XV. Nepeese laat zich gelden.
Reading edition
Het was begin Augustus—„Uitvliegmaand”—toen Pierrot van Lac Bain terugkeerde, en over drie dagen zou Nepeese haar zeventienden verjaardag vieren. Hij bracht van allerlei voor Nepeese mee—haarlinten, echte schoenen, die zij zoo nu en dan droeg, in navolging van de twee Engelsche vrouwen, die in Nelson House woonden en—het mooiste van alles—een lap prachtig rood goed voor een japon! In de drie winters, die zij op de Zendingsschool had doorgebracht, hadden deze vrouwen zich veel met Nepeese bemoeid. Zij hadden haar leeren naaien, zoowel als schrijven, lezen en bidden en er waren tijden, dat de Wilg aandrift kreeg, te doen zooals zij. Zij werkte daarom dan ook drie dagen lang hard aan haar nieuw gewaad en op haar verjaardag vertoonde zij zich aan Pierrot's oogen in een kleederdracht, die hem deed verstommen van bewondering. Zij had heur haar in groote glanzende torsades en in vlechten op de kruin van haar hoofd gelegd, zooals Yvonne, de jongste der Engelsche vrouwen, haar dit geleerd had en in het rijke gitzwart daarvan was een takje van de gloedroode vuurbloem half verborgen. Hieronder en onder den gloed van haar oogen en den rooden blos van haar wangen en lippen, kwam de nieuwe roode japon, aansluitend aan haar sierlijk, slank lichaam volgens een model, dat twee jaar geleden mode geweest was op Nelson House. En onder die japon, die ternauwernood tot over haar knieën reikte—Nepeese had heelemaal vergeten welke lengte ze hebben moest, of anders had zij te weinig stof gehad—stak de coupe de maître van haar toilet uit, echte kousen en de prachtige schoentjes met hooge hakken!
Nepeese was een visioen, bij het zien waarvan de boschgoden in verrukking geweest zouden zijn. Pierrot draaide haar om en om, zonder een woord te zeggen, al maar glimlachend. Maar toen zij hem verliet, een beetje kreupel loopend door de nauwsluitendheid van haar schoenen, door Baree gevolgd, werd die glimlach van zijn gelaat weggevaagd en was dit bleek en strak.
„Mon Dieu!” prevelde hij, met een gedachte, die hem pijn deed. „Zij is niet van haar moeders bloed—neen. Zij is Fransch. Zij ziet er uit als een—als een engel.”
Er was een verandering over Pierrot gekomen. Gedurende de drie dagen waarin zij aan haar japon naaide, was Nepeese te opgewonden geweest om deze verandering te bemerken en Pierrot had zijn best gedaan, haar voor haar verborgen te houden. Hij was tien dagen weggebleven op zijn uitstapje naar Lac Bain en hij had Nepeese het heuglijk nieuws meegebracht, dat M'sieu Mc Taggart heel ziek was van de pechipoo—de bloedvergiftiging—nieuws, waarover de Wilg van blijdschap in de handen geklapt had. Maar hij wist, dat de agent beterende was en dat hij weer terug zou komen in hun hut bij den Grijzen Fuut. En als hij nu kwam—
Het was deze gedachte, die hem zoo ongerust deed kijken. En hij kon haar niet van zich afzetten op dezen dag, terwijl haar lach tot hem kwam als een vogellied. Dieu! In weerwil van haar zeventien jaren was zij nog heelemaal een kind! Zij kon zijn vreeselijke visioenen niet vermoeden. En de vrees, haar voor altijd op te wekken uit die mooie kinderdroomen, weerhield hem, haar de heele waarheid te vertellen, zoodat zij alles zou begrijpen. Neen,—dat zou niet gebeuren. Zijn ziel was vervuld van een groote, zachte liefde voor haar. Hij, Pierrot Du Quesne, zou over haar waken. En zij zou lachen, en zingen, en spelen en geen deel hebben aan de zwarte voorgevoelens, die zijn leven kwamen bederven.
Vandaag kwam uit het zuiden Mac Donald, de Gouvernements-kaartenmaker. Hij was een grijze man, met een frisschen lach en een rein hart. Twee dagen bleef hij bij Pierrot. Hij vertelde Nepeese over zijn dochters, thuis; over haar moeder, wie hij een grooter vereering toedroeg, dan welk schepsel ook ter wereld; en voor hij terugkeerde van zijn onderzoek naar den groei van een zekere dennensoort, nam hij fotografieën van de Wilg, zooals hij haar voor het eerst gezien had op haar verjaardag, met hoog kapsel, de roode japon en de hooggehakte schoentjes. Hij nam de negatieven met zich mee en beloofde Pierrot, dat hij er hem op de een of andere wijze een afdruk van zou laten bezorgen. Aldus gaat het Lot te werk, op zijn zonderlinge en oogenschijnlijk onschuldige wijze, terwijl het web van zijn tragediën gespannen wordt.
Er volgden nu weken van kalmte en rust bij den Grijzen Fuut. Het waren heerlijke dagen voor Baree. In het begin was hij achterdochtig tegenover Pierrot. Na een poosje duldde hij hem en eindelijk begon hij hem te beschouwen als een deel van de hut en van Nepeese. Hij werd letterlijk de schaduw van de Wilg. Pierrot merkte deze aanhankelijkheid met groote voldoening op.
„Ah! nog maar een paar maanden—als hij dan M'sieu den agent naar de keel vloog!” prevelde hij op zekeren dag.
