende de overeenkomst, waarna zij beiden in de visschersboot van den ouden man wegzeilden naar het vasteland. Daarna trok de jongeman als een bedelaar van huis tot huis en van dorp tot dorp op bloote voeten, verbrand en hongerig.
De terugkomst van den jongeman.
Na een reis van dertig dagen, bracht zijn goed gesternte hem naar de stad van den tsaar en hij zette zich met den staf in de hand bij de poorten van het paleis neer; nog altijd droeg hij zijn trouwring aan zijn vinger, waarop zijn naam en die van zijn vrouw gegraveerd was. De bedienden van den tsaar hadden medelijden met hem; zij boden hem een nachtverblijf in het paleis aan en gaven hem een deel van hun eigen maal. Den volgenden morgen ging hij naar den tuin van het paleis, maar de tuinman kwam en joeg hem weg, waarbij hij hem toevoegde, dat de tsaar en zijn familie spoedig voorbij zouden komen. Hij verwijderde zich en ging in een hoek op het gras zitten, tot hij plotseling de tsaar met zijn eigen vader en moeder zag loopen en zijn geliefde vrouw arm in arm met zijn vijand, den minister. Hij maakte zich niet dadelijk bekend, en de tsaar en zijn gevolg gingen voorbij en gaven hem aalmoezen. Hij strekte zijn hand uit om ze te ontvangen en toen trok de trouwring aan zijn vinger de aandacht der prinses. Zij herkende dien dadelijk, maar het was ongelooflijk, dat de bedelaar haar echtgenoot kon zijn en zij zei tegen hem: “Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien!” De minister trachtte dit te verhinderen, maar de prinses sloeg geen acht op hem, en zij bekeek den ring en zag, dat haar eigen naam en dien van haar echtgenoot er in gegraveerd waren. Haar hart was zeer ontroerd, maar zij deed haar best om haar aandoening niet te toonen en zei niets. Bij de terugkomst in het paleis ging zij naar haar vader en vertelde hem, wat zij had gezien. “Laat u hem, alsjeblieft, voor u komen; dan kunnen wij onderzoeken, hoe hij in het bezit van den ring komt!” De tsaar zond onmiddellijk een bediende om den bedelaar te halen. Het bevel werd dadelijk uitgevoerd, en toen de vreemdeling verscheen, vroeg de tsaar hem zijn naam, van waar hij kwam en hoe hij den ring had verkregen. De ongelukkige jonge man kon zijn vermomming niet langer handhaven, hij vertelde dus aan den tsaar, wie hij was en verder al de avonturen, die hij had beleefd, sedert de minister hem verraderlijk in de zee geworpen had! “Zie!” zei hij ten laatste: “de genade van onzen Heer heeft mij terug gebracht bij mijn ouders en mijn vrouw.”

Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien
Bijna buiten zich zelf van vreugde liet de tsaar de ouders van den jongeman komen en deelde hun het goede nieuws mede. Wie is in staat de vreugde uit te drukken van het bejaarde paar, toen zij hun zoon herkenden. De woorden ontbreken ons de vreugde te beschrijven, die het geheele hof vervulde. De bedienden maakten welriekende baden voor den jongeman gereed en brachten hem prachtige gewaden. De tsaar beval, dat hij als tsaar gekroond zou worden en gedurende verscheidene dagen waren er schitterende feesten, waaraan heel de stad deelnam; ieder zong, danste en richtte feestmalen aan. De oude tsaar beval den slechten minister voor zijn schoonzoon te verschijnen, opdat deze naar eigen goeddunken over hem zou beslissen. Maar de jonge tsaar had een vriendelijk hart; hij vergaf hem dus op voorwaarde, dat hij het rijk onmiddellijk zou verlaten en gedurende zijn regeering nooit meer zou terugkeeren.
