XXVI. Mc Taggart's triomf.
Reading edition
Den volgenden morgen hoorde Bush Mc Taggart een gerammel van kettingen, toen hij nog wel een kwart mijl van den vallenkring verwijderd was. Was het een lynx? Was het een marter? Was het een wolf of een vos? Of was het Baree? Hij legde den overigen afstand rennend af en toen hij eindelijk op een punt kwam, vanwaar hij zien kon, sprong zijn hart op van blijdschap, toen hij bemerkte, dat hij zijn vijand gevangen had. Hij kwam naderbij, zijn geweer gereed houdend om te vuren, voor het geval de hond zich mocht weten te bevrijden.
Baree lag op zijn zijde, hijgend van uitputting en rillend van pijn. Een heesche kreet van vreugde ontsnapte Mc Taggart's lippen, toen hij dichterbij kwam en naar de sneeuw keek. Zij lag stijf vastgetrapt om den val heen, waar Baree had liggen worstelen, en zag rood van bloed. Het bloed was meerendeels uit Baree's bek gevloeid. Die droop er nog van, terwijl hij zijn vijand aangluurde. De stalen kaken hadden hun onbarmhartig werk goed verricht, verborgen onder de sneeuw. Een van zijn voorpooten was stevig vastgekneld, tot aan het eerste gewricht toe, zijn beide achterpooten zaten eveneens gevangen; een vierde klem had zich om een zijner flanken gesloten en in zijn worsteling om zich ervan te bevrijden had een stuk huid losgelaten ter grootte van Mc Taggart's halve hand. De sneeuw deed het verhaal van zijn wanhopigen strijd den heelen nacht lang; zijn bloedende kaken toonden hoe hij te vergeefs getracht had zich met zijn tanden van het omklemmende staal te ontdoen. Hij hijgde naar adem. Zijn oogen waren met bloed doorloopen. Maar zelfs nu, na al deze uren van ellende, was zijn moed, noch geestkracht gebroken. Toen hij Mc Taggart zag, probeerde hij met een ruk overeind te komen, maar viel bijna oogenblikkelijk weer in de sneeuw neer. Maar hij zette zijn voorpooten schrap. Hij hield kop en borst op en de grauw, dien hij voortbracht, was tijgerachtig in zijn woestheid.
Hier stond nu eindelijk en ten laatste, niet meer dan een paar meter van hem af, het eenige wezen in de heele wereld, dat hij heftiger haatte dan het wolvengebroed. En weer was hij hulpeloos, zooals hij indertijd hulpeloos was geweest in den konijnenstrik.
De woestheid van zijn grauwen wekte ditmaal geen angst bij Bush Mc Taggart. Hij zag dat de ander volkomen aan zijn genade was overgeleverd en met een lach van voldoening zette hij zijn geweer tegen den boom aan, trok zijn wanten uit en begon zijn pijp te stoppen. Dit was de triomf, waarnaar hij verlangd had, de marteling, waarnaar hij had uitgezien. Er was een haat in zijn ziel, even doodelijk als die van Baree, de haat dien een man kon voeden tegenover een anderen man. Hij had zich eerst voorgenomen, den hond een kogel door den kop te jagen. Maar dit was nog beter—hem langzamerhand te zien sterven, hem te kwellen zooals hij een menschelijk wezen gekweld zou hebben, om hem heen te loopen, zoodat hij het gerammel van den ketting hoorde en het versche bloed te zien vloeien als Baree zijn gemarteld lijf en ledematen wrong om hem met de oogen te kunnen blijven volgen. Het was een schitterende wraakneming. Hij was er zoo in verdiept, dat hij de nadering van sneeuwschoenen achter zich niet hoorde. Het was een stem, een mannenstem, die hem plotseling deed omkijken.
De man was een vreemdeling en wel tien jaar jonger dan Mc Taggart. Ten minste, hij zag er niet ouder uit dan vijf- of zes-en-dertig, ondanks zijn blonden, kortgeknipten baard. Hij had een voorkomen, dat in het algemeen iedereen aangenaam moest aandoen; hij had iets jongensachtigs en was toch volkomen een man; met heldere oogen keek hij vrij onder den rand van zijn bonten muts uit, zijn lichaam was lenig als dat van een Indiaan en zijn gelaat droeg niet de harde lijnen, in de wildernis opgedaan. Toch wist Mc Taggart, nog vóór hij gesproken had, dat deze man in de wildernis thuis hoorde, dat hij er met hart en ziel deel van uitmaakte. Zijn muts was van marterbont. Hij droeg een jas, tegen weer en wind bestand, van zacht gelooid kariboeleer, om het middel opgehouden door een lange ceintuur, op Indiaansche manier met franje versierd. Zijn jas was met bont gevoerd. Hij droeg een broek van zwarte stof, zooals de inwoners van Hudson Baai dragen, en had mocassins aan. Hij reisde op lange, slanke sneeuwschoenen, speciaal gemaakt voor het houtland; zijn ransel op de schouders gebonden, was klein en stevig samengepakt en hij droeg zijn geweer in een laken overtrek. En van het hoofd tot de voeten zag hij er verreisd uit. Mc Taggart zou op den gis gezegd hebben, dat hij in de laatste paar weken wel duizend mijlen afgelegd had. Deze gedachte was het echter niet, die hem een plotselinge siddering door de leden joeg, maar de vrees, dat op geheimzinnige wijze een gefluister van de waarheid zijn weg gevonden mocht hebben, ver naar het zuiden—de ware lezing van hetgeen er voorgevallen was bij den Grijzen Fuut—en dat deze vreemdeling onder zijn kariboeleeren jas het insigne van de Koninklijke Noordwestelijke Bereden Politie droeg. Deze angst maakte zich eenige oogenblikken van hem meester en hij bleef sprakeloos staan.
De vreemdeling had alleen een verbaasden uitroep geslaakt. Nu zeide hij met zijn oogen op Baree gevestigd: „God zegen' ons, u hebt dien armen drommel daar leelijk in 't nauw gebracht, niet?”
Er was iets in zijn stemklank, dat Mc Taggart geruststelde. Er klonk geen achterdocht in en hij kon zien, dat de vreemdeling meer belang stelde in het dier dan in hem. Hij haalde diep adem.
„Een vallendief,” zeide hij.
De vreemdeling bekeek Baree nog scherper. Hij stak zijn geweer ondersteboven in de sneeuw en kwam naderbij.
„Hemel nog toe, het is een hond!” riep hij uit.
Achter hem stond Mc Taggart en keek naar hem met oogen als van een fret.
„Ja, een hond,” antwoordde hij. „Een wilde hond, ten minste voor de helft wolf. Hij heeft me zeker voor duizend dollars bestolen dezen winter.”
De vreemdeling hurkte bij Baree neer, zijn handen, in wanten gestoken, rustten op zijn knieën en zijn witte tanden glinsterden in een halven glimlach.
„Arme bliksem!” zeide hij medelijdend. „Zoo ben jij nu een vallendief? Een vogelvrij verklaarde? En—de politie heeft je te pakken gekregen? En—'t is me wat moois—ze heeft je geen mooie poets gebakken, hoor!”
De vreemdeling stond op en keek Mc Taggart aan.
„Ik moest wel een heeleboel klemmen uitzetten om hem te vangen,” verdedigde de agent zich, een weinig blozend onder den strakken blik van de blauwe oogen van den vreemdeling. Plotseling kwam zijn verbittering weer boven. „En hij zal hier sterven. Ik zal hem hier doodpijnigen en in de klemmen laten vergaan als straf voor wat hij uitgehaald heeft.” Hij nam zijn geweer op en voegde er bij, met zijn oogen op den vreemdeling gevestigd en zijn vinger aan den trekker: „Ik ben Bush Mc Taggart, de agent van Lac Bain. Trekt u dezen weg langs, m'sieu?”
