← Table of contents
De zoon van Kazan

XXIII. Naar het Noorden.

Reading edition

Het was begin Augustus toen Baree den Grijzen Fuut verliet. Hij had geen bepaald plan. Maar er was in zijn brein nog flauw de herinnering achtergebleven aan zijn vroegere dagen, zooals de indrukken van licht en schaduw op een negatief. Zaken en gebeurtenissen, die hij bijna vergeten was, kwamen hem nu weer te binnen, terwijl hij zich hoe langer hoe verder van den Grijzen Fuut verwijderde; en zijn vroegere ondervindingen werden nu weer werkelijkheid voor hem, hij zag ze weer vóór zich, nu hij de laatste banden verbroken had, die hem bonden aan het tehuis van de Wilg. Onwillekeurig volgde hij den draad dezer gebeurtenissen en langzamerhand hielpen zij hem, nieuwe belangstelling bij zich wakker te roepen. Een jaar van zijn leven beteekende voor hem een heelen tijd—stond wel gelijk met tien jaren van een menschenleven. Het was meer dan een jaar geleden, sedert hij Kazan en Wolvin en het hol onder de omgewaaide boomen verlaten had en toch kwamen nu duidelijk de herinneringen aan zijn allervroegste jeugd terug, aan de kreek, waarin hij getuimeld was en aan dat woedende gevecht met Papayuchisew. Het waren zijn avonturen uit den laatsten tijd, die deze herinneringen bij hem opwekten. Hij kwam aan de doodloopende kloof, waar Nepeese en Pierrot hem achterna gejaagd hadden. Dat scheen pas gisteren gebeurd te zijn. Hij ging naar de kleine weide en stond naast de groote rots, waaronder Nepeese bijna verpletterd was en toen herinnerde hij zich, dat Wakayoo, zijn groote vriend de beer, hier den dood gevonden had onder Pierrot's geweerschoten—en hij ging Wakayoo's verbleekte beenderen besnuffelen, die verspreid lagen in het groene gras, terwijl aan alle kanten de bloemen er omheen bloeiden. Een dag en een nacht bracht hij in deze weide door, voor hij de kloof weer uitging en op zoek naar den poel, waarin Wakayoo voor hem had staan visschen. Er was nu een andere beer aan den rand daarvan, die eveneens stond te visschen. Misschien was hij wel een zoon of kleinzoon van Wakayoo. Baree rook waar hij zijn opslagplaats voor de vangst had gemaakt en drie dagen leefde hij op visch, voor hij naar het Noorden koers zette.

Nu zette, voor het eerst sedert vele weken, een restje van de oude vurigheid bij Baree er den spoed in en zooals hij naar den Grijzen Fuut zou zijn teruggekeerd met een gevoel van naar huis te gaan als Nepeese daar geweest was, zoo keerde hij nu terug naar den ouden bevervijver.

Het was het mooiste uur van den zomerdag—zonsondergang—toen hij dien bereikte. Hij bleef staan op ongeveer honderd meter afstand, toen hij den vijver nog niet zien kon, snoof de lucht op en luisterde. Want de vijver lag daar. De welbekende reuk drong tot hem door. Maar Umisk en Gebroken Tand en de anderen? Zou hij hen weervinden? Hij scherpte zijn ooren, om een bekend geluid op te vangen en na een paar oogenblikken kwam dit—een licht plassen in het water. Hij ging bedaard tusschen de elzestruiken door en stond ten laatste dicht bij de plek, waar hij het eerst met Umisk had kennis gemaakt. De oppervlakte van het water was lichtelijk gerimpeld; twee of drie koppen kwamen boven; hij zag de torpedo-achtige golf, voortgebracht door een ouden bever, die een stok naar de overzijde stuwde—hij keek naar den dam en die was nog bijna precies als hij hem een jaar geleden verlaten had. Hij liet zich niet zien, in den beginne, maar bleef staan, verborgen achter de elzen. Hij voelde een onrust in zich groeien, een verslapping na de lange gespannenheid van de eenzame maanden, gedurende welke hij op Nepeese gewacht had. Met een diepen zucht legde hij zich neder tusschen de elzen, zijn kop zoo gericht, dat hij goed kon uitkijken. Terwijl de zon begon te dalen, kwam er leven in den vijver. Op den oever, waar hij Umisk eens gered had van den vos, kwam nu een nieuw geslacht jonge bevers—drie ervan waren dik en waggelend. Heel zacht jankte Baree.