De nieuwe tsaar had ternauwernood het bewind aanvaard, of de oude visscher, die hem van het rotsachtig eiland had gered, vroeg bij hem toegelaten te worden. De tsaar ontving zijn bevrijder dadelijk, die daarop zijn geschreven belofte te voorschijn haalde. “Heel goed, oude man,” zei de tsaar: “nu ben ik heerscher, maar ik zal even trouw mijn woord houden, alsof ik een bedelaar was, die maar weinig te deelen heeft; laten wij dus mijn bezittingen in twee gelijke deelen verdeelen.” De tsaar nam nu de boeken en begon de steden te verdeelen; telkens, als hij een naam noemde, zei hij: “dit is voor u”—en dan “dit is voor mij.” Zoo teekende hij alles op een kaart aan, totdat het geheele czarenrijk tusschen hen beiden was verdeeld, van de grootste stad tot de kleinste hut.
Toen de tsaar gereed was, sprak de oude man: “Neem alles terug! Ik ben geen man van deze wereld; ik ben een engel van God, die mij zond om u te redden voor uw goede daden. Regeer nu en wees gelukkig, en dat gij lang moogt leven in volkomen voorspoed!” Na deze woorden verdween hij plotseling, en de jonge tsaar regeerde nog vele jaren gelukkig en voorspoedig.
Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen.
Er leefden eens een man en een vrouw en zij waren gezegend met drie zoons. De jongste was de knapste en hij had een beter hart dan zijn broers, die hem een dwaas vonden. Toen de drie broers den mannelijken leeftijd hadden bereikt, gingen zij samen naar hun vader en vroegen toestemming om te trouwen. De vader was verlegen met dien plotselingen wensch van zijn zoons en zei, dat hij eerst met zijn vrouw over het antwoord wilde overleggen.
De eerste tocht.
Eenige dagen later riep de man zijn zoons bij zich en zei hun, dat zij naar de naburige stad moesten gaan om werk te zoeken. “Hij, die mij de mooiste reisdeken brengt, krijgt van mij toestemming om het eerst te trouwen,” zei hij.
De broeders gingen op weg naar de naburige stad. Onderweg begonnen de twee oudste broers den gek te steken met den jongsten; zij bespotten zijn eenvoud en eindelijk noodzaakten zij hem een anderen weg te nemen.
Verlaten door zijn boosaardige broers, bad de jongeman tot God hem bij te staan. Eindelijk kwam hij aan een meer, aan welks versten oever een prachtig kasteel lag. Het kasteel behoorde aan een tiranniek en wreed prins, die lang geleden was gestorven. De jonge prinses was buitengewoon schoon, en menig aanzoek om haar hand had zij reeds gehad. Zij, die aanzoek deden, werden steeds gastvrij ontvangen, maar als zij naar hun kamers gingen, verscheen onveranderlijk de gestorven heer van het kasteel als een vampier en worgde hen.
Toen de jongste broer aan het strand stond, en zich afvroeg, hoe hij het meer zou oversteken, zag de prinses hem vanuit haar venster en zij gaf een knecht dadelijk bevel de boot te nemen en den jongeman bij haar te brengen. Toen hij verscheen, was hij wel wat verlegen, maar het edele meisje stelde hem met eenige vriendelijke woorden gerust—want hij maakte werkelijk een goeden indruk op haar en zij hield van hem op het eerste gezicht. Zij vroeg hem, vanwaar hij kwam en waarheen hij dacht te gaan, en de jonge man vertelde haar, wat zijn vader hem en zijn broers had opgedragen.
Toen de prinses dit hoorde, zei zij tot den jongeman: “Gij zult vannacht hier blijven en morgen zullen wij zien, wat wij kunnen doen om u te helpen.”
Nadat zij het avondeten hadden gebruikt, geleidde de prinses haar gast naar een groene kamer en voor zij hem “goeden nacht” wenschte, zei zij: “Dit is uw kamer. Word niet bang, als vannacht iets ongewoons mocht gebeuren; verontrust u er niet over.”
Daar hij een eenvoudige jongen was, kon hij niet eens zijn oogen sluiten, zoo was hij onder den indruk van al het moois om hem heen.
Plotseling, tegen middernacht, hoorde hij een groot geraas. Onder het rumoer door hoorde hij duidelijk een geheimzinnige stem fluisteren: “Deze jongeling zal den prinselijken kroon erven; niemand kan hem kwaad doen!” De jongen nam zijn toevlucht tot een ernstig gebed, en toen de dag begon te grauwen, stond hij veilig en gezond op.
