XXVIII. De lokstem van het Zuiden.
Reading edition
Baree stond, stokstijf, alsof hij uit steen gehouwen was, toen Carvel de tent weer uitkwam en eenige oogenblikken bleef Carvel zwijgend naast hem staan en sloeg hem nauwlettend gade. Zou de hond antwoorden op de stem van den troep? Hoorde hij er bij? Zou hij weggaan—nu? De wolven kwamen nader. Zij trokken niet in kringen voort, zooals een kariboe of hert dat gedaan zou hebben, maar recht vooruit—zij kwamen in een rechte lijn op hun kamp af. De beteekenis van dit feit was voor Carvel duidelijk genoeg. Dien heelen middag door hadden Baree's pooten een reuk van bloed in zijn spoor nagelaten en de wolven hadden dit spoor ontdekt in het diepst van het bosch, waar de sneeuw het niet bedekt had. Carvel ontstelde niet. Meer dan eens had hij in die vijf jaren zwervens tusschen de Noordpool en den Kop van het Land, dit spelletje met de wolven te spelen gekregen. Eens had hij bijna verloren, maar dat was op de vlakte geweest, in het Onvruchtbare Land. Vannacht had hij een vuur en voor het geval hij geen hout genoeg had om het brandende te houden, waren er nog altijd boomen, waarin hij klimmen kon. Zijn bezorgdheid gold op het oogenblik voornamelijk: Baree. Als de hond wegliep, zou hij weer alleen achterblijven. Daarom zeide hij, zijn stem zoo gewoon mogelijk houdend:
„Je gaat toch niet weg, zeg, ouwe jongen?”
Baree gaf geen blijken, hem verstaan te hebben. Maar Carvel, die hem nog steeds nauwkeurig bekeek, zag, dat het haar op zijn rug borstelig opstond en toen hoorde hij—langzaam zwellend in Baree's strot—een grommen, waaruit woeste haat sprak. Het was een dergelijk gegrom als datgene, dat den agent van Lac Bain achteruit had doen gaan en Carvel, den grendel van zijn geweer openend, om te zien of alles in orde was, grinnikte blij. Misschien hoorde Baree dit. Het kan zijn, dat hij er een beteekenis aan gaf, want hij draaide plotseling zijn kop om en keek zijn metgezel aan; zijn ooren lagen plat op zijn kop.
De wolven waren stil geworden. Carvel wist, wat dit beduidde en was op zijn hoede. In de stilte klikte de veiligheidsdop op zijn geweer met metaalachtige scherpte. Minutenlang hoorde hij niets dan het knapperen van het vuur. Plotseling schenen Baree's spieren te kraken. Hij sprong achteruit en bleef staan, gewend in de richting waarheen Carvel's rug gedraaid was; zijn kop ter hoogte van zijn schouders, zijn centimeterslange slagtanden glinsterden toen hij grauwde tegen de donkere spelonken van het bosch, juist achter den rand van het vuur. Carvel had zich omgedraaid met de snelheid van een schot. Het was wel schrikaanjagend, wat hij te zien kreeg. Een paar oogen, brandend van groenachtig vuur, en toen nog een paar en daarna zooveel paren, dat hij ze niet had kunnen tellen. Hij hijgde naar adem. Zij geleken op kattenoogen, maar waren veel grooter. Sommige, door het licht van het vuur ten volle beschenen, waren rood als vurige kolen, andere vlamden blauw en groen op—levende voorwerpen, zonder bijbehoorend lichaam. Met een snellen blik keek hij den zwarten boschrand langs. Zij waren daar ook, maar op de plek waar hij ze het eerst gezien had, was hun aantal het grootst. In deze eerste oogenblikken was hij Baree vergeten en onder den indruk, aan verstomming grenzend, van deze monster-linie van oogen, den dood voorspellend, die hen omringde.