Dien heelen nacht bleef hij tusschen de elzen liggen. De bevervijver werd weer zijn honk. De omstandigheden waren veranderd, natuurlijk, en naarmate de dagen weken werden, toonden de inwoners van Gebroken Tand's kolonie niet in het minst, dat zij den volwassen Baree bij zich duldden, zooals zij dat den kleinen Baree van lang geleden gedaan hadden. Hij was nu groot, zwart en wolfachtig—een langtandig en verschrikkelijk-uitziend beest en ofschoon hij geen geweld uitoefende, werd hij door de bevers met een diepgewortelde vrees en achterdocht gadegeslagen. Aan den anderen kant voelde Baree ook niet meer het jonge-hondjesachtig verlangen om met de kleine bevers mee te spelen en dus deed hun koele houding hem geen verdriet, zooals indertijd. Umisk was nu ook volwassen, een dikke, voorspoedige baas, die zich juist dit jaar een wijfje gekozen had en het op het oogenblik geweldig druk had met het inzamelen van zijn winterrantsoen. Het is volkomen aannemelijk, dat hij het groote zwarte dier, dat hij nu zag, niet in verband bracht met den kleinen Baree, wiens neus hij besnuffeld had, een heelen tijd geleden en het is ook heel waarschijnlijk, dat Baree Umisk niet herkende, tenzij als een onderdeel van de herinneringen, die hem bijgebleven waren.

De heele maand Augustus door maakte Baree den bevervijver tot zijn hoofdkwartier. Zoo nu en dan maakte hij tochten, waardoor hij twee of drie dagen wegbleef. Deze reisjes gingen altijd in noordelijke richting, soms een weinig oost- of westwaarts, maar nooit meer het zuiden in. En eindelijk in het laatst van September verliet hij den bevervijver voorgoed.

Vele dagen lang koos hij op zijn zwerftochten geen bepaalde richting. Hij ging op jacht, leefde voornamelijk op konijnen en op de domme patrijssoort, bekend onder den naam „het onnoozele hoen”. Dit diëet werd natuurlijk wel eens afgewisseld door andere gerechten, naarmate hij die op zijn weg aantrof. De wilde aalbessen en aardbeien waren aan het rijpen en Baree was er dol op. Hij hield ook van de bittere bessen van den bergesch, welke, evenals de zachte balsem- en sparrenhars, waaraan hij zoo nu en dan likte, een uitstekend geneesmiddel voor hem waren. In ondiep water ving hij wel eens een visch en een enkele maal bond hij zeer voorzichtig den strijd aan met een stekelvarken en als hij overwon, smulde hij van het fijnste en zoetste vleesch dat zijn menu kon opleveren. In September doodde hij tweemaal een ree. De terreinen, waarop groote boschbranden gewoed hadden, joegen hem nu geen vrees meer aan en in deze dagen van overvloed vergat hij den tijd, toen hij er hongerig rondgedwaald had. In October trok hij zoo ver naar het westen, dat hij de Geikie Rivier bereikte en toen naar het noorden tot aan het Wollaston Meer, hetwelk een goede honderd mijlen ten noorden lag van den Grijzen Fuut. In de eerste week van November sloeg hij weer naar het zuiden af, volgde de Kano Rivier een tijd lang en wendde zich daarop weer naar het westen, een kleine kreek volgend, die het kleine zwarte Beertje zonder staart heette.

Gedurende deze weken kwam Baree meer dan eens in den omtrek van den mensch, maar, met uitzondering van den Cree-jager aan het bovengedeelte van het Wollaston Meer, had niemand hem gezien.

Terwijl hij de Geikie Rivier volgde, lag hij driemaal in een kreupelboschje, terwijl er kano's langskwamen; in de stilte van den nacht snuffelde hij meermalen rondom hutten en tenten, waarin hij leven hoorde en éénmaal kwam hij zoo dicht bij den Hudson-Baai Compagnie Post, dat hij het blaffen van de honden en het schreeuwen van hun meesters hooren kon. En altijd zocht hij—zocht hij naar hetgeen uit zijn leven verdwenen was. Hij berook de drempels der hutten, draaide in een nauwen kring om de tenten heen, met den wind mee, keek vol hoop in alle kano's. Eens dacht hij, dat de wind hem den reuk van Nepeese aanvoerde en oogenblikkelijk voelde hij zijn pooten onder zich verzwakken en scheen zijn hart op te houden met kloppen. Het duurde maar een paar oogenblikken. Zij kwam uit een tent—een Indiaansch meisje met haar handen vol wilgetakken—en Baree sloop weer weg, ongezien.