Toen de prinses wakker werd, zond zij een bediende om den jongeman in haar tegenwoordigheid te leiden; deze was uiterst verbaasd hem nog levend aan te treffen; dat was de prinses ook en iedereen in het kasteel.
Na het ontbijt gaf de prinses aan haar gast een prachtige reisdeken en zei: “Breng deze deken aan uw vader en indien hij nog wat anders verlangt, hebt ge slechts terug te keeren.” De jongeman dankte zijn schoone gastvrouw en nam met een diepe buiging afscheid van haar. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn beide broeders daar reeds; zij lieten hun vader de dekens zien, die zij hadden meegebracht. Toen de jongste de zijne uitspreidde, waren zij verbaasd en riepen uit: “Hoe zijt gij in het bezit gekomen van zulk een kostbare deken; die moet ge gestolen hebben!”
De tweede tocht.
Eindelijk zei de vader om hen te kalmeeren: “Gaat nog eens de wereld in en hij, die mij een ketting terug brengt, lang genoeg om er ons huis negen keer mee te omspannen, zal mijn toestemming hebben om het eerst te trouwen!” Aldus slaagde de vader er in zijn zoons tevreden te stellen. De twee oudste broers gingen hun eigen weg en de jongste haastte zich terug naar de prinses. Toen hij aankwam, vroeg zij hem: “Wat heeft uw vader u nu bevolen te doen?” En hij antwoordde: “Ieder onzer moet trachten een ketting mee te brengen, lang genoeg om ons huis negen maal te omspannen.” De prinses heette hem weer welkom en na het souper wees zij hem een gele kamer en zei: “Er zal vannacht weer iemand komen om u bang te maken; maar gij moet geen aandacht aan hem schenken en morgen zullen wij zien, wat wij voor u kunnen doen.”
En ja, omstreeks middernacht kwamen er een menigte geesten rond zijn bed dansen en maakten een vreeselijk geraas, maar hij volgde den raad der prinses en bleef kalm en rustig. Den volgenden morgen kwam er weer een bediende, om hem voor de prinses te geleiden en na het ontbijt gaf zij hem een mooie doos. Zij zei: “Neem deze doos mee naar uw vader en als hij nog wat anders wenscht, dan hebt gij slechts terug te keeren.”
De jongeman dankte haar en nam afscheid. Weer bemerkte hij, dat zijn broers voor hem waren thuisgekomen met hun kettingen, maar de hunne waren niet lang genoeg, zelfs niet om het huis een keer te omspannen, en zij waren ten zeerste verbaasd, toen hun jongste broer uit de doos, die de prinses hem had gegeven een reusachtigen gouden ketting haalde van de vereischte lengte. Verteerd door jaloezie riepen zij uit: “Gij zult den goeden naam van onze familie te schande maken, want dezen ketting moet gij gestolen hebben!”
De derde tocht.
Eindelijk zond de vader, moe van hun gekrakeel, hen weer weg, zeggende: “Gaat; laat ieder uwer zijn liefste meebrengen en ik zal u toestemming geven te trouwen.” Daarop gingen de twee oudste broers vroolijk naar de meisjes, die zij liefhadden en de jongste spoedde zich weer naar de prinses om haar den wensch van zijn vader over te brengen. Toen zij hoorde, wat deze verlangde, zei de prinses: “Gij moet een derden nacht hier doorbrengen en dan zullen wij zien, wat wij doen kunnen.”
Na samen het souper gebruikt te hebben, bracht zij hem in een roode kamer. Gedurende den nacht hoorde hij weer een geluid, waarbij het bloed haast stolde van angst en in de duisternis fluisterde een geheimzinnige stem: “Deze jongeman staat op het punt zich mijn bezittingen en mijn kroon toe te eigenen!” Hij werd aangevallen door spoken en vampiers en uit zijn bed gesleept; maar wat er ook gebeurde, hij volhardde in het gebed en God redde hem.