„Een paar mijl nog maar. Ik trek door naar daarginds, het Onvruchtbare Land.”
Mc Taggart voelde weer die zonderlinge onrust.
„Gouvernement?” vroeg hij.
De vreemdeling knikte.
„Van—de politie misschien,” hield Mc Taggart aan.
„Zeker, ja—natuurlijk—van de politie,” zeide de vreemdeling, den agent strak aankijkend. „En nu, m'sieu, ga ik u verzoeken, als een groote gunst aan de Wet toegestaan, om een kogel te jagen door den kop van dat dier, vóór wij verder gaan. Wilt u? Of zal ik het doen?”
„Het is de wet van de vallenlijn,” zeide Mc Taggart, „om een vallendief in zijn eigen val te laten vergaan. En dit beest was een duivel. Luister eens—”
Snel, en toch geen enkele kleinigheid weglatend, vertelde hij van de worsteling tusschen hem en Baree, die weken en maanden geduurd had, van de krankzinnig makende nutteloosheid van al zijn listen en plannen en van de nog verwonderlijker slimheid van het dier, dat hij eindelijk en ten laatste had weten te vangen.
„Hij was een duivel—wat listigheid aangaat,” riep hij heftig, toen hij zijn verhaal geëindigd had. „En zegt u me nu eens zelf—zoudt u hem neerschieten, of hem langzaam laten sterven, zooals zijn verdiende loon is?”
De vreemdeling keek nog steeds naar Baree. Hij wendde zijn gelaat van Mc Taggart af. Hij antwoordde:
„Ik geloof, dat u gelijk hebt. Laat hem maar vergaan. Als u in de richting van Lac Bain gaat, m'sieu, ga ik een eindje met u mee. Het zal me een paar mijlen kosten om weer in mijn koers te komen.”
Hij raapte zijn geweer op. Mc Taggart ging vooruit. Na een half uur bleef de vreemdeling staan en wees naar het noorden.
„Daar moet ik heen—nog een goede vijfhonderd mijl,” zeide hij, luchtig sprekend, alsof hij dienzelfden avond nog zijn tehuis dacht te bereiken. „Ik ga u hier verlaten.”
Hij maakte geen gebaar om hem de hand te geven. Maar onder het weggaan zeide hij:
„U zult misschien wel willen rapporteeren, dat John Madison langs gekomen is.”
Daarna trok hij recht naar het noorden voort, een halve mijl lang door het dichte bosch. Toen sloeg hij af naar het Westen, maakte een scherpen hoek naar het Zuiden en een uur nadat hij Mc Taggart verlaten had zat hij weer gehurkt, bijna op armslengte van Baree af.
En hij zeide, alsof hij tegen een menschelijk gezel sprak:
„Zoo, ben jij dat geweest, ouwe jongen? Een vallendief, hè? Een vogelvrij verklaarde ben je dus? En ben je hem twee maanden lang de baas gebleven bij dat spelletje? En om die reden, omdat je een beter beest bent dan hij in zijn soort, wou hij je zoo langzaam mogelijk doodmartelen. Een vogelvrij verklaarde!” Hier barstte hij uit in een hartelijken lach—een lach, die ieder goeddoet, zelfs een beest. „Dat is grappig. We staan precies gelijk, jongen—voor den drommel, dat doen we! Jij bent ontembaar, zegt hij. Nu, ik ook. 'k Heb hem verteld dat ik John Madison heette. Maar dat is niet zoo. Ik ben Jim Carvel. En, Heer!—ik zei alleen maar: „van de politie”. En dat was een goede zet. Het was geen leugen. Ik ben een lieveling van de politie—elke agent tusschen de Hudson Baai en de Mackenzie Rivier verlangt er naar, mij in handen te krijgen. Houd je ferm, kerel. We zijn in hetzelfde schuitje en het doet me plezier dat ik je ontmoet heb!”