XXI. Alleen!
Reading edition
Een oogenblik later stond de agent van Lac Bain aan den rand van de kloof. Hij had een heesch gebrul voortgebracht—een woesten kreet van ongeloovigheid en afgrijzen, die Nepeese's naam vormde, toen zij verdween. Hij keek naar beneden, zijn groote roode handen in elkaar klemmend en staarde, bleek van onzekerheid, naar het kokende water en de zwarte rotsen in de diepte. Er was niets te zien, geen enkele aanduiding waar zij verdwenen was in het witte schuim. En zij was daartoe overgegaan—om zich voor hem te redden!
De ziel van den bruut werd er door geschokt, zoo zelfs, dat hij achteruit deinsde, met beneveld oog en wankelend op zijn beenen. Hij had Pierrot vermoord en dit was een triomf geweest; zijn heele leven lang had hij de rol van wreedaard gespeeld, zonder eenige gewetenswroeging—en nooit was hij zoo door zijn gevoel overweldigd; het scheen hem op de plaats te verlammen. Hij zag Baree niet. Hij hoorde niet het gejank van den hond aan den rand van den afgrond. Een paar oogenblikken scheen de wereld voor hem in zwart gehuld en toen, zich herstellend van zijn verbijstering, begon hij zenuwachtig langs den rand van de kolk te loopen, overal rondkijkend of hij ook maar een glimp van haar kon ontdekken. Eindelijk begon hij de hoop op te geven. Zij was weg, voor goed,—en zij had dat gedaan om aan hem te ontsnappen!
Hij mompelde dit telkens weer in zichzelf, stom weg, met een dikke tong, alsof zijn trage hersens buiten dit feit niets meer bevatten konden. Zij was dood. En Pierrot was ook dood. En hij had dit alles in eenige minuten bewerkt.
Hij keerde terug naar de hut—niet het pad nemend, waarlangs hij Nepeese vervolgd had, maar recht door het dichte struikgewas. Groote sneeuwvlokken waren beginnen te vallen. Hij keek op naar de lucht; uit het Zuidoosten kwamen donkere wolken aandrijven. De zon werd onzichtbaar. Er was een storm op til—een zware sneeuwstorm. De groote vlokken, neerdalend op zijn bloote handen en gezicht, brachten hem weer aan het denken. Deze sneeuwstorm was een goed ding voor hem. Hij zou alles bedekken, zelfs de versche voetsporen en het graf, dat hij voor Pierrot zou delven. Een man van zijn karakter had niet veel tijd noodig om zich te herstellen van een geestelijken schok. Toen hij de hut in 't gezicht kreeg, was zijn geest weer aan het werk—om uit te maken, wat er in de tegenwoordige omstandigheden gedaan moest worden. Het vreeselijkste van alles was niet, dat Pierrot en Nepeese beiden dood waren, maar dat zijn droom, de verwachtingen, die hij gekoesterd had, verstoord waren. Het deed hem geen verdriet, dat Nepeese dood was, maar dat hij haar verloren had. Dit was zijn bitterste teleurstelling. Over de rest—zijn misdaad—zou hij wel gauw heen komen.
Het was geen weekhartigheid, die hem er toe bracht, Pierrot's graf vlak naast dat van zijn vrouw te maken. Dàt hij een graf voor hem groef, was louter uit voorzichtigheid, niet uit edeler gevoelens. Hij gaf Pierrot een fatsoenlijke begrafenis, zooals de eene blanke man die een anderen bereidt.
Daarna goot hij Pierrot's petroleumvoorraad uit op de plaatsen, waar hij er het meeste nut van zou hebben en bracht er een lucifer bij. Hij bleef aan den zoom van het bosch staan tot de hut niet meer was dan een vlammenmassa. De sneeuw viel dicht. Het versch-gegraven graf vormde een wit heuveltje en ook de paden zagen al wit. Voor zijn waarneembare daden gevoelde Mc Taggart geen vrees, terwijl hij naar Lac Bain terugkeerde. Niemand zou ooit het graf van Pierrot Du Quesne openen. En als zulk een wonder al gebeurde, zou niemand hem kunnen verraden. Maar van één herinnering zou zijn zwarte ziel zich nooit kunnen bevrijden. Altijd zou hij het bleeke gelaat van de Wilg voor zich zien, zooals zij hem in haar oogenblik van triomf had aangezien, den dood verkiezend boven hem, toen hij had uitgeroepen: „God, is zij niet prachtig!”
Zooals Bush Mc Taggart Baree vergeten had, zoo had Baree ook hem vergeten. Terwijl Mc Taggart langs den rand van den afgrond liep, was Baree op de plek gebleven waar Nepeese het laatst gestaan had, zijn voorpooten schrap zettend, terwijl hij in de diepte keek. Hij had haar den sprong zien doen.