In September, toen hij zes maanden oud was, was Baree bijna even groot als Wolvin—zijn beendergestel was zwaar, zijn slagtanden lang, zijn borst breed, en met zijn kaken kon hij een been verbrijzelen alsof het een stok was. Nepeese bewoog zich nooit zonder dat hij bij haar was. Zij zwommen samen in de twee poelen—den poel in het bosch en den poel tusschen de rotsige wanden van de kloof. In het begin was Baree geschrokken als Nepeese van de rots sprong, waarvan zij Mc Taggart naar beneden had geduwd, maar na afloop van een maand had zij hem geleerd, haar na te springen. Laat in Augustus zag Baree voor het eerst leden van zijn eigen geslacht, buiten Kazan en Wolvin. Gedurende den zomer liet Pierrot zijn honden vrij rondloopen op een eilandje, in het midden van een meer, twee of drie mijlen verwijderd, en twee keer per week zette hij zijn netten uit om visch voor hen te vangen. Nepeese vergezelde hem op een van deze uitstapjes en nam Baree mee. Pierrot droeg zijn lange kariboedarmzweep. Hij verwachtte een gevecht. Maar er kwam er geen. Baree vloog met den troep mee op de visch af en at met hen mee. Dit beviel Pierrot.
„Hij zal een pracht van een sledehond zijn,” grinnikte hij. „Het zou het beste zijn, hem een week met den troep samen te laten, Nepeese.”
Weerstrevend gaf Nepeese haar toestemming. Terwijl de honden nog druk aan hun visch bezig waren, trokken zij er stilletjes tusschenuit. Hun kano was al een heel eind weg, toen Baree ontdekte welke poets zij hem gespeeld hadden. Oogenblikkelijk sprong hij het water in en zwom hen achterna en de Wilg hielp hem in de kano te komen.
In het begin van September gaf een voorbijreizende Indiaan Pierrot bericht van Bush Mc Taggart. De agent was heel ziek geweest. Hij was op den dood af geweest door bloedvergiftiging, maar nu was hij weer beter. Bij het begin van den herfst drukte een nieuwe vrees Pierrot. Maar hij zeide er niets van aan Nepeese. De Wilg was den agent van Lac Bain bijna vergeten, want de heerlijkheid van den herfst zat haar in het bloed. Zij ging met Pierrot mee op lange tochten en hielp hem, een nieuwe vallenlijn aanleggen, die in gebruik zou genomen worden bij het vallen der eerste sneeuw en op deze tochten werd zij altijd door Baree vergezeld. Het meerendeel van haar vrijen tijd gebruikte zij om hem op te leiden voor sledehond. Zij begon met een leeren riem en een stok. Het kostte haar een heelen dag voor zij er Baree toe kreeg, den stok achter zich aan te sleepen, zonder dat hij zich ieder oogenblik omkeerde om er naar te bijten of te grommen. Daarna maakte zij nog een tweeden riem aan hem vast en liet hem twee stokken voortsleepen. Op deze wijze bereidde zij hem voor op het sledetuig, totdat, na veertien dagen, hij alles achter zich aansleepte, wat zij verkoos aan hem vast te binden. Pierrot bracht twee honden van het eiland mee naar huis en Baree werd met deze aan het oefenen gezet en hielp mee, de ledige dog-car voorttrekken. Nepeese was verrukt. Toen de eerste sneeuw viel klapte zij in de handen en riep tot Pierrot:
„Over een paar maanden zal ik den besten hond van den troep aan hem hebben, mon père!”
Nu was de tijd voor Pierrot aangebroken om te zeggen wat hij op het hart had. Hij glimlachte. Diantre—wat zou die gemeene agent van Lac Bain woedend zijn als hij merkte hoe hij er tusschen genomen was! En toch—
Hij probeerde zijn stem gewoon en kalm te doen klinken.
„Van den winter stuur ik je weer naar school op Nelson House, ma chérie,” zeide hij. „Baree zal helpen je er heen te trekken, door de eerste zware sneeuw.”
De Wilg was bezig een knoop te leggen in Baree's riem en zij kwam langzaam overeind en keek Pierrot aan. Haar oogen waren groot en donker en kalm.
„Ik ga daar niet heen, mon père!”
Het was voor het eerst, dat zij Pierrot tegensprak—op deze manier. Het ontroerde hem. En hij had moeite haar blik uit te houden. Hij was niet knap in het overbluffen. Zij zag, waar hij aan dacht,—zij scheen in zijn hart te lezen—het leek of zij grooter werd. Haar adem kwam sneller en hij zag haar borst hijgen, Nepeese wachtte zijn antwoord niet af.
„Ik ga daar niet heen, mon père!” herhaalde zij met nog grooter beslistheid en boog zich opnieuw over Baree.
Schouderophalend sloeg hij haar gade. Alles bijeengenomen, had hij geen reden om blij te zijn? Zou het zijn hart geen pijn gedaan hebben als zij blij geweest was, bij de gedachte, hem te verlaten? Hij kwam naast haar staan en legde met groote teederheid zijn hand op haar glanzend haar. De Wilg glimlachte naar hem op. Zij hoorden het geklik van Baree's tanden, toen hij zijn snoet op den arm van de Wilg deed rusten. Voor het eerst sedert weken was de wereld met zonneschijn voor Pierrot vervuld. Toen hij naar de hut terugkeerde hield hij zijn hoofd hooger. Nepeese wilde hem niet verlaten! Hij lachte zachtjes. Hij wreef zich de handen. Zijn vrees voor den agent van Lac Bain was verdwenen. Staande bij de deur der hut keek hij nog eens om naar Nepeese en Baree.
„Alle Heiligen zijn geloofd!” mompelde hij. „Nu—nu—weet Pierrot Du Quesne wat hem te doen staat!”