Het was bijna December, toen Lerue, een halfbloed uit Lac Bain, Baree's voetsporen zag in de verschgevallen sneeuw en hem een oogenblik later tusschen het kreupelhout verdwijnen zag.

„Mon Dieu, ik verzeker u, hij had pooten zoo groot als mijn hand en hij is zoo zwart als een ravenvlerk, waar de zon op schijnt!” riep hij uit, in het magazijn van de Compagnie te Lac Bain. „Een vos? Neen! Hij is half zoo groot als een beer. Een wolf—ja! En zoo zwart als de duivel, m'sieus.”

Mc Taggart was onder degenen die hem hoorde. Hij was juist bezig zijn handteekening te plaatsen onder een brief, dien hij aan de Compagnie geschreven had, toen Lerue's woorden tot hem doordrongen. Hij bleef zoo plotseling steken, dat er een droppel inkt op den brief gespat werd. Er liep hem een vreemde siddering door de leden, terwijl hij naar den halfbloed keek. Juist op dit oogenblik kwam Marie binnen. Mc Taggart had haar opnieuw weggehaald van haar stam. Haar groote, donkere oogen hadden een treurige uitdrukking en er was nogal wat verloren gegaan van haar schoonheid.

„Hij was er vandoor in minder dan—dit!” zeide Lerue, met zijn vingers knippend. Hij zag Marie en bleef steken.

„Zwart, zeg je?” vroeg Mc Taggart achteloos, zonder zijn oogen op te slaan van zijn schrijfwerk. „Leek hij niet wat op een hond?”

Lerue haalde de schouders op.

„Hij was als de wind er van door, m'sieu. Maar het was een wolf.”

Zoo zacht, dat de anderen bijna geen geluid konden opvangen, had Marie iets in het oor van Mc Taggart gefluisterd en zijn brief opvouwend, stond Mc Taggart haastig op en verliet het magazijn. Hij bleef een uur weg. Lerue en de anderen verbaasden zich hierover. Het gebeurde niet dikwijls, dat Marie in het magazijn kwam, het kwam zelfs zelden voor, dat zij haar zagen. Zij bleef meestal verscholen in het houten huis van den agent en iederen keer, dat hij haar zag, verbeeldde Lerue zich, dat haar gezichtje weer wat magerder geworden was en dat haar oogen grooter waren en steeds hongeriger uitdrukking kregen. In zijn eigen hart was een groot verlangen. Menigen nacht ging hij onder het venstertje door, waaronder hij wist, dat zij lag te slapen; dikwijls tuurde hij naar boven, in de hoop een glimp van haar bleek gelaat te zien en het eenige geluk in zijn leven was, te weten, dat Marie hem begreep, en dat er een ander licht in haar oogen kwam, wanneer hun blikken elkander ontmoetten. Niemand anders wist er van. Het geheim bestond tusschen hen beiden—en geduldig wachtte Lerue en keek uit. „Eens,” hield hij zich voor. „Eens”, en dat was alles. Deze woorden besloegen een wereld vol hoop. Als die dag dan eindelijk aangebroken was, zou hij Marie regelrecht meenemen naar den zendeling, daarginds op Fort Churchill, en zij zouden zich daar laten trouwen. Dit was een droom—een droom, die maakte, dat hij de lange dagen en de nog langere nachten op de vallenlijn geduldig doormaakte. Nu waren zij nog beiden onder slavernij van de hen omringende Macht. Maar—eens—

Lerue dacht hieraan, toen Mc Taggart na verloop van een uur terugkwam. De agent kwam regelrecht op het half dozijn mannen af, die om de groote houtkachel2) zaten en schudde met een geknor van voldoening de sneeuw van zijn schouders.

„Pierre Eustach heeft het aanbod van het Gouvernement aangenomen en zal de kaartenmakers naar het Onvruchtbare Land brengen, dezen winter,” kondigde hij aan. „Je weet, Lerue,—hij heeft zoowat honderdvijftig klemmen en vallen uitgezet en een groot giftaas-terrein. Een goede lijn, hè? En ik heb haar van hem gehuurd, voor dit seizoen. Het zal me juist het werk in de buitenlucht geven, dat ik noodig heb—drie dagen heen en drie dagen terug. Nu, wat zeg je van zóó'n koop?”

„Het is een goede,” zeide Lerue.

„Ja, een goed plan,” zeide Roget.

„Een uitgestrekt vossenland,” zeide Mons Roule.

„En gemakkelijk te bereizen,” prevelde Valence, wiens stem wel die van een vrouw geleek.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings