← Table of contents
De zoon van Kazan

XXX. De rekening wordt vereffend.

Reading edition

Dien nacht brandde er een nieuw kampvuur op de open plek. Het was geen klein vuur, opgebouwd in de vrees dat anderen het zouden zien, maar een vuur, dat zijn vlammen hoog de lucht inzond. In den gloed er van stond Carvel. En zooals het vuur deze verandering had ondergaan van een kleine vlammenmassa, waarboven de Wilg haar middagmaal gekookt had, zoo was ook Carvel, de officieel dood verklaarde balling, veranderd. Hij droeg geen baard meer; hij had zijn kariboeleeren jas afgeworpen; zijn mouwen waren tot aan de ellebogen opgestroopt en er lag een gloed op zijn gelaat, een blos, die niet alleen aan de inwerking van weer en wind moest toegeschreven worden en een glans in zijn oogen, die er in vijf jaren niet in geweest was en misschien wel nooit tevoren. Zijn oogen waren op Nepeese gevestigd. Zij zat dicht bij het vuur, een weinig voorover leunend, haar prachtig haar glanzend in den gloed. Carvel bewoog zich niet, zoolang zij in deze houding bleef. Hij scheen nauwelijks te ademen. De glans in zijn oogen werd dieper—de vereering van een man voor een vrouw. Plotseling keerde Nepeese zich om en zag hem aan, voor hij den blik af kon wenden. In haar eigen oogen lag evenmin iets om te verbergen. Er sprak, gelijk uit haar gezicht, hoop en hernieuwde blijdschap uit. Carvel ging naast haar zitten op den berkestam en nam een der dikke vlechten in zijn hand en liefkoosde die onder het praten. Aan hun voeten lag Baree en keek naar hen.

„Morgen of overmorgen ga ik terug naar Lac Bain,” zeide hij, met een ondertoon van bitterheid in zijn stem van halve vereering. „En ik kom niet terug voor ik hem gedood heb.”

De Wilg keek strak in het vuur. Een tijdlang werd de stilte alleen verbroken door het knapperen van de vlammen en in die stilte weefden Carvel's vingers de zijden haarstrengen van de Wilg dooreen. Zijn gedachten gingen terug. Wat een prachtige kans was hij misgeloopen, dien dag op Mc Taggart's vallenlijn—als hij het toen maar geweten had! Zijn kaken werden op elkander geklemd, toen hij, in het roodgloeiende hart van het vuur turend, zich de gebeurtenissen van den dag te binnen bracht, waarop de agent van Lac Bain Pierrot gedood had. Zij had hem de heele geschiedenis verteld. Haar vlucht. Haar sprong in het ijskoude water van den afgrond, waarin zij zoo zeker gedacht had, den dood te zullen vinden. Hoe zij zich, wonderbaarlijk genoeg, had weten te redden—en hoe zij gevonden was, bijna dood, door Tuboa, den tandeloozen ouden Cree, wien Pierrot uit medelijden toegestaan had, in een gedeelte van zijn gebied te jagen.

Hij voelde scherp de wanhoop en schrik van dit ééne uur, waarin de zon voorgoed was ondergegaan in de wereld van de Wilg, en in de vlammen kon hij den trouwen ouden Tuboa zien, die zijn laatste krachten had ingespannen om Nepeese te dragen, al die lange mijlen, die tusschen den afgrond en zijn hut lagen; hij zag de weken van honger en nijpende koude voor zich, die hierop gevolgd waren, waarin het leven van de Wilg aan een zijden draad gehangen had. En ten laatste, toen de sneeuw het hoogst lag, was Tuboa gestorven. Carvel's vingers klemden Nepeese's vlecht steviger. Een diepe zucht rees uit zijn borst en hij zeide, nog steeds in het vuur starend:

„Ik ga morgen naar Lac Bain.”

Een oogenblik bleef Nepeese nog zwijgen. Zij keek eveneens in de vlammen. Toen zeide zij:

„Tuboa was van plan, hem te dooden, zoodra de lente kwam en hij zou kunnen reizen. Toen Tuboa stierf wist ik, dat ik hem nu zelf zou moeten dooden. Daarom ben ik hier gekomen, met Tuboa's geweer. Het is opnieuw geladen, gisteren. En—M'sieu Jeem.—Zij keek naar hem op, een glans van triomf in de oogen, terwijl zij er bij voegde, bijna fluisterend: „Je moet niet naar Lac Bain gaan. Ik heb een boodschapper gestuurd.””

„Een boodschapper.”

„Ja, Ookimow Jeem—een boodschapper. Twee dagen geleden. Ik heb laten weten, dat ik niet dood was, maar hier—en op hem wachtte—en dat ik iskwao wilde zijn, zijn vrouw. O—o—hij zal komen, Ookimow Jeem—zoo gauw hij kan. En je moet hem niet vermoorden. Non!” Zij glimlachte tegen hem en Carvel's hart klopte als met hamerslagen. „Het geweer is geladen,” zeide zij zacht. „Ik zal schieten.”