Maar wat ook gebeurde, hij volhardde in het gebed
Toen hij den volgenden morgen voor de prinses verscheen, wenschte zij hem geluk met zijn dapperheid en zei hem, dat hij haar liefde had gewonnen. De jongeman was overstelpt van geluk en ofschoon hij het geheim van zijn liefde eigener beweging nooit geopenbaard zou hebben, beminde ook hij de prinses. Een barbier werd geroepen om het uiterlijk van den jongeman te verzorgen en een kleermaker om hem als prins te kleeden. Toen dit gedaan was, ging het paar naar de kapel van het kasteel en zij werden getrouwd.
Eenige dagen later reden zij naar het dorp van den jongeman en toen zij voor zijn woning stil hielden, hoorden zij veel vreugde en muziek, waaruit zij opmaakten, dat de beide broers hun huwelijksfeest vierden. De jongere broer klopte aan de poort en toen de vader kwam, herkende hij zijn zoon niet in den rijk uitgedosten prins, die voor hem stond. Hij was verbaasd, dat zulke aanzienlijke gasten hem een bezoek zouden brengen en nog meer, toen de prins zei: “Goede man, wilt ge ons voor den nacht gastvrijheid verleenen?” De vader antwoordde: “Heel graag, maar wij vieren juist feest in ons huis, en ik ben bang, de deze eenvoudige lieden u met hun gezang en muziek zullen storen.” Hierop zei de jonge prins: “O, neen, ik zou het prettig vinden de boeren te zien feestvieren, en mijn vrouw zal het nog prettiger vinden!”
Nu gingen zij het huis binnen en terwijl de gastvrouw diep voor hen neeg, zei de prins tegen haar: “Wat moet u gelukkig zijn, dat ge uw beide zoons op denzelfden dag getrouwd ziet!” De vrouw zuchtte. “Ach,” zei zij, “aan den eenen kant beleef ik vreugde, aan den anderen kant verdriet; ik had een derden zoon, die ook de wereld in is gegaan en wie weet, welk onheil hem is overkomen.”
Na een poos vond de prins gelegenheid zijn oude kamer binnen te gaan, en een van zijn oude pakken kleeren over zijn prinselijk gewaad aan te trekken. Daarna keerde, hij naar de kamer terug, waar het feestmaal was gereed gezet en bleef achter de deur staan. Heel gauw zagen zijn beide broers hem en zij riepen uit: “Zie eens hier, vader, daar is u veel geprezen zoon, die heenging en stal als een dief!” De vader wendde zich om en toen hij den jongeman zag, riep hij uit: “Waar zijt gij zoo lang geweest en waar is uw liefste?”
Toen sprak de jongste zoon: “Maak mij geen verwijten, het gaat mij even goed als u!” Onder het spreken legde hij zijn oude kleeren af en zijn prinselijk gewaad kwam te voorschijn. Daarna deed hij zijn verhaal en stelde zijn vrouw aan zijn ouders voor.
De broers drukten nu hun spijt uit over hun gedrag en de prins schonk hun grootmoedig vergiffenis, waarna zij elkaar omhelsden; het feestmaal werd voortgezet en gedurende dagen werd er feest gevierd. Ten slotte verdeelde de jonge prins onder zijn vader en broeder groote stukken van zijn nieuwe landen en zij leefden allen lang en gelukkig met elkaar.
Eens, heel lang geleden, leefde er in een ver verwijderd land een jong edelman, die zoo buitengewoon arm was, dat zijn geheele bezitting bestond in een oud kasteel, een fraai paard, een trouwen hond en een goed geweer.
Deze edelman besteedde al zijn tijd met jagen en schieten en leefde uitsluitend van de opbrengst van de jacht.
Op zekeren dag besteeg hij zijn welverzorgd paard en reed naar het naburige woud, als gewoonlijk vergezeld van zijn trouwen hond. Toen hij in het bosch kwam, steeg hij af, maakte zijn paard stevig vast aan een jongen boom en ging toen diep het struikgewas in om het wild op te sporen. De hond rende een eind voor zijn meester uit, en het paard bleef geheel alleen rustig staan grazen. Nu gebeurde het, dat een hongerige vos voorbij kwam, en toen hij zag, hoe goed gevoed en verzorgd het paard er uit zag, bleef hij staan om hem te bewonderen. Langzamerhand kwam hij zoo onder de bekoring van het prachtige paard, dat hij zich in het gras neerlegde om het gezelschap te houden.