Dezen zomer had hij haar meermalen gevolgd op haar moedig duiken in het diepe, kalme water van den poel. Maar dit was een ontzaglijke afstand. Op een dergelijke plaats was zij nog nooit gedoken. Hij kon de zwarte toppen van de rotsen zien, verschijnend en weer verdwijnend in het klotsende schuim, als zeemonsters, die aan het spelen zijn; het geraas van het water dreunde in zijn ooren; hij zag verbrokkeld ijs snel voortglijden tusschen de rotswanden. En zij was daarin gesprongen.
Hij gevoelde een groot verlangen, haar te volgen, haar na te springen, zooals hij haar altijd nagesprongen was. Zij was stellig daar beneden, al kon hij haar niet zien. Misschien speelde zij wel tusschen de rotsen en verstopte zich onder het witte schuim, zich afvragend waarom hij niet kwam. Maar hij aarzelde—aarzelde, met kop en nek over den rand van den afgrond, terwijl zijn voorpooten wat meegaven in de sneeuw. Krachtig drong hij zich weer achteruit en jankte. Hij rook den verschen reuk van Mc Taggart's mocassins in de sneeuw en het janken veranderde langzaam in een langen, woedenden grauw. Hij keek weer over den rand. Nog steeds kon hij haar niet zien. Hij blafte—het korte, scherpe signaal, waarmee hij gewoon was haar te roepen. Geen antwoord. Hij blafte nog eens en nog eens en altijd was het eenige geluid, dat hem antwoordde, het geraas van het water. Daarna bleef hij eenige oogenblikken stilstaan en luisterde, terwijl zijn lijf sidderde door den vreemden angst, die hem bekroop.
De sneeuw viel nog steeds en Mc Taggart was naar de hut teruggekeerd. Na een poosje begon Baree het voetspoor van den man te volgen langs den afgrond, en waar Mc Taggart stil was blijven staan, om over den rand te kijken, hield Baree ook even op. Een tijdlang werd zijn haat onderdrukt door het verlangen, de Wilg te vinden en hij bleef langs het water voortgaan tot op een kwart mijl waar de agent het laatst was blijven staan; toen kwam hij aan een nauw paadje, waar Nepeese en hij dikwijls op zoek geweest waren naar boschviooltjes. Het kronkelende paadje, dat naar de rots leidde, was geheel volgesneeuwd, maar Baree baande er zich een weg door, tot hij ten laatste bij het nog onbevroren stroompje stond. En Nepeese was hier evenmin. Hij jankte en blafte opnieuw, maar ditmaal was er een ongeruste klank in zijn roep aan haar, alsof hij wel verwachtte, geen antwoord te krijgen. Daarna bleef hij wel vijf minuten lang in de sneeuw zitten, onbeweeglijk als een rots. Wat er uit de sombere geheimzinnigheid van het water tot hem kwam, welk geestgefluister der natuur hem de waarheid deed begrijpen, blijft onverklaarbaar. Maar hij bleef luisteren en toekijken en zijn spieren bewogen zich krampachtig, terwijl het begrip van de waarheid in hem groeide; en ten laatste hief hij langzaam den kop op, totdat zijn zwarte snoet naar den hemel wees, waaruit nog steeds een gordijn van sneeuw zakte en uit zijn strot kwam het jammerende, langgerekte gehuil, dat de hond in de wildernis aanheft, buiten de tent, waarin zijn pas gestorven meester ligt.
Mc Taggart, juist op den terugweg naar Lac Bain, hoorde dit gehuil en rilde.
De rooklucht, die steeds sterker werd, bereikte eindelijk ook Baree's neusgaten en deed hem naar de hut terugkeeren. Er was niet veel meer van overgebleven, toen hij de open plek bereikte. Waar eens de hut gestaan had, lag nu een roodgloeiende, smeulende puinhoop. Lang bleef Baree er naar kijken, nog steeds wachtend en luisterend. Hij voelde niet langer de uitwerking van den kogel, die hem verdoofd had, maar zijn zinnen ondergingen nu weer een verandering, even onwezenlijk als hun worsteling tegen den dood, zooeven in de hut. In een kleine tijdsruimte, van niet langer dan een uur, was de wereld voor Baree geheel veranderd. Toen zat de Wilg nog voor haar spiegeltje in de hut, praatte tegen hem en lachte vroolijk, al worstelend met haar nieuw kapsel, terwijl hij in volmaakte tevredenheid op den vloer lag uitgestrekt. En nu bestond er geen hut meer, geen Nepeese en geen Pierrot. Bedaard worstelde hij om dit alles in zich op te nemen. Het duurde nog een poos voor hij onder de dichte balsemstruiken uitkwam, want een groeiende achterdocht begon zijn handelingen al te leiden. Hij naderde de smeulende overblijfselen van de hut niet dichter, maar ging omzichtig langs de open plek, naar de hondenverblijfplaats. Zoodoende kwam hij onder de hooge sparren. Een volle minuut bleef hij hier staan en snuffelde aan het nieuwe heuveltje onder zijn mantel van sneeuw. Toen hij verder ging, sloop hij nog dichter langs den grond en lagen zijn ooren plat op zijn kop. De hondenverblijfplaats stond open en was leeg. Daar had Mc Taggart voor gezorgd. En opnieuw ging Baree zitten en joeg zijn doodsgehuil de lucht in. Ditmaal was het voor Pierrot bestemd. De klank er van verschilde met het gehuil aan den rand van den afgrond. Er klonk overtuiging in. Zekerheid. Bij den afgrond was er nog eenige twijfel in geweest—een vragende hoop—en in zijn smart had zoo iets bijna menschelijks geklonken, dat Mc Taggart er een rilling van gekregen had. Baree wist wat er in dat versche, door sneeuw bedekte graf lag. Een schamele drie voet aarde kon dat geheim niet voor hem verbergen. Hier was de dood, onherroepelijk. Maar wat Nepeese aangaat—hij hoopte en zocht nog steeds.
Tot den middag toe bleef hij in de buurt van de hut, maar niet meer dan ééns naderde hij den zwarten hoop hout, waar de sneeuw nog op neerviel en snuffelde er aan. Telkens en telkens weer liep hij de open plek rond, steeds in de buurt van het struikgewas blijvend, snoof in de lucht en luisterde. Tweemaal ging hij terug naar den afgrond. Laat in den middag kreeg hij plotseling een inval, die hem snel door het bosch deed loopen.
Hij deed het nu niet openlijk; voorzichtigheid, achterdocht en vrees hadden opnieuw de wolf-instinkten in hem gewekt. Met zijn ooren plat op zijn kop liggend, zijn staart neerhangend, zoo laag, dat de punt er van door de sneeuw sleepte en zijn rug doorbuigend op die eigenaardige wolvenmanier, kwam hij ternauwernood uit de schaduw der balsemstruiken en sparren. Hij aarzelde niet, welken weg hij nemen zou, hij ging recht op zijn doel af, het bosch door en kwam tegen het invallen van de schemering op de open plek, waarheen Nepeese met hem gevlucht was, dien dag, toen zij Mc Taggart in het water had geduwd. Inplaats van het hutje van balsemstruiken, stond er nu een van waterdichten berkebast, dat Pierrot en de Wilg in den afgeloopen zomer gemaakt hadden. Baree ging er recht op af en stak zijn kop naar binnen met een zacht gejank, vol verwachting. Er volgde geen antwoord. Het was donker en koud in het hutje. Hij kon duidelijk de twee dekens onderscheiden, die er altijd lagen; de rij groote blikken doozen, waarin Nepeese hun provisie bewaarde en de kachel, die Pierrot geimproviseerd had uit resten van ijzer en blik. Maar Nepeese zag hij niet. En hij kon buiten evenmin een spoor van haar ontdekken. De sneeuw was onbetreden, behalve door hemzelf. Het was donker geworden toen hij naar de afgebrande hut terugkeerde. Hij bleef den heelen nacht in den omtrek van de verlaten hondenverblijfplaats en de sneeuw bleef nog aanhoudend vallen, zoodat hij, toen hij bij het aanbreken van den morgen zich naar het open gedeelte begaf, er tot aan zijn schouders inzonk.
Maar de hemel klaarde toch op. De zon kwam op en de wereld bood een bijna te schitterenden aanblik voor de oogen. Zij verwarmde Baree's bloed door nieuwe hoop en verwachtingen. Zijn brein worstelde nog heviger dan den vorigen dag om te begrijpen. Vast en zeker zou de Wilg nu spoedig terugkeeren! Hij zou haar stem weer hooren. Zij zou plotseling uit het bosch te voorschijn komen. Hij zou een teeken van haar krijgen. Eén van deze dingen, of alles tegelijk, moest gebeuren. Hij bleef oogenblikkelijk staan zoodra hij maar een geluid hoorde en snoof den wind in, in alle richtingen. Hij trok onophoudelijk voort. Hij liet diepe sporen achter in de sneeuw, rondom en over den grooten witten heuvel, waar eens de hut gestaan had; zij liepen van de hondenverblijfplaats naar de hooge sparren en zij waren zoo talrijk als de sporen van een geheelen wolventroep, een halve mijl in den omtrek van den afgrond.
Dien tweeden dag, 's middags, kreeg hij zijn tweeden grooten inval. Het was geen zuiver instinkt en toch ook weer niet geheel beredeneerd. Het was een worsteling er tusschenin, de primitieve geest, die zijn best deed, iets abstracts te begrijpen—iets, dat niet door het oog gezien kon worden of door het oor gehoord. Nepeese was niet in de hut, omdat er geen hut meer was. Zij was ook niet in het kleine hutje. Hij kon geen spoor van haar meer ontdekken bij den afgrond. Zij was ook niet bij Pierrot in het graf onder de hooge sparren.
Daarom ging hij, zonder er redenen voor te kunnen opgeven, maar volkomen zeker van zijn zaak, de oude vallenlijn volgen, het noordwesten in.