XIX. Een vergeefsche worsteling.
Reading edition
De Wilg stond met haar rug naar de deur, toen de agent van Lac Bain de hut binnentrad en het eerste oogenblik keerde zij zich niet om. Haar eerste gedachte was aan haar vader. Om de een of andere reden was hij zeker teruggekeerd, maar terwijl deze gedachte nog nauwelijks bij haar was opgekomen, hoorde zij een woesten snauw in Baree's strot, die haar op deed schrikken en naar de deur kijken.
Mc Taggart was niet onvoorbereid binnengetreden. Hij had zijn bagage, zijn geweer en zijn zware overjas buiten gelaten. Hij stond nu tegen de deur geleund en staarde naar Nepeese—in het mooie rood van haar japon en haar golvende lokken—alsof hij verstomd was van verbazing over dit schouwspel. Het Noodlot, of het toeval, was ditmaal tegen Nepeese. Als er maar een sprankje sluimerende ridderlijkheid of zelfs barmhartigheid in Mc Taggart's ziel was overgebleven, werd het gedoofd door wat hij nu zag. Nooit was Nepeese mooier geweest, zij was zelfs nog bekoorlijker dan op dien dag, dat Mac Donald, de kaartenmaker, haar portret genomen had. Het was de manier, waarop het zonlicht, door het venster naar binnen stroomend, haar prachtig haar bescheen, zoodat haar blozend gelaat in die donkere omlijsting een getinte camee geleek, die hem een tijdlang den adem deed inhouden van bewondering. Hij had droomen gehad. In de begeerte van zijn brute natuur had hij zich Nepeese afgeschilderd in al de liefelijkheid, die een door hartstocht bewogen verbeelding aan de werkelijkheid kon toevoegen. Maar hij had zich niets kunnen droomen, dat geleek op dit wezentje, zooals het daar vóór hem stond, de oogen wijd opengesperd van angst en met een blos, die van haar gelaat week, terwijl hij naar haar keek. Het duurde niet lang, dat hun oogen op elkander bleven rusten in deze verschrikkelijke stilte—verschrikkelijk voor het meisje. Woorden waren overbodig. Eindelijk en ten laatste begreep zij het—begreep, welk gevaar zij geloopen had, dien dag aan den rand der kloof—toen zij zonder argwaan den spot gedreven had met de bedreiging, die daar nu weer tegenover haar stond. Zij stond te lezen op Mc Taggart's gelaat, onbeschrijfelijk—in de afschuwelijke, opvlammende vreugde in zijn oogen, de glinstering van zijn brokkelige tanden, het roode bloed, dat hem naar het gelaat steeg, terwijl hij naar haar keek. In een oogwenk had zij de waarheid begrepen. Het was een poets, die hij haar gespeeld had—en Pierrot was weg.
Een zucht, die wel een snik geleek, kwam van haar lippen.
„M'sieu!” trachtte zij te zeggen. Maar er kwam slechts een gehijg voort, een poging. Zij dacht te zullen stikken.
Duidelijk hoorde zij de bout van den ijzeren grendel, waarmede hij de deur sloot. Mc Taggart deed een stap naar voren.
Het was maar één stap. Baree was op den grond blijven liggen, onbeweeglijk als een steenen beeld. Hij had zich niet verroerd. Hij had, na dat waarschuwende gegrom geen geluid gegeven—totdat Mc Taggart dien stap deed. En toen, snel als het weerlicht, was hij opgesprongen en stond vóór Nepeese; alle haren stonden hem recht overeind en bij het woedende grommen, dat hij hooren deed, leunde Mc Taggart achterover tegen de gegrendelde deur. Een woord van Nepeese en het zou bedaard zijn. Maar er ging een oogenblik verloren—voor zij een kreet uitte. In dat oogenblik werkten de hand en de geest van een man onbegrijpelijk snel en terwijl Baree Mc Taggart naar de keel sprong, kwam er een vuurstraal en een oorverdoovende uitbarsting, bijna in de oogen van de Wilg. Het schot was lukraak geweest, een schot van de heup af met Mc Taggart's automatisch pistool. Baree viel, voor hij zijn doel bereikte. Hij kwam met een bons op den vloer terecht en rolde daarna tegen den muur aan. Er was geen beweging meer in hem te zien. Mc Taggart lachte zenuwachtig, terwijl hij het pistool weer in den holster schoof. Hij wist, dat alleen een schot in de hersens deze uitwerking kon hebben.
Met haar rug tegen den verst verwijderden muur, stond Nepeese af te wachten. Mc Taggart kon haar hijgende ademhaling hooren. Hij naderde haar halfweg het vertrek.
„Nepeese, ik ben gekomen om je tot mijn vrouw te maken,” zeide hij.