Eenigen tijd daarna kwam de jongeman uit het bosch terug en droeg een hert, dat hij gedood had. Hij was buitengewoon verbaasd een vos naast zijn paard te zien liggen. Hij hief dus zijn geweer op met het plan hem te dooden; maar de vos rende recht op hem toe en zei: “Dood mij niet! Neem mij mee; ik zal u trouw dienen. Ik zal op uw mooi paard passen, als gij in het bosch zijt.”
De vos zag er zoo deerniswaardig uit, dat de edelman medelijden met hem kreeg en op zijn voorstel inging. Daarop steeg hij te paard, legde het hert, dat hij geschoten had, voor zich en reed naar zijn oude kasteel, op de hielen gevolgd door zijn hond en zijn nieuwen dienstknecht, den vos.
Toen de jonge edelman zijn avondeten gereed maakte vergat hij niet den vos een behoorlijk aandeel te geven en deze wenschte zich zelf geluk, wijl hij waarschijnlijk nooit meer hongerig zou zijn, tenminste niet, zoolang hij zulk een ervaren jager diende.
Den volgenden morgen ging de edelman weer op de jacht; de vos vergezelde hem ook nu. Toen de jongeman afsteeg en als gewoonlijk zijn paard aan een boom vastbond, legde de vos zich dicht bij het paard neer om het gezelschap te houden.
Nu kwam er, terwijl de jager diep het bosch in was om naar wild te zoeken, een hongerige beer naar de plaats, waar het paard was vastgebonden en ziende hoe heerlijk vet het was, rende hij er heen om het te dooden. Daarop sprong de vos op en verzocht den beer het paard geen kwaad te doen. Hij voegde er aan toe, dat hij, als hij honger had, slechts behoefde te wachten, totdat zijn meester terugkwam uit het bosch en dan, hij was er zeker van, zou zijn heer hem ook meenemen naar zijn kasteel en voedsel geven en voor hem zorgen, zooals hij voor zijn paard, zijn hond en voor hemzelf zorgde.
De beer dacht er eenigen tijd over na, heel wijs en diep, en besloot eindelijk den raad van den vos op te volgen. Hij ging daarom rustig naast het paard liggen en wachtte op den terugkeer van den jager. Toen de jonge edelman uit het bosch kwam, was hij ten zeerste verbaasd een grooten beer bij zijn paard te zien en na het hert, dat hij geschoten had, van zijn schouders te hebben laten vallen, hief hij zijn geweer op en was op het punt het beest te schieten. Maar de vos liep hard naar den jager toe en smeekte hem het leven van den beer te sparen en hem ook in zijn dienst te nemen. Daartoe besloot de edelman; en nadat hij zijn paard had bestegen, reed hij terug naar zijn kasteel, gevolgd door den hond, den vos en den beer.
Den volgenden morgen, toen de jongeman weer met zijn hond naar het bosch was gegaan, en de vos en de beer rustig bij het paard lagen, sprong een hongerige wolf, die het paard zag, uit het kreupelhout om het te dooden. Maar de vos en de beer snelden op hem toe en verzochten hem het dier geen kwaad te doen. Zij vertelden hem aan welk een goeden meester het behoorde en dat hij er zeker van kon zijn, als hij maar wilde wachten, dat ook hij in dienst genomen en goed verzorgd zou worden. De wolf, hoe hongerig hij ook was, meende, dat ’t het best was hun raad op te volgen en hij ging bij hen in het gras liggen, totdat hun meester uit het bosch kwam.
Gij kunt u voorstellen, hoe verbaasd de jonge edelman was, toen hij een afschuwelijken, grooten wolf bij zijn paard zag liggen!