„Twee dagen geleden,” zeide Carvel. „En van Lac Bain is het—”

„Hij zal morgen hier zijn,” antwoordde Nepeese hem. „Morgen, als de zon ondergaat, zal hij de vlakte oversteken, daarginds. Ik weet het. Mijn bloed heeft het den heelen dag gezongen. Morgen—morgen—want hij zal zich haasten, Ookimow Jeem. Ja, hij zal spoedig komen.”

Carvel had het hoofd gebogen. De zachte vlechten tusschen zijn vingers werden aan zijn lippen gebracht. De Wilg, die weer in het vuur staarde, zag dit niet. Maar zij voelde het—en haar ziel fladderde, als door vogelwieken bewogen.

„Ookimow Jeem,” fluisterde zij—het was een zuchtje, een beweging der lippen, zoo zacht, dat Carvel geen geluid hoorde.

Als de oude Tuboa er dien nacht geweest was, had hij misschien vreemde waarschuwingen gehoord in den wind, die nu en dan in de boomtoppen fluisterde. Want het was zulk een nacht; een nacht, waarin de Roode Goden zacht onder elkander fluisteren, een carnaval van heerlijkheid, waarin zelfs de schaduwen en de hooge sterren schijnen te huiveren van leven in hun machtige taal. Het is heel waarschijnlijk, dat de oude Tuboa, met zijn negentig jaren achter zich, iets zou begrepen hebben, of ten minste vermoed, van hetgeen Carvel in zijn jeugd en goed vertrouwen niet zag. Morgen—hij zal morgen komen! De Wilg in haar blijdschap, had dit gezegd. Maar aan ouden Tuboa zouden de boomen toegefluisterd hebben, waarom niet vannacht?

Het was middernacht toen de volle maan boven de open plek in het bosch stond. In het hutje sliep de Wilg. In de schaduw van balsemstruiken achter het vuur sliep Baree en nog verder weg, bij een sparrenboschje, lag Carvel. Hond en man waren vermoeid. Zij hadden dien dag veel en hard geloopen en geen geluid drong tot hen door.

Maar zij hadden niet zooveel, noch zoo hard geloopen als Mc Taggart. Tusschen zonsopgang en middernacht had hij veertig mijlen afgelegd, toen hij de kleine vlakte naderde, waar Pierrot's hutje gestaan had. Aan den zoom van het bosch had hij tweemaal geroepen en nu, daar hij geen antwoord kreeg, bleef hij stilstaan en luisterde, in het maanlicht. Nepeese had gezegd, hier op hem te zullen wachten. Hij was vermoeid, maar de uitputting vermocht niet het vuur te dooven, dat in zijn bloed brandde. Den heelen dag had het opgevlamd en nu—zoo dicht bij de verwezenlijking van zijn wensch en zijn triomf—golfde de oude hartstocht als bedwelmende wijn in zijn aderen. Op de een of andere plek, dicht in de buurt waar hij nu stond, wachtte Nepeese op hem. Opnieuw riep hij en zijn hart klopte van heftige verwachting terwijl hij luisterde. Er volgde geen antwoord. Hij hield een oogenblik den adem in. Hij snoof de lucht op—en flauwtjes kwam de rook van een vuur in zijn neusgaten.

Met het instinkt van den man, die in de wildernis leeft, zocht hij de windrichting op. Hij riep niet meer, maar haastte zich de open plek over. Nepeese moest daarginds zijn—slapend naast haar vuur en een zachte kreet rees er bij hem op, vol blijdschap. Hij bereikte den zoom van het bosch; het toeval deed hem zijn schreden richten naar het begroeide pad, hij volgde het en de rooklucht drong sterker tot hem door.

Het was weer het instinkt van den man der wildernis, dat hem behoedzaam deed naderen. Voorzichtig, in de doodsche stilte van den nacht. Er knapten geen takken onder zijn voeten. Hij werkte zich zoo handig door het struikgewas, dat geen geluid hem verraadde. Toen hij eindelijk de open plek bereikte, waar Carvel's vuur nog steeds een spiraal, naar sparren geurenden, rook de lucht inzond, deed hij dit zoo zacht sluipend, dat zelfs Baree er niet door gewekt werd. Misschien sluimerde er nog iets van den ouden achterdocht in hem; misschien deed hij het, omdat hij haar wilde naderen terwijl zij sliep. Het gezicht van het hutje deed zijn hart sneller kloppen. Het was bijna zoo licht als overdag, toen hij daar in het maanlicht stond en hij zag eenige vrouwenkleeren buiten hangen. Hij naderde, zachtvoetig als een vos en stond een oogenblik later aan den ingang der hut, met gebogen hoofd luisterend of hij ook maar het geringste geluidje op kon vangen. Hij kon haar ademhaling hooren. Even wendde hij zijn gelaat zóó, dat het door het maanlicht beschenen werd. Er blonk een vuur van razernij in zijn oogen. Toen, heel zacht, sloeg hij den voorhang bij de deur weg.