Er waren zeker vijftig, misschien wel honderd wolven daarginds, nergens bang voor, behalve voor vuur. Zij waren genaderd zonder het geringste geluid van zachtgezoolde pooten of knappende twijgen. Als zij later gekomen waren en zij in slaap geweest waren en het vuur gedoofd—
Hij huiverde en een oogenblik werkte dit denkbeeld op zijn zenuwen. Hij was niet van plan geweest te schieten, tenzij uit noodzaak, maar ineens was zijn geweer bij zijn schouder en zond hij een stroom van vuur op de plek waar de oogen het dichtst waren. Baree wist wat schieten beteekende en, bezeten door het razend verlangen, een van zijn vijanden naar de keel te springen, rende hij hun richting uit. Carvel gaf een schreeuw van schrik toen hij hem zag gaan. Hij zag Baree's lichaam vooruitschieten, zag het verdwijnen in de duisternis en hoorde op hetzelfde oogenblik het doodaanbrengend geklik van slagtanden en den schok van lijven op elkaar. Een wilde opwinding maakte zich van hem meester.
De hond had den aanval in zijn eentje gewaagd en de wolven hadden hem afgewacht. Er was slechts één afloop mogelijk. Zijn viervoetige kameraad was regelrecht in de kaken van den dood geloopen!
Hij kon het woedende dichtklappen van kaken hooren, daarginds in de duisternis. Het was griezelig. Zijn hand greep fluks de automatische revolver, die aan zijn gordel hing en wierp zijn afgeschoten geweer op de sneeuw. Met de groote revolver van 38 m.M. kaliber voor zijn oogen wierp hij zich de duisternis in en uit zijn mond kwam een geschreeuw, dat op een mijl afstands gehoord kon worden. Tegelijk met dit geschreeuw spatte een gestadige stroom van vuur te midden der vechtende dieren. Er zaten elf schoten op de revolver en niet voordat hij deze alle gebruikt had, hield Carvel met zijn geschreeuw op en trok zich weer terug in de bescherming van het vuur. Hij luisterde, diep ademend. Hij zag geen oogen meer in de duisternis en hoorde ook geen geluid meer van bewegende lijven. De onverwachtheid en woede van dezen aanval had de wolvenhorde op de vlucht gedreven. Maar de hond! Hij hield zijn adem in en keek zoo scherp mogelijk uit. Een schaduw sleepte zich in den lichtcirkel. Het was Baree. Carvel rende op hem toe, sloeg zijn armen onder de schouders om hem heen en bracht hem bij het vuur.
Een tijdlang was er een vragend licht in Carvel's oogen. Hij herlaadde geweer en revolver, deed nieuwe brandstof op het vuur en haalde uit zijn bagagepak een stuk linnen voor den dag, waarmee hij drie of vier van de ergste kwetsuren in Baree's pooten verbond. En telkens vroeg hij op een peinzende manier:
„Maar wat drommel, waarom deed je dat toch, ouwe jongen? Wat heb jij nu tegen de wolven?”
En dien nacht sliep hij in 't geheel niet, maar hield de wacht.
Hun ondervinding met de wolven verbrak het laatste restje onzekerheid, dat er tusschen man en hond bestaan kon hebben. Dagen er na, terwijl zij langzaam naar het noordwesten trokken, verpleegde Carvel Baree, zooals hij het een ziek kind gedaan zou hebben. Ter wille van de kwetsuren van den hond, legden zij niet meer dan een paar mijlen per dag af. Baree begreep het en er groeide sterker en sterker een groote liefde in hem voor den man, wiens handen even zacht waren als die van de Wilg en wiens stem hem verwarmde met een onmetelijke vriendschap. Hij voelde geen vrees of achterdocht meer voor hem. En Carvel, van zijn kant, deed waarnemingen. De uitgestrekte ledigheid van de wereld rondom hem gaf hem de gelegenheid, over onbelangrijke kleinigheden na te denken en iederen dag sloeg hij Baree nauwkeuriger gade. Hij deed ten slotte een ontdekking, die hem veel belang inboezemde. Altijd, wanneer zij stilstonden, bleef Baree naar het zuiden kijken; wanneer zij hun kamp opgeslagen hadden, snoof hij het veelvuldigst de lucht op uit het zuiden. Dit was heel natuurlijk, dacht Carvel, want zijn oude jachtterrein lag in die richting. Maar terwijl de dagen verstreken, begon hij nog andere dingen op te merken. Nu en dan jankte Baree zachtjes, kijkend in de richting vanwaar zij gekomen waren en zoo'n dag was hij vervuld met een groote onrust. Hij gaf er geen blijk van, dat hij Carvel wilde verlaten, maar meer en meer begon Carvel te begrijpen, dat de een of andere geheimzinnige aantrekkingskracht voor hem bestond, in het zuiden.
Het was het voornemen van den zwerver, af te slaan naar de streek van den Grooten Slaaf, een goede achthonderd mijlen naar het noordwesten, vóór de natte sneeuwval kwam. Daar vandaan—het water ontdooide er in de lente—wilde hij per kano naar het westen trekken, naar de Mackenzie en ten slotte naar de bergen van Britsch-Columbia. Zijn plannen veranderden echter in Februari. Zij werden aan de plaats geboeid door een grooten sneeuwstorm in Wholdaia-Meerland en juist toen de fortuin hun het ongunstigst toescheen, kwam Carvel aan een hut, midden in het dichte sparrenbosch en in die hut lag een doode man. Hij was blijkbaar al verscheidene dagen dood en stijf bevroren. Carvel hakte een gat in de aarde en begroef hem.
Deze hut werd een schat voor Carvel en Baree, voornamelijk voor den man. Blijkbaar had zij geen anderen bewoner bezeten dan den man, die gestorven was; zij was vol gemakken en ruim van voorraad voorzien; en meer dan dat, haar eigenaar had een prachtigen buit aan pelterijen gemaakt, voor de vorst zijn longen aangreep en hij stierf. Carvel onderzocht het bont zorgvuldig en met groote blijdschap.
Het was wel duizend dollar waard op elken handelspost en hij zag niet in, waarom dit alles nu voortaan niet aan hem zou toebehooren. Binnen een week had hij de door sneeuw bedolven vallenlijn van den doode weer duidelijk zichtbaar gemerkt en gebruikte die voor eigen jacht.
Dit was tweehonderd mijlen ten noordwesten van den Grijzen Fuut en Carvel merkte al spoedig op, dat Baree niet recht naar het zuiden keek, in de oogenblikken, waarin de zonderlinge lokstem tot hem kwam, maar naar het zuidoosten. En nu, terwijl de zon iederen dag wat hooger rees, werd het al warmer in de lucht, de sneeuw werd weeker en de lente was in aantocht. Toen kwam het oude verlangen weer in Baree, het verlangen naar de eenzame graven, daarginds bij den Grijzen Fuut, naar het verlaten hutje in den omtrek van den poel—en naar Nepeese. In zijn slaap zag hij van dit alles visioenen. Hij hoorde weer haar zachte, lieve stem, voelde de aanraking van haar hand, was weer met haar aan het spelen tusschen de donkere schaduwen van het bosch—en Carvel zat naast hem en keek naar hem, terwijl hij de beteekenis trachtte te begrijpen van hetgeen hij zag en hoorde.
In April bracht Carvel zijn verzameling pelswerk op zijn schouders naar den post van de Hudson-Baai Compagnie te Lac la Biche, dat nog noordelijker lag. Baree ging tot halfweg met hem mee en toen—tegen zonsondergang—ging hij plotseling terug. Na een week keerde Carvel naar de hut terug en trof hem daar aan. Hij was zoo overvol van blijdschap, dat hij den kop van den hond in zijn armen nam en hem liefkoosde. Zij bleven in de hut wonen tot Mei. De knoppen begonnen toen te zwellen en de geur van groeiende planten steeg uit de aarde op.
Carvel vond op zekeren dag de eerste vroege blauwe bloemen.
Dien avond begon hij te pakken.
„Het wordt onze tijd om verder te gaan reizen,” kondigde hij Baree aan. „En ik ben een beetje van plan veranderd. We gaan terug—dien kant uit.”
En hij wees naar het zuiden.