Maar toen de vos hem het geval had verklaard, stemde hij er in toe den wolf ook in zijn dienst te nemen. Zoo gebeurde het, dat hij dien dag naar huis reed, gevolgd door den hond, den vos, den beer en den wolf. Daar zij allen hongerig waren, was het hert, dat hij geschoten had, niet te veel voor het avondeten van dien avond en het ontbijt voor den volgenden morgen. Niet veel dagen later voegde zich een muis bij het gezelschap en daarna verzocht een mol zoo nederig om opgenomen te worden, dat de goede edelman het niet over zijn hart kon verkrijgen zijn verzoek af te slaan. Eindelijk kwam ook de groote vogel, de Kumrekusha—een vogel, die zoo sterk is, dat hij in zijn klauwen een paard met zijn ruiter kan dragen! Spoedig daarop voegde een haas zich bij het gezelschap. De edelman droeg groote zorg voor zijn dieren en voedde ze geregeld en goed, zoodat zij allen buitengewoon veel van hem hielden.
De raad der dieren.
Op zekeren dag zei de vos tegen den beer: “Mijn beste Bruintje, ga alsjeblieft naar het bosch en haal mij een mooi groot blok, waarop ik plaats kan nemen, terwijl ik de zeer gewichtige vergadering presideer, die wij zullen houden.”
Bruin, die een grooten eerbied koesterde voor het scherpe vernuft en het goede beleid van den vos, ging er dadelijk op uit om een blok te zoeken en kwam spoedig met een heel zwaar terug, waarmede de vos zich zeer ingenomen betoonde. Daarna riep hij al de dieren om zich heen en na op het blok hout te zijn geklommen, sprak hij hen aldus aan:
“Gij allen, mijn vrienden, weet welk een goeden, vriendelijken meester wij hebben. Maar hij is niet alleen heel vriendelijk, hij is ook zeer eenzaam. Ik stel dus voor, dat wij een geschikte vrouw voor hem gaan zoeken.”
De vergadering was blijkbaar zeer ingenomen met dit denkbeeld en antwoordde eenstemmig: “Dit zou werkelijk heel goed zijn, indien wij slechts een meisje kenden, waardig de vrouw van onzen heer te zijn; maar dat is niet het geval.”
Toen sprak de vos: “Ik weet, dat de koning een zeer mooie dochter heeft, en ik vind haar zoo geschikt voor onzen heer, dat ik voorstel haar te nemen. Verder stel ik voor, dat onze vriend de Kumrekusha dadelijk naar het paleis van den koning vliegt, en daarboven blijft zweven, totdat de prinses naar buiten komt om te wandelen.” Daar de Kumrekusha blij was iets voor zijn goeden meester te kunnen doen, vloog hij onmiddellijk weg zonder zelfs de beslissing af te wachten, die de vergadering over het voorstel zou nemen.
Juist voordat de avond inviel, kwam de prinses naar buiten om voor het paleis van haar vader te wandelen, waarop de groote vogel haar greep en zacht op zijn groote, uitgespreide vleugels zette en zoo bracht hij haar vlug naar het kasteel van den jongen edelman.
De koning was buitengewoon bedroefd, toen hij hoorde, dat zijn dochter was weggevoerd; hij liet overal proclamaties voorlezen, waarin groote belooningen werden beloofd aan ieder, die haar terug zou brengen of zelfs maar de mededeeling deed, waar men haar zou kunnen vinden. Langen tijd waren al zijn beloften vergeefsch; want niemand in het geheele rijk wist iets van het verblijf van de prinses.
Maar eindelijk, toen de koning er reeds aan wanhoopte, of hij haar ooit terug zou zien, kwam een oude zigeunervrouw naar het paleis en vroeg aan den koning: “Wat zult u mij geven, als ik uw dochter, de prinses, terugbreng?”
De koning antwoordde snel: “Ik zal u graag alles geven, wat gij vraagt, indien gij mijn dochter maar terugbrengt!”
De oude zigeunervrouw ging terug naar haar hut in het bosch en beproefde alle tooverkunsten om uit te vinden, waar de prinses was. Eindelijk ontdekte zij, dat de prinses in een oud kasteel woonde, in een ver afgelegen land, met een jongen edelman, die haar getrouwd had.
Het toovertapijt.
