XXVII. Vriendschap.
Reading edition
Jim Carvel strekte zijn hand uit en de grauw, die in Baree's strot was, stierf weg. De man stond op. Hij bleef staan kijken in de richting waarin Mc Taggart verdwenen was en grinnikte op een eigenaardige, voldane wijze. Er klonk vriendelijkheid uit dat gegrinnik. Er was ook vriendelijkheid in zijn oogen en in de glinstering van zijn tanden toen hij weer naar Baree keek. Hij had iets opwekkends over zich, dat den grijzen dag scheen te verhelderen, dat de koude lucht scheen te verwarmen—een vreemde gloed ging er van hem uit, vroolijkheid en hoop en kameraadschap uitstralend, zooals een kachel warmte uitstraalt. Baree voelde dit. Voor de eerste maal sedert de twee mannen bij hem gekomen waren, verloor zijn door de klemmen gemarteld lijf iets van zijn gespannenheid; zijn rug boog door; zijn tanden klapperden toen hij rilde in zijn pijn. Aan dezen man verried hij zijn zwakheid. In zijn met bloed beloopen oogen was een hongerende blik toen hij Jim Carvel gadesloeg—die evenals hij vogelvrij verklaard was—naar hij bekend had. En Jim Carvel hield opnieuw zijn hand uit—ditmaal veel dichterbij.
„Arme bliksem,” zeide hij, terwijl de glimlach van zijn gelaat week. „Arme bliksem!”
Deze woorden waren als een liefkoozing voor Baree—de eerste, die hij ondervond sedert het verlies van Nepeese en Pierrot. Hij liet zijn kop vallen tot hij plat in de sneeuw lag. Carvel kon langzaam het bloed uit zijn bek zien droppelen.
„Arme bliksem!” herhaalde hij.
Er was geen vrees in de manier waarop hij zijn hand uitstrekte. Het gebeurde in het vertrouwen van groote oprechtheid en diep medelijden. Zij raakte Baree's kop aan en beklopte dien broederlijk en daarna ging zij—langzaam en wat behoedzamer—naar de klem, waarin Baree's voorpoot gevangen zat. In zijn halve verdoofdheid deed Baree zijn uiterste best, dit alles te begrijpen en de waarheid drong tot hem door toen hij de stalen kaken van de klem open voelde gaan en zijn verminkten poot er uit trok. Toen deed hij iets, wat hij nooit bij eenig schepsel buiten Nepeese gedaan had. Heel even schoot zijn heete tong uit en likte Carvel's hand. De man lachte. Met zijn krachtige handen opende hij de overige klemmen en Baree was vrij.
Eenige oogenblikken bleef hij liggen zonder zich te bewegen en met zijn oogen op den man gevestigd. Carvel was gaan zitten op een met sneeuw bedekten berkestam en stopte zijn pijp. Baree keek er naar, hoe hij deze aanstak; hij keek met een nieuwe belangstelling naar de eerste purperen rookwolk, die Carvel's mond verliet. De man was niet meer dan twee vallenkettingen-lengten van hem verwijderd—en hij grinnikte tegen Baree.
„Kom, flink wat, ouwe jongen,” moedigde hij hem aan. „Geen beenderen stuk. Alleen een beetje stijf. Misschien doen we maar beter—weg te gaan.”
Jim wendde zijn gelaat in de richting van Lac Bain. Hij argwaande, dat Mc Taggart terug zou keeren. Misschien vermoedde Baree hetzelfde, want toen Carvel weer naar hem keek, was hij opgestaan, wat wankelend op zijn pooten om zijn evenwicht te bewaren. Het volgende oogenblik zwaaide Carvel zijn ransel van de schouders af en opende hem. Hij trok er een stuk rood, rauw vleesch uit.
„Vanmorgen geschoten,” legde hij aan Baree uit. „Een éénjarige stier, zoo malsch als een patrijs—en dit is een zwezerik, zoo lekker als zoo'n dier hem maar kan hebben. Proef maar eens!”
Hij wierp het vleesch naar Baree toe. Er viel niet aan te twijfelen hoe deze het ontvangen zou. Baree was uitgehongerd—en het vleesch werd hem toegeworpen door een vriendenhand. Hij zette er zijn tanden in. Zijn kaken vermaalden het. Er kwam nieuw vuur in zijn bloed, terwijl hij zich te goed deed, maar geen oogenblik verlieten zijn roodgeworden oogen het gelaat van den ander. Carvel gespte den ransel weer op zijn rug. Hij stond op, nam zijn geweer op, gleed in zijn sneeuwschoenen en keek het noorden in.
„Kom mee, jongen,” zeide hij, „we moeten er vandoor.”
Het was een zakelijke uitnoodiging, alsof zij al langen tijd samen gereisd hadden. Het was misschien niet alleen een uitnoodiging, maar half een bevel. Baree begreep er niets van. Een halve minuut bleef hij onbeweeglijk staan en keek naar Carvel's rug, terwijl deze naar het noorden toeschreed. Carvel keek niet om. Een plotselinge kramp trok door Baree heen; hij draaide zijn kop in de richting van Lac Bain, daarna keek hij weer naar Carvel en een gejank, nauwelijks boven zijn ademhaling uitkomend, rees uit zijn strot. De man was juist op het punt om in het dichte sparrenbosch te verdwijnen. Hij stond stil en keek om.
„Kom je, jongen?”
Zelfs op dezen afstand kon Baree hem vriendelijk zien grinniken; hij zag de uitgestrekte hand en de stem wekte nieuwe gewaarwordingen bij hem op. Zij was niet als Pierrot's stem. Hij had nooit van Pierrot gehouden. Ook was zij niet zacht en vriendelijk, zooals die van Nepeese. Hij had in zijn leven maar een paar menschen leeren kennen en hen allen met wantrouwen beschouwd. Maar deze stem ontwapende hem. Zij was verlokkend in haar vraag. Hij verlangde er op te antwoorden. Hij kreeg een groot verlangen, geheel onverwachts, om den vreemdeling op de hielen te volgen. Voor het eerst in zijn leven verlangde hij naar de vriendschap van een man. Hij zette zich niet in beweging voor Jim Carvel het sparrenbosch binnenging. Toen begon hij te volgen.
Dien nacht kampeerden zij in het dichte gewas van ceders en balsemstruiken, tien mijlen ten noorden van Mc Taggart's vallenlijn. Het had een paar uren gesneeuwd en hun voetspoor was bedolven. Het sneeuwde nog voortdurend, maar geen witte vlok drong het dichte baldakijn van takken door. Carvel had zijn kleine zijden tent opgezet en een houtvuur gebouwd; hun avondmaal was afgeloopen en Baree lag op zijn buik, den vogelvrij verklaarde aan te kijken, bijna binnen het bereik van diens hand. Met zijn rug tegen een boom zat Carvel heerlijk te rooken. Hij had zijn muts en jas afgeworpen en in den warmen vuurgloed zag hij er bijna jongensachtig jeugdig uit. Maar zelfs in dezen gloed verloor zijn gelaat niets van zijn scherpe lijnen, noch zijn oogen van hun heldere levendigheid.
„'t Lijkt wel eens prettig om met iemand te kunnen praten,” zeide hij tegen Baree. „Tegen iemand, die je begrijpt en toch zijn mond houdt. Heb jij wel eens verlangd om te huilen, terwijl je niet durfde? Nu, zoo is 't bij mij 't geval. Soms heb ik op het punt gestaan te barsten, omdat ik met iemand praten wou en niet durfde.”
Hij wreef zijn handen en hield die toen bij het vuur. Baree keek naar elke beweging, die hij maakte en luisterde aandachtig naar ieder geluid, dat hij voortbracht. Zijn oogen verrieden nu een soort vereering, zijn blik verwarmde Carvel's hart en deed hem de uitgestrekte eenzaamheid en ledigheid van den nacht vergeten. Baree had zich dichter naar de voeten van den man toegesleept en eensklaps boog Carvel over en klopte hem op den kop.