Zij antwoordde niet. Hij kon zien, dat zij bijna stikte van benauwdheid. Zij bracht haar hand aan haar keel. Hij deed nog twee stappen in haar richting en bleef toen staan. Hij had nooit zulke oogen gezien—neen, zelfs niet als hij had toegekeken bij andere gemartelde vrouwen—nooit had hij zulk een ontzettenden schrik gezien, bij leven of dood. En het was niet alleen schrik. Er stond nog iets anders in die oogen te lezen, iets dat hem aan de plaats geboeid hield en hij zeide opnieuw:
„Ik ben gekomen om je tot mijn vrouw te maken, Nepeese. Hier, op deze plaats,—vandaag nog, vanavond—en morgen ga je met me mee naar Nelson House en dan naar Lac Bain—voor altijd”. Hij voegde er deze laatste woorden aan toe als een nagedachte. „Voor altijd”, herhaalde hij. „Ik bedoel niet, zooals Marie. Die is teruggegaan naar haar eigen stam.”
Mc Taggart nam geen blad voor den mond. Zijn moed en vastberadenheid groeiden aan, toen hij haar tegen den muur zag aanvallen. Zij was machteloos. Zij was de zijne. Waarom nu nog woorden te verspillen?—hij had haar aan het verstand gebracht, dat zij hem toebehooren zou—voor immer. Het kookte in zijn hersens toen hij op haar toetrad om haar in zijn armen te nemen, zooals hij haar aan den rand van de kloof in zijn armen genomen had. Er was geen ontsnappen mogelijk. Pierrot was vertrokken. Baree was dood. Zij waren alleen en de deur was op slot.
Hij had niet gedacht, dat eenig levend wezen zich zóó snel kon bewegen als de Wilg deed, toen hij de armen naar haar uitstrekte. Zij gaf geen geluid, toen zij onder een van zijn armen doordook. Hij greep naar haar, met kracht, en zijn vingers pakten in heur haar. Hij hoorde het afknappen, toen zij zich vrij maakte en naar de deur vloog. Zij had den grendel al weggeschoven, toen hij haar bereikte en met zijn armen omvatte. Hij sleepte haar terug en nu begon zij te schreeuwen—zij riep in haar wanhoop om haar vader, om Baree, om een wonder van God, dat haar zou kunnen redden. En zij vocht. Zij wrong zich in zijn armen, tot zij hem in het gezicht zag. En hoe meer zij vocht, hoe meer zij hem in het gelaat sloeg en krabde, hoe sterker haar zijn ruwe armen klemden, totdat zij het gevoel kreeg of haar rug zou breken. Zij kon niet meer zien. Zij werd half verstikt in de massa van heur haar. Het bedekte haar gelaat en borst en bovenlichaam, haar handen en armen verwarden er zich in, maar toch bleef zij worstelen. In deze worsteling struikelde Mc Taggart over Baree en zij vielen op den grond. Nepeese was volle vijf sekonden eerder op dan de man. Zij zou de deur hebben kunnen bereiken. Maar opnieuw was het heur haar, dat een beletsel werd. Zij bleef stilstaan om het naar achteren te werpen, opdat zij zou kunnen zien en Mc Taggart was eerder bij de deur dan zij.
Hij grendelde deze niet meer, maar stond tegenover haar. Zijn gelaat was vol krabbels en bloedde. Hij was geen man meer, maar een duivel. Nepeese was geheel gebroken—een zacht snikken vermengde zich met haar ademhaling. Zij bukte en raapte een stuk hout op. Mc Taggart kon zien, dat haar krachten bijna uitgeput waren. Zij omklemde den stok, toen hij haar opnieuw naderde. Maar Mc Taggart had alle bezinning verloren. Hij had haar tegen zich aan voelen hijgen en worstelen en alle menschelijke gevoelens vereenigden zich in hem tot een woest verlangen, haar te bezitten. Hij besprong haar als een dier. Het stuk hout viel op den grond. En weer was het Lot tegen het meisje. In haar ontzetting en wanhoop had zij den eersten den besten stok opgeraapt—een dun stuk brandhout. Met haar laatste krachten sloeg zij hiermee naar Mc Taggart. Hij deinsde even achteruit, toen de slag op zijn hoofd neerkwam, maar liet haar niet los. Voor zij opnieuw kon toeslaan, had hij haar weer in de schroef van zijn armen gekneld. Zij gaf een schreeuw van pijn en de stok vloog over zijn schouder heen, het vertrek door.
Vruchteloos vocht zij nog met hem—niet langer om hem te slaan of te ontsnappen—maar om haar adem te herkrijgen. Zij trachtte wederom te schreeuwen, maar ditmaal kwam er geen geluid over haar hijgende lippen. Enger en enger omsloten zijn armen haar. Zij waren vreeselijk, die armen, en als een bliksemstraal schoot Nepeese de herinnering te binnen aan dien dag, toen zij bijna bedolven was onder die groote rots. Het was een zonderlinge gedachte om op dit oogenblik te krijgen—maar zij kreeg haar nu eenmaal—en Mc Taggart's armen drukten erger dan de rots! Zij verpletterden haar! Haar rug brak er van! En zij leunde slap tegen Mc Taggart's borst. Met een uitzinnigen triomfkreet liet hij haar los en zij viel achterover in zijn armen, haar lange haren sleepten over den vloer. Haar oogen waren nog half open. Zij had niet geheel het bewustzijn verloren, maar was volkomen hulpeloos.
Hij lachte weer en terwijl hij lachte, hoorde hij de deur open gaan. Deed de wind dit? Hij keerde zich om, haar nog steeds in zijn armen houdend.
In de open deur stond Pierrot.