De zigeunervrouw was zeer verheugd, toen zij dit wist en, nadat zij een zweep in haar hand had genomen, ging zij dadelijk midden op een klein tapijt zitten en sloeg er met haar zweep op. Toen verhief het tapijt zich van den grond en droeg haar snel door de lucht naar het verre land, waar de jonge edelman in een eenzaam, oud kasteel met zijn mooie vrouw en zijn trouw gezelschap van dieren leefde.
Toen de zigeuner vrouw bij het kasteel kwam, liet zij het tapijt neerdalen op het gras onder de boomen; zij liet het daar liggen en ging rond om te zien, of zij de prinses op haar wandeling in het park ook zou kunnen ontmoeten.
Weldra kwam de schoone vrouw uit het kasteel en dadelijk liep de oude, leelijke vrouw op haar toe, begon haar te vleien en allerhande vreemde verhalen te doen. Ja, zij was zoo’n goede vertelster, dat de prinses al lang moe van het wandelen was, voordat zij vermoeid was van het luisteren. Toen zij het zachte tapijt dus op het groene gras zag liggen, zette zij er zich op neer om wat te rusten. Zoodra zij plaats had genomen, ging de sluwe, oude zigeunervrouw naast haar zitten: en nadat zij naar zweep had gegrepen, sloeg zij er verwoed mede op het tapijt. Het volgend oogenblik bemerkte de prinses, dat zij op het tapijt werd weggedragen van het kasteel van haar echtgenoot en na korten tijd liet de vrouw haar neerdalen in den tuin van het koninklijk paleis.
Gij kunt u gemakkelijk indenken, hoe blij de koning was, toen hij zijn geliefde dochter terug zag en hoe edelmoedig hij de oude zigeunervrouw behandelde; hij gaf haar zelfs meer dan zij vroeg. Van nu af aan liet de koning de prinses in een afgezonderden toren wonen. Slechts twee kameniers mochten haar gezelschap houden, zoo bevreesd was hij, dat zij hem weer ontstolen zou worden.
Ondertusschen riep de vos, die zag, hoe rampzalig en neerslachtig zijn jonge meester er uitzag, nadat zijn vrouw op onverklaarbare wijze ontvoerd was en nadat hij gehoord had, welke voorzorgsmaatregelen de koning genomen had, om te voorkomen, dat de prinses weer weggevoerd zou worden, nog eens de dieren samen tot een algemeene beraadslaging.
Toen allen vereenigd waren, sprak de vos hen aldus aan: “Gij allen, mijn vrienden, weet, hoe gelukkig onze vriendelijke heer getrouwd was; maar gij weet ook, dat zijn vrouw hem ontstolen is en dat hij er nu veel erger aan toe is, dan hij was, voordat wij de prinses voor hem vonden.
“Toen was hij eenzaam; nu is hij meer dan eenzaam—hij voelt zich verlaten! Zoo staat de zaak en daarom is het onze plicht, die van zijn getrouwe dienaren, om haar op de een of andere manier naar hem terug te voeren. Maar gemakkelijk zal dat niet gaan, daar de koning zijn dochter voor alle zekerheid in een sterken toren gevangen houdt. Ik wanhoop echter niet; luistert naar mijn plan; ik zal mij in een mooie kat veranderen en gaan spelen in den tuin van het paleis onder de ramen van den toren, die door de prinses wordt bewoond. Ik durf wedden, dat zij zal verlangen mij te bezitten, zoodra zij mij ziet en zij zal haar kameniers naar beneden zenden om mij te vangen en bij haar te brengen. Maar ik zal er wel voor oppassen, dat de kameniers mij niet vangen, zoodat de prinses eindelijk de bevelen van haar vader om den toren niet te verlaten zal vergeten en zelf in den tuin zal komen, om te zien, of zij zelf niet meer succes heeft. Ik zal doen, of ik mij laat vangen, en op dat oogenblik moet onze vriend de Kumrekusha, die in de omgeving van het paleis blijft zweven, snel naar beneden schieten, de prinses grijpen en evenals den vorigen keer wegvoeren. Op deze wijze hoop ik, beste vrienden, dat wij in staat zullen zijn onzen goeden meester zijn vrouw terug te geven. Keurt gij mijn plan goed?”