„Ik ben slecht, ouwe jongen,” grinnikte Carvel. „Maar jij neemt het me niet kwalijk—geen sikkepit. Wil je weten wat er gebeurd is?” Hij wachtte een oogenblik en Baree staarde hem strak aan. Toen vervolgde Carvel, alsof hij tegen een mensch sprak: „Laat eens zien—het is nu vijf jaar geleden, in December, juist tegen Kerstmis. Had een vader. Een knappe ouwe man, die vader van me. Geen moeder—alleen dien vader maar, en als je ons bij mekaar optelde, vormden we maar Eén. Begrepen? En toen kwam er een schoelje, Hardy heette hij, en heeft hem neergeschoten op een goeien dag, omdat Vader hem tegengewerkt had in de politiek. Niks meer of minder dan moord was 't. En zij hebben dien schoelje er niet voor opgehangen! Neen, m'n waarde, ze hebben hem niet opgehangen. Daarvoor had hij te veel geld en te veel vriendjes bij zijn politieke partij en ze hebben hem alleen maar twee jaar hechtenis gegeven. Maar hij is niet in de gevangenis terecht gekomen. Nee—waarachtig niet!”
Carvel wrong zijn handen zoo hevig, dat de gewrichten kraakten. Een vroolijke glimlach verhelderde zijn gelaat en zijn oogen gingen weer naar het vuur. Baree slaakte een diepen zucht, puur toevallig, maar het oogenblik was er spannend genoeg voor.
„Nee, hij is niet in de gevangenis terecht gekomen,” vervolgde Carvel, Baree weer strak aankijkend. „Ondergeteekende wist wel, wat dat te beteekenen had, ouwe jongen. Hij zou binnen het jaar gratie gekregen hebben. En daar lag mijn vader, de grootste helft van mezelf, in zijn graf. Daarom ging ik op dien schoelje af, waar alle rechters en advocaten bij waren en al zijn dierbare familieleden en vrienden—en vermoordde hem! En toen ontsnapte ik. Was al uit 't raam gesprongen vóór ze bekomen waren van hun verbazing, maakte, dat ik de bosschen in kwam en heb sinds dien tijd geleefd van het wild, dat ik vangen kon. En ik denk zoo, dat God me goedgezind was, kerel. Want hij deed een merkwaardig ding om me te helpen, voorverleden zomer, juist toen de Beredene me op de hielen zat en 't er kwaad voor me uitzag. Een man werd verdronken gevonden in het Rendierland, juist op een plek waar ze dachten mij in 't nauw gedreven te hebben, en nu had de goede God het zóó beschikt, dat die man zooveel op mij leek, dat ze hem onder mijn naam begraven hebben. Dus daarom ben ik nu officieel dood, ouwe jongen. Ik hoef nergens meer bang voor te zijn, zoolang ik me niet te veel onder de menschen begeef, den eersten tijd, en nu heb ik zoo bij mezelf uitgemaakt, dat God nogal met me op heeft, omdat hij me op die manier uit de klem heeft geholpen. Wat denk jij er van, hè?”
Hij boog zich voorover, als om een antwoord te ontvangen. Baree had naar hem geluisterd. Misschien had hij zelfs gedeeltelijk begrepen. Maar er was een ander geluid dan Carvel's stem, dat hem nu in de ooren klonk. Met zijn kop dicht bij den grond hoorde hij het duidelijk. Hij jankte en het janken eindigde in een grauw, zoo zacht, dat Carvel maar heel even de waarschuwing er in opmerkte. Hij nam een strakkere houding aan. Toen stond hij op en keek het zuiden in. Baree stond naast hem, met gespannen pooten en alle haren op zijn rug overeind.
Na een oogenblik van diepe stilte zeide Carvel:
„Familie van jou, ouwe jongen. Wolven.”
Hij ging de tent binnen om zijn geweer en patronen te halen.