Het kon geen gerucht geweest zijn, dat Baree wekte, zooals hij verborgen lag in de schaduw der struiken, een twaalftal passen van de deur der hut. Misschien was het de reuk. Zijn neusgaten bewogen zich eerst, toen ontwaakte hij. Een paar sekonden bleven zijn oogen rusten op de gebogen figuur aan den ingang der hut. Hij wist, dat het Carvel niet was. De oude reuk—de reuk van het mensch-beest vulde zijn neusgaten als een gehaat vergif. Hij sprong op en bleef staan, zijn vier pooten stevig geplant en zijn lippen langzaam wegtrekkend van zijn lange slagtanden. Mc Taggart was verdwenen. Maar binnen in de hut klonk een geluid; een plotseling bewegen van lichamen; de verschrikte uitroep van iemand, die uit den slaap ontwaakte—en daarna een kreet, een half gesmoorde verschrikte kreet, en in antwoord hierop schoot Baree onder de balsemstruiken uit, met een geluid in zijn strot, dat den dood voorspelde.

Aan den rand van het sparrenbosch rolde Carvel zich onrustig in zijn slaap heen en weer. Vreemde geluiden deden hem ontwaken, die in zijn oververmoeidheid tot hem kwamen als in een droom. Ten slotte ging hij overeind zitten en in plotselinge ontzetting sprong hij op en rende naar het huisje toe. Nepeese stond buiten en riep den naam, dien zij hem gegeven had—„Ookimow Jeem—Ookimow Jeem—Ookimow Jeem!” Zij stond daar, blank en tenger, haar oogen hadden den glans der sterren en toen zij Carvel zag, strekte zij de armen uit, nog steeds roepend:

„Ookimow Jeem—O—o,—Ookimow Jeem—”

In het hutje hoorde hij het razen van een dier en gekreun van een mensch. Hij vergat, dat hij pas den avond te voren gekomen was en met een kreet trok hij de Wilg aan zijn borst en de armen van de Wilg klemden zich om zijn hals, terwijl zij kreunde:

„Ookimow Jeem—het is het mensch-beest, daarbinnen! Het mensch-beest van Lac Bain—en Baree—”

De waarheid schoot door Carvel's brein en hij nam Nepeese in zijn armen op en liep met haar buiten het gehoor van de geluiden, die afschuwelijk werden. In het sparrenboschje zette hij haar neer. Haar armen waren nog stijf om zijn hals geklemd; hij voelde de ontzetting rillen in haar lichaam, haar adem kwam snikkend en haar oogen hingen aan zijn gelaat, en plotseling drukte hij haar gelaat tegen het zijne en voelde een oogenblik haar warme lippen tegen de zijne. En hij hoorde haar fluisteren met zachte, trillende stem:

„O—o, Ookimow Jeem—”

Toen Carvel naar de hut terugkeerde, alleen, met zijn revolver in de hand, stond Baree er voor en wachtte hem op. Carvel raapte een stuk brandend hout op en trad het hutje binnen. Toen hij weer buiten kwam, was zijn gezicht wit als een doek. Hij wierp het stuk hout in het vuur en ging naar Nepeese terug. Hij had haar in zijn dekens gewikkeld, en nu knielde hij naast haar neer en sloeg zijn armen om haar heen.

„Hij is dood, Nepeese.”

„Dood, Ookimow Jeem?”

„Ja, Baree heeft hem gedood.”

Hij voelde haar adem bijna niet meer gaan. Zachtjes, met zijn lippen in heur haar, fluisterde Carvel haar zijn plannen in voor hun toekomstig paradijs.

„Niemand zal het weten, mijn lieveling. Vannacht zal ik hem begraven en het hutje verbranden. Morgen gaan wij naar Nelson House, waar een zendeling is. En daarna—zullen wij terugkomen—en ik zal een nieuwe hut bouwen, op de plek waar de oude is afgebrand. Heb je me lief, Ka Sakahet?”

„Oui—ja—Ookimow Jeem—ik heb je lief—”

Plotseling werden zij gestoord. Baree slaakte eindelijk en ten laatste zijn triomfkreet. Die kreet rees naar de sterren; galmde over het bladerdak uit en den stillen nachthemel in—een wolfachtig gehuil van uitbundige blijdschap, van triomf, van wraak, die volbracht was. De echo er van stierf langzaam weg en er heerschte opnieuw stilte. Een groote vredigheid fluisterde in den zachten adem van de kruinen der boomen. In het noorden klonk de paringskreet van een fuut. De armen van de Wilg klemden zich vaster om Carvel's hals. En Carvel dankte God uit den grond van zijn